Begrippen
Ad valorem equivalent (AVE)
Bij een ad valorem equivalent wordt een handelsheffing die niet uitgedrukt is als een percentage (d.i. euro per kg) geschat als percentage van de prijs.
Arbeidsinkomensquote
Het aandeel van de beloning voor arbeid in de netto toegevoegde waarde. Voor werknemers staat het arbeidsinkomen gelijk aan de beloning: de lonen plus de sociale premies ten laste van werkgevers. Voor zelfstandigen wordt het netto gemengd inkomen als benadering voor het arbeidsinkomen genomen. Het netto gemengd inkomen bevat in de praktijk naast de beloning van arbeid echter ook de beloning voor kapitaal en ondernemerschap (winst).
Arbeidsproductiviteit
Toegevoegde waarde per werkzame persoon.
Arbeidsstructuur
Samenstelling van de werkgelegenheid naar kenmerken als beroep, opleidingsniveau/-richting, geslacht en arbeidsduur binnen bedrijven of bedrijfstakken.
Baan
Een overeenkomst waarbij een persoon tegen een financiële vergoeding arbeid verricht voor een bedrijf of instelling. Dit kan als werknemer of als zelfstandige. In hoofdstuk 8 van deze Internationaliseringsmonitor worden echter uitsluitend banen van werknemers beschouwd. Wanneer een persoon in een jaar meerdere banen heeft, wordt alleen de hoofdbaan meegenomen: de baan met de meeste verloonde uren in dat jaar.
Bedrijf(seenheid)
De feitelijke transactor in het productieproces gekenmerkt door zelfstandigheid ten aanzien van de beslissingen over dat proces en door het aanbieden van zijn producten aan derden. Een bedrijf bestaat uit een of meer juridische eenheden. Kenmerkend is dat er autonomie is over beslissingen met betrekking tot productie binnen deze entiteit. Wanneer deze eenheid zich uitstrekt over verschillende landen wordt omwille van de nationale statistiek het Nederlandse deel als bedrijf beschouwd.
Bedrijfsdemografisch Kader (BDK)
Het Bedrijfsdemografisch Kader (BDK) is een doorontwikkelde versie van het Algemeen Bedrijven Register (ABR) waarin methodebreuken zijn gecorrigeerd en de aansluiting van de gegevens in de tijd verder is gewaarborgd. Dit maakt het bij uitstek geschikt voor onderzoek waarbij individuele bedrijven in de tijd worden gevolgd. Doordat omnummeringen vanwege bijvoorbeeld administratieve oorzaken, fusies, overnames of afsplitsingen ‘gerepareerd’ worden, verdwijnen bedrijven niet uit het zicht. Daarnaast is het BDK verrijkt met informatie uit andere statistieken en de UCI-lijst.
Beroepsklasse
Aggregatie van beroepen tot brede groepen, zoals technische, ICT-, commerciële, administratieve of dienstverlenende beroepen.
Besparingsaandeel
Zie duty savings rate.
Bruto exploitatie-overschot
Het bruto exploitatie-overschot is de toegevoegde waarde min de aftrek van de beloningen van werknemers en het saldo van overige belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd, omdat dit ook de beloning van de door hen geleverde arbeid omvat.
Bruto nationaal inkomen (bni)
Het bruto nationaal inkomen is het totaal van de door ingezeten institutionele eenheden ontvangen primaire inkomens.
Business economy
Zie Nederlandse bedrijfsleven.
Directe goedereninvoer
Bij directe goedereninvoer worden goederen rechtstreeks uit een ander land geïmporteerd.
Directe tariefkosten
De tarifaire kosten of tariefkosten zijn de heffingen die op de directe import betaald worden.
Dumping
Het verkopen van goederen in een vreemd douanegebied beneden de normale waarde van hetzelfde goed op de eigen markt. In het geval van de EU zijn dit niet-EU verkopers die door hun goederen tegen lage prijzen aan te bieden de lokale EU-verkopers wegconcurreren.
Duty savings rate (DSR)
De waarde van de gerealiseerde besparingen door het gebruik van een handelsverdrag, in de totale mogelijke besparingen van dat handelsverdrag.
Eenheidswaarde (unit value)
De waarde van de uitvoer/invoer gedeeld door de opgegeven hoeveelheid van het geëxporteerde/geïmporteerde product.
Enquête Beroepsbevolking (EBB)
Steekproefonderzoek van het CBS onder inwoners van 15–90 jaar naar positie op de arbeidsmarkt (o.a. werkzaamheid, beroep, arbeidsduur, contractvorm). Resultaten worden gewogen naar populatietotalen.
Entrepothandel
Het aankopen van goederen door een bedrijf bij een niet-ingezeten bedrijf. Deze goederen worden tot het moment van doorverkoop aan een ander niet-ingezeten bedrijf opgeslagen in een douane-entrepot in Nederland. De doorverkochte goederen verlaten Nederland weer zonder in Nederland te zijn ingeklaard. Het betreft hier alleen goederen die buiten de EU zijn aangekocht.
Exportintensiteit
Het aandeel van de omzet dat voortkomt uit export van goederen.
Exportpatroon
Het karakter en de consistentie van het exportgedrag van een bedrijf binnen een bepaalde periode; geeft aan of een bedrijf structureel (meerdere jaren achtereen), incidenteel (enkele jaren) of niet exporteert. In de context van hoofdstuk 8 wordt enkel de goederenhandel in beschouwing genomen.
Gebruiksaandeel
Zie preference utilisation rate.
Grensoverschrijding
Goederenbewegingen waarbij de goederen fysiek de Nederlandse landsgrens passeren, zonder dat hierbij altijd sprake is van eigendomsoverdracht. Bij de internationale handelscijfers in deze publicatie wordt uitgegaan van het concept van grensoverschrijding, tenzij anders vermeld.
Grootbedrijf
Hiertoe behoren alle bedrijven die gevestigd zijn in Nederland en onderdeel uitmaken van een concern met minstens 250 werkzame personen en/of een onderdeel zijn van een concern dat in buitenlandse handen is.
Importquotum
Maximale toegestane hoeveelheid import van een bepaald goed, alvorens een hogere heffing betaald moet worden.
Incidentele exporteur
Een bedrijf dat in een periode van vier jaar minimaal één en maximaal twee jaar goederen heeft geëxporteerd. Soms ook aangeduid als knipperlichtexporteur. Zie ook: structurele exporteur.
Indexcijfers
Een indexcijfer geeft de verhouding weer tussen de waarde van een bepaalde variabele in een bepaalde periode en de waarde van diezelfde variabele in de basisperiode. Deze basisperiode heeft het indexcijfer 100.
Indirecte goedereninvoer
Bij indirecte goedereninvoer komen goederen eerst een ander land binnen, waar ze verwerkt worden tot halffabricaten of eindproducten, voordat ze naar hun uiteindelijke bestemming worden verzonden. Het fenomeen van indirecte goedereninvoer is een belangrijk kenmerk van internationale waardeketens. De invoer vindt plaats via andere landen die betrokken zijn bij de productie van goederen. Deze indirecte invoer speelt een cruciale rol in internationale waardeketens waarbij meerdere landen betrokken zijn bij verschillende stadia van productie en verwerking van goederen.
Indirecte tariefkosten
De tarifaire kosten of tariefkosten zijn de heffingen die zich voordoen op de handel in de toeleveringsketen voordat deze de Nederlandse grens passeren.
Intermediaire invoer
De intermediaire invoer is de invoer welke gebruikt wordt als input in het productieproces. Deze invoer bestaat bijvoorbeeld uit grondstoffen, halffabricaten, brandstoffen of diensten. Een intermediair product wordt gebruikt tijdens het productieproces, vaak getransformeerd, en dan verwerkt in de uiteindelijke output. Het wordt dus gebruikt om weer andere goederen of diensten te produceren.
Internationale handel in goederen
Er is sprake van internationale handel in goederen wanneer ingezetenen goederen leveren aan het buitenland en omgekeerd. Bij invoer uit EU-landen is dit de waarde van de goederen inclusief vracht- en verzekeringskosten tot aan de Nederlandse grens. Bij invoer uit niet-EU- landen is dit de waarde inclusief vracht- en verzekeringskosten tot aan de buitengrens van de Europese Unie. De uitvoerwaarde is inclusief vracht- en verzekeringskosten tot aan de Nederlandse grens. Dit is in overeenstemming met de statistiek Internationale Handel in Goederen (IHG). De IHG-bronstatistiek hanteert andere concepten dan nationale rekeningen. Zo gaat de bronstatistiek uit van grensoverschrijdend goederenverkeer en is economisch eigendom leidend voor nationale rekeningen. Ook de integratie in de nationale rekeningen levert additionele verschillen op.
Internationale waardeketen
Een internationale waardeketen omvat alle activiteiten – in meer dan één land – die nodig zijn om een product of dienst vanuit de conceptfase via de verschillende productiefases bij eindverbruikers te bezorgen en verwerking na gebruik.
Invoer
Het leveren van goederen en het verlenen van diensten door het buitenland (niet-ingezetenen) aan ingezetenen. De som van invoer voor binnenlands gebruik en invoer voor wederuitvoer.
Invoerheffing
Een invoerheffing (of invoertarief) is een belasting op de invoer van een product. Invoerrechten werken in de regel prijsverhogend en beperken zo de invoer. De hoogte van de heffing is afhankelijk van het goed en land van oorsprong.
Mediaan
De mediaan is de middelste waarneming in een reeks getallen die in oplopende volgorde zijn gesorteerd. Daarmee valt 50 procent van de waarnemingen onder de mediaan en 50 procent boven de mediaan. Bij een even aantal getallen in de reeks zijn er twee middelste getallen; in deze gevallen neemt men dan meestal het gemiddelde van deze twee getallen.
MFN-tarief
Invoerheffing voor de Most-Favoured Nation.
Midden- en kleinbedrijf (mkb)
Tot het mkb behoren ondernemingen met minder dan 250 werkzame personen. Binnen het mkb wordt een onderverdeling gemaakt naar drie onderliggende grootteklassen: het microbedrijf, kleinbedrijf en middenbedrijf. Zie ook zelfstandig mkb.
Most-Favoured Nation (MFN)
Het principe van de Most-Favoured Nation, de meest begunstigde natie, houdt in dat wanneer een land aan een ander land handelsvoordelen toekent, bijvoorbeeld een lagere invoerheffing, dezelfde voordelen ook aan andere landen moet gunnen. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft dit principe als eerste grondbeginsel opgenomen in haar regelementen. Hierdoor zijn WTO-leden verplicht alle leden op dezelfde manier te behandelen; wie een bevriende natie een voordeel gunt, is dat verplicht ook aan de andere WTO-leden te gunnen.
Multifactorproductiviteit
De verhouding tussen de volumemaatstaf van de output en de optelsom van het volume van alle productiefactoren.
Multinational
Bedrijven met een moeder- of dochterbedrijf in het buitenland. Een Nederlandse multinational is een bedrijf onder (ultieme) Nederlandse zeggenschap met ten minste een dochter (meerderheidsdeelneming) in het buitenland. Een buitenlandse multinational is een in Nederland gevestigde dochteronderneming, waarover de uiteindelijke zeggenschap in het buitenland ligt.
Nederlandse bedrijfsleven
Het Algemeen Bedrijvenregister maakt gebruik van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) om bedrijfseenheden in te delen naar hoofdactiviteit. Het Nederlandse bedrijfsleven omvat alle bedrijven uit de SBI-secties B tot en met N, exclusief K plus S95. Deze afbakening wordt internationaal aangeduid als de ‘non-financial business economy’.
Deze categorie is een samenstelling van de volgende bedrijfstakken:
B Delfstoffenwinning
C Industrie
D Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht
E Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering
F Bouwnijverheid
G Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s
H Vervoer en opslag
I Logies-, maaltijd- en drankverstrekking
J Informatie en communicatie
L Verhuur van en handel in onroerend goed
M Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening
N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening
S95 Reparatie van consumentenartikelen.
Niet-multinational
Bedrijven zonder moeder- of dochterbedrijf in het buitenland.
Opleidingsniveau
Het hoogste onderwijsniveau dat een persoon heeft afgerond; wordt gebruikt als indicator voor de kwalificatiegraad van werknemers. De plaats in de indeling van opleidingen naar niveau volgens de SOI 2021 het CBS. Het niveau wordt bepaald door de minimale onderwijsloopbaan die nodig is om de opleiding met succes te kunnen volgen, de duur van de opleiding en de toegang die de opleiding biedt aan vervolgonderwijs.
Opleidingsrichting
Het vakgebied waarin iemand is opgeleid, zoals techniek, economie of gezondheidszorg van de hoogst behaalde opleiding. De onderwijsrichting SOI heeft betrekking op de aard van het onderwijs, dus niet op de denominatie van de onderwijsinstelling, noch op het soort onderwijsinstelling of de onderwijsmethode.
Overcapaciteit
Een situatie waarbij in een bedrijfstak het aanbod de vraag overtreft.
Pass-through
De pass-through is de mate waarin de kosten van importheffingen of juist de voordelen van het opheffen van invoerheffingen door bijvoorbeeld een handelsverdrag, gedeeld worden door de importeur en de exporteur.
Polisregister
Administratieve bron met loonaangiften (banen, lonen, uren) van werknemers in loondienst. Basis voor statistieken over banen en arbeidsvolume.
Preference utilisation rate (PUR)
Ook wel gebruiksaandeel. Goederen komen in aanmerking om onder de preferentiële voorwaarden van een vrijhandelsverdrag ingevoerd te worden wanneer het MFN-tarief meer dan 0 procent is en als de goederensoort onder het vrijhandelsverdrag valt. De preference utilisation rate is het aandeel van de handel dat geschikt is om onder het vrijhandelsverdrag ingevoerd te worden en waarbij dat ook daadwerkelijk gebeurt.
Preferentieel handelsverdrag
In een preferentieel handelsakkoord beloven de leden elkaar lagere heffingen op te leggen dan MFN-tarieven; dit zijn de preferentiële tarieven. Deze overeenkomsten zijn wederzijds, wat betekent dat alle deelnemende landen elkaar het voordeel geven van lage of nultarieven.
Preferentieel tarief
Preferentiële tarieven zijn de tarieven die leden elkaar opleggen in een preferentieel handelsverdrag.
Preferentiële marge
Het verschil tussen de invoerrechten onder MFN-voorwaarden en de invoerrechten onder het vrijhandelsverdrag.
Prijsindex
Procentuele prijsontwikkeling ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder.
Productiewaarde
De productiewaarde is formeel gedefinieerd als de waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten, evenals de waarde van producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers.
Productiviteit
Meet hoe efficiënt productie-inputs, zoals arbeid, kapitaal en intermediaire goederen en diensten (gebruik van energie, materiaal en diensten), in een economische eenheid worden gebruikt om een bepaald outputniveau te produceren. Output is de totale productie of de toegevoegde waarde van een bedrijf, een bedrijfstak of van de hele economie.
Protectionisme
Het beschermen van de binnenlandse productie door onder andere invoerheffingen, niet-tarifaire maatregelen en importquota’s.
Quasi-doorvoer
Quasi-doorvoer betreft invoer van goederen van buitenlandse makelij die na aankomst in Nederland niet of nauwelijks een bewerking ondergaan en daarna weer worden doorgevoerd naar het buitenland. De goederen zijn tijdens het gehele verblijf in Nederland eigendom van een buitenlands bedrijf (in tegenstelling tot de wederuitvoer). Daarnaast moet er nog één van de volgende administratieve handelingen gebeuren in Nederland, wil er sprake zijn van quasi-doorvoer:
- De goederen van buiten de EU worden bij aankomst in Nederland vrijgemaakt;
- De goederen verlaten Nederland en de EU en er wordt door de douane een uitvoerdocument opgemaakt;
- De internationale goederen worden in Nederland voor minimaal één dag opgeslagen. Hierdoor wordt de eigenaar BTW-plichtig en moet hij zich laten registreren voor de BTW.
De quasi-doorvoer is geen onderdeel van de Nederlandse cijfers over de Nederlandse handel, wel bij de Europese cijfers over de Nederlandse handel (Eurostat).
SOI
De Standaard Onderwijsindeling (SOI) is een classificatie van opleidingen naar niveau en richting. De SOI is ontwikkeld voor gebruik bij statistiek en onderzoek en voor administratieve doeleinden in Nederland. Omdat er voortdurend opleidingen bijkomen, wordt deze indeling jaarlijks geactualiseerd.
SITC
De Standaardclassificatie voor de internationale handel, afgekort as SITC (Standard international trade classification), is een productclassificatie van de Verenigde Naties die gebruikt wordt voor de statistieken van de internationale handel.
Standaard Bedrijfsindeling (SBI)
Bedrijfstakken worden afgebakend volgens de hiërarchische indeling van economische activiteiten van de Europese Unie (Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté Européenne, afgekort: NACE), de Nederlandse variant hiervan is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI).
Startkwalificatie
Minimaal havo-, vwo- of mbo-2‑diploma. Personen zonder startkwalificatie hebben een lager niveau dan deze drempel.
Structurele exporteur
Een bedrijf dat in een aaneengesloten periode van vier jaar minimaal drie jaar goederen heeft geëxporteerd. Zie ook: incidentele exporteur.
Tarifaire kosten (tariefkosten)
De tarifaire kosten of tariefkosten zijn de heffingen die op de import betaald worden.
Toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde is formeel gedefinieerd als de waarde die bedrijven toevoegen aan een product; de omzet exclusief de waarde van ingekochte goederen en diensten. Dit is het verschil tussen de productie en het intermediair verbruik.
Toeleveringsketen
Totale proces achter een goed of dienst. Dit zijn alle stappen die een product of dienst doormaakt voordat deze geleverd wordt. Dit kunnen halffabricaten zijn, maar ook transportkosten of R&D.
Uitvoer van goederen
Het leveren van goederen door ingezetenen vanuit een economisch gebied van Nederland aan het buitenland. De som van uitvoer van Nederlandse makelij en wederuitvoer.
Uitvoer van Nederlandse makelij
Uitvoer van Nederlandse makelij (oftewel eigen makelij) betreft uitvoer na productie in Nederland dan wel uitvoer na significante bewerking van buitenlandse makelij (waarbij wordt gekeken in hoeverre de statistische goederencode van het goed al dan niet sterk is veranderd).
Voltijdequivalent (vte)
Een maatstaf voor het arbeidsvolume, die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd. Zo leveren twee halve banen (elk 0,5 vte) samen een arbeidsvolume van één arbeidsjaar op.
Volume-index
Procentuele volumeontwikkeling ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder.
Vrijhandelsverdrag
Met vrijhandelsverdragen tussen landen of regio’s proberen landen de toegang tot elkaars markt te vereenvoudigen. Ze verlagen hierbij de heffingen en reguleren niet-tarifaire maatregelen om investeringen en handel in goederen en diensten te stimuleren.
Vrijwaringsmaatregel
Maatregel met betrekking tot de toegenomen import van bepaalde producten, wanneer deze import ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan de binnenlandse industrie van het importerende lid, omdat het bijvoorbeeld door dumping oneerlijke concurrentie levert voor de lokale bedrijven.
Wederuitvoer
Wederuitvoer betreft invoer van goederen van buitenlandse makelij die na aankomst in Nederland niet of nauwelijks een bewerking ondergaan en daarna weer worden uitgevoerd naar het buitenland. De goederen zijn tijdens het verblijf in Nederland (tijdelijk) eigendom van een Nederlands bedrijf (in tegenstelling tot de quasi-doorvoer).
Wereldhandelsorganisatie (WTO)
Een intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen.
Werkgelegenheidsstructuur
Zie arbeidsstructuur.
Werknemer
Een persoon die in een arbeidsovereenkomst afspraken met een economische eenheid maakt om arbeid te verrichten waartegenover een financiële beloning staat.
Zeggenschap
De zeggenschap van bedrijven wordt bepaald aan de hand van het land waar de strategische besluitvorming plaatsvindt. Deze zeggenschap ligt bij de Ultimate Controlling Institutional Unit (UCI). Buitenlandse zeggenschap betekent dat het land van vestiging van de UCI een ander land is dan Nederland.
Zeggenschapsstructuur
De eigendoms- en controleverhoudingen binnen een onderneming of concern, waarmee wordt vastgesteld of de uiteindelijke zeggenschap Nederlands of buitenlands is.
Zelfstandig mkb
Het zelfstandig midden- en kleinbedrijf omvat alle bedrijven in Nederland die in Nederlandse handen zijn en waar minder dan 250 personen werkzaam zijn, bekeken op het niveau van de onderneming. Specifiek worden bedrijven die onderdeel zijn van een onderneming waar in totaal meer dan 250 werkzame personen zijn, óf bedrijven die onder buitenlandse zeggenschap vallen volgens deze afbakening niet bij het zelfstandig mkb geteld. Mogelijk met of zonder buitenlandse dochterondernemingen.