Foto omschrijving: Canadese Prime Minister Mark Carney, European Council President Antonio Costa en European Commission President Ursula von der Leyen tijdens de persconferentie na afloop van de 20th EU-Canada summit in Brussel, June 2025

Handelsverdrag CETA: wie plukt de vruchten?

Auteurs: Loe Franssen, Janneke Rooyakkers

Sinds september 2017 kunnen bedrijven in Nederland die handelen met Canada gebruikmaken van verlaagde invoerheffingen onder het handelsverdrag CETA. Er is echter nog maar weinig onderzoek gedaan naar de gevolgen van dit handelsverdrag voor het (Nederlandse) bedrijfsleven. Alhoewel het de handelskosten duidelijk kan verlagen, is het nog onduidelijk of hier ook daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt en bij wie deze besparingen precies terechtkomen. Daarom kijken we in dit hoofdstuk naar twee aspecten van het handelsverdrag: in hoeverre maken Nederlandse importeurs gebruik van de preferenties uit het verdrag en in hoeverre komen de besparingen vervolgens ook daadwerkelijk terecht bij deze Nederlandse importeur?

4.1Inleiding

In oktober 2016 bereikten de Europese Unie en Canada een akkoord over het handels­verdrag Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA). Het verdrag beoogt wederzijdse handelsbelemmeringen te verminderen en markten verder open te stellen, onder meer door het afbouwen van invoerheffingen en het vergemakkelijken van markttoegang voor handel in goederen en diensten. Grofweg 99 procent van alle Europese invoerheffingen wordt ermee verlaagd of opgeheven (Nilsson, 2022). Hoewel CETA in verschillende EU-lidstaten nog altijd niet volledig is geratificeerd, is het verdrag al sinds september 2017 voorlopig in werking. Dat betekent dat de afgesproken heffingsverlagingen sinds dat moment al van toepassing zijn op de handel tussen de EU en Canada. Bedrijven in Nederland die handelen met Canada kunnen daarom al zo’n acht jaar profiteren van verlaagde douanerechten. De goederenhandel tussen Canada en de EU is daarmee geïntensiveerd: de EU-export naar Canada nam volgens het Europees Parlement (2023) tussen 2017 en 2022 met 27 procent toe door CETA, en de importwaarde met 32 procent. Daarnaast toonden Cernat et al. (2025) recentelijk aan dat CETA ervoor heeft gezorgd dat er vanuit de EU zo’n 11 procent meer bedrijven exporteren naar Canada, waarbij de groei het grootst was voor kleinere bedrijven.

Handelen onder verlaagde tarieven door CETA is niet vanzelfsprekend, en ook niet voor alle bedrijven binnen handbereik. Zo is het voor kleinere bedrijven ten eerste doorgaans moeilijker om überhaupt over de grens te handelen: hoewel zo’n 99 procent van de bedrijven in Nederland behoort tot het zelfstandig midden- en kleinbedrijf (zmkb), zijn ze slechts verantwoor­delijk voor nog geen kwart van de import- en exportwaarde, blijkt uit cijfers van het CBS. De beperkte aanwezigheid van kleinere – doorgaans minder productieve – bedrijven in de internationale handel komt onder andere door de kosten die verbonden zijn aan het betreden van een internationale markt (Bernard et al., 2007).

Zelfs als een bedrijf al handelt met Canada, betekent de aanwezigheid van een handels­verdrag nog niet dat er dan automatisch gebruik van gemaakt kan worden. Zo zijn er nog altijd enkele producten waarop geen heffingsverlaging van toepassing is in de Canadees-Nederlandse handel, zoals eieren (Europese Commissie, n.d.). Voor de meeste goederen waar het Most-Favoured Nation (MFN) tarief al niet 0% was geldt er wel een heffings­verlaging, maar een bedrijf moet die verlaging actief aanvragen. Vervolgens controleert de douane of de producten hun oorsprong wel kennen in de landen van het verdrag (Canada en de landen van de Europese Unie), voordat de verlaging toegekend wordt. De exporteur levert hiervoor documenten aan, die de importeur nodig heeft om de heffingsverlaging te bewerkstelligen. Dit kost tijd, geld en moeite voor de bedrijven, wat een belangrijke reden is dat niet alle bedrijven er gebruik van maken (Krishna et al., 2022; Legge & Lukaszuk, 2024). Rapportage door de Europese Commissie laat zien dat de preference utilisation rate (PUR)noot1 van handelsverdragen in 2023 gemiddeld rond de 78 procent ligt, terwijl die van CETA in dat jaar 58 procent was voor de totale handel van de EU met Canada (Europese Commissie, 2024). In dit hoofdstuk zullen we kijken naar het gebruik van het handelsverdrag door Nederlandse importeurs, en of daarbij verschillen zijn tussen bedrijven van verschillende grootteklassen.

Maar zelfs als de Nederlandse importeur gebruikmaakt van de heffingsverlaging is het nog niet zeker dat deze ook volledig op zijn conto komt. De importeur is namelijk afhankelijk van de exporteur voor het leveren van de juiste documenten die preferentiële oorsprong aantonen, waardoor het zo kan zijn dat de exporteur daarvoor gecompenseerd wil worden in de vorm van een hogere verkoopprijs. Deze pass-through, oftewel de mate waarin een verandering in een invoerheffing doorwerkt in de inkoopprijs (inclusief de heffing) voor de importeur, is onderwerp van discussie. Dit is met name zo in het kader van een verhoging van de douanerechten (bijvoorbeeld Fajgelbaum et al., 2020), maar hetzelfde kan spelen bij een heffingsverlaging (bijvoorbeeld Hayakawa et al., 2022; Olarreaga & Özden, 2005). Zeker wanneer de importeur onervaren is, of om een bepaalde reden minder onderhandelings­macht heeft, zou het zo kunnen zijn dat hij in het geval van een heffingsverlaging een deel zouden moeten afstaan aan de Canadese exporteur. Die verschillen zouden zich bijvoorbeeld kunnen aftekenen tussen bedrijven die deel uitmaken van het zelfstandig mkb in vergelijking met het grootbedrijf. Daarom kijken wij in het tweede deel van deze analyse naar de pass-through van de heffingsverlaging, en daarbij ook weer naar mogelijke verschillen tussen Nederlandse importeurs.

In dit hoofdstuk onderzoeken we dus twee vragen:

  1. In hoeverre maken (verschillende typen) bedrijven in Nederland gebruik van het handelsverdrag CETA bij de import uit Canada, en welke factoren zijn daarin bepalend?
  2. In welke mate delen importeurs in Nederland de voordelen die ze genieten door gebruik te maken van het handelsverdrag CETA met de exporteur in Canada en zien we daarin verschillen tussen typen bedrijven?

Leeswijzer

In dit hoofdstuk zoomen we in op het gebruik van het handelsverdrag tussen Canada en de EU, en waar de besparingen terechtkomen. In paragraaf 4.2 beschrijven we allereerst het gebruik van CETA aan de hand van verschillende maatstaven. Daarbij maken we ook onderscheid naar het zelfstandig mkb en naar het grootbedrijf. Daarna komen ook de determinanten voor het gebruik van CETA aan bod in de econometrische analyse. In para­graaf 4.3 staat vervolgens het al dan niet delen van de voordelen van CETA tussen de importeur en de exporteur centraal, waarbij we ook ingaan op verschillen tussen typen bedrijven. In paragraaf 4.4 staat tot slot de samenvatting en conclusie met ideeën voor toekomstig onderzoek die uit dit hoofdstuk volgen.

80% van de daarvoor in aanmerking komende import uit Canada maakte in 2023 gebruik van het handelsverdrag CETA
16,4 miljoen euro aan mogelijke besparingen op invoerrechten bij de import uit Canada werd niet benut in 2023

4.2Het gebruik van CETA door Nederlandse importeurs

Er zijn meerdere manieren om het gebruik van een handelsverdrag samen te vatten in één cijfer. De meest voorkomende methode is het berekenen van de zogenaamde preference utilisation rate (PUR), ofwel het gebruiksaandeel. Daarbij wordt gekeken naar de totale importwaarde van goederen waarvoor preferentie is aangevraagd, gedeeld door de totale importwaarde van goederen die in aanmerking komen voor een heffingsverlaging. In figuur 4.2.1 komt dat in 2023 neer op 674 miljoen euro aan preferentiële import terwijl 1,1 miljard euro aan importwaarde ervoor in aanmerking kwam, oftewel een gebruiksaandeel van 61 procent.noot2

Weergave van het gebruiksaandeel van het CETA-handelsverdrag volgens preference utilisation rate (PUR). Daarbij wordt gekeken naar de totale importwaarde van goederen waarvoor preferentie is aangevraagd gedeeld door de totale importwaarde van goederen die in aanmerking komen voor een heffingsverlaging. In 2023 komt dat neer op 674 miljoen euro aan preferentiële import terwijl 1,1 miljard euro aan importwaarde ervoor in aanmerking kwam, oftewel een gebruiksaandeel van 61 procent. 4.2.1 Verdeling importwaarde uit Canada naar preferentiegebruik, 2023 Totale invoer uit Canada €4 274 mln MFN = 0% €3 177 mln (74%) MFN >0% €1 097 mln (26%) Valt onder CETA €1 097 mln (100%) Voldoet aan oorsprong €841 mln (77%) Maakt geen gebruik van CETA €102 mln (12%) Maakt gebruik van CETA €674 mln (80%) Voldoet niet aan oorsprong €257 mln (23%) Valt niet onder CETA <€1 mln (0%)

Het gebruiksaandeel houdt echter geen rekening met de hoogte van individuele heffingsverlagingen, de zogenaamde preferentiële marge. De preferentiële marge is het verschil tussen het (algemeen geldende) MFN-tarief en het preferentiële CETA-tarief. De duty savings rate (DSR), ofwel het besparingsaandeel, houdt daar wel rekening mee, aangezien dit het aandeel van de gerealiseerde besparingen in de totale mogelijke besparingen berekent. Met een preferentiegebruik van 61 procent lijkt er nog altijd veel winst te behalen. Het besparingsaandeel vat dit ook mooi samen: zo’n 30 procent van de mogelijke besparingen bleef onbenut, oftewel 16,4 miljoen euro aan mogelijke besparingen.

Bij deze cijfers moet echter meteen een belangrijke kanttekening geplaatst worden: een preferentiegebruik van 100 procent is in deze vorm hoogst onwaarschijnlijk. Dit komt omdat veel producten simpelweg niet aan de oorsprongsregels zullen voldoen. Dat wil zeggen: veel producten die verhandeld worden tussen Canada en Nederland, kennen hun oorsprong buiten Canada en/of de EU, waardoor zij geen aanspraak kunnen maken op de heffingsverlaging.

Idealiter zou het gebruiksaandeel daarom geconditioneerd worden op de voorwaarde dat alleen producten die allemaal hun oorsprong kennen in de landen van het handelsverdrag worden meegenomen, maar die informatie is doorgaans niet beschikbaar. In de data gebruikt voor dit onderzoek is die informatie wél beschikbaar voor alle importtransacties: zo’n 58 procent van alle importtransacties in 2023 – gezamenlijk goed voor 85 procent van de Nederlandse importwaarde uit Canada – kende haar oorsprong in Canada of de EU.

We kunnen hierdoor een zuiverdere mate berekenen van het preferentiegebruik. Zuiverder omdat dit cijfer in theorie wel 100 procent zou kunnen zijn. Wanneer we alleen kijken naar het gebruiksaandeel bij de transacties die kunnen voldoen aan de oorsprongsregels omdat de goederen hun oorsprong kennen in Canada of de EU, dan komen we uit op een PUR van 80 procent in 2023.noot3

11,3 miljoen euro aan mogelijke besparingen op invoerheffingen bij de import uit Canada van producten met oorsprong in de EU of Canada werd niet benut in 2023

Figuur 4.2.2 toont het preferentiegebruik in 2023 volgens de methode zoals die doorgaans gehanteerd wordt (links) en met de voorwaarde dat alleen naar producten gekeken wordt die hun oorsprong kennen in de landen van het verdrag (rechts). Dan is duidelijk dat het gebruik van CETA gemiddeld met maar liefst zo’n 20 procentpunt omhoog gaat. De besparingen die dan nog blijven liggen (duty savings rate) zijn dan nog 25 procent, oftewel 11,3 miljoen euro in 2023, zie daarvoor figuur 4.2.3.

4.2.2 Gebruiksaandeel (PUR) bij de import uit Canada, 2023 (%)
Gewogen PUR
Alle import die in aanmerking komt voor CETA 61,5
Waarvan met oorsprong in Canada of de EU 80,2

Het gebruik van CETA lijkt volgens deze handelsgewogen analyses dus vrij hoog. Wanneer we de waarde van de importstroom echter achterwege laten en puur kijken naar het aandeel van de transacties die in aanmerking komen voor preferentiële import dan zien we een heel ander beeld: ‘slechts’ zo’n 25–30 procent van alle transacties maakt gebruik van het verdrag, zie de donkerblauwe lijn in figuur 4.2.4. Dit suggereert dat er dus nog altijd kosten en moeite gepaard gaan met het aanvragen van de heffingsverlaging, en dat bedrijven pas gebruik gaan maken van het verdrag wanneer zich dat loont. Dat is ook het beeld wat uit de literatuur naar voren komt: het gebruik van preferenties neemt toe met de preferentiële marge en met de importwaarde (Kasteng et al., 2024; Keck & Lendle, 2012; Nilsson, 2016). Dat samen zorgt er dan voor dat de totale besparing voldoende opweegt tegen de kosten en moeite van het aanvragen van de preferentiële toegang.

4.2.4 Gewogen en ongewogen gebruiksaandeel (PUR) bij import uit Canada (%)
Gewogen PUR Ongewogen PUR
2018 60,5 22,1
2019 64,3 28,5
2020 70,7 29,9
2021 80,3 23,4
2022 77,8 22,8
2023 80,2 20,2

Bedrijfsverschillen

In de rest van deze analyse over het preferentiegebruik kijken we naar verschillen tussen typen bedrijven. Specifiek maken we onderscheid naar bedrijven behorend tot het zelfstandig mkb en behorend tot het grootbedrijf.noot4 Zoals eerder besproken zijn er namelijk redenen om aan te nemen dat bedrijven uit het zelfstandig mkb minder gebruik zouden maken van het verdrag, vanwege de relatief hoge kosten die gepaard kunnen gaan met het aanvragen van preferenties. In figuur 4.2.5 plotten we ten eerste het handelsgewogen en -‍ongewogen gebruik van CETA naar type bedrijf. Dan valt het verschil tussen het zelfstandig mkb en het grootbedrijf op: bij de gewogen PUR zien we dat het zelfstandig mkb minder gebruikmaakt van het verdrag. Dit is ook het beeld dat we verwachten op basis van de literatuur: kleinere, minder productieve bedrijven kunnen de kosten niet dragen om gebruik te maken van een handelsverdrag of het kost ze te veel moeite. Maar als we kijken naar de ongewogen cijfers, dus simpelweg het gebruik van CETA per transactie, dan zien we dat het zelfstandig mkb juist méér gebruikmaakt van het verdrag.

4.2.5 Gewogen en ongewogen gebruiksaandeel (PUR) per type bedrijf bij import uit Canada, 2023 (%)
Zelfstandig mkb Grootbedrijf
Gewogen PUR 65,1 85,3
Ongewogen PUR 29,8 14,1
85% is de (gewogen) preference utilisation rate bij de import van producten die hun oorsprong kennen in Canada of de EU door het grootbedrijf in 2023

Een andere manier om figuur 4.2.5 te interpreteren is dat beide groepen bedrijven meer gebruikmaken van het verdrag wanneer de importwaarde hoger is, alleen is die toename bij het grootbedrijf nog groter. Het is daarom interessant om verder in te zoomen op deze blijkbaar belangrijke determinant van het preferentiegebruik, de handelswaarde, die we nog combineren met de preferentiële marge. Dat doen we in figuur 4.2.6, waar we de totale besparingen per transactie (in 20 kwantielen) afzetten tegen het preferentiegebruik. De totale besparing per transactie is het product van de importwaarde en de preferentiële marge. Ook dat doen we weer apart voor het grootbedrijf en het zelfstandig mkb.

We zien in figuur 4.2.6 een positief verband tussen het gebruiksaandeel (de PUR) en de mogelijke besparing: wanneer de mogelijke besparingen hoger zijn, loont het zich meer om gebruik te maken van het handelsverdrag. Verder zien we ook dat het zelfstandig mkb voor bijna elk niveau aan besparingen méér gebruikmaakt van CETA. Een belangrijke uitzondering is echter het allerlaatste niveau waar de PUR van het grootbedrijf boven die van het zelfstandig mkb ligt. Dit wordt met name gedreven door relatief weinig transacties door enkele grootbedrijven met een erg hoge importwaarde. Het zijn ook deze transacties waardoor het grootbedrijf in de vorige figuur 4.2.5 bij het gewogen gebruik van CETA boven het zelfstandig mkb uitkomt.

4.2.6 Gebruiksaandeel (PUR) afgezet tegen de mogelijke besparingen per type bedrijf bij import uit Canada, 2023 (%)
Mogelijke besparingen per transactie gerangschikt in 20 kwantielen Zelfstandig mkb Grootbedrijf
1 1,6 1,7
2 8,5 2,7
3 10,1 6,8
4 8,0 9,4
5 9,7 11,5
6 18,8 9,3
7 11,3 9,1
8 18,3 7,8
9 18,1 6,9
10 22,0 7,3
11 25,5 7,7
12 27,1 9,3
13 25,8 9,9
14 25,1 10,6
15 33,9 11,3
16 39,5 14,3
17 48,0 18,2
18 54,4 23,8
19 57,4 31,5
20 74,0 73,5

Om echt goed zicht te krijgen op de factoren achter preferentiegebruik en hoe die verschillen tussen het zelfstandig mkb en het grootbedrijf gebruiken we in de laatste stap van deze analyses nog een econometrisch model dat rekening houdt met geobserveerde en niet-geobserveerde verschillen tussen bedrijven, producten en maanden. Specifiek gebruiken we een zogenaamd lineair waarschijnlijkheidsmodel die de kans schat dat een bepaalde transactie die in aanmerking komt voor preferentiële behandeling daar ook gebruik van maakt. Als determinanten gebruiken we, in variërende samenstelling, de (log van) de preferentiële marge, totale importwaarde, mogelijke besparingen, arbeidsproductiviteit en importervaring. Deze determinanten interacteren we dan met een zelfstandig mkb dummy variabele om te kijken in hoeverre deze determinanten verschillen tussen de twee typen bedrijven (zelfstandig mkb en grootbedrijf). Tot slot controleren we ook op verschillende niveaus voor ongeobserveerde en tijdsonafhankelijke verschillen tussen bedrijven en producten, alsook maanden.

Tabel 4.2.7 toont de resultaten van deze econometrische exercitie. De voornaamste conclusie is dat uit alle specificaties blijkt dat zelfstandig mkb’ers vaker gebruikmaken van CETA dan het grootbedrijf. Ook blijkt dat zij gevoeliger zijn voor de besparingen die met elke transactie kunnen worden behaald. Dat beeld bleek in zekere zin ook al uit figuur 4.2.6, waarbij de helling voor het zelfstandig mkb – op de (voor-)laatste categorie na – steiler is dan die voor het grootbedrijf. Arbeidsproductiviteit blijkt – na het controleren voor andere variabelen – geen significante determinant te zijn. Het is dus niet zo dat productievere bedrijven meer gebruikmaken van het verdrag, een verband dat bijvoorbeeld Demidova et al. (2012) eerder wel aantoonden.

Eén determinant die nog niet besproken is maar wel van invloed blijkt, is de ervaring die het bedrijf heeft in het handelen in dit product. Kasteng et al. (2024) toonden eerder aan dat dit een belangrijke determinant is voor het gebruik van een handelsverdrag. Het is ook logisch dat wanneer een bedrijf vaker handelt in een bepaald product, het meer bekend is met de vereisten daaromtrent en specifiek om preferentieel gebruik ervan mogelijk te maken. Bovendien blijken de kosten van het gebruik van een handelsverdrag af te nemen naarmate de ervaring toeneemt (Krishna et al., 2022). Dat zien we in onderstaande analyses ook terug, waarbij deze ervaring zelfs nog zwaarder weegt voor het zelfstandig mkb dan het grootbedrijf (figuur 4.2.8).

4.2.7Econometrische onderzoeksresultaten preferentiegebruik
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8)
Zelfstandig mkb 0,0970*** 0,0616*** 0,0714*** 0,0709*** 0,0712*** 0,173*** 0 0
(0,00285) (0,0197) (0,0197) (0,0198) (0,0196) (0,0429) (.) (.)
Preferentiële marge (log) –0,0139
(0,0624)
Importwaarde (log) 0,0397***
(0,00324)
Besparingen (log euro’s) 0,0382*** 0,0353*** 0,0381*** 0,0305*** 0,0330***
(0,00315) (0,00359) (0,00314) (0,00323) (0,0028)
Zelfstandig mkb x Besparing 0,0147*** 0,0129***
(0,00527) (0,00475)
Aantal hs4 transacties (log) 0,0332*** 0,0334*** 0,0333*** 0,0238*** 0,00939*** 0,00523
(0,00713) (0,00715) (0,00713) (0,00748) (0,00336) (0,00403)
Zelfstandig mkb x Aantal transacties 0,0470*** 0,0228**
(0,0125) (0,0098)
Arbeidsproductiviteit (log) –0,00454 –0,00449 –0,00458 –0,00418 0,00901 0,00876
(0,00556) (0,00558) (0,00553) (0,00553) (0,0101) (0,0102)
Observaties 106 930 106 079 90 581 90 581 90 581 90 581 87 828 87 828
Fixed effects Geen p, m p, m p, m p, m p, m b, p, m b, p, m

Fixed effects: p is product, m is maand, b is bedrijf.

Standaardfouten tussen haakjes. Geclusterd op product en bedrijfsniveau.

* p <0,10; ** p <0,05; *** p <0,01

4.2.8 Gebruiksaandeel (PUR) afgezet tegen importervaring in dat product per type bedrijf bij import uit Canada, 2023 (%)
Mogelijke besparingen per transactie gerangschikt in 6 kwantielen Zelfstandig mkb Grootbedrijf
1 13,0 8,2
2 24,7 10,2
3 34,7 14,7
4 47,0 19,8
5 39,9 19,2
6 22,7 13,3

Uit bovenstaande analyses blijkt dus overduidelijk dat er door bedrijven in Nederland vrij veel gebruik wordt gemaakt van CETA, en bovendien ook nog eens relatief veel door zelfstandig mkb’ers. Dit blijft opvallend, omdat het niet strookt met de theorie dat de vaste kosten van het gebruik van CETA voor het zelfstandig mkb relatief zwaarder zouden wegen waardoor zij er juist minder gebruik van zouden moeten maken. Het is dan ook niet eenvoudig om hier direct een verklaring voor te geven. Mogelijk zit het in het specifieke ontwerp van CETA, waar meerdere bepalingen in zijn opgenomen die erop gericht zijn het gebruik van het verdrag door kleine en middelgrote ondernemingen te stimuleren. Zo zijn in de uitvoering van het verdrag speciale mkb servicepunten ingericht die informatie-uitwisseling en voorlichting voor het mkb moeten verbeteren. De EU en Canada stellen bovendien gezamenlijke werkplannen op om het mkb beter te informeren over markttoegang, oorsprongsregels en administratieve procedures onder CETA. Via netwerken als het Enterprise Europe Network en online portalen wordt praktische handelsinformatie actief gedeeld met kleinere bedrijven.

Daarnaast is CETA een modern handelsverdrag waarin verschillende administratieve vereisten zijn vereenvoudigd. Zo is het traditionele systeem met fysieke oorsprongs­certificaten (EUR.1) vervangen door een digitaal systeem van zelfverklaringen van oorsprong, waardoor bedrijven mogelijk eenvoudiger en sneller preferentiële behandeling kunnen claimen. Deze vereenvoudiging kan de vaste kosten die gepaard gaan met het gebruik van het verdrag verlagen, wat mogelijk vooral het zelfstandig mkb ten goede komt.

Een andere mogelijke verklaring zit bij de bedrijven zelf. Onderzoek toont aan dat bedrijven die meer vervlochten zijn in internationale waardeketens doorgaans meer kosten maken om gebruik te maken van preferenties, omdat het moeilijker is om aan te tonen dat het product voldoet aan de oorsprongsregels. Daardoor is het preferentiegebruik lager onder deze groep bedrijven (Cadot et al., 2014). En de bedrijven met een gediversifieerde waardeketen behoren vaak tot het grootbedrijf, wat kan verklaren dat de PUR hoger is onder het zelfstandig mkb.

Om beter zicht te krijgen in hoeverre deze kenmerken daadwerkelijk de oorzaak zijn van het hoge gebruik van het verdrag onder het zelfstandig mkb is verder onderzoek nodig. Zo’n onderzoek zou bijvoorbeeld informatie over meerdere handelsverdragen moeten combineren, waardoor verschillen in ontwerp direct met elkaar vergeleken kunnen worden.

4.3Gelijke monniken, gelijke kappen?

Zoals besproken in de inleiding stelt zich nog altijd de vraag in hoeverre een heffingsverlaging ook daadwerkelijk bij de importeur terechtkomt, zodra hij gebruik heeft weten te maken van het handelsverdrag. In de praktijk is het natuurlijk zo dat de importeur de goederen moet inklaren bij de douane en daarbij voor de mogelijke douanerechten betaalt. Het is in het geval van een heffingsverlaging door het gebruik van een handelsverdrag dan ook aannemelijk dat de voordelen van de heffingsverlaging ook niet gedeeld worden tussen importeur en exporteur, maar bij de importeur blijven die anders de heffing betaald had. Echter is de importeur in Nederland afhankelijk van de Canadese exporteur die documenten moet leveren om aan te tonen dat het product zijn oorsprong kent in een van de landen van het verdrag en er dus gebruik mag worden gemaakt van CETA. Het is dus voor een groot deel de leverancier die bepaalt of de importeur de heffingsverlaging krijgt. Het is daarom ook mogelijk dat de exporteur daarvoor gecompenseerd wil worden. Eerder onderzoek vindt doorgaans onvolledige en heterogene pass-through, wat wil zeggen dat de importeur en exporteur de heffingsverlaging delen. Hoe dat voordeel gedeeld wordt, is afhankelijk van bijvoorbeeld het producttype, de preferentiële marge en de marktmacht van bedrijven (Cirera, 2014; Hayakawa et al., 2022; Olarreaga & Özden, 2005). Om dus een volledig beeld te krijgen van in hoeverre Nederlandse importeurs profijt hebben van CETA is het niet voldoende om alleen naar gebruik te kijken, maar moeten we ook rekening houden met de daaropvolgende verdeling.

Om hier een antwoord op te geven, kijken we naar de eenheidswaarde van het product dat geïmporteerd wordt. Wanneer deze prijs omhoog gaat in het geval van een preferentiële importtransactie, al het overige gelijkblijvend, is dat een sterke indicatie dat de exporteur gecompenseerd wordt voor zijn bijdrage en een deel van de heffingsverlaging vertaald ziet worden in een hogere prijs die hij ontvangt. Stel namelijk dat een product voor 10 euro wordt geïmporteerd en dat er onder niet-preferentiële (MFN) voorwaarden nog 1 euro aan douanerechten bovenop zou komen. Die euro moet betaald worden door de Nederlandse importeur, anders krijgt die de goederen niet ingeklaard. Wanneer de importeur echter gebruik kan maken van CETA vervalt deze euro aan extra kosten die in theorie dan volledig naar de importeur gaan. Wij zijn geïnteresseerd in een situatie waarbij de Canadese exporteur mogelijk een deel van die besparing terug wil zien in de vorm van een hogere exportprijs, bijvoorbeeld omdat de exporteur ook tijd en moeite moet steken om de benodigde formulieren die preferentiegebruik mogelijk maken aan te leveren.

Preferentiële importprijs doorgaans hoger dan MFN importprijs

Wanneer we kijken naar het verschil in de eenheidsprijs (per kilo) dan zien we ook dat de mediane preferentiële importprijs zo’n 55 procent hoger ligt dan de mediane niet-preferentiële (MFN) prijs. Dit zou kunnen suggereren dat de besparingen gedeeld worden tussen de importeur en de exporteur en een deel van de preferenties door de importeur doorgegeven worden aan de exporteur in Canada.

Bij die vergelijking wordt echter geen rekening gehouden met de compositie van die groep preferentiële en niet-preferentiële transacties. Mogelijk zijn de producten die preferentieel worden geïmporteerd over het algemeen al duurder, of zien we de verschillen pas wanneer we onderscheid maken naar verschillende typen bedrijven. Daarnaast is er hier mogelijk ook sprake van een aggregatie-vertekening, dat wil zeggen dat er op een gedetailleerder niveau wel noemenswaardige verschillen zijn, maar dat die verloren raken in de grotere massa. Specifiek zijn er mogelijk importeurs die meer hulp nodig hebben van de Canadese exporteur om de preferenties aan te vragen, of die om bepaalde redenen minder onderhandelings­kracht hebben om de heffingsverlaging niet door te geven aan de exporteur. Eerder onderzoek heeft bijvoorbeeld al aangetoond dat een deel van de bedrijven behorend tot het grootbedrijf (buitenlandse multinationals) als enige in staat was om een deel van de Europese heffingen van 2018 op de Amerikaanse exporteur af te schuiven (Van den Berg et al., 2020). Het zelfstandig mkb daarentegen, droeg de volledige kosten van de heffing. De vraag is of zij in het geval van een heffingsverlaging ook de voordelen met de exporteur delen.

Geen indicatie voor delen van preferenties tussen importeur en exporteur bij CETA

Het is dus belangrijk om een eerlijkere vergelijking te maken. Dat kan bijvoorbeeld door te kijken naar de verschillen van de individuele prijzen ten opzichte van de gemiddelde prijs van elke productsoort. En dan zien we dat preferentieel geïmporteerde producten over het algemeen nog maar 2 procent duurder zijn dan de MFN transacties. Wanneer we alleen kijken naar importtransacties door bedrijven behorend tot het zelfstandig mkb, dan is het verschil zelfs nog maar 0,9 procent.

Deze cijfers geven dus niet direct een overduidelijke indicatie voor een prijsverhoging door de Canadese exporteur als gevolg van een lagere heffing. Het gaat daarbij echter om beschrijvende analyses die geen rekening houden met andere verschillen tussen producten en bedrijven door de tijd. Tot slot passen we daarom nog een fixed effects regressiemodel toe op de eenheidsprijs. We schatten daarbij de prijs in functie van preferentiegebruik, waarbij we verder in verschillende samenstellingen controleren voor type bedrijf, arbeids­productivi­teit, importervaring en ongeobserveerde verschillen tussen bedrijven, producten en maanden.

Tabel 4.3.1 toont dat zodra we een eerlijkere vergelijking maken tussen de preferentiële prijs en MFN-importprijs door te controleren voor de eerdergenoemde verschillen, er geen enkel noemenswaardig verschil zit in de importprijs tussen preferentiële en niet-preferentiële transacties. Wanneer we rekening houden met ongeobserveerde verschillen tussen producten en bedrijven, zijn er dus geen prijsverschillen waarneembaar tussen preferentieel en niet-preferentieel (kolommen 3 en 4). Het zou echter zo kunnen zijn dat er onder deze massa aan observaties nog altijd een effect waarneembaar is bij een bepaalde groep producten of bedrijven, daarom kijken we specifiek nog naar het verschil in importprijs voor het zelfstandig mkb en het grootbedrijf, maar ook daar blijken geen prijsverschillen waar te nemen (kolommen 5–9). Dat betekent dat we een volledige pass-through van de heffingsverlaging zien, oftewel dat de importeur in Nederland de voordelen van heffingsverlaging door CETA niet hoeft te delen met de Canadese exporteur.

4.3.1Econometrische onderzoeksresultaten pass-through
(1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9)
Preferentiegebruik (j/n) –0,147*** –0,152*** –0,0321 –0,0318
(0,0374) (0,0380) (0,0227) (0,0242)
Zelfstandig mkb 0,114*** 0,0797* 0,0103 0,0628 0,0574 0,0489 0,0469
(0,0418) (0,0436) (0,0459) (0,0408) (0,0402) (0,0459) (0,0500)
Zelfstandig mkb x Preferentiegebruik –0,0325 –0,0470 0,00727 –0,000919 –0,00599
(0,0559) (0,0538) (0,0322) (0,0306) (0,0329)
Arbeidsproductiviteit (log) 0,0489*** –0,0121 0,0484*** –0,0163
(0,0174) (0,0269) (0,0172) (0,0287)
Aantal transacties (log) 0,0362** 0,0415*** 0,0346** 0,0244
(0,0168) (0,0147) (0,0164) (0,0305)
Observaties 69 036 60 405 66 235 58 136 69 036 60 405 66 235 56 164 49 396
Fixed effects p, m p, m b, p, m b, p, m p, m p, m b, p, m b x p, m b x p, m

Fixed effects: p is product, m is maand, b is bedrijf.

Standaardfouten tussen haakjes. Geclusterd op product en bedrijfsniveau.

* p <0,10; ** p <0,05; *** p <0,01

4.4Samenvatting en conclusie

Het handelsverdrag CETA is inmiddels al acht jaar in werking. Toch is nog maar weinig bekend over het gebruik ervan, en de gevolgen van het verdrag voor de internationale handel. Dit hoofdstuk heeft aangetoond dat Nederlandse importeurs over het algemeen vrij veel gebruikmaken van het verdrag. Dit is zeker het geval bij transacties met een hoge importwaarde en daardoor hoge besparingen, dat meteen de voornaamste determinant is van het gebruik van CETA. Ook bedrijven behorend tot het zelfstandig mkb maken opvallend veel gebruik van het verdrag, zelfs meer dan het grootbedrijf. Dit is opvallend omdat er tijd en dus kosten gepaard gaan met het aanvragen van deze preferenties, die mogelijk relatief zwaarder wegen voor kleinere bedrijven. In het geval van CETA blijkt dit dus niet het geval te zijn. Een openstaande vraag is waar dat precies door komt. Mogelijk is er dermate veel ondersteuning beschikbaar voor deze bedrijven dat de kosten opwegen tegen de besparingen ervan. Een andere mogelijkheid is dat het aanvragen van preferenties inmiddels veel makkelijker is geworden dan men in de literatuur nog altijd aanneemt.

Ook op het gebied van de verdeling van de heffingsverlaging doen zelfstandig mkb’ers, en eigenlijk alle Nederlandse importeurs, het goed. Uit de analyses blijkt dat zij over het algemeen allemaal in staat zijn om deze besparingen volledig op hun eigen rekening bij te schrijven.

De lessen voor beleidsmakers zijn ten eerste dat CETA het opvallend goed doet in Nederland. Dat wil zeggen: er wordt veel gebruik van gemaakt en Nederlandse importeurs weten deze besparingen zelf te verzilveren. Aan de andere kant zijn er nog steeds veel kleine transacties waarbij het blijkbaar niet loont om preferenties aan te vragen. Dit kan dus nog altijd verbeterd worden. Maar ook beter inzicht krijgen in waarom dit handelsverdrag het zo goed lijkt te doen is voer voor discussie en verder onderzoek. Mogelijk dat bepaalde succesfactoren bij CETA kunnen worden vertaald naar andere handelsverdragen.

4.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bernard, A. B., Bradford Jensen, J., Redding, S. J., & Schott, P. K. (2007). Firms in International Trade. Journal of Economic Perspectives, 21(3), 105–130.

Cadot, O., Graziano, A., Harris, J., & Volpe, C. (2014). Do Rules of Origin Constrain Export Growth? Discussion paper No. IDB-DP-350. Inter-American Development Bank.

Cernat, L., Díaz-Mora, C., Gil-Pareja, S., & Esteve, S. (2025). Countries don’t trade, firms do: A firm-level assessment of CETA. International Review of Economics and Finance 104(2025), 104672.

Cirera, X. (2014). Who captures the price rent? The impact of European Union trade preferences on export prices. Review of World Economics, 150(3), 507–527.

Demidova, S., Kee, H. L., & Krishna, K. (2012). Do trade policy differences induce sorting? Theory and evidence from Bangladeshi apparel exporters. Journal of International Economics, 87, 247–261.

Europese Commissie (n.d.). The EU-Canada agreement explained. Geraadpleegd op 9 oktober 2025.

Europese Commissie (2024). Preference utilization and duty savings on EU imports 2021–2023. Geraadpleegd op 9 oktober 2025.

Europees Parlement (2023). An analysis of the implementation of the EU-Canada Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA). Geraadpleegd op 9 oktober 2025.

Fajgelbaum, P. D., Goldberg, P. K. Kennedy, P. J,. & Khandelwal, A. K. (2020). The Return to Protectionism. The Quarterly Journal of Economics, 135(1), 1–55.

Hayakawa, K., Ito, T., & Mukunoki, H. (2022). Lerner meets Metzler: Tariff pass-through of worldwide trade. Journal of The Japanese and International Economies, 63(2022), 101173.

Kasteng, J., Kokko, A., Norell, N., & Tingvall, P. (2024). Learning to Use Trade Preferences: A Firm and Transaction Level Analysis of the EU-South Korea FTA. World Trade Review, 23, 117–144.

Keck, A., & Lendle, A. (2012). New evidence on preference utilization. Staff Working Paper ERSD-2012-12. World Trade Organization.

Krishna, K., Salamanca, C., Suzuki, Y., & Volpe Martincus, C. (2022). Learning to use Trade Agreements. NBER Working Paper No. 29319. National Bureau of Economic Research.

Legge, S., & Lukaszuk, P. (2024). The firm-level costs of utilizing free trade agreements. International Economics, 178(2024), 100484.

Nilsson, L. (2016). EU Exports and Uptake of Preferences: A First Analysis. Journal of World Trade, 50(2), 219–252.

Nilsson, L. (2022). Time to Preference: Early Preference Uptake under the EU-Canada Comprehensive Economic and Trade Agreement and the EU-Korea Free Trade Agreement. Journal of Economic Integration, 37(4), 589–648.

Olarreaga, M., & Özden, Ç. (2005). AGOA and Apparel: Who Captures the Tariff Rent in the Presence of Preferential Market Access? The World Economy, 28(1), 63–77.

Van den Berg, M., Franssen, L., & Mounir, A. (2020). Europese importtarieven: wie betaalt de rekening? In M. Jaarsma & A. Lammertsma (Reds.) Internationaliserings­monitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven & verdragen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Noten

De preference utilisation rate (PUR) vat samen in welke mate er gebruik wordt gemaakt van een preferentieel handelsverdrag. Het is de verhouding tussen de importwaarde aan goederen die preferentieel ingevoerd is ten opzichte van de importwaarde die preferentieel ingevoerd had kunnen worden.

Er is een deel van de import waarvan we de importregeling niet aan één van beide groepen (CETA of niet-CETA (MFN) import) kunnen toewijzen, bijvoorbeeld in het geval van een preferentieel quotum. Nemen we die handelswaarde niet mee, dan is de PUR 68 procent.

Er is een deel van de import waarvan we de importregeling niet aan één van beide groepen (CETA of niet-CETA (MFN) import) kunnen toewijzen, bijvoorbeeld in het geval van een preferentieel quotum. Nemen we die handelswaarde niet mee, dan is de PUR 86 procent.

Ongeveer 15–20 procent van de handel is niet te koppelen aan een in Nederland gevestigd bedrijf, waardoor we ook geen informatie hebben over het type bedrijf.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Robin Konietzny

Dio Limpens

Tom Notten

Shalane Pijnenburg

Michael Polder

Davey Poulissen

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Marcel van den Berg

Manon Weusten

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Janneke Rooyakkers

Roger Voncken

Eindredactie

Sarah Creemers

Roger Voncken

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliserings­monitor:

Luuk Beele

Marjolijn Jaarsma

Bart Loog

Angie Mounir

Nienke Oude Steenhof

Rik Vaessen

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau