Foto omschrijving: Vanuit drone-oogpunt: vrachtwagen passeert een bochtige weg met bos aan beide kanten

De Nederlandse invoervoetafdruk onder de loep

Auteurs: Nieke Aerts, Timon Bohn, Khee Fung Wong

In dit hoofdstuk onderzoeken we hoe de Nederlandse invoervoetafdruk is opgebouwd. Het gaat hier om de broeikasgasvoetafdruk waarbij CO2, lachgas en methaan worden meegenomen. De invoervoetafdruk is de voetafdruk van de goederen en diensten die Nederland invoert, tot aan de Nederlandse grens. Dat wil zeggen dat bewerkingen die na het invoeren plaatsvinden niet worden meegerekend. We gebruiken hiervoor een nieuwe databron, GLORIA, en analyseren eerst hoe betrouwbaar deze bron is. Met behulp van GLORIA en CBS-gegevens kan de invoervoetafdruk per productgroep berekend worden. Is dit voor alle productgroepen en alle landen betrouwbaar? Vervolgens analyseren we de berekende invoervoetafdruk. Hoe heeft deze zich door de jaren heen ontwikkeld? Welke productgroepen dragen het grootste deel van deze invoervoetafdruk? Welke bedrijfstakken dragen het meeste bij aan de invoervoetafdruk? Wat is de bestemming van deze invoer en hoe varieert de voetafdruk afhankelijk van de bestemming? Tot slot bespreken we de invoervoetafdruk van CBAM-producten.

5.1Inleiding

Het produceren van goederen en diensten door bedrijven wordt in steeds kleinere stapjes verspreid over de hele wereld gedaan en georganiseerd in mondiale productieketens. Grondstoffen, halffabricaten en diensten steken daardoor steeds vaker grenzen over, waardoor tegenwoordig zelfs meer dan twee derde van de wereldwijde handel plaatsvindt binnen deze internationale waardeketens. Deze wereldwijde onderlinge verbondenheid brengt positieve aspecten met zich mee. Deelname aan internationale waardeketens biedt bedrijven aanzienlijke voordelen, zoals de mogelijkheid om zich te specialiseren in specifieke delen van het productieproces, efficiëntere inkoop van benodigde materialen, bredere toegang tot kennis en kapitaal, en de uitbreiding van activiteiten naar nieuwe markten. Er zijn echter ook nadelen. Zo kunnen veel ontwikkelde landen bepaalde activiteiten met een relatief grote milieu-impact, zoals de productie van soja en palmolie, eenvoudig uitbesteden aan andere (ontwikkelings-) landen om daarmee hun lokale duurzame doelstellingen te halen. In dit hoofdstuk wordt de milieudruk elders in de wereld door de Nederlandse invoer in beeld gebracht.

In dit onderzoek richten we ons op de broeikasgasvoetafdruk van de Nederlandse invoer in 2021 en analyseren daarbij specifiek de uitstoot van de broeikasgassen koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). We stellen ons daarbij drie vragen:

  1. Kunnen we robuuste analyses doen van de broeikasgasvoetafdruk van de Nederlandse invoer aan de hand van de GLORIA MRIO-tabel? (paragraaf 5.2)
  2. Hoe ziet de Nederlandse invoervoetafdruk er precies uit? Hoe ontwikkelt deze zich? Welke bedrijfstakken spelen een hoofdrol? Welke productgroepen dragen het meeste bij? Heeft invoer met verschillende verbruiksbestemmingen een verschillende voetafdruk? (paragraaf 5.3 en 5.4)
  3. Hoe ziet de Nederlandse invoervoetafdruk van producten die onder het CBAM-mechanisme gaan vallen eruit? Welk deel van deze voetafdruk is ten behoeve van Nederlandse finale consumptie en welk deel van deze invoer wordt uiteindelijk elders geconsumeerd? (paragraaf 5.5)

Alvorens we deze vragen kunnen beantwoorden bespreken we in deze paragraaf nog wat de GLORIA MRIO is en wat de invoervoetafdruk precies inhoudt.

Wat is de GLORIA MRIO-tabel?

Voetafdrukken kunnen worden berekend met een MRIO, een multiregionale input-output tabel. In dit onderzoek maken we gebruik van de GLORIA MRIO-tabel (GLORIA, 2021) en internationale handelsgegevens van het CBS (zie paragraaf 5.7 Data en methoden). De GLORIA MRIO-tabel is een nieuwe databron ontwikkeld door de universiteit van Sydney. Eén van de doelstellingen van dit onderzoek is om te onderzoeken of met deze tabel betrouwbare voetafdrukken op productniveau berekend kunnen worden. De toegevoegde waarde van GLORIA zit met name in het feit dat deze bron emissiedata op zeer gedetailleerde land- en bedrijfstakniveau bevat. In andere databronnen worden bedrijfstakken vaak samengenomen en is de emissiedata alleen op geaggregeerd niveau beschikbaar. In het algemeen worden voetafdrukken dan ook op vrij hoog niveau berekend, bijvoorbeeld voor de hele landbouw tezamen. De GLORIA MRIO-tabel splitst de landbouw op in 20 sectoren, hiermee kunnen voetafdrukken van productgroepen berekend worden. In dit hoofdstuk analyseren we de resultaten en onderzoeken of deze plausibel zijn. Het is daarbij belangrijk om op te merken dat de gepresenteerde resultaten eerste bevindingen zijn die met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden. Zo zijn er nog methodeverbeteringen denkbaar, ook binnen de kaders van GLORIA, die de resultaten zouden kunnen beïnvloeden. Een illustratief voorbeeld hiervan betreft het niveau van aggregatie waarop de voetafdruk van de invoer wordt berekend: deze verschilt aanzienlijk wanneer deze wordt berekend met de GLORIA MRIO op detailniveau en met de GLORIA MRIO op een hoog aggregatieniveau. Daarom gaat in dit werk de aandacht met name uit naar de verhoudingen en niet zozeer naar de absolute waarde van de voetafdruk.

Wat is de invoervoetafdruk en hoe verhoudt dit zich tot andere voetafdrukken?

De Nederlandse invoervoetafdruk omvat de totale uitstoot die veroorzaakt wordt in de gehele keten van een product totdat het Nederland bereikt. De bewerkingen en verplaatsingen die in een later stadium, dus nadat een product in Nederland is ingevoerd, in Nederland of in andere landen plaatsvinden zijn buiten beschouwing gelaten.

De Nederlandse consumptievoetafdruk is de totale uitstoot van broeikasgassen die wordt veroorzaakt door de Nederlandse consumptie. De consumptievoetafdruk is in de literatuur de gangbare methode voor het berekenen van voetafdrukken, omdat ze betrekking hebben op de uitstoot die gerelateerd is aan de uiteindelijke Nederlandse vraag naar goederen en diensten (Walker et al., 2023). In 2021 bedroeg deze voetafdruk 279 megaton CO2-equivalent (CBS, 2023a). De consumptievoetafdruk omvat zowel de broeikasgasuitstoot binnen Nederland als de uitstoot die verbonden is aan de import, waarbij de uitstoot gerelateerd aan de export wordt afgetrokken. Bij deze methode wordt alleen rekening gehouden met de invoer die (direct) gebruikt wordt voor binnenlandse bestedingen. De import ten behoeve van de export wordt dus bij de consumptievoetafdruk buiten beschouwing gelaten. Hoewel deze import niet direct de Nederlandse consumptie raakt, valt deze wel binnen het bereik van invloed van Nederlandse bedrijven. Het is daarom van belang om ook inzicht te hebben in de milieu-impact van deze import. Aan de andere kant is er ook de emissiehandelsbalans; dit is de voetafdruk van de invoer minus de voetafdruk van de uitvoer, hierbij wordt de wederuitvoer volledig buiten beschouwing gelaten. In dit hoofdstuk behandelen we de voetafdruk van alle Nederlandse invoer, dus ook inclusief de invoer voor wederuitvoer. Hierdoor komt de invoervoetafdruk van de totale invoer dus hoger uit dan de voetafdruk van de invoer gebruikt in de emissiehandelsbalans.

Wat omvat de invoervoetafdruk?

Figuur 5.1.1 illustreert een fictief voorbeeld van een productieketen om duidelijk te maken wat onderdeel is van de voetafdruk van de invoer. Dit voorbeeld betreft de keten van bloem of meel die gebruikt wordt in een Nederlandse bakkerij. Alle schakels van deze keten tot aan de Nederlandse grens dragen bij aan de voetafdruk van de invoer van meel. Dit betekent dat zelfs bedrijfstakken die hoofdzakelijk diensten verlenen (zoals de transportsector in figuur 5.1.1) bijdragen aan de voetafdruk van de goedereninvoer. Concreet omvat de voetafdruk van de goedereninvoer dus de emissies die voortkomen uit de volledige voorafgaande keten van ieder product binnen de goedereninvoer. De voetafdruk van de invoer van diensten bevat de emissies die gegenereerd worden binnen de keten van de diensten die Nederland invoert.

Illustratie van de voetafdruk van de invoer. Hoe komen de emissies via verschillende stappen in de keten tot aan de Nederlandse grens? 5.1.1 V o e t af druk v an d e i n v oe r : il l u s t r a t i e v an e m i s s i e s i n d e k e t e n t o t a an d e N e d e r l a n d s e g r e n s G r aantee l t G r aanoogst T r anspo r t Malen T r anspo r t N e d e r l a n d B u i t e n l a n d Bakkerij

Welke productgroepen dragen het meeste bij aan de Nederlandse invoervoetafdruk?

In figuur 5.1.2 staan de productgroepen die in 2021 in absolute zin het meeste bijdragen aan de Nederlandse invoervoetafdruk. Meer dan 92 procent van de invoervoetafdruk is gerelateerd aan de invoer van industriële producten, landbouwproducten en delfstoffen.

Illustratie van de Nederlandse invoervoetafdruk verdeeld naar productgroep in 2021. Het grootste deel van de invoervoetafdruk wordt gevormd door de invoer van industriële producten, landbouwproducten en delfstoffen. 14,3% 13,5% Delfsto ff en 12,2% Chemische p r oducten 8,0% V oedings- en geno t - middelen 6,7% 6,3% C okes en ge r affinee r de aa r dolie- p r oducten 25,0% O v erige industriële p r oducten 7,3% O v erig Landbouwp r oducten 5.1.2 N e d e r l a n d s e i n v oer v o e t af druk v e r d e e l d n a ar p r o d u c tg r o e p, 2021* 6,7% Basis- metalen

Voetafdruk per euro invoer

Naast de absolute aandelen van de voetafdruk wordt er in dit hoofdstuk ook gekeken naar de voetafdruk per euro invoer. We gebruiken de voetafdruk per euro invoer als een maatstaf om de milieu-impact (in termen van emissies) van verschillende productgroepen te kunnen vergelijken. Producten met een hoge broeikasgasvoetafdruk per euro invoer hebben potentieel een grote milieu-impact. De voetafdruk per euro invoer van een product kan ook worden gebruikt om te zien hoe de milieu-impact van een product zich heeft ontwikkeld door de tijd. Als de voetafdruk per euro invoer van een product afneemt over de jaren, dan betekent dit mogelijkerwijs dat het invoeren van dit product minder belastend voor het milieu wordt. Een belangrijke kanttekening hierbij is echter dat deze indicator van jaar tot jaar sterk kan verschillen, afhankelijk van de prijs van producten. Er bestaat immers geen lineair verband tussen de prijs en de voetafdruk per euro. Denk bijvoorbeeld aan de delfstoffen, waarbij de prijs sterk fluctueert met ontwikkelingen in vraag en aanbod. In tabel 5.1.3 wordt van enkele productgroepen, die aanzienlijk veel voorkomen in de Nederlandse invoer, de gemiddelde voetafdruk in kilogram CO2-equivalent per euro invoer weergegeven, gemiddeld over de jaren 2018 tot en met 2021. De gemiddelde voetafdruk per euro invoer van de totale invoer bedroeg 0,73 kg CO2-equivalent zowel gemiddeld over deze periode als in 2021.

5.1.3Invoervoetafdruk per euro in de Nederlandse invoer van enkele productgroepen, 2018*/2021*
Kg CO2-eq. per euro
Bouwmaterialen van klei en ander ceramiek 5,29
Veehouderij 4,36
Plant- en zadenteelt 3,88
Steenkool 3,56
Peulvruchten en oliehoudende zaden 3,05
Maïs 2,88
Energievoorziening 1,20
Ruwe aardolie 1,04
Computers, elektronische en optische producten 0,52
Machines en toebehoren 0,45

Bron:CBS & GLORIA

Leeswijzer

Als eerste onderzoeken we de plausibiliteit van de GLORIA MRIO en emissies behorend bij de GLORIA MRIO (paragraaf 5.2). Vervolgens bekijken we de Nederlandse invoervoetafdruk van 2015 tot en met 2021 (paragraaf 5.3). We onderzoeken welke bedrijfstakken het meeste bijdragen aan de invoervoetafdruk en waarvoor deze invoer bestemd is (paragraaf 5.4). In paragraaf 5.5 wordt de invoer van CBAM-goederen onderzocht: waar ligt de voetafdruk van deze goederen en wat is de bestemming van deze invoer. Tot slot vatten we alles samen (paragraaf 5.6) en wordt de gebruikte data en methode beschreven (paragraaf 5.7).

0,982 kg CO2-eq. bedroeg de invoerafdruk van goederen voor intermediair verbruik gemiddeld per euro in 2021
14,3% van de totale invoervoetafdruk in 2021 was toe te schrijven aan de import van landbouwproducten, voornamelijk in de vorm van lachgas

5.2Plausibiliteit van de resultaten op productniveau

Een MRIO samenstellen is een complexe aangelegenheid, zeker voor wat betreft emissiedata. Vaak worden deze datasets op hoog aggregatieniveau gemaakt omdat gedetailleerde informatie moeilijk te krijgen is voor veel verschillende landen en daarnaast niet altijd onderling in overeenstemming is. Zo is bijvoorbeeld de import uit Nederland die Duitsland rapporteert aanzienlijk anders dan de Nederlandse export naar Duitsland die Nederland rapporteert.noot1 Dergelijke verschillen moeten worden geharmoniseerd in een MRIO en dit maakt het moeilijk een gebalanceerde tabel op te stellen. Voor dit onderzoek is de keuze gevallen op de MRIO van GLORIA, met name vanwege het beschikbare detailniveau voor wat betreft productgroepen. Als we eerst kijken op hoger aggregatieniveau hoe de cijfers in GLORIA zich voor Nederland verhouden tot andere bronnen dan ziet GLORIA er plausibel uit. Op hoger aggregatieniveau komt GLORIA overeen met andere beschikbare datasets waarin emissiedata zijn opgenomen. Zo komt de emissie per land en per sector op een geaggregeerd sectorniveau overeen tussen GLORIA en de OESO. De GLORIA-tabel heeft echter een hoog detailniveau en is wat dat betreft niet direct te vergelijken met andere bronnen. De totale emissies door bedrijfstakken in Nederland zijn in GLORIA iets anders dan in beschikbare CBS-data. Ontwikkelingen door de tijd lopen echter wel synchroon in beide bronnen. Lachgasemissies liggen in GLORIA structureel iets hoger dan in CBS-data. Voor CO2 geldt het omgekeerde. In ons onderzoek zijn we echter met name geïnteresseerd in de uitsplitsing naar productgroepen: zijn verhoudingen in de GLORIA MRIO op productniveau ook plausibel?

Vergelijking voor Nederland op productniveau

Voor Nederland vergelijken we de emissies (zoals gerapporteerd door het CBS) van de landbouw, de chemische en farmaceutische industrie en de basismetaalindustrie op detailniveau met de gegevens in GLORIA. Voor deze vergelijking worden de gegevens uit GLORIA geaggregeerd: de landbouw bestaat in GLORIA uit 20 sectoren, de chemische en farmaceutische industrie uit 7 sectoren, de basismetaalindustrie uit 8.

In tabel 5.2.1 staat de vergelijking van de totale emissies van de landbouw zoals gerapporteerd door het CBS (CBS, 2023b) en zoals gerapporteerd in GLORIA. In de laatste kolom staat het aandeel van deze bedrijfstak in de totale bruto productiewaarde van Nederland, zoals gerapporteerd in deze twee bronnen. Hier zien we dat de emissies van lachgas en methaan mooi overeenkomen tussen beide bronnen, maar dat met name de CO2-waarde in GLORIA behoorlijk afwijkt van wat het CBS rapporteert. Het opgetelde totaal van de emissie van deze drie gassen zoals gerapporteerd in GLORIA (20,4 megaton CO2-equivalent) ligt behoorlijk dicht bij het totaal zoals gerapporteerd door de OESO (18,0 megaton CO2-equivalent), maar dus behoorlijk ver van het totaal zoals gerapporteerd door het CBS (27,9 megaton CO2-equivalent). Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt doordat het CBS een schatting maakt van het aardgasverbruik in de landbouw op basis van de productie in de tuinbouwsector. De daarmee gepaard gaande emissie wordt bij de landbouw meegerekend (CBS, 2020) en deze verschuiving van de energiesector naar de landbouw zal in GLORIA niet hebben plaatsgevonden.

5.2.1Vergelijking landbouw data CBS en GLORIA, 2021*
CO2 CH4 N2O Aandeel van totale productie
megaton CO2-eq. %
CBS 9,1 14,2 4,6 2,0
GLORIA 2,6 12,9 5,0 2,2

Bron:CBS & GLORIA

In GLORIA worden deze emissies vervolgens verder verbijzonderd naar twintig sectoren binnen de landbouw. Daarbij wordt er relatief veel uitstoot toegewezen aan de veehouderij, meer dan het proportionele aandeel van de productie. Van de methaanuitstoot behoort liefst 98 procent toe aan de veehouderij, met name de rundvee- en de varkenshouderij. Het meeste lachgas wordt uitgestoten bij zaden- en plantenvermeerdering en het kweken van fruit en noten en groenten, wortels en knollen.

Weinig verschil bij industriële bedrijfstakken

In tabel 5.2.2 wordt dezelfde vergelijking gemaakt voor de chemische en farmaceutische industrie. Dan zien we dat de uitstootwaarden zoals gerapporteerd door GLORIA sterk overeenkomen met de waarden die het CBS publiceert. De CO2-emissies kunnen nog worden opgesplitst in die door de chemische industrie en die door de farmaceutische industrie, voor de andere gassen is deze opsplitsing niet gedaan binnen het CBS. Ook deze opsplitsing is vergelijkbaar voor beide databronnen. Met name bij de uitstoot van lachgas zien we een verschil, maar de trend in de ontwikkeling door de tijd komt wel overeen tussen GLORIA en CBS.

5.2.2Vergelijking chemische en farmaceutische industrie data CBS en GLORIA, 2021*
CO2 CH4 N2O Aandeel van totale productie
megaton CO2-eq. %
CBS 18,4 0,3 1,0 4,2
GLORIA 18,3 0,4 1,5 6,3

Bron:CBS & GLORIA

Ook in de basismetaalindustrie zien we weinig verschil tussen de cijfers van GLORIA en CBS, zie tabel 5.2.3. Wel zien we zowel bij de chemische en farmaceutische industrie als bij de basismetaalindustrie dat het aandeel van de productiewaarde van de betreffende sectoren in het Nederlandse totaal volgens GLORIA hoger is dan volgens CBS-data. Dit komt waarschijnlijk door de groot- en detailhandel: het aandeel van de totale productiewaarde van de handel ligt in GLORIA aanzienlijk lager dan in de CBS-data, het lijkt dus of er in GLORIA is geprobeerd de leveringen van de handel te verschuiven naar de producerende sector. Idealiter zou bij het berekenen van voetafdrukken de handel volledig worden opgesplitst naar product, want een ‘gemiddelde voetafdruk’ voor een handelsproduct kan erg verschillen van de daadwerkelijke voetafdruk. In de praktijk is dit echter niet zo eenvoudig.

5.2.3Vergelijking basismetaalindustrie data CBS en GLORIA, 2021*
CO2 CH4 N2O Aandeel van totale productie
megaton CO2-eq. %
CBS 6,3 0,0 0,0 0,6
GLORIA 6,3 0,0 0,0 1,1

Bron:CBS & GLORIA

Conclusie

De gegevens in GLORIA voor wat betreft de uitstoot van Nederlandse sectoren komen behoorlijk overeen met de cijfers die het CBS hierover publiceert. Ook qua intermediaire leveringen tussen bedrijfstakken binnen Nederland zien we in de MRIO van GLORIA geen opmerkelijke afwijkingen. Alleen bij de invoer en de uitvoer zijn de verschillen groter. Dit komt doordat de wederuitvoer in GLORIA buiten de cijfers wordt gehouden. Het is echter niet voor alle landen duidelijk welk deel van de invoer of de uitvoer wederuitvoer betreft en ook niet wat in dat geval het land van oorsprong is. Dat maakt het zuiveren van de handelsdata voor wederuitvoer een ingewikkelde exercitie waarbij de nodige aannames moeten worden gemaakt.

We zien dus dat er op detailniveau aanzienlijke verschillen kunnen optreden tussen GLORIA en de eigen rapportages van nationale statistiekbureaus, zoals bijvoorbeeld bij de CO2-uitstoot van de Nederlandse landbouw. Het is derhalve raadzaam om bij analyses op basis van GLORIA altijd in het achterhoofd te houden dat resultaten op detailniveau kunnen afwijken van daadwerkelijke patronen. Er dienen derhalve robuustheidsanalyses verricht te worden op fijnmazige onderzoeksresultaten. Niettemin zijn we aan de hand van de hier gedane controles en vergelijkingen ervan overtuigd dat GLORIA een waardevolle tool is om robuuste indicatieve voetafdrukken van productgroepen te berekenen.

Hoe zit het met landen waarover weinig informatie beschikbaar is?

Dat Nederland behoorlijk goed is weergegeven in GLORIA is niet heel verrassend. Er is immers veel informatie over Nederland publiek beschikbaar en Nederland is een trouwe partner van Eurostat en de OESO. Dat geldt echter niet voor alle landen die in GLORIA figureren. Onderdeel van het dataproces van GLORIA zijn verschillende kwaliteitscontroles, waarbij met name wordt onderzocht hoe goed de weergave van de brondata in GLORIA is (GLORIA, 2021). In veel andere MRIO’s worden landen en productgroepen geaggregeerd, juist vanwege het ontbreken van informatie op detailniveau. Uiteindelijk wordt een groot deel van de MRIO door programmatuur samengesteld en niet met de hand, waarbij de streefwaarden worden bepaald door de waarden in verschillende beschikbare brondata. Wanneer een land in weinig brondata voorkomt, is de kans groter dat de resulterende waarde in GLORIA niet representatief is. Zo zijn er bedrijfstakken (zoals bijvoorbeeld goudwinning) waarvan bekend is dat de emissies niet overal even goed worden geregistreerd. Voor de goudwinning laat GLORIA bij een aantal landen een CO2-emissie-coëfficiënt zien die veel hoger is dan gemiddeld, bijvoorbeeld Irak, Turkmenistan en Qatar. Anderzijds wordt er bijvoorbeeld in Ghana veel goud gemijnd, terwijl daar volgens GLORIA nauwelijks CO2 bij vrijkomt.

Daarnaast waarschuwen de makers van GLORIA voor fluctuaties in bepaalde specifieke gevallen. De meest belangrijke voor onze analyses zijn de volgende:

  • Fluctuaties in de meest recente jaren omdat voor 2019 en later nog niet alle brondata beschikbaar zijn.
    We zien echter dat voor de Nederlandse invoer de waarden van 2015 tot 2021 vrij stabiel zijn. Wel is duidelijk te zien dat de wederuitvoer binnen Europa minder goed weggewerkt is.
  • Landen met hyperinflatie zoals bijvoorbeeld Venezuela.
    De totale productie van Venezuela maakt een diepe duik in 2019 ten opzichte van 2018, terwijl de emissies dat niet doen. Dit werkt echter niet bijzonder sterk door in voetafdrukberekeningen omdat de leveringen aan andere landen ook sterk afnemen.
  • Landen tijdens conflictperiodes.
    Voor bijvoorbeeld Somalië zien we hele hoge en over het algemeen vrij stabiele emissie-coëfficiënten in GLORIA. Dit, terwijl het bbp van Somalië al jaren harder groeit dan bijvoorbeeld de CO2-uitstoot, wat zou moeten betekenen dat de emissie-coëfficiënt voor CO2 juist zou moeten dalen.

Al met al lijkt het na bestudering aannemelijk dat deze specifieke fluctuaties geen grote vertekening zullen veroorzaken in de voor Nederland berekende voetafdrukken.

Conclusie

Voor een discussie over de kwaliteit van GLORIA-data en hoe je de uitkomsten van analyses op basis van GLORIA zou moeten wegen zijn er verschillende relevante informatiebronnen, zoals Lenzen (2011), Jensen (1980), de uitleg op de EORA-website en de technische documentatie bij GLORIA (GLORIA 2021). Smetschka et al. (2019) geven aan dat de grootste uitdaging bij het maken van de emissiedata in GLORIA de verdeling van emissies, afkomstig van de OESO en EDGAR (Emissions Database for Global Atmospheric Research), naar bedrijfstakken betreft. Deze verdeling is noodzakelijk voor het doen van input-outputanalyse. De makers van GLORIA en EORA wijzen er echter op dat ‘de nauwkeurigheid van individuele elementen (van de data) onbelangrijk is, zolang de resultaten van modelleringen een realistisch beeld opleveren voor de analist of beleidsmakers’. Met andere woorden, in het algemeen wordt aangeraden om, met name als het gaat om minder goed gedocumenteerde landen, geen al te zwaarwegende conclusies te verbinden aan de bevindingen met betrekking tot specifieke gedetailleerde sectoren in specifieke landen. Echter, in bredere zin weerspiegelen de inzichten die opgedaan worden aan de hand van GLORIA wel degelijk de realiteit. Op basis van de meta-analyse van GLORIA die we in deze paragraaf hebben gepresenteerd is dat een evenwichtige conclusie ten aanzien van de bruikbaarheid en plausibiliteit van GLORIA.

5.3De ontwikkeling van de Nederlandse invoervoetafdruk

Hoewel de uitstoot van broeikasgassen door de Nederlandse economie afnam in 2021 ten opzichte van 2019 (CBS, 2022b), nam de voetafdruk van de invoer in 2021 juist toe.noot2 In figuur 5.3.1 staat de broeikasgasvoetafdruk van de totale Nederlandse invoer in 2015 tot en met 2021, verdeeld naar gebruik. In deze figuur is duidelijk te zien dat in 2020 de totale voetafdruk aanzienlijk lager was dan de jaren ervoor en ook dat de totale voetafdruk in 2021 hoger lag dan in 2019. Deze toename geldt echter niet voor de voetafdruk van de invoer direct voor binnenlandse bestedingen. In 2021 bedroeg deze 48,8 megaton CO­2-equivalent, wat lager is dan de 50,7 megaton CO2-equivalent in 2019. Deze afname van 3 procent is echter minder groot dan de waardedaling van deze invoerstroom, namelijk 7 procent. Dat betekent dat de voetafdruk per euro invoer voor deze stroom omhoog is gegaan.

5.3.1 Invoervoetafdruk ( megaton CO2-eq.)
Jaar Invoer voor intermediair verbruik Invoer direct voor binnenlandse bestedingen Invoer voor wederuitvoer
2015* 168,23 55,48 170,25
2016* 170,39 52,25 170,35
2017* 165,3 48,03 166,31
2018* 177,94 51,49 176,62
2019* 189,18 50,72 190,28
2020* 161,45 43,24 172,78
2021* 195,03 48,76 214,68
Bron: CBS, GLORIA
458 megaton CO2‑eq. bedroeg de totale Nederlandse invoervoetafdruk in 2021

Invoer voor binnenlandse bestedingen heeft ook per euro de kleinste voetafdruk

In figuur 5.3.2 wordt de voetafdruk van de diverse invoerstromen van goederen en de totale invoer weergegeven. Niet alle stromen volgen dezelfde ontwikkeling door de tijd. Dit kan te maken hebben met verschillen in samenstelling van de verschillende invoerstromen in termen van producten, herkomstlanden of prijsfluctuaties van de verschillende producten. De voetafdruk per euro van de invoer van diensten is erg klein en wordt daarom niet getoond, maar deze informatie is wel beschikbaar in Aerts et al. (2023a). De goedereninvoer voor intermediair verbruik heeft de grootste voetafdruk per euro invoer van alle stromen. Deze stroom bevat relatief veel grondstoffen, bijna 38 procent ten opzichte van 27 procent in de totale invoer. In 2019 daalde de voetafdruk per euro invoer van de invoer voor binnenlandse bestedingen, terwijl die van de totale invoer nauwelijks veranderde. Tegelijkertijd steeg de voetafdruk per euro invoer van goederen voor intermediair verbruik aanzienlijk. Ook in latere jaren bleef dit verschil bestaan.

5.3.2 Invoervoetafdruk per euro invoer (kg CO2-eq. per euro)
Jaar Goederen voor intermediair verbuik Goederen direct voor binnenlandse bestedingen Goederen voor wederuitvoer Goederen totaal Totale invoer
2015* 1,004 0,771 1,036 0,982 0,76
2016* 1,022 0,751 1,017 0,975 0,8
2017* 0,907 0,66 0,896 0,864 0,708
2018* 0,898 0,688 0,899 0,867 0,708
2019* 0,986 0,679 0,913 0,902 0,727
2020* 0,931 0,646 0,874 0,858 0,695
2021* 0,982 0,681 0,858 0,876 0,723
Bron: CBS, GLORIA

Bouwmaterialen van klei veroorzaken stijging invoervoetafdruk per euro in 2019

Het delen van de invoervoetafdruk door de invoerwaarde kan een vertekend beeld geven door schommelingen in de prijzen van producten. Dit kan met name bij minerale brandstoffen een groot effect hebben, waar ontwikkelingen in vraag en aanbod tot forse prijsschommelingen kunnen leiden. Ook bij andere productgroepen is een toename in waarde niet per definitie lineair verbonden met een stijging in hoeveelheid. De verwachting is dat de verhouding tussen hoeveelheid (bijvoorbeeld in liters of in kilogram) en voetafdruk stabieler is, maar alleen binnen homogene productgroepen. In figuur 5.3.3 wordt de invoervoetafdruk verdeeld naar gebruik en productcategorie voor 2018 tot en met 2021 weergegeven; hierin kunnen we de stijging van de voetafdruk van goederen voor intermediair verbruik in 2019 verder onderzoeken. De productcategorieën in deze figuur zijn gebaseerd op SITC 1 codes. Hieruit blijkt dat de voetafdruk van de invoer voor wederuitvoer met 14 megaton CO2-equivalent is gestegen in 2019 ten opzichte van 2018, iets meer dan de stijging van 10 megaton CO2-equivalent van de voetafdruk van de invoer voor intermediair verbruik. De invoervoetafdruk van industriële producten en van grondstoffen en minerale brandstoffen steeg harder bij invoer voor intermediair verbruik dan bij invoer voor wederuitvoer. Binnen de productcategorie industriële producten voor intermediair verbruik is er een sterke stijging zichtbaar bij bouwmaterialen van klei en ander keramiek: deze producten hebben een hoge voetafdruk per euro, zoals te zien is in tabel 5.1.2. De stijging van de invoerwaarde en de stijging van de voetafdruk per euro van deze producten veroorzaken de stijging bij invoer voor intermediair verbruik in 2019, zoals weergegeven in figuur 5.3.2.

5.3.3 Invoervoetafdruk verdeeld naar gebruik en productcategorie (megaton CO2-eq.)
Jaar Chemische producten Diensten Grondstoffen en minerale brandstoffen Industriële producten Machines en vervoermaterieel Voeding en dranken
Invoer v. intermediair verbruik . . . . . .
2021* 20,451 28,331 65,813 35,654 11,643 33,134
2020* 15,486 33,194 42,944 30,48 10,165 29,184
2019* 16,266 36,372 59,168 32,977 14,022 30,378
2018* 15,817 37,344 51,953 29,238 13,567 30,025
Invoer direct v. binnenlandse bestedingen . . . . . .
2021* 2,505 2,076 5,205 10,715 14,21 14,051
2020* 2,151 2,574 3,361 9,77 11,916 13,464
2019* 2,754 4,546 5,982 10,001 14,109 13,324
2018* 1,957 9,368 4,38 9,233 12,381 14,169
Invoer v. wederuitvoer . . . . . .
2021* 33,731 0,156 53,706 49,66 41,079 36,351
2020* 24,797 0,739 38,266 38,084 34,317 36,574
2019* 25,155 1,091 51,311 43,642 35,937 33,145
2018* 22,662 0,965 45,81 41,234 33,716 32,233
Bron: CBS, GLORIA

Invoervoetafdruk van landbouwproducten daalde niet in 2020

De impact van de coronacrisis op de Nederlandse import van landbouwgoederen was aanzienlijk milder dan op de algemene goederenimport (Berkhout & Ramaekers, 2021). Opmerkelijk genoeg vertoonde de import van landbouwproducten zelfs een groei in 2020 ten opzichte van 2019 (Ramaekers et al., 2021). Deze trend wordt ook weerspiegeld in de invoervoetafdruk van landbouwproducten, die in 2020 de sterkste stijging vertoonde ten opzichte van 2019. In 2021 was de invoervoetafdruk van landbouwproducten 14 procent van de totale invoervoetafdruk. Slechts 1,3 procent van de totale invoervoetafdruk bestond uit landbouwproducten direct bestemd voor binnenlandse bestedingen, dat was ongeveer 6,0 megaton CO2-equivalent. Voornamelijk lachgas draagt bij aan de invoervoetafdruk van landbouwproducten, zie figuur 5.3.4. In 2020 daalde de methaanvoetafdruk van deze invoer én deze bleef ook in 2021 onder het niveau van 2019. Deze daling in 2020 kwam met name door een afname in de invoer van levende dieren en dierlijke producten, waarbij met name de invoer van varkens en varkensproducten in 2021 nog steeds lager was dan in 2019. In 2021 stond de varkenssector namelijk voor uitdagingen met een fors lagere vraag en dalende prijzen (CBS, 2021). Dit werd veroorzaakt door een verminderde vraag naar varkensvlees uit China, als gevolg van een snel herstellende varkensproductie in dat land. Hierdoor blijft de methaanvoetafdruk in 2021 onder de waarde van 2019, in tegenstelling tot de totale invoervoetafdruk van landbouwproducten. Het merendeel van deze voetafdruk hangt samen met de invoer van gewassen, bijna 90 procent in 2021.

5.3.4 Invoervoetafdruk van landbouwproducten (megaton CO2-eq.)
Jaar Koolstofdioxide (CO2) Lachgas (N2O) Methaan (CH4)
2017* 9,14 25,7 7,91
2018* 9,12 30,03 11,03
2019* 10,43 32,77 12,35
2020* 11,48 38,68 10,45
2021* 12,68 41,5 11,27
Bron: CBS, GLORIA

5.4De invoervoetafdruk van Nederlandse bedrijfstakken

In deze paragraaf wordt ingegaan op de buitenlandse uitstoot die in verband wordt gebracht met de invoer van goederen en diensten door Nederlandse bedrijven. In lijn met het toekomstige streven van Nederland om haar wereldwijde klimaatvoetafdruk te verkleinen (Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2022), is het cruciaal om inzicht te krijgen in de invoervoetafdruk van het Nederlandse bedrijfsleven. Het is immers bekend dat Nederlandse bedrijven tegenwoordig hun productieprocessen georganiseerd hebben binnen mondiale waardeketens, waarbij de verschillende stappen van de productie zich in verschillende landen bevinden (zie o.a. meerdere CBS-onderzoeken zoals Bohn et al., 2021 en 2022a; Aerts et al., 2022). De goederen en diensten die in Nederland worden gemaakt, zijn tegenwoordig samengesteld uit een breed scala aan inputs uit verschillende delen van de wereld. Neem bijvoorbeeld de productie van vlees in Nederland. Hierbij zijn niet alleen Nederlandse sectoren zoals de voedingsmiddelenindustrie en de landbouw betrokken, maar zijn ook inputs uit het buitenland van groot belang. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat er niet genoeg ruimte is in Nederland om voldoende veevoer(grondstoffen) te telen voor het gehouden vee. De invoer van producten die dienen als veevoer heeft een potentieel grote impact op tropische natuurgebieden (Aerts et al., 2021).

Invoervoetafdruk van invoer bedrijfsleven met name bestemd voor export

In de voorgaande paragraaf is al aangetoond dat de invoer voor intermediair verbruik in 2021 resulteerde in een totale broeikasgasuitstoot van 195,0 megaton CO2-equivalent, een stijging van 3,1 procent ten opzichte van 2019 (189,2 megaton CO2-equivalent). De uitstoot in het buitenland als gevolg van de import van Nederlandse bedrijven wordt voornamelijk toegeschreven aan productie voor de export. Ongeveer twee derde van de totale elders veroorzaakte uitstoot is gerelateerd aan de export.

De verdeling van de broeikasgasuitstoot door invoer voor intermediair verbruik naar productcategorie is al eerder in figuur 5.3.3 geïllustreerd. De grootste invoervoetafdruk wordt veroorzaakt door de invoer van grondstoffen en minerale brandstoffen. De winning en raffinage van minerale brandstoffen leiden tot een aanzienlijke uitstoot van CO2 en methaan. Na grondstoffen en minerale brandstoffen komen industriële producten, waarbij met name CO2-uitstoot een rol speelt. In de categorie voeding en dranken wordt voornamelijk lachgas uitgestoten, met name als gevolg van het gebruik van (kunst-)mest bij de teelt van verschillende landbouwproducten in het buitenland. Daarnaast komt bij deze categorie ook een hoge methaanuitstoot voor, die met name gerelateerd is aan de veehouderij.

Invoer uit Azië iets vaker voor binnenlandse afzet bestemd

Figuur 5.4.1 laat vervolgens de verdeling zien van de Nederlandse invoervoetafdruk naar het continent van waaruit het product ingevoerd werd. Met andere woorden, het toont de wereldwijde uitstoot die gerelateerd is aan de Nederlandse invoer vanuit elk continent, het toont dus niet waar deze voetafdruk neerslaat. Wanneer bijvoorbeeld een auto uit Duitsland geïmporteerd wordt, wordt de gehele voetafdruk van deze auto aan de invoer uit Europa toegerekend. Een deel van deze voetafdruk zal waarschijnlijk niet in Duitsland zijn neergeslagen. De hoogste invoervoetafdruk van het Nederlandse bedrijfsleven wordt toegeschreven aan producten afkomstig uit Europa. Daarbij dient wederom opgemerkt te worden dat de uitstoot niet noodzakelijkerwijs binnen Europa plaatsvindt, maar ook elders op de wereld. Zo laten Aerts et al. (2023a) zien dat de import uit Europa aanzienlijke broeikasgasuitstoot genereert in Azië en Afrika. Binnen Europa is de grootste hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen afkomstig van producten uit Rusland (22,9 procent van de totale invoervoetafdruk van Europese producten voor Nederlandse bedrijfstakken). Dit heeft vooral te maken met de uitstoot die gepaard gaat met de winning en raffinage van minerale brandstoffen. Na Rusland completeren Duitsland (18,3 procent), België (15,8 procent), Frankrijk (5,8 procent) en het VK (5,1 procent) de top 5 van herkomstlanden met de grootste voetafdruk van de Nederlandse invoer. In het geval van producten uit Duitsland en België omvat de invoervoetafdruk een breed scala aan producten, variërend van grondstoffen en halffabricaten zoals ijzer en staal, tot chemische producten en hightech (eind)producten en diensten. Bij producten uit Frankrijk is de invoervoetafdruk gekoppeld aan broeikasgasuitstoot bij de teelt van granen en graanproducten voor de Nederlandse verwerkende industrie, terwijl bij producten uit het VK de belangrijkste bron van broeikasgasuitstoot voortkomt uit de productie van diensten en minerale brandstoffen.

Binnen Azië en Oceanië dragen producten uit China aanzienlijk bij aan de broeikasgasuitstoot (ruim 41,3 procent), gevolgd door Indonesië (12,4 procent), India (9,5 procent) en Maleisië (4,7 procent). De uitstoot van Chinese producten is voornamelijk afkomstig van industriële activiteiten, zoals de uitstoot die gepaard gaat met de productie van onderdelen van elektrische apparaten, zoals laptops, telefoons en ledlampen, die door verschillende Nederlandse bedrijfstakken worden ingevoerd. Bij Indiase producten wordt broeikasgas uitgestoten door de dienstensector en de chemische industrie. Dit omvat bijvoorbeeld CO2-uitstoot die vrijkomt bij de energieproductie om diensten te kunnen verlenen (Aerts et al., 2023b), of bij de vervaardiging van organische chemische producten die worden gebruikt als input voor de Nederlandse chemische en farmaceutische industrie. Zowel Indonesië als Maleisië kennen uitstoot door de productie van chemische grondstoffen, maar ook (ruwe) palmolie draagt aanzienlijk bij aan deze invoervoetafdruk. Hoewel het grootste deel van de uitstoot van Aziatische producten gerelateerd is aan exportproductie in Nederland, is deze uitstoot in verhouding tot de andere continenten sterker gekoppeld aan productie voor de Nederlandse finale vraag. Dit komt vooral tot uiting in de import van bouwmaterialen en specifieke apparatuur en machines uit China door de Nederlandse bouwsector, die voornamelijk voor binnenlandse doeleinden wordt gebruikt. De productie van cement, dat een belangrijk bindmiddel is in beton, is bijvoorbeeld bijzonder vervuilend vanwege de hoge CO2-uitstoot tijdens het ‘calcineren’ van kalksteen (de belangrijkste grondstof voor cement) (Watts, 2019; Habert et al., 2020). Dit proces genereert substantiële hoeveelheden CO2 als gevolg van de chemische reacties die plaatsvinden. Ook de productie van overige bouwmaterialen vereist vaak grote hoeveelheden energie, vooral als het gaat om het verwarmen en smelten van grondstoffen (Dean et al., 2016). Het gebruik van fossiele brandstoffen voor energie kan leiden tot hevige uitstoot van CO2.

De broeikasgasuitstoot gerelateerd aan producten uit Noord- en Zuid-Amerika concentreert zich voornamelijk in de VS (44,0 procent van de totale broeikasgasuitstoot van producten uit Noord- en Zuid-Amerika) en Brazilië (24,7 procent). Minerale brandstoffen en diensten zijn de voornaamste bronnen van de invoervoetafdruk voor Amerikaanse producten. In het geval van Brazilië wordt de uitstoot grotendeels veroorzaakt door sojaproductie, waarbij vooral het gebruik van kunstmest leidt tot een aanzienlijke lachgasuitstoot. In hoofdstukken 1 en 2 zagen we al dat soja een belangrijk grondstof is voor veevoer.

Broeikasgasuitstoot van Afrikaanse producten hangt vooral samen met bedrijven die produceren voor de Nederlandse export. De herkomst van die producten is verspreid over vele landen, variërend van landen die zich veel richten op de export van olie, bijvoorbeeld Nigeria en Libië, tot landen die veel doen met de cacaoproductie, zoals Kameroen en Ivoorkust.

5.4.1 Wereldwijde uitstoot gerelateerd aan de Nederlandse invoer naar exporterend continent en invoergebruik, 2021* (megaton CO2-eq.)
Output Koolstofdioxide (CO2) Lachgas (N2O) Methaan (CH4)
Europa . . .
Export 52,2 11,4 16,1
Binnenlandse afzet 27,1 5,2 8,0
Azië en Oceanië . . .
Export 14,5 2,4 4,6
Binnenlandse afzet 9,9 1,2 2,4
Amerika . . .
Export 8,9 5,2 3,3
Binnenlandse afzet 4,1 1,3 1,5
Afrika . . .
Export 4,2 3,7 3,3
Binnenlandse afzet 1,2 1,3 1,0
Bron: CBS, GLORIA

Lachgasvoetafdruk met name zichtbaar bij voedings- en genotmiddelenindustrie

In figuur 5.4.2 geven we weer welke Nederlandse bedrijfstakken verantwoordelijk zijn voor de uitstoot van broeikasgassen elders in de wereld. De industrie draagt met 63,2 procent het overgrote deel van de totale invoervoetafdruk als gevolg van invoer voor intermediair verbruik. Binnen deze industriële sector springen met name de voedingsmiddelenindustrie, aardolie-industrie en chemische industrie in het oog en deze worden daarom afzonderlijk getoond in figuur 5.4.2. Bijna alle industriële sectoren kennen vooral CO2-uitstoot, met uitzondering van de voedingsmiddelenindustrie. In deze sector is het juist lachgas dat een iets prominentere rol speelt. Zoals eerder in deze en voorgaande paragraaf is vermeld, wordt deze emissie toegeschreven aan het gebruik van kunstmest bij de teelt van landbouwgewassen. Ook een hoge mate van methaanuitstoot is zichtbaar bij de voedingsmiddelenindustrie en de aardolie-industrie. Deze uitstoot kan worden herleid naar de veeteelt en naar het proces van winning en raffinage van minerale brandstoffen. Buiten de industrie is de invoervoetafdruk vrij gelijkmatig verdeeld over andere sectoren. Zoals eerder in deze paragraaf uiteengezet, heeft de bouwsector een relatief hoge CO2-voetafdruk, voornamelijk vanwege de invoer van bouwmaterialen met een aanzienlijke CO2-uitstoot. Daarnaast draagt de import van aardgas voor de energievoorziening ook bij aan aanzienlijke emissies van zowel CO2 als methaan.

5.4.2 Invoervoetafdruk van Nederlandse bedrijfstakken, 2021* (megaton CO2-eq.)
Sector Koolstofdioxide (CO2) Lachgas (N2O) Methaan (CH4)
Landbouw, bosbouw, visserij 1,53 1,48 1,48
Delfstoffenwinning, energie-
voorziening, waterwinning
4,34 0,47 3,97
Voedings-, genot-
middelenindustrie
9,22 19,04 7,14
Chemische industrie 15,82 1,08 3,67
Aardolie-industrie 19,54 2,43 8,77
Overig industrie 27,97 1,67 6,83
Bouw 10,98 0,52 1,89
Handel 5,45 0,59 1,17
Vervoer en opslag 11,94 0,67 1,94
Zakelijke
dienstverlening
4,97 0,89 1,54
Overige commerciële
dienstverlening
5,77 1,15 1,81
Niet-commerciële
dienstverlening
4,94 1 1,32
Bron: CBS, GLORIA

De verhouding tussen milieu-impact en invoerwaarde

In figuur 5.4.3 wordt de invoervoetafdruk per sector vergeleken met de invoerwaarde. Dit biedt een andere manier om de voetafdruk per euro invoer te bekijken. We presenteren deze figuur om inzicht te bieden in de relatie tussen een economische activiteit (in termen van invoerwaarde) en de milieu-impact daarvan binnen verschillende sectoren. Op de verticale as laten we het aandeel van de totale broeikasgasuitstoot zien dat wordt veroorzaakt door de invoer van goederen en diensten binnen die specifieke sector. Op de horizontale as tonen we het aandeel van die sector in de totale invoerwaarde. Dit geeft ons inzicht in de ‘economische bijdrage’ van elke sector in termen van de waarde van de goederen en diensten die worden ingevoerd. Wanneer een punt (sector) zich dichtbij de lijn bevindt, betekent dit dat het aandeel van de totale uitstoot proportioneel is aan het aandeel van de betreffende sector in de totale invoerwaarde. Met andere woorden, deze sectoren hebben een evenwichtige verhouding tussen hun milieu-impact (uitstoot) en economische bijdrage (invoerwaarde). Als een punt verder van de lijn afwijkt, impliceert dit dat er geen evenwicht is tussen economische bijdrage en milieu-impact voor de betreffende sector.

Figuur 5.4.3 onthult interessante patronen in de relatie tussen de economische bijdrage en de milieu-impact van verschillende sectoren. Sectoren zoals de voedingsmiddelenindustrie, aardolie-industrie en de chemische industrie vallen op, aangezien ze zich een behoorlijk eind boven de diagonaal bevinden. Dit betekent dat deze sectoren een relatief groot aandeel in de uitstoot hebben vergeleken met hun aandeel in de totale invoerwaarde. Dit wordt veroorzaakt door de invoer van specifieke goederen die gepaard gaan met een relatief hoge broeikasgasuitstoot, zoals aardolie, soja en levende dieren. Verder liggen de sectoren landbouw, delfstoffenwinning, energie, water en bouw ook iets boven de lijn, wijzend op een relatief grote bijdrage aan de broeikasgasuitstoot.

Daarentegen bevinden alle drie sectoren binnen de commerciële dienstverlening zich onder de diagonaal, wat betekent dat het aandeel van deze sector in de totale invoerwaarde aanzienlijk groter is dan in de totale uitstoot. Dit houdt in dat de commerciële dienstverlening, in vergelijking met andere sectoren, een relatief lage milieu-impact heeft in verhouding tot de economische bijdrage van deze sector. Dit is geen verrassende uitkomst, aangezien de dienstensector voornamelijk diensten importeert (Bohn et al., 2021 & 2022a; Aerts et al., 2023a) en die hebben over het algemeen een relatief lage invoervoetafdruk, zie ook paragraaf 5.3.

In deze figuur zien we het aandeel in de totale intermediaire invoer afgezet tegen het bijbehorende aandeel in de totale broeikasgasuitstoot naar sector in 2021. Sectoren zoals de voedingsmiddelenindustrie, aardolie-industrie en de chemische industrie vallen op, deze sectoren hebben een relatief groot aandeel in de uitstoot vergeleken met hun aandeel in de totale invoerwaarde. De commerciële dienstverlening en zakelijke dienstverlening heeft in vergelijking met andere sectoren een relatief lage milieu-impact in verhouding tot de intermediaire invoer van deze sector. T otale b r oei k asgasuitstoot naar sector (%) T otale intermediai r e i n v oer naar sector (%) 5.4.3 Intermediaire invoer afgezet tegen broeikasgasuitstoot 2021* 0,00 5,00 10,00 15,00 20,00 25,00 30,00 0,00 5,00 10,00 15,00 20,00 25,00 30,00 1 . Landbou w , bosbou w , visserij 2 . Delfsto ff enwinning , ene r gie v oorziening , w ate r winning 3 . V oedings- , genotmiddelenindustrie 4 . Chemische industrie 5 . Aa r dolie-industrie 6 . O v erig industrie 7 . Bouw 8 . Handel 9 . V e r v oer en opslag 10 . Zakelijke dienst v erlening 11 . O v erige c omme r ciële dienst v erlening 12 . Nie t - c omme r ciële dienst v erlening 1 2 7 9 4 11 10 8 12 5 3 6

5.5De invoervoetafdruk van CBAM-producten

Bohn et al. (2022b) en hoofdstuk 2 van deze publicatie hebben inzichtelijk gemaakt in hoeverre Nederlandse bedrijven momenteel leunen op de import van producten die onder CBAM gaan vallen, en hoe deze ingevoerde producten in Nederlandse ketens worden ingezet. In deze paragraaf bouwen we verder op deze inzichten en onderzoeken we wat de broeikasgasvoetafdruk van deze import is. Onze focus ligt voornamelijk op de broeikasgasemissies in landen buiten de EUnoot3, omdat de import uit deze landen bij invoer van de CBAM-regeling onderhevig zal zijn aan een prijscorrectie op basis van hun CO2-uitstoot bij het produceren voor de Europese markt.

De invoervoetafdruk van CBAM ligt vooral buiten de EU

De broeikasgasvoetafdruk van de totale invoer van CBAM-goederen bedroeg 26,6 megaton CO2-equivalent in 2021. Dit vertegenwoordigt een bescheiden aandeel van 6,2 procent in de totale Nederlandse voetafdruk van de goedereninvoer. De grootste bijdrage aan deze voetafdruk wordt geleverd door de invoer van ijzer en staal, goed voor 18,0 megaton CO2-equivalent, ongeveer twee derde van het totaal van CBAM-goederen. Deze categorie wordt op ruime afstand gevolgd door aluminium (6,0 megaton CO2-equivalent), elektriciteit (1,1 megaton CO2-equivalent), meststoffen (eveneens 1,1 megaton CO2-equivalent) en cement (0,5 megaton CO2-equivalent).

Het is vooral relevant om te weten waar de voetafdruk van CBAM-goederen ligt omdat alleen het deel dat buiten de EU ligt binnen de nieuwe CBAM-regelgeving valt. We gebruiken de woorden direct en indirect om het verschil te duiden tussen invoer die direct vanuit een extra-EU-land naar Nederland komt en invoer die via een EU-land naar Nederland komt. Neem bijvoorbeeld de productie van aluminium. Zowel de directe export van aluminium vanuit een extra-EU-land naar Nederland, als de indirecte export (via een EU-land) valt onder de CBAM-regelgeving. In beide gevallen ligt de voetafdruk van de aluminium productie buiten de EU, ondanks dat de directe invoerwaarde in het tweede geval gerelateerd wordt aan een EU-land.

Ongeveer 60 procent van de invoervoetafdruk van CBAM-producten, 15,9 megaton CO2-equivalent, lag in 2021 buiten de EU en het resterende deel (10,7 megaton CO2-equivalent) lag binnen de EU, zie tabel 5.5.1. In vergelijking met de voetafdruk van de goedereninvoer als geheel is het niet-EU aandeel van de CBAM-invoervoetafdruk lager dan gemiddeld (75 procent). Op productniveau variëren de aandelen die binnen en buiten de EU liggen aanzienlijk. De voetafdrukken van aluminium, meststoffen en ijzer en staal liggen vooral buiten de EU, en de voetafdrukken van elektriciteit en cement voornamelijk binnen de EU.

5.5.1Broeikasgasvoetafdruk van de invoer van CBAM-producten, 2021*
Invoervoetafdruk Invoerwaarde
binnen de EU buiten de EU totaal binnen de EU buiten de EU totaal
BKG aandeel BKG aandeel BKG waarde aandeel waarde aandeel waarde
kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. mln euro % mln euro % mln euro
CBAM 10 718 40 15 881 60 26 599 13 327 76 4 139 24 17 466
Aluminium 2 151 36 3 842 64 5 993 3 394 74 1 215 26 4 609
Cement 431 87 65 13 495 334 99 4 1 337
Elektriciteit 933 86 149 14 1 082 840 100 0 0 840
Gietijzer, ijzer en staal 7 015 39 10 953 61 17 969 8 266 76 2 610 24 10 877
Meststoffen 188 18 873 82 1 061 494 61 310 39 803

Bron:CBS & GLORIA

De broeikasgasvoetafdruk van de invoer van CBAM-producten kan verder verdeeld worden naar het type emissie. De voetafdruk van CBAM-goederen bestaat voor 80 procent uit CO2-emissies en het aandeel van methaan (omgezet naar CO2-equivalent) ligt op 18 procent. Lachgas speelt geen noemenswaardige rol. Het aandeel van CO2 in de invoervoetafdruk van CBAM-goederen is 18 procentpunt hoger dan voor de gehele goedereninvoer. De invoer van meststoffen vormt een uitzondering binnen de CBAM-goederen: daarvan bestaat de voetafdruk met name uit methaan-emissies (54 procent).

De verdeling tussen intra-EU en extra-EU aandelen van de CBAM invoervoetafdruk in tabel 5.5.1 verschilt aanzienlijk van deze aandelen in de invoerwaarde. Dit patroon geldt volgens Aerts et al. (2023a) overigens ook voor de gehele goedereninvoer. De extra-EU aandelen van de directe invoerwaarden zijn steeds veel kleiner dan de voetafdruk: voor aluminium 26 procent; cement 1 procent; ijzer en staal 24 procent; en meststoffen 39 procent.

De aanzienlijke discrepantie tussen de extra-EU aandelen in de directe invoerwaarden en de broeikasgasuitstoot heeft meerdere mogelijke oorzaken. Productieprocessen binnen EU-landen zijn mogelijk schoner en/of efficiënter; dit wordt ondersteund door hoofdstuk 2 van deze publicatie, waaruit blijkt dat de voetafdruk per euro CBAM-invoer uit de EU ongeveer de helft is van die uit extra-EU-landen. Een mogelijke andere verklaring is dat vervuilende productie vooral in extra-EU-landen plaatsvindt, waar grondstoffen overvloedig voorhanden zijn (Aerts et al., 2023b). In het algemeen slaan emissies namelijk vooral stroomopwaarts en dus aan het begin van productieketens neer. Dit is relatief vaak in (ontwikkelings-) landen die zich gespecialiseerd hebben in exploratie, extractie, verwerking en voorbereiding van grondstoffen.

37 procent van de extra-EU invoervoetafdruk van CBAM-goederen door intra-EU invoer

Tabel 5.5.1 benadrukte de grote rol van niet-EU-landen in de voetafdruk van de CBAM-invoer. Echter, daarmee is nog niet inzichtelijk hoe de uitstoot van niet-EU oorsprong deel uitmaakt van de invoervoetafdruk van CBAM-producten. Is het vooral gerelateerd aan uitstoot die door de directe invoer van CBAM-goederen vanuit niet-EU-landen binnenkomt of komt het in hoge mate indirect Nederland binnen door de import vanuit EU-landen die eerder in de keten (emissie-intensieve) tussenproducten uit niet-EU-landen hebben geïmporteerd?

In figuur 5.5.2 is de broeikasgasvoetafdruk van CBAM-import in vier delen opgesplitst, waarbij de locatie van de voetafdruk (EU of niet-EU) gekoppeld is aan de herkomst van de invoer (ook hier EU of niet-EU) totdat deze Nederland bereikt. Het aandeel van de voetafdruk dat buiten de EU ligt, wordt weergegeven in lichtblauw (als onderdeel van de keten van de directe extra-EU invoer) plus donkerblauw (indirecte invoer via een EU-land); tezamen gelijk aan het gemiddelde van 60 procent (zoals in tabel 5.5.1 weergegeven). Het aandeel van de voetafdruk dat binnen de EU ligt is weergegeven in lichtgroen plus donkergroen.

In deze figuur is te zien dat voor de productie van CBAM-producten door EU-landen die vervolgens worden ingevoerd door Nederland zo’n 5,9 megaton aan CO2-equivalent aan broeikasgasuitstoot wordt gegenereerd in niet-EU-landen. Dit komt overeen met 37 procent van de totale uitstoot in niet-EU-landen die in verband wordt gebracht met de totale Nederlandse invoer van CBAM-producten (15,9 megaton CO2-equivalent, zoals vermeld in tabel 5.5.1). Dat zijn dus emissies die minder makkelijk te herleiden zijn uit de bilaterale handelsstatistiek, omdat deze via de indirecte weg Nederland bereiken. De overige 63 procent van de uitstoot in niet-EU-landen hangt dus samen met de invoer uit landen buiten de EU. Aan de andere kant vindt er nauwelijks broeikasgasuitstoot plaats binnen de EU voor de directe import vanuit niet-EU-landen. Met andere woorden, CBAM-producten bewandelen nauwelijks de omgekeerde indirecte weg, van de EU, via niet-EU-landen, naar Nederland.

5,9 megaton CO2-eq. aan broeikasgasuitstoot gerelateerd aan de Nederlandse invoer van CBAM-goederen in 2021 werd in niet-EU-landen gegenereerd maar komt indirect door de invoer vanuit EU-landen Nederland binnen

Bij alle CBAM-goederen blijkt de uitstoot in niet-EU-landen die samenhangt met de invoer van CBAM-producten die uit de EU naar Nederland komen, aanzienlijk (donkerblauw). Dit onderstreept het belang van het voetafdrukperspectief: ook al komt een flink deel van de invoer van CBAM-producten uit de EU, toch slaat een substantieel deel van de emissies voortkomend uit de productie van deze goederen via mondiale productieketens neer buiten de EU.

5.5.2 Broeikasgasvoetafdruk van de invoer van CBAM-producten naar oorsprong en herkomst, 2021* (%)
Product Oorsprong en herkomst buiten de EU Oorsprong buiten EU en herkomst EU Oorsprong EU en herkomst niet-EU Oorsprong en herkomst binnen de EU
Aluminium 1,895 1,947 0,024 2,127
Cement 0,016 0,049 0,000 0,431
Elektriciteit 0,015 0,134 0,000 0,933
Gietijzer, ijzer en staal 7,376 3,577 0,132 6,883
Meststoffen 0,704 0,169 0,037 0,151
CBAM 10,006 5,875 0,194 10,524
Alle goederen 259,070 62,982 4,042 101,820
Bron: CBS, GLORIA

Slechts een vijfde van de invoervoetafdruk buiten de EU van CBAM-goederen is gerelateerd aan invoer voor Nederlandse consumptie

De CBAM-emissielast die verschillende afnemers van CBAM-goederen uiteindelijk dragen is afhankelijk van wat er met de CBAM-invoer in de Nederlandse economie gebeurt. Wanneer deze goederen weer geëxporteerd worden kan de emissielast namelijk aan de afnemers worden toegerekend. Tabel 5.5.3 toont de invoervoetdruk van CBAM-goederen naar bestemmingsverdeling van de invoer. Hierbij wordt alleen de voetafdruk die buiten de EU neerslaat in beschouwing genomen (omdat het deel dat binnen de EU blijft niet aan extra tarieven onderhevig is).

Van de 15,9 megaton CO2-equivalent aan extra-EU voetafdruk van de invoer van CBAM-goederen behoort meer dan de helft – namelijk 8,1 megaton – tot CBAM-goederen die na aankomst in Nederland weer direct worden geëxporteerd (wederuitvoer). Daarnaast verlaat nog eens een deel van deze invoer Nederland uiteindelijk in verwerkte vorm in andere exportproducten, daaraan is 4,3 megaton CO2-equivalent van deze voetafdruk gerelateerd. Met name van ingevoerde meststoffen (78 procent) en aluminium (59 procent) behoort een groot deel van de invoervoetafdruk toe aan wederuitvoer. Van de invoervoetafdruk van ijzer- en staalproducten is dat ‘slechts’ 47 procent, maar ijzer- en staalproducten worden dan weer relatief vaak verwerkt in andere producten die uiteindelijk weer worden geëxporteerd. Een deel van de invoervoetafdruk behoort toe aan de invoer bestemd voor direct verbruik binnen Nederland. Echter de invoervoetafdruk van direct geconsumeerde invoerproducten blijft in het geval van CBAM-goederen beperkt. Een uitzondering is elektriciteit, waarbij 35 procent van de invoervoetafdruk gerelateerd is aan de invoer voor binnenlandse bestedingen.

5.5.3Extra-EU invoervoetafdruk van CBAM-goederen naar bestemmingsverdeling van de invoer, 2021*
Intermediaire invoer verwerkt in binnenlandse bestedingen Intermediaire invoer verwerkt in uitvoer Invoer voor binnenlandse bestedingen Invoer voor wederuitvoer Totaal
BKG aandeel BKG aandeel waarde aandeel waarde aandeel waarde aandeel
kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. % kiloton CO2-eq. %
CBAM 3 169 20 4 321 27 281 2 8 109 51 15 881 100
Aluminium 782 20 706 18 67 2 2 286 60 3 842 100
Cement 28 44 11 17 9 14 16 25 64 100
Elektriciteit 45 30 51 34 52 35 1 1 149 100
Gietijzer, ijzer en staal 2 289 21 3 386 31 152 1 5 126 47 10 953 100
Meststoffen 24 3 168 19 0 0 681 78 873 100

Bron:CBS & GLORIA

Als we de aandelen van de invoervoetafdruk van CBAM-goederen in tabel 5.5.3 met als gebruiksbestemming wederuitvoer en invoer verwerkt in de uitvoer optellen, dan resulteert het deel van de invoervoetafdruk dat uiteindelijk toebehoort aan de consumptie buiten Nederland en dus niet aan de Nederlandse consumptievoetafdruk. Dat aandeel was ongeveer 78 procent in 2021.noot4 Het overige een vijfde deel dat wel aan in Nederland geconsumeerde invoer toebehoort is dus deel van de Nederlandse consumptievoetafdruk. Als bedrijven CBAM-belastingen in de prijsstelling van producten aan consumenten door gaan berekenen en er geen volwaardige alternatieven beschikbaar zijn, dan valt het niet uit te sluiten dat Nederlandse consumenten dit deel van de kosten die gepaard gaan met de CBAM-systematiek gaan dragen.

Op productniveau is de invoer van ijzer- en staalproducten verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van de extra-EU voetafdruk met 69 procent, op afstand gevolgd door aluminium met ongeveer 24 procent. Deze aandelen zijn bij ijzer- en staalproducten iets groter en bij aluminium iets kleiner dan de aandelen van deze twee goederen in de invoerwaarde van CBAM-goederen uit niet-EU-landen.

Metaalindustrie en basismetaalindustrie hebben de grootste extra-EU invoervoetafdrukken van CBAM-goederen

De voetafdruk van de invoer van CBAM-goederen voor intermediair verbruik bedroeg in 2021 ongeveer 14,3 megaton CO2-equivalent, waarvan 7,5 megaton buiten de EU lag. Figuur 5.5.4 toont de 13 bedrijfstakken met de grootste extra-EU invoervoetafdrukken van de CBAM-invoer. De balken tonen zowel de totale invoervoetafdrukken van de bedrijfstakken als de verdeling ervan tussen extra-EU (weergegeven in lichtblauw) en intra- EU (donkerblauw). De invoer door de bovenste zes bedrijfstakken in figuur 5.5.4 is samen verantwoordelijk voor driekwart van de extra-EU voetafdruk van intermediaire CBAM-invoer. Als gekeken wordt naar het relatieve aandeel van de invoervoetafdruk dat buiten de EU ligt zien we dat van de 13 bedrijfstakken die in figuur 5.5.4 staan, het hoogste extra-EU aandeel aan de reparatie en installatie van machines toegerekend wordt (66 procent), gevolgd door de chemische industrie (59 procent), de grond-, water- en wegenbouw (58 procent) en de gespecialiseerde bouw (57 procent). De voetafdrukken gerelateerd aan de import door de basismetaalindustrie (51 procent) en de bouwmaterialenindustrie (30 procent) bestaan relatief gezien een stuk minder uit broeikasgasuitstoot van landen buiten de EU.

Als we de analyse zouden uitbreiden naar alle 23 bedrijfstakken die ten minste een invoervoetafdruk van 35 kiloton CO2-equivalent hebben (samen goed voor 98 procent van het totaal van de invoervoetafdruk voor intermediair verbruik) dan hebben 17 van de bedrijfstakken een extra-EU voetafdrukaandeel tussen de 50 en 85 procent. Dit laat zien dat de meeste bedrijfstakken aanzienlijk geraakt worden door de CBAM-regelgeving.

5.5.4 Invoervoetafdruk van CBAM-producten met uitstoot buiten de EU en uitstoot binnen de EU naar bedrijfstak, 2021* (megaton CO2-eq.)
Bedrijfstak Extra-EU voetafdruk Intra-EU voetafdruk
Metaalproductenindustrie 2,00 1,76
Basismetaalindustrie 1,20 1,17
Machine-industrie 1,03 0,84
Gespecialiseerde bouw 0,55 0,41
Algemene bouw en
projectontwikkeling
0,48 0,38
Auto- en aanhang-
wagenindustrie
0,37 0,31
Grond-, water- en wegenbouw 0,32 0,23
Groothandel en
handelsbemiddeling
0,18 0,17
Reparatie en installatie
van machines
0,18 0,09
Chemische industrie 0,15 0,10
Elektrische apparatenindustrie 0,14 0,11
Meubelindustrie 0,13 0,11
Bouwmaterialenindustrie 0,13 0,30
Bron: CBS, GLORIA

5.6Samenvatting en conclusie

In dit hoofdstuk hebben we invoervoetafdrukken berekend met de multiregionale input-outputtabellen van GLORIA in combinatie met CBS-data over de Nederlandse invoer. Dit biedt ons een gedetailleerd inzicht in de milieu-impact van Nederlandse invoeractiviteiten, een aspect dat in de context van toenemende globalisering en internationale waardeketens steeds relevanter is geworden. Nederland is steeds meer verweven geraakt in mondiale productieketens, waarbij de import van goederen en diensten een cruciaal onderdeel is geworden van het economische landschap. Het is daarom van groot belang om te begrijpen welke effecten deze import heeft op het milieu, niet alleen binnen de nationale grenzen maar ook elders in de wereld. Als eerste hebben we laten zien dat emissie-data in GLORIA vergelijkbaar is met CBS-data op een zo gedetailleerd mogelijk niveau. In het algemeen weerspiegelen de resultaten de realiteit goed. Echter, als het gaat om minder goed gedocumenteerde landen, is het aan te raden geen al te zwaarwegende conclusies te verbinden aan de bevindingen met betrekking tot specifieke gedetailleerde sectoren in zulke landen.

In tegenstelling tot de uitstoot van broeikasgassen door de Nederlandse economie nam de voetafdruk van de invoer in 2021 juist toe ten opzichte van 2019. Het grootste deel van deze voetafdruk heeft te maken met goederen voor wederuitvoer en goederen voor intermediair verbruik. De industrie draagt met 63,2 procent het overgrote deel van de totale invoervoetafdruk als gevolg van invoer voor intermediair verbruik. Binnen de industrie is vooral de invoer van de voedingsmiddelenindustrie, de aardolie-industrie en de chemische industrie verantwoordelijk voor deze voetafdruk. Deze drie bedrijfstakken hebben een relatief groot aandeel in de invoervoetafdruk vergeleken met hun aandeel in de totale invoerwaarde. Dit wordt veroorzaakt door de invoer van specifieke goederen die gepaard gaan met een relatief hoge broeikasgasuitstoot, zoals aardolie, soja en levende dieren.

Ongeveer 60 procent van de invoervoetafdruk van CBAM-producten lag in 2021 buiten de EU en zou dus belast worden volgens de nieuwe CBAM-regelgeving. Niet al deze invoer komt ook direct van buiten de EU naar Nederland: 37 procent van de invoervoetafdruk die buiten de EU ligt, is verbonden aan goederen die vanuit een ander EU-land naar Nederland komen. Van de 15,9 megaton CO2-equivalent invoervoetafdruk van CBAM-goederen die buiten de EU ligt, behoort ongeveer de helft (51 procent) toe aan CBAM-goederen die na aankomst in Nederland weer direct worden geëxporteerd (wederuitvoer). Daarnaast verlaat nog eens een deel van deze invoer Nederland uiteindelijk in verwerkte vorm in andere exportproducten, daaraan is nog eens 4,3 megaton CO2-equivalent (27 procent) van deze voetafdruk gerelateerd. Het resterende relatief klein stukje invoervoetafdruk (28 procent) is voor rekening van consumenten in Nederland en maakt dus deel uit van de Nederlandse consumptievoetafdruk.

5.7Data en methoden

De voetafdruk van de invoer voor binnenlandse bestedingen en productie wordt door het CBS als onderdeel van de emissiehandelsbalans berekend (CBS, 2022b). Hier wordt echter alleen de totaalwaarde gerapporteerd. Om detail te kunnen aanbrengen in de invoervoetafdruk en om ook een voetafdruk voor de invoer voor wederuitvoer te berekenen, zijn verschillende bronnen samengebracht.

Allereerst wordt er een voetafdruk per land, per sector en per eenheid productie berekend met behulp van een MRIO (Multi-Regional Input Output tabel). We gebruiken de MRIO uit release 057 van de GLORIA global environment-extended multi-region input-output database (Lenzen et al., 2021a), gebouwd in het Global MRIO-lab (Lenzen et al., 2017). Er is voor GLORIA gekozen vanwege twee belangrijke redenen. Ten eerste vertegenwoordigt deze database een groot aantal sectoren en landen, waardoor de voetafdruk van de invoer op een meer gedetailleerd landniveau beschikbaar zal zijn. Ten tweede bevat deze database emissiedata, waardoor geen extra stappen nodig zijn om de juiste emissiedata aan de MRIO te koppelen. Daarnaast is het een voordeel dat GLORIA erg snel beschikbaar en actueel is; op het moment van schrijven ligt er al een MRIO voor 2021. Het CBS kijkt regelmatig naar het aanbod van MRIO’s om te kijken welke het meest geschikt is voor specifieke doelen. In de toekomst zal mogelijk een andere MRIO gekozen worden wat kan leiden tot andere resultaten.

Het berekenen van de emissie per eenheid productie gaat met behulp van een input-output analyse. Eerst wordt de emissie-coëfficiënt berekend door de totale emissie van een sector in een land te delen door de totale productie van die sector. Vervolgens worden deze coëfficiënten in een diagonaalmatrix geplaatst en vermenigvuldigd met de Leontief inverse om zo de benodigde input te berekenen. De Leontief inverse beschrijft de inputcoëfficiënt benodigd voor één eenheid eindvraag in een sector. Om de voetafdruk van de producten tot aan de Nederlandse grens te bepalen, wordt de Leontief inverse gemaakt van de MRIO nadat Nederland hieruit is verwijderd.

De data voor Nederland wordt uit de MRIO verwijderd om dubbeltellingen te voorkomen. Stel je voor dat een product van België naar Nederland, vervolgens naar Duitsland en dan weer naar Nederland gaat waar het geconsumeerd wordt. Dan zouden de emissies in België twee keer worden meegeteld: namelijk de eerste keer dat het product Nederland binnenkomt en de tweede keer dat het product binnenkomt. Wanneer Nederland uit de MRIO wordt gehaald, worden de emissies die in de tussenstappen in Nederland worden uitgestoten niet meegeteld. Dit type keten wordt ook wel een feedback-loop genoemd, waarbij het bekend is dat het aandeel van emissies dat in het consumerende land neerslaat klein is. Bijvoorbeeld in Moran (2018) wordt het aandeel CO2-emissies dat in Nederland ligt van invoer voor Nederlandse consumptie 0,3 procent geschat.

Voor de omzetting van de verschillende emissie-coëfficiënten naar CO2-equivalenten hebben we gebruik gemaakt van de Global Warming Potential (GWP) factoren voor methaan en lachgas. Door nieuwe IPCC-voorschriften wordt vanaf midden september 2022 gerekend met nieuwe GWP’s. Methaan (CH4) telt nu zwaarder mee (factor 28 in plaats van 25), terwijl lachgas (N2O) minder zwaar telt (factor 265 in plaats van 298). Voor dit hoofdstuk zijn nog de oude factoren gebruikt aangezien de gerapporteerde cijfers betrekking hebben op 2021 of eerder en vanwege consistentie met eerder gepubliceerde waarden voor de invoervoetafdruk.

De GLORIA MRIO kan niet direct worden ingezet, dit vanwege de aanwezigheid van grote negatieve waarden in de kolom ‘voorraadvorming’ door het balanceren van de MRIO. Hoewel dit geen ongebruikelijke methode is om een MRIO te balanceren, moet de MRIO wel bewerkt worden alvorens de Leontief inverse berekend kan worden. In dit onderzoek is ervoor gekozen om de negatieve waarden in ‘veranderingen in voorraden’ om te zetten naar positieve primaire input, ook wel bekend als ‘mirroring’ in de literatuur (zie bijv. paragraaf 3.3 in Lenzen, 2021b).

Het nadeel van deze methode is dat dit een impact kan hebben op het bbp van een land dat wordt bepaald met deze MRIO. Het effect van deze omzetting op de voetafdruk is echter zeer klein en bovendien zijn er al verschillen tussen het bbp berekend met deze dataset en het bbp zoals gerapporteerd door het IMF. Om vervolgens de voetafdruk van de Nederlandse invoer te berekenen moeten de emissies per eenheid productie vermenigvuldigd worden met het aantal eenheden benodigd voor de Nederlandse invoer. De benodigde eenheden worden bepaald door de Nederlandse invoercijfers te schalen naar de totale Nederlandse invoer zoals gegeven in de MRIO. Deze laatste stap is nodig vanwege het gebruik van verschillende eenheden in de verschillende datasets (bijvoorbeeld US dollars en euro’s).

De Nederlandse invoercijfers zijn verkregen door de gegevens van de Nationale Rekeningen met die van de statistieken Internationale Handel in Goederen en Internationale Handel in Diensten te combineren. Hierbij worden de randtotalen van de Nationale Rekeningen als leidend beschouwd. Door verschillen in definities en methoden wijken deze cijfers af van de overige randtotalen zoals gepresenteerd op StatLine. Tevens is het land van herkomst vervangen door het land waar de laatste significante bewerking heeft plaatsgevonden. Voor de extra-EU invoer is deze informatie beschikbaar in de internationale handelsdata. Voor intra-EU invoer worden hiervoor schattingen gemaakt op basis van internationale gegevens. Door de statistieken Internationale Handel in Goederen en Diensten met de Nationale Rekeningen te combineren kan de invoer worden uitgesplitst naar gebruik en naar land (Lemmers & Wong, 2017; Aerts et al., 2021a). Deze invoercijfers worden dan gecombineerd met de emissie per eenheid productie van een bedrijfstak in een land om de voetafdruk van een ingevoerd product te bepalen.

Tot slot wordt de invoervoetafdruk van de invoer voor intermediair verbruik in Nederland en voor finale besteding in Nederland geschaald naar de invoervoetafdruk van de emissiehandelsbalans. De hieruit ontstane verhouding wordt vervolgens ook gebruikt om de voetafdruk van invoer voor wederuitvoer te bepalen.

5.8Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Aerts, N., Bohn, T., Lemmers, O. & Wong, K. F. (2021a). Linking micro-data to national input-output tables: By whom and from whom are which products imported and to what end? Single Country Trade in Value Added. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Aerts, N., Bohn, T., Ramaekers, P. & Wong, K. F. (2021b). Handel in goederen met hoge milieu-impact. In S. Creemers, M. Jaarsma & J. Rooyakkers (Red), Internationaliseringsmonitor 2021, tweede kwartaal: Handel en milieu. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Aerts, N., Notten, T. & Wong, K. F. (2022). Zonder invoer geen uitvoer. Globe (juni), 14–15.

Aerts, N., Bohn, T., Notten, T. & Weusten, M. (2023). Inzet van de invoer in de Nederlandse economie. In S. Creemers & D. Herbers (Red), Nederland Handelsland 2023: Export, import & investeringen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau van de Statistiek.

Aerts, N., Creemers, S., Cremers, D., Notten, T., Prenen, L. & Visser, C. (2023b). Nederland en India in internationale waardeketens. In S. Creemers & D. Herbers (Red), Internationaliseringsmonitor 2023, eerste kwartaal: India. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Berkhout, P. & Ramaekers, P. (2021). De gevolgen van de coronacrisis voor de handel. In P. Berkhout & P. Ramaekers (Red), De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2021. Wageningen/Heerlen/Den Haag: Wageningen Economic Research en Centraal Bureau voor de Statistiek.

Boer, de, H. C., Krimpen, van, M. M., Blonk, H. & Tyszler, M. (2014). Replacement of soybean meal in compound feed by European protein sources: effects on carbon footprint (No. 819). Wageningen UR Livestock Research.

Bohn, T., Notten, T. & Wong, K. F. (2021). Nederland in internationale waardeketens. In S. Creemers & M. Jaarsma (Red), Nederland Handelsland 2021: Export, import & investeringen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau van de Statistiek.

Bohn, T., Notten, T. & Wong, K. F. (2022a). Nederland in internationale waardeketens. In D. Herbers & M. Jaarsma (Red), Nederland Handelsland 2022: Export, import & investeringen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau van de Statistiek.

Bohn, T., Jaarsma, M., Notten, T. & Wong, K. F. (2022b). CO₂-grensheffing kan grote kostenpost worden voor industrie. Economische Statistische Berichten, 107(4816), 552–554.

CBS (2021). Inkomsten landbouwsector 1 procent hoger in 2021. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Brand, C. (2023). De verduurzaming van de landbouw – deel II: emissies. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2020). Update methodiek en resultaat kwartaalcijfers IOCC naar sector. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2022a). CO2-equivalenten. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2022b). Broeikasgassen in de Nederlandse economie. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2023a). Hoe groot is onze broeikasgasuitstoot? Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2023b). Emissies van broeikasgassen berekend volgens IPCC-voorschriften. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Dean, B., Dulac, J., Petrichenko, K. & Graham, P. (2016). Global Status Report 2016: Towards zero-emission efficient and resilient buildings. UN environment programme.

GLORIA (2021). Global Resource Input Output Assessment (GLORIA) database, Technical Documentation. Sydney university.

Habert, G., Miller, S. A., John, V. M., Provis, J. L., Favier, A., Horvath, A. & Scrivener, K. L. (2020). Environmental impacts and decarbonization strategies in the cement and concrete industriesNature Reviews Earth & Environment1(11), 559–573.

Jensen, R. C. (1980). The concept of accuracy in regional input-output models. International Regional Science Review, 5(2), 139–154.

Lemmers, O. & Wong, K. F. (2019). Distinguishing Between Imports for Domestic Use and for Re-Exports: A Novel Method Illustrated for the Netherlands. National Institute Economic Review, 249(1), R59‑R67.

Lenzen, M. (2011). Aggregation versus disaggregation in Input-Output analysis of the environment. Economic Systems Research, 23(1), 73–89.

Lenzen, M., Geschke, A., Abd Rahman, M. D., Xiao, Y., Fry, J., Reyes, R., Dietzenbacher, E., Inomata, S., Kanemoto, K., Los, B., Moran, D., Schulte in den Baumen, H., Tukker, A., Walmsley, T., Wiedmann, T., Wood, R. & Yamano, N. (2017). The Global MRIO Lab – charting the world economy. Economic Systems Research, 29, 158–186.

Lenzen, M., Geschke, A., West, J., Fry, J., Malik, A., Giljum, S., Canals, L. M., Pinero, P., Lutter, S., Wiedmann, T., Li, M., Sevenster, M., Potočnik, J., Teixeira, I., Voore, M. V., Nansai, K. & Schandl, H. (2021a). Implementing the Material Footprint to measure progress towards SDGs 8 and 12. Nature Sustainability, 5, 157–166.

Lenzen, M., Geschke, A., West, J., Fry, J., Malik, A., Giljum, S., Canals, L. M., Pinero, P., Lutter, S., Wiedmann, T., Li, M., Sevenster, M., Potočnik, J., Teixeira, I., Voore, M. V., Nansai, K. & Schandl, H. (2021b). Implementing the Material Footprint to measure progress towards SDGs 8 and 12: Supplementary Information.

Ramaekers, P., Rooyakkers, J. & Bohn, T. (2021). Bestemming en herkomst van de Nederlandse handel in landbouwgoederen. In P. Berkhout & P. Ramaekers (Red), De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2021. Wageningen/Heerlen/Den Haag: Wageningen Economic Research en Centraal Bureau voor de Statistiek.

Smetschka, B, Wiedenhofer, D., Egger, C., Haselsteiner, E., Moran, D. & Gaube, V. (2019). Time Matters: The Carbon Footprint of Everyday Activities in Austria. Ecological Economics, 164, 106357.

Walker, A. N., Zult, D., Schoenaker, N. & Lemmers, O. (2023). Greenhouse gas and natural resource footprints, 2010 to 2018. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Watts, J. (2019). Concrete: the most destructive material on Earth. The Guardian, 25, 1–9.

Noten

Handelsasymmetrieën komen voort uit afwijkende handelscijfers tussen landen met betrekking tot dezelfde goederenstroom. Dit kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden doordat verschillende statistiekbureaus verschillende methodes gebruiken voor het bijschatten van handelsstromen of door een foutieve opgave van een van de bedrijven.

Door methodeverbeteringen wijken de cijfers in deze publicatie af van de cijfers in hoofdstuk 7 van Nederland Handelsland 2023 (Aerts et al., 2023a), dit wordt ook nader beschreven in paragraaf 5.7.

Volgens de CBAM-regeling worden producten van buiten de EU belast, hierbij zijn Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein intra-EU en het VK extra-EU. In deze paragraaf volgen de begrippen intra-EU en extra-EU dit concept.

Hier worden eventuele feedback-loops, bijv. wederuitvoer naar België die na verwerking in België naar Nederland terugkomt, buiten beschouwing gelaten.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Nieke Aerts

Marcel van den Berg

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Dio Limpens

Angie Mounir

Pascal Ramaekers

Janneke Rooyakkers

Christiaan Visser

Manon Weusten

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Janneke Rooyakkers

Manon Weusten

Eindredactie

Janneke Rooyakkers

Manon Weusten

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Vasant Bhoendi

Deirdre Bosch

Roel Delahaye

Marjolijn Jaarsma

Tom Notten

Niels Schoenaker

Adam Walker

Chris Wolbers

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau