Potentiële belemmeringen voor dienstenhandel
Volgens de OESO genereren diensten tegenwoordig meer dan twee derde van het wereldwijde bbp, zijn de meeste mensen werkzaam in de tertiaire sector en creëren ze wereldwijd de meeste nieuwe banen. Maar de omvang van de internationale handel in diensten wordt beperkt door ingewikkelde regels en procedures. Denk hierbij aan kwalificatievereisten en -procedures, technische normen en vergunningsvereisten en ‑procedures voor dienstverleners. De internationale handel in diensten kan bijvoorbeeld beperkt worden doordat buitenlandse dienstverleners zich lokaal moeten registreren en moeten voldoen aan lokale normen die kunnen verschillen van die in het thuisland. Dergelijke belemmeringen kunnen extra – en doorgaans aanzienlijke – kosten opleveren. Daarnaast kunnen taal- en cultuurverschillen belemmeringen vormen. Dit hoofdstuk beschrijft de aanwezigheid van natuurlijke belemmeringen, zoals geografie en cultuur, en niet-tarifaire barrières opgeworpen door wet- en regelgeving. Het vormt daarmee een introductie voor de volgende twee hoofdstukken, waarin de impact van dergelijke barrières op de internationale dienstenhandel wordt onderzocht.
3.1Inleiding
In een wereld waar digitalisering alsmaar toeneemt, speelt ook de internationale dienstenhandel een steeds grotere rol. Het is daarbij de vraag welke factoren een rol spelen in de beslissing van een bedrijf om al dan niet diensten met het buitenland te gaan verhandelen of om de huidige exportportefeuille uit te breiden. De export van diensten groeit als aandeel van de wereldeconomie (Loungani et al., 2017). Toch bestaan er nog steeds barrières die de internationale handel in diensten belemmeren. Handelsbarrières kunnen veroorzaakt worden door beleid (niet natuurlijke barrières), denk hierbij aan importtarieven (zie CBS, 2020) of niet-tarifaire maatregelen (zie CBS, 2021), maar ook door natuurlijke barrières zoals afstand, taal, mate van digitalisering en verschillen in cultuur. Figuur 3.1.1 geeft een overzicht van verschillende factoren en belemmeringen waarmee een internationale dienstenhandelaar geconfronteerd kan worden.
Vanwege het feit dat diensten niet tastbaar zijn en vanwege de manier waarop ze worden verhandeldnoot1, hebben diensten te maken met andere soorten belemmeringen wanneer ze internationaal worden verhandeld dan goederen. De handel in diensten wordt anders dan goederen namelijk niet belemmerd door tarieven die aan de grens worden geïnd, maar door vereisten aan buitenlandse vestigingen, toegangsbarrières en verschillende behind the border (binnenlandse) regelgeving, die de vorm aannemen van lokale registratie- en certificeringseisen, normen en technische standaarden (Kowalski et al., 2019). Discriminerende behandeling van buitenlandse dienstverleners en het beperken van markttoegang, in combinatie met binnenlandse (over)regulering, kunnen een negatieve invloed hebben op de grensoverschrijdende handel in diensten. Handelsbelemmeringen voor diensten komen met name voort uit nationale regelgeving die tot doel heeft lokale dienstverleners te beschermen tegen buitenlandse partijen (Mattoo et al., 2007).
De Wereldhandelsorganisatie spant zich in om handelsbarrières weg te nemen zodat goederen en diensten vrij over landsgrenzen verhandeld kunnen worden. De theorie zegt dat er hierdoor meer concurrentie ontstaat tussen binnenlandse en buitenlandse producenten en dienstverleners, waardoor consumenten de keuze krijgen uit meer producten en diensten, van hogere kwaliteit en voor een lagere prijs. Daarnaast leidt meer concurrentie tot productiviteitsstijgingen, economische groei en welvaart (Barendregt & Wijffelaars, 2017).
Leeswijzer
Paragraaf 3.2 bespreekt de rol van geografische natuurlijke barrières in de export van diensten. Hierbij kijken we meer specifiek naar de omvang van de economie waarmee gehandeld wordt, de fysieke afstand tot het partnerland, de invloed van tijdzones en de zogenaamde virtual proximity, ofwel de virtuele afstand tussen beide handelspartners. Paragraaf 3.3 bestudeert de mate waarin cultuur, taal en digitalisering een handelsbarrière vormen voor internationale dienstenhandelaren. Naast geografische en culturele barrières bestaan er ook door de overheid gecreëerde handelsbelemmeringen die worden ingesteld door middel van wet- en regelgeving. Deze niet-tarifaire handelsbarrières meten we in deze Internationaliseringsmonitor aan de hand van twee externe databronnen: de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO en de Restrictiveness Indicator van de Europese Commissie. In paragraaf 3.4 komt de STRI uitgebreid aan bod, terwijl we in paragraaf 3.5 focussen op de restricties voor dienstenhandel in kaart gebracht door de Europese Commissie. In tabel 3.7.1 in de bijlage presenteren we een overzicht van beide externe maatstaven.
3.2Geografische natuurlijke barrières
Internationale handel hangt positief samen met omvang economie
Het zwaartekrachtmodel van internationale handel is een model dat, in zijn traditionele vorm, bilaterale handelsstromen verklaart op basis van de economische omvang en afstand tussen twee handelspartners. Het zwaartekrachtmodel laat zien dat de handel tussen landen positief samenhangt met hun economiegrootte (bbp) en negatief samenhangt met de fysieke afstand tussen hen (Tinbergen, 1962). De studies van o.a. Chaney (2008) en Helpman et al. (2008) tonen aan dat grotere omvang of kleinere fysieke afstand de kans dat een bedrijf goederen naar een bepaalde bestemming exporteert, ofwel de extensieve exportmarge, vergroot. Ook verhoogt het de exportwaarde naar die bestemming, ofwel de intensieve exportmarge. Een hoger inkomensniveau (lees: bbp) in het importerende land wijst op een hogere vraag naar diensten (in eigen land geproduceerd of geïmporteerd), terwijl een hoger inkomensniveau in het exporterende land positief gerelateerd is aan het vermogen van dat land om meer diensten voor export te produceren (Walsh, 2006). Traditioneel ontwikkeld om de handel in goederen te beschrijven, kan het zwaartekrachtmodel net zo goed de handelsstromen tussen landen voor diensten verklaren (zie Kimura & Lee, 2006; Nordås & Rouzet, 2017).
Minder goederenhandel met verder weg gelegen economieën
Landen die ver uit elkaar liggen, hebben doorgaans minder bilaterale handel dan buurlanden. Een voor de hand liggende reden is dat de (transactie)kosten van internationale handel, zoals transportkosten maar ook kosten in ruimere zin, zoals het opdoen van kennis over de buitenlandse markt, toenemen naarmate een exportbestemming verder weg ligt. In de literatuur zijn ook andere redenen opgemerkt waarom de economische betrekkingen tussen geografisch nabij gelegen landen doorgaans sterker zijn. Landen die dicht bij elkaar liggen, lijken vaak meer op elkaar in termen van cultuur, voorkeuren en vraagpatronen dan verder weg gelegen landen, en deze overeenkomsten zullen naar verwachting de handel vergemakkelijken. Onvolledige en asymmetrische informatie en verschillen in institutionele omgeving maken het duurder om internationaal te handelen.
Samenhang tussen fysieke afstand en dienstenhandel niet eenduidig
Geografische factoren zoals afstand kunnen extra kosten voor bepaalde vormen van dienstverlening met zich meebrengen, de zogenaamde proximity burden. Hoewel het verschilt van fysieke afstandskosten die verband houden met het vervoer van goederen, betekent de proximity burden dat afstand naar verwachting ook een rol zal spelen bij dienstentransacties (Christen & Francois, 2017). In sommige gevallen vereist het verlenen van diensten namelijk een geografische nabijheid tussen producent en consument (bijvoorbeeld in de bouw), maar sommige diensten worden met succes op grote afstanden verhandeld (bijvoorbeeld IT-diensten) (Kowalski et al., 2019).
Terwijl de literatuur het erover eens is dat geografische afstand een negatieve impact heeft op de goederenhandel, heeft geografische afstand een dubbelzinnig effect op de dienstenhandel. Het merendeel van de diensten hoeft niet fysiek van locatie naar locatie te worden vervoerd. Afhankelijk van de dienstensoort zal het in sommige gevallen verplaatsing van fysieke personen vereisen, maar in andere gevallen kan het elektronisch worden verhandeld. Daardoor kan het belang van afstand voor de dienstenhandel gering of onduidelijk zijn, of per dienstensoort uiteenlopen (Walsh, 2006; Kimura & Lee, 2006; Van der Marel & Shepherd, 2013).
Grotere tijdzoneverschillen betekent hogere transactiekosten
Er zijn aanwijzingen dat tijdzones aanzienlijk bijdragen aan de kosten van zakendoen in en met het buitenland en dat ze over het algemeen een negatief effect op de wereldhandelsstromen hebben (Kikuchi & Marjit, 2010). Grotere tijdzoneverschillen tussen de handelspartners brengen hogere transactiekosten met zich mee voor de handel in diensten. Door in econometrische modellen verschillen in tijdzones op te nemen, kan men rekening houden met moeilijkheden met betrekking tot real-time interactie, die nodig kan zijn voor het leveren van bepaalde diensten (Christen, 2017; Marjit, 2007).
De rol die tijd (of het verschil in tijdzones) speelt bij internationale dienstenhandel blijkt echter niet eenduidig te zijn. Enerzijds stellen Stein & Daude (2007) dat tijdzones een barrière vormen omdat er coördinatieproblemen met andere zakenpartners optreden (synchronisatie-effect). Anderzijds worden tijdzones in de literatuur soms ook als een drijvende kracht achter de handel in diensten gezien (Marjit, 2007; Kikuchi & Iwasa, 2010). Wanneer de productie van een dienst versnipperd is en twee dagen duurt voordat deze klaar is, kan tijd worden bespaard als landen die in verschillende tijdzones zijn gelegen, gaan produceren en elk één stap uitvoeren (continuïteitseffect). Stel bijvoorbeeld dat de programmeerproblemen van een Amerikaans bedrijf aan het einde van de Amerikaanse werkdag per e-mail naar India gestuurd worden. Indiase software-engineers gaan aan de slag met het IT-probleem tijdens hun reguliere kantooruren. Tegen de tijd dat de kantoren in de VS weer opengaan, zijn de oplossingen al digitaal gearriveerd via e-mail (Kikuchi & Iwasa, 2010). Daarmee heeft een verschil in tijdzone niet per definitie hetzelfde effect als fysieke afstand op dienstenhandel.
Meer dienstenhandel met virtueel dichtbij gelegen landen
Er is ook nog virtual proximity, gemeten op basis van bilaterale hyperlinks en bilaterale websitebezoeken tussen landen. Indien deze indicator, ceteris paribus, hoger is voor het VK dan voor Frankrijk dan geeft dit aan dat Britse burgers virtueel dichter bij Nederland staan dan de Fransen. De onderliggende veronderstelling is dat de virtuele nabijheid tussen twee landen toeneemt met de interesse in elkaars webcontent. Virtuele nabijheid gaat verder dan enkel kijken naar hoe gemakkelijk men toegang heeft tot informatie, maar legt ook de directe informatiestromen tussen landen vast. Virtuele verbondenheid kan de onzekerheid over de kwaliteit van in het buitenland ingekochte diensten verminderen (Hellmanzik & Schmitz, 2015; 2016).
Virtuele nabijheid (lees: virtual proximity) wordt in de literatuur als nieuwe aanvullende indicator voor de nabijheid van landen beschouwd. Figuur 3.2.1 laat zien dat voor Nederland de virtuele afstand met Duitsland, de VS, Spanje, het VK en Frankrijk het kleinst is. Nederland heeft met landen zoals Bahrein, Ivoorkust, Jemen, Kameroen en Kenia de grootste virtuele afstand.
| Handelspartner | Bilaterale internet hyperlinks tussen Nederland en handelspartner |
|---|---|
| Duitsland | 5251,89 |
| VS | 4170,68 |
| Spanje | 3470,53 |
| VK | 3321,04 |
| Frankrijk | 2971,61 |
| Italië | 2665,90 |
| Japan | 1952,42 |
| China | 1742,27 |
| België | 1738,71 |
| Polen | 1029,80 |
| India | 911,70 |
| Canada | 859,27 |
| Zweden | 800,25 |
| Mexico | 785,90 |
| Brazilië | 713,98 |
| Bron: CBS, Chung (2011) | |
| 1) Virtuele afstand wordt hier gemeten aan de hand van bilaterale internet hyperlinks tussen Nederland en de partnerlanden. Hoe hoger het aantal bilaterale internet hyperlinks, hoe virtueel nabijer de landen zijn. | |
Hellmanzik & Schmitz (2016) constateren dat vrijwel aangrenzende landen in termen van virtual proximity aanzienlijk grotere hoeveelheden diensten verhandelen. Consumenten zullen namelijk eerder diensten afnemen van landen waarover zij meer informatie hebben en waarmee zij zich verbonden voelen. Het effect van virtuele nabijheid is het grootst op de internationale handel in dienstensoorten zoals financiële, communicatie-, IT-, verzekerings- en audiovisuele diensten.
Hoe belemmeren geografische natuurlijke barrières de Nederlandse dienstenexport met haar belangrijkste partners?
Eerder CBS onderzoek (Cremers & Jaarsma, 2020) en ook andere wetenschappelijke studies (bijvoorbeeld Van der Marel & Shepherd, 2013) lieten zien dat (ceteris paribus) hoe verder weg gelegen een land, hoe kleiner de exportwaarde naar dat land. Ondanks toegenomen globalisering vindt nog steeds een groot deel van de handel plaats met de ons omringende landen, ook dienstenhandel. In tabel 3.2.2 zien we dat vier van de vijf belangrijkste handelspartners – de VS uitgezonderd – Europese bestemmingen zijn die qua afstand relatief dicht bij Nederland liggen. Twee vijfde van de diensten exportwaarde ging in 2021 naar het VK, Duitsland, Ierland of België.
De theorie voorspelt dat er meer handel plaatsvindt met grotere landen, gemeten in bbp. Hoe hoger het bbp van het bestemmingsland, hoe meer dienstenexport er naar dat land plaatsvindt. In tabel 3.2.2 zien we dat de drie belangrijkste exportbestemmingen ook qua bbp grote economieën zijn. Nederlandse diensten zijn ook populair in Frankrijk en Italië, wat ook relatief grote economieën zijn.
Vrijwel aangrenzende landen in termen van virtual proximity verhandelen aanzienlijk grotere hoeveelheden diensten. In tabel 3.2.2 wordt aangegeven hoe vaak Britse, Duitse, Amerikaanse (en de andere dertien exportbestemmingen) internetgebruikers links plaatsen naar websites die in Nederland worden gehost. Deze indicator is, al het overige gelijkblijvend, hoger voor Duitsland dan voor het VK. Dit geeft aan dat Duitse burgers vrijwel dichter bij Nederland staan dan de Britten. De zes landen die qua virtuele afstand het dichtst bij Nederland liggen, staan ook in de top-15 dienstenexport partners.
| NL export 2021 | Aandeel in NL export 2021 | bbp 2021, lopende prijzen | Virtuele nabijheid t.o.v. NL | Ranking virtuele nabijheid (1=kleinere virtuele afstand t.o.v. NL) | |
|---|---|---|---|---|---|
| mld euro | % | mld euro | |||
| 1. VK | 29,0 | 13,7 | 2 626,4 | 3 321 037 | 4 |
| 2. Duitsland | 26,9 | 12,8 | 3 574,2 | 5 251 894 | 1 |
| 3. VS | 24,7 | 11,7 | 19 382,4 | 4 170 676 | 2 |
| 4. Ierland | 15,5 | 7,4 | 436,2 | 222 798 | 28 |
| 5. België | 12,5 | 6,0 | 491,6 | 1 738 713 | 9 |
| 6. Zwitserland | 12,2 | 5,8 | 685,1 | 350 636 | 22 |
| 7. Frankrijk | 11,4 | 5,4 | 2 484,5 | 2 971 614 | 5 |
| 8. Italië | 5,7 | 2,7 | 1 791,5 | 2 665 904 | 6 |
| 9. Zweden | 5,0 | 2,4 | 525,9 | 800 250 | 13 |
| 10. Spanje | 4,6 | 2,2 | 1 216,7 | 3 470 528 | 3 |
| 11. Luxemburg | 3,8 | 1,8 | 70,8 | . | . |
| 12. Polen | 3,5 | 1,7 | 553,7 | 1 029 795 | 10 |
| 13. China | 3,2 | 1,5 | 14 248,1 | 1 742 270 | 8 |
| 14. Denemarken | 3,0 | 1,4 | 335,2 | 584 240 | 17 |
| 15. Saoedi-Arabië | 2,7 | 1,3 | 711,9 | 117 744 | 41 |
| Nederland | 851,3 | ||||
Bron:Bron: CBS, IMF, Chung (2011)
3.3Culturele natuurlijke barrières
Uit wetenschappelijk onderzoek (bijvoorbeeld Lewer & Van den Berg, 2007; Kristjánsdóttir et al., 2017) blijkt dat landen die meer vergelijkbaar zijn in hun cultuur ook sterkere internationale handelsrelaties hebben. Daarbij speelt taal een belangrijke rol maar ook de mate waarin landen het internet en andere technologische innovaties hebben omarmd (digital adoption index).
Gemeenschappelijke taal bevordert dienstenhandel
Walsh (2006) en Kimura & Lee (2009) zien een positief effect op bilaterale dienstenhandel als in beide landen dezelfde taal wordt gesproken. Een land waarin een taal wordt gesproken die dicht tegen de taal van de handelspartner aanleunt, verkleint de zoek- en transactiekosten voor exporteurs en vergemakkelijkt communicatie en onderlinge relaties.
Negatieve samenhang tussen dienstenhandel en cultuurverschillen
De nationale culturele dimensies van Hofstede, de Nederlandse psycholoog uit de jaren tachtig, worden soms gebruikt in economisch onderzoek rondom internationale handel en directe buitenlandse investeringen (zie bijvoorbeeld Kristjánsdóttir et al., 2017; Harms & Shuvalova, 2020; Lucke & Eichler, 2016). Het 6‑D model – ook wel bekend als de cultuurdimensies van Hofstede – is ontwikkeld om de dieperliggende drijfveren van cultuur te vergelijken met andere culturen wereldwijd (Hofstede, 1980). Het model van Hofstede bestaat uit zes dimensies: machtsafstand, individualisme, masculiniteit, onzekerheidsvermijding, termijn denken en terughoudendheid.
Harms & Shuvalova (2020) vinden dat culturele afstand – gemeten aan de hand van het 6‑D Hofstede model – een significant negatief effect heeft op de totale bilaterale dienstenhandel. Verschillen in impliciete normen, prioriteiten en percepties kunnen het wederzijds begrip en vertrouwen, die de basis vormen voor succesvolle dienstenhandel, belemmeren. Kristjánsdóttir et al. (2017) concluderen dat de masculiniteit-dimensie de enige culturele dimensie van Hofstede is die een positieve invloed heeft op de internationale handel van een land. Van landen die hoog scoren op masculiniteit kan worden verwacht dat ze leiders hebben die gedreven worden door prestatie, succes en competitie. Voor internationale handel is een zekere mate van competitie nodig bij het betreden van buitenlandse markten (Kristjánsdóttir et al., 2017).
Digitalisering zwengelt internationale handel aan
Verschillen in de mate van digitalisering tussen landen spelen een grote rol in hoe bedrijven internationaal actief kunnen zijn. Digitale technologieën (waaronder internet en gebruik van IT) hebben aanzienlijk bijgedragen aan de recente groei van de wereldwijde internationale dienstenhandel (Loungani et al., 2017). Digitalisering kan de vaste en variabele handelskosten verlagen, de coördinatie van mondiale waardeketens vergemakkelijken, ideeën en technologieën helpen verspreiden en een groter aantal bedrijven en consumenten wereldwijd met elkaar verbinden (OESO, 2019). Digitalisering ondersteunt niet alleen diensten, maar diensten zijn ook deels digitaal (zie ook Nadolinskaia & Smit, 2021).
De Digital Adoption Index (DAI) is een maatstaf voor digitale adoptie per land, ontwikkeld door de Wereldbank in 2016, om de wereldwijde toegankelijkheid van digitale technologieën te onderzoeken en het niveau van digitale adoptie in verschillende landen te vergelijken. Het meet de mate van verspreiding van digitale technologieën binnen landen en weerspiegelt de mate waarin deze technologieën beschikbaar zijn en worden gebruikt door alle sleutelfiguren in een economie: mensen, bedrijven en overheden. Jayasooriya (2021) concludeert dat digitalisering een grote invloed heeft op de handelsstromen van landen. De handel wordt vergemakkelijkt door digitalisering, vooral in e-commerce. Literatuur toont tevens aan dat digitale adoptie sterk en positief geassocieerd is met het bbp per hoofd van de bevolking (Wereldbank, 2016). De data bestaat uit 176 landen voor de periode 2014–2021. Figuur 3.3.1 laat de tien landen zien met de hoogste mate van Digital Adoption. Nederland scoort met een 7e plek relatief hoog.
| Land | DAI |
|---|---|
| Singapore | 0,870592 |
| Luxemburg | 0,863390 |
| Oostenrijk | 0,862427 |
| Zuid-Korea | 0,857824 |
| Malta | 0,855214 |
| Duitsland | 0,839698 |
| Nederland | 0,838463 |
| Japan | 0,834881 |
| Estland | 0,833086 |
| Zweden | 0,831695 |
| Bron: CBS, Wereldbank | |
Bevordert vergelijkbare cultuur en hoge mate van digitale adoptie de Nederlandse dienstenexport met haar belangrijkste partners?
Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat landen die meer vergelijkbaar zijn in hun cultuur sterkere internationale handelsrelaties en meer dienstenhandel hebben. Volgens Hofstede lijken Nederland en Zweden erg veel op elkaar. Voor Nederland is de culturele afstand met Zweden dus het kleinst, zoals uit tabel 3.3.2 blijkt. Ook met andere bestemmingen uit de top-15 zoals Denemarken, Luxemburg, Frankrijk, Spanje en het VK zijn de culturele verschillen relatief klein.
De opmars van het internet en alle digitale technieken maakt het online leveren van diensten in het buitenland gemakkelijker (Loungani et al., 2017; WTO, 2019). Er is een positieve samenhang tussen de omvang van de Nederlandse dienstenexport en de mate van digitalisering, zie tabel 3.3.2. Onze belangrijkste bestemmingen voor diensten zijn landen met een relatief hoge mate van digitale adoptie.
| Culturele afstand t.o.v. NL1) | Digital Adoption Index | Ranking Digital Adoption Index (1=minste digitalisering; 180=meeste digitalisering) | |
|---|---|---|---|
| 1. VK | 1,364039 | 0,764025 | 152 |
| 2. Duitsland | 1,609907 | 0,839698 | 169 |
| 3. VS | 1,546866 | 0,747118 | 148 |
| 4. Ierland | 1,974098 | 0,658752 | 127 |
| 5. België | 1,568794 | 0,780438 | 155 |
| 6. Zwitserland | 1,419641 | 0,822365 | 163 |
| 7. Frankrijk | 1,176294 | 0,753990 | 149 |
| 8. Italië | 2,065864 | 0,765137 | 154 |
| 9. Zweden | 0,343093 | 0,831695 | 165 |
| 10. Spanje | 1,349248 | 0,765017 | 153 |
| 11. Luxemburg | 0,815965 | 0,863390 | 173 |
| 12. Polen | 2,777092 | 0,690275 | 137 |
| 13. China | 3,799999 | 0,586250 | 101 |
| 14. Denemarken | 0,733491 | 0,791159 | 159 |
| 15. Saoedi-Arabië | . | 0,669530 | 129 |
| Nederland | 0,838463 | 168 |
Bron:Bron: CBS, Hofstede, Wereldbank
1)Dit is de traditionele Kogut & Singh (1988) index, die gebruikmaakt van de verschillen in scores op Hofstedes dimensies tussen twee landen. Deze verschillen worden gecorrigeerd voor de variantie van elke dimensie.
Naast de natuurlijke belemmeringen zijn er de niet natuurlijke belemmeringen. Dit zijn niet-tarifaire beleidsmaatregelen die de handel in diensten op enige manier, bewust of onbewust, kunnen belemmeren. In de volgende twee paragrafen (3.4 en 3.5) komen de niet-tarifaire dienstenbelemmeringen aan bod. Deze niet natuurlijke belemmeringen voor dienstenhandel meten we aan de hand van twee databronnen: de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO en de Europese Commissie Restrictiveness Indicator.
3.4Services Trade Restrictiveness Index van de OESO
De Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO is een meetinstrument dat bestaat uit een database met informatie over nationale regelgeving en belemmeringen voor internationale dienstenhandel, en deze kwantificeert in een index die varieert tussen 0 en 1. Een land met een STRI richting 0 is liberaal en dus relatief open voor dienstenhandel. Een land met een STRI richting 1 werpt relatief veel belemmeringen op voor dienstenhandel. Het is een samengestelde index die een momentopname weergeeft van de handelsbeperkingen in een land en sector in een bepaald jaar (Benz & Jaax, 2020). Studies tonen aan dat deze belemmeringen of handelsbeperkingen belangrijke determinanten zijn van wereldwijde grensoverschrijdende handelspatronen voor diensten (Nordås & Rouzet, 2017; Rouzet et al., 2017).
De STRI-database registreert de handelsbelemmeringen voor diensten op basis van het MFN-principe (Benz et al., 2020). MFN staat voor Most Favoured Nation en geeft aan dat bij handel niet gediscrimineerd mag worden tussen derde landen. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft dit principe als eerste grondbeginsel opgenomen in haar regelementen. Hierdoor zijn WTO-leden verplicht alle leden op dezelfde manier te behandelen; wie een bevriende natie een voordeel gunt, is dat verplicht ook aan de andere WTO-leden te gunnen. Sommige landen kennen een verschillende mate van liberalisering ten opzichte van verschillende handelspartners, als gevolg van bijvoorbeeld internationale (handels)overeenkomsten. In deze gevallen registreert de STRI de mate van openheid naar derde landen en houdt het geen rekening met preferentiële overeenkomsten (zoals de EU en haar gemeenschappelijke markt).
De informatiebronnen voor de STRI-database zijn de wet- en regelgeving in elk land. De STRI-database registreert de aan- of afwezigheid van specifiek beleid. Elke vermelding wordt gedocumenteerd door een verwijzing en een weblink naar de bron, wat een document met rechtsgeldigheid moet zijn. De database is samengesteld door het OESO-secretariaat op basis van richtlijnen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen in alle landen en verschillende rechtsstelsels op dezelfde manier worden geïnterpreteerd (Benz et al., 2020). De betrokken landen hebben hun gegevens geverifieerd en vervolgens is de database onderworpen aan toetsing door experts. De kwalitatieve informatie in de database wordt omgezet in numerieke waarden in de STRI-indexen waarbij gebruik wordt gemaakt van een algoritme voor het toekennen van scores en gewichten. De STRI-index is beschikbaar voor vijftig landen voor de periode 2014–2021.noot2 Figuur 3.4.1 toont hoe de STRI-index varieert over die vijftig landen in 2021. Voor Indonesië, Thailand, India, IJsland, Kazachstan, Rusland, Vietnam en Maleisië zien we de hoogste waarden van de STRI-index. Dit zijn dus landen met de meeste belemmeringen voor dienstenhandel volgens de STRI. Nederland daarentegen is, net zoals Tsjechië, Japan, Chili, het VK en Letland met een zeer lage STRI een relatief open markt voor het verhandelen van diensten.
22 dienstensectoren in STRI
De STRI bevat informatie over handelsbeperkingen en behind the border regulering voor 22 belangrijke dienstensectoren. De dienstensectoren met de hoogste mate van handelsbeperkingen zijn juridische diensten, ingenieursdiensten en zeevervoersdiensten. Bij juridische diensten zien we tevens een grote spreiding van de STRI-score tussen landen. Juridische diensten zijn doorgaans sterk gereguleerd door professionele instanties die vergunningen verlenen, toezicht houden op het gedrag van professionals en professionele standaarden vaststellen en handhaven. Hierbij speelt bijvoorbeeld dat in bepaalde landen advocaten hun diploma’s moeten laten erkennen en er vereisten zijn om te worden toegelaten als advocaat. Dit is bijvoorbeeld het geval in Australië, België, Canada en Nederland. In heel wat landen zijn er ook beperkingen op het adverteren van juridische diensten van kracht. Zo mogen advocaten in Oostenrijk adverteren voor zover het waarheidsgetrouw en objectief gebeurt, en in overeenstemming is met hun beroepsplichten. Prijzen mogen niet vermeld worden en vergelijken met andere advocaten is niet toegestaan. In Nederland is het adverteren door advocaten niet gereguleerd.
Minst versus meest gereguleerde dienstensectoren in Nederland
Koerierdiensten zijn de minst gereguleerde dienstensector in Nederland in vergelijking met de rest van wereld, zie figuur 3.4.2. Ook goederenvervoer per spoor, broadcasting, telecommunicatie en accounting hebben in Nederland een lage STRI-score ten opzichte van de gemiddelde STRI in alle landen. Luchtvaart is de meest beperkte dienstensector in Nederland. Zo gelden er strikte regels voor het aannemen van een buitenlandse werknemer in de luchtvaart. Naast een arbeidsmarkttoets dient de vacature vijf weken voordat de sollicitatie in behandeling kan worden genomen bij ‘UWV WERKbedrijf’ te zijn gemeld, dient de buitenlandse werknemer te voldoen aan de geldende arbeidsvoorwaarden en dient de buitenlandse werknemer toegang te hebben tot huisvesting, mag hij/zij niet jonger zijn dan 18 jaar of ouder dan 45 jaar en moet in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning. In onze buurlanden is dat geen vereiste (OESO, 2022b). Films, geluidsopnames, commerciële bankdiensten en computerdiensten zijn sectoren met een relatief hoge STRI-score ten opzichte van de gemiddelde STRI in alle landen.
| Sector | STRI-score Nederland | STRI-score wereld gemiddelde |
|---|---|---|
| Koerier- diensten |
0,101 | 0,28380 |
| Goederen- vervoer per spoor |
0,124 | 0,31718 |
| Broad- casting |
0,156 | 0,32196 |
| Tele- communi- catie |
0,122 | 0,24430 |
| Accounting | 0,162 | 0,32366 |
| . | . | |
| Films | 0,149 | 0,22122 |
| Geluids- opnames |
0,137 | 0,20230 |
| Commer- ciële bank- diensten |
0,161 | 0,23142 |
| Computer- diensten |
0,158 | 0,21878 |
| Lucht- transport |
0,395 | 0,41846 |
| Bron: CBS, OESO | ||
5 typen restricties in STRI
De STRI-indexen meten het aantal regelgevende belemmeringen voor internationale handel en buitenlandse directe investeringen in dienstensectoren. De index omvat zowel discriminerende als regelgevende maatregelen. Beperkingen op de markttoegang voor buitenlandse dienstverleners beschermen lokale bedrijven tegen buitenlandse concurrentie. De STRI dekt ook behind the border barrières voor concurrentie en omslachtige regelgevingsprocedures en -processen, die zowel lokale als buitenlandse bedrijven treffen (Nordås & Rouzet, 2017). De OESO groepeert belemmeringen voor de handel in diensten in vijf brede categorieën van beleidsmaatregelen, die beïnvloeden hoe makkelijk of moeilijk men zaken kan doen (Benz et al., 2020):
- Beperkingen op buitenlandse toetreding (restrictions on foreign entry): bijvoorbeeld limieten voor buitenlandse aandeelhouders, nationaliteitsvereisten voor leden in raad van bestuur, limieten voor grensoverschrijdende fusies;
Voorbeeld: Volgens de Telecommunicatiewet moeten minstens 8 van de 10 bestuursleden de Canadese nationaliteit hebben. Bedrijven in de telecommunicatiesector moeten ook onder Canadese zeggenschap staan; daarom moet de meerderheid van de bestuurders Canadese ingezetenen zijn volgens de Canada Business Corporations Act (OESO, 2022b).
- Beperkingen op het verkeer van personen (barriers to movement of people): bijvoorbeeld visumvereisten en vergunningen voor uitoefenen beroep;
Voorbeeld: In het VK moeten internationale advocaten slagen voor de Qualified Lawyers Transfer Scheme test. In Canada is voor bepaalde activiteiten (met betrekking tot het ontwerpen en ontwikkelen van mainframe-apparaten) die worden uitgevoerd door computeringenieurs een Professional Engineer-licentie vereist (OESO, 2022b).
- Andere discriminerende maatregelen (other discriminatory measures): bijvoorbeeld met betrekking tot belastingen, subsidies of openbare aanbestedingen; afwijkende nationale normen;
Voorbeeld: In Canada worden buitenlandse leveranciers van diensten minder gunstig behandeld wat betreft belastingen. Lagere belastingtarieven zijn namelijk enkel van toepassing op het actieve bedrijfsinkomen van kleine door Canada gecontroleerde particuliere bedrijven (CCPC). Een CCPC is een particuliere onderneming die wordt gecontroleerd door Canadese ingezetenen. Een bedrijf zal niet kwalificeren als een CCPC als het direct of indirect wordt gecontroleerd door niet-ingezetenen. Voor de bouwdienstensector in Brazilië en Colombia gelden strikte andere discriminerende maatregelen. In Colombia wordt bij het toekennen van overheidsopdrachten bijvoorbeeld voorrang gegeven aan lokale dienstverleners in de bouwsector ten nadele van buitenlandse bedrijven. In Brazilië worden financiële kredieten enkel verleend aan buitenlandse bouwondernemingen als die kredieten gebruikt worden voor investeringen in sectoren die van groot nationaal belang worden geacht of met toestemming van de uitvoerende Braziliaanse macht (OESO, 2022b).
- Belemmeringen voor concurrentie (barriers to competition): bijvoorbeeld antitrustbeleid, effecten van overheidseigendom;
Voorbeeld: Buitenlandse bedrijven die niet in Vietnam actief zijn, maar die hun diensten in Vietnam willen adverteren, moeten een advertentieserviceprovider in Vietnam inhuren. De advertentie moet in het Vietnamees zijn. Ook in IJsland geldt dat advertenties verplicht in het IJslands moeten zijn (OESO, 2022b).
- Transparantie van regegeving (regulatory transparency): bijvoorbeeld transparantie in wetgevingsprocedures, administratieve procedures met betrekking tot het oprichten van een bedrijf en voorwaarden voor het verkrijgen van opdrachten.
Voorbeeld: Om een werkvisum te verkrijgen in Duitsland, zijn er vijftien documenten noodzakelijk. De aanvraagprocedure kan tot vier weken duren (OESO, 2022b).
STRI versus Intra-EEA STRI
De STRI weerspiegelt de handelsbelemmeringen die spelen voor dienstenleveranciers uit derde landen. Er bestaat echter een aanvullende database met indicatoren die de handelsopenheid voor landen binnen de Europese Economische Ruimte onderling (in Engels: EEA) weerspiegelen: de OESO intra-EEA STRI (Benz & Gonzales, 2019). Nederland is ook een van de meest open landen voor de handel in diensten binnen de interne markt van de EU, zie figuur 3.4.3 (OESO, 2022a).
Binnen de interne markt zijn, dankzij de aanzienlijke liberaliseringsinspanningen van de EU-lidstaten tot dusver, de belemmeringen waar EU-dienstverleners mee worden geconfronteerd kleiner dan in niet-EU-landen (d.w.z. vergeleken met derde landen) (Kowalski et al., 2019). Binnen de EU bestaan er niettemin nog steeds belemmeringen voor de grensoverschrijdende handel in diensten. De mate van striktheid van deze belemmeringen toont een sterke variatie tussen sectoren. Commerciële bankdiensten en zeevervoersdiensten behoren bijvoorbeeld tot de minst gereguleerde sectoren binnen de interne markt; bouwdiensten zijn al sterker gereguleerd en telecommunicatiediensten behoren tot de meest restrictieve sectoren binnen de EEA als het gaat om grensoverschrijdende dienstenhandel.
De Europese regelgeving met betrekking tot de bedrijfstak accounting is niet alleen relatief stringent, maar verschilt ook sterk van land tot land. Dit is de sector met een van de grootste verschillen in nationale regelgeving tussen de verschillende landen. Als een accountantskantoor bijvoorbeeld zijn diensten op veel verschillende markten verleent, verhoogt heterogeniteit in regelgeving in verschillende EU-markten de nalevingskosten en kan het de export van deze diensten naar sommige van die markten beperken (Kowalski et al., 2019).
Samenhang tussen STRI en de belangrijkste exportpartners voor Nederlandse diensten
Nederland is relatief weinig gereguleerd wat betreft diensten in vergelijking met andere landen. Nederland is zelfs een van de meest open landen voor de handel in diensten binnen de interne markt van de EU (OESO, 2022a). De STRI is het laagst voor Tsjechië, Japan en Chili. Zoals uit tabel 3.4.4 blijkt behoren deze bestemmingen niet tot de top-15 exportpartners van Nederland. Ondanks de hoge STRI-score voor België en Italië gaan er toch veel diensten vanuit Nederland naar deze bestemmingen.
Ondanks het feit dat de buurlanden relatief hoog scoren op de intra-EEA STRI (zie tabel 3.4.4), gaan er veel Nederlandse diensten naar Duitsland en België (gemeenschappelijk exportaandeel van 19 procent). Dit resultaat dient in perspectief geplaatst te worden aangezien het enkel over belemmeringen binnen de EEA gaat. Vergeleken met de STRI voor de niet-EEA-landen, hebben Duitsland en België een lage mate van restrictiviteit. Op uitzondering van Chili ligt de STRI voor alle niet-EEA-economieën een ruim stuk boven de intra-EEA STRI voor alle EEA-partners. Oftewel, de dienstenmarkt van landen buiten de EEA is een stuk moeilijker te betreden voor Nederlandse bedrijven dan de EU-markt.
| STRI-score 2021 | Ranking STRI (1=weinig restricties) | Intra-EEA STRI-score 2021 | Ranking Intra-EEA STRI (1=weinig restricties) | |
|---|---|---|---|---|
| 1. VK | 0,145 | 5 | ||
| 2. Duitsland | 0,157 | 7 | 0,050 | 13 |
| 3. VS | 0,183 | 16 | ||
| 4. Ierland | 0,169 | 11 | 0,045 | 7 |
| 5. België | 0,253 | 39 | 0,068 | 23 |
| 6. Zwitserland | 0,238 | 33 | ||
| 7. Frankrijk | 0,189 | 20 | 0,055 | 18 |
| 8. Italië | 0,249 | 38 | 0,066 | 21 |
| 9. Zweden | 0,208 | 26 | 0,044 | 6 |
| 10. Spanje | 0,168 | 10 | 0,044 | 5 |
| 11. Luxemburg | 0,186 | 19 | 0,068 | 22 |
| 12. Polen | 0,237 | 31 | 0,050 | 14 |
| 13. China | 0,247 | 36 | ||
| 14. Denemarken | 0,178 | 14 | 0,038 | 3 |
| 15. Saoedi-Arabië | ||||
| Nederland | 0,142 | 4 | 0,030 | 1 |
Bron:Bron: CBS, OESO
3.5Restrictiveness Indicator gemeten door de Europese Commissie
De Dienstenrichtlijn (in Engels: Services Directive) werd in 2006 ingevoerd met als doel de handel en investeringen in diensten binnen de EU te bevorderen door onrechtvaardige regelgeving en administratieve belemmeringen weg te nemen. Er blijft echter een aanzienlijk aantal barrières bestaan en er zijn veel uitzonderingen (Europese Commissie, 2021; Barendregt & Wijffelaars, 2017). Zo is de regulering van professionele diensten, zoals notarissen en deurwaarders, veelal een nationale aangelegenheid. Er zijn ook nationale uitzonderingen op de Europese regels: overheden mogen producten uit het buitenland weren of aanvullende eisen stellen als redelijkerwijs kan worden vastgesteld dat deze een gevaar vormen voor bijvoorbeeld de volksgezondheid, nationale veiligheid of het milieu. De wetten en regels hiervoor kunnen per lidstaat verschillen. In Nederland wordt bijvoorbeeld een brood met een zoutpercentage boven de 1,2 procent schadelijk voor de volksgezondheid gevonden, terwijl een brood in Spanje 2,2 procent zout mag bevatten. Dergelijke nationale vrijheid geldt in nog sterkere mate voor dienstverlenende sectoren (Barendregt & Wijffelaars, 2017).
Populatie Europese Commissie Restrictiveness Indicator
De EC Restrictiveness Indicator omvat zowel beperkingen die expliciet onder de Dienstenrichtlijn vallen , zoals o.a. de vrijheid van vestiging, als belemmeringen bij het internationaal verhandelen van diensten. Door te kijken naar de geldende regelgeving op drie verschillende tijdstippen, in 2006, 2012 en 2017, in 13 verschillende dienstensectoren, maakt de EC Restrictiveness Indicator het mogelijk de ontwikkeling van de belangrijkste beperkingen – per land – vast te leggen vanaf de goedkeuring van de Dienstenrichtlijn tot nu. De EC Restrictiveness Indicator is beschikbaar voor de dertig EEA-lidstaten, plus het VK (Europese Commissie, 2021).
Per mogelijke barrière is gedocumenteerd of een dergelijke belemmering in het betreffende land en de betreffende dienstensector aanwezig was. In het geval van aanwezigheid van de barrière, wordt een numerieke score tussen 0 en 2 toegekend, waarbij 0 overeenkomt met het ontbreken van alle barrières en 2 overeenkomt met het volledig aanwezig zijn van een belemmering. Deze scores werden vervolgens gebruikt om het gemiddelde per sector en per land te berekenen (Europese Commissie, 2021).noot3
Wat vertelt de EC Restrictiveness Indicator?
De EC Restrictiveness Indicator kan in elke dienstensector een waarde van 0 tot 2 aannemen, waarbij 0 staat voor volledig open en 2 volledig gesloten. Zoals geïllustreerd in figuur 3.5.1 varieert het niveau van dienstenbelemmeringen aanzienlijk tussen landen. Italië, Oostenrijk, Cyprus, Kroatië en België stellen de hoogste mate van barrières in op het verhandelen van diensten. De handelsbarrières van diensten zijn relatief laag in Nederland, Zweden, Finland, Spanje, het VK, Noorwegen en Estland. Meer concreet betekent dit dat de Nederlandse markt relatief open is voor zowel binnenlandse als buitenlandse dienstverleners. In het geval dat in een bepaald land er een specifieke kwalificatievereiste nodig is voor buitenlandse ingenieurs in de bouwsector belemmert dat niet alleen de activiteiten van buitenlandse bouwbedrijven, maar schaadt het ook de nationale bouwbedrijven die ook dergelijke ingenieurs in dienst hebben.
In figuur 3.5.2 zijn grote verschillen per dienstensector zichtbaar tussen Nederland, België, Duitsland en de EU-27. Voor Nederland zijn er vooral veel (wettelijke) barrières in de dienstensectoren juridische diensten, architectendiensten, restaurants en hotels. Met uitzondering van de juridische diensten zijn er in Nederland aanzienlijk minder restricties van toepassing op de dienstensectoren dan in de buurlanden.
| Sector | Nederland | Duitsland | België | EU-27 |
|---|---|---|---|---|
| Accounting, audit, boekhouding en belastingadvies |
0,0100 | 0,1800 | 0,2550 | 0,1120 |
| Architecten- diensten |
0,1500 | 0,2600 | 0,3900 | 0,1707 |
| Ingenieurs- diensten |
0,0400 | 0,3000 | 0,0400 | 0,1593 |
| Juridische diensten | 0,3400 | 0,3000 | 0,3000 | 0,3078 |
| Restaurants | 0,1200 | 0,0800 | 0,2200 | 0,1163 |
| Hotels | 0,1200 | 0,0000 | 0,1000 | 0,1000 |
| Detailhandel | 0,0800 | 0,2000 | 0,1600 | 0,1081 |
| Bron: CBS, Europese Commissie | ||||
| 1) Voor de overige zes dienstensectoren zijn er in Nederland geen restricties van kracht. | ||||
Restricties met betrekking tot juridische diensten
Figuur 3.5.3 laat de restricties met betrekking tot juridische diensten bepaald door de Europese Commissie per land zien. Zo zien we dat er in Kroatië, Italië, Hongarije en Slovenië de meeste regels gelden. Nederland staat met een 13e plek in de middenmoot.
Regelgeving op het vlak van juridische diensten verschilt aanzienlijk tussen de verschillende Europese landen. Aan het leveren van juridische diensten gelden in Nederland bepaalde vergunningsvereisten (in Engels: authorisation requirements). Zo is een advocaat (zowel een Nederlandse als niet-Nederlandse) verplicht zich te registreren bij een lokale rechtbank. Daarnaast moet de advocaat beschikken over een universitair diploma in de rechten. In Spanje gelden er geen vergunningsvereisten voor juridische diensten, terwijl landen zoals Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk strengere vergunningsvereisten opleggen vergeleken met Nederland. In Oostenrijk moet een advocaat naast het hebben van een geldig diploma ook verplicht een stage lopen, een examen afleggen, een verzekering afsluiten en een formele loyaliteitsverklaring afleggen voordat men het beroep kan uitoefenen.
Restricties met betrekking tot architectendiensten
In figuur 3.5.4 kunnen we zien welke landen volgens de Europese Commissie het hoogst scoren op restricties met betrekking tot architectendiensten. Zo zien we dat er in België en Frankrijk de meeste regels gelden. Nederland staat met een 16e plek in de middenmoot.
Om in Nederland als architect te kunnen werken, is inschrijving bij het Bureau Architectenregister verplicht. Omdat de titel van architect in Nederland beschermd is, moeten architecten uit andere lidstaten zich bij de Nederlandse kamer van koophandel laten registreren als ze in Nederland onder deze titel willen werken.
Samenhang tussen EC Restrictiveness Indicator en de belangrijkste exportpartners voor Nederlandse diensten
Italië, Oostenrijk, Cyprus, Kroatië en België stellen de hoogste eisen aan het leveren van diensten, gemeten door de Europese Commissie (zie tabel 3.5.5). De barrières met betrekking tot diensten zijn relatief laag in Nederland, Zweden, Finland, Spanje, Noorwegen en Estland. Meer concreet betekent dit dat de Nederlandse markt relatief open is voor het verhandelen van diensten. In Nederland zijn er vooral veel (wettelijke) barrières voor de dienstensectoren juridische diensten, architectendiensten, restaurants en hotels. Volgens de Europese Commissie zijn Estland, Noorwegen, Spanje, Finland en Zweden de minst restrictieve landen voor wat betreft dienstenhandel.
Nederland exporteerde in 2021 29 miljard euro aan diensten naar het VK. Met een exportaandeel van 14 procent is het VK onze belangrijkste klant. Andere zakelijke diensten (waaronder juridische en accountingdiensten) zijn met een waarde van 9,8 miljard euro in 2021 met afstand de belangrijkste vorm van dienstenexport naar het VK. Het VK behoort volgens de Restrictiveness Indicator tot de minder restrictieve landen, zie tabel 3.5.5.
| EC Restrictiveness Indicator 2017 | Ranking EC Restrictiveness Indicator (1=weinig restricties) |
|
|---|---|---|
| 1. VK | 0,067308 | 7 |
| 2. Duitsland | 0,130769 | 20 |
| 3. VS | ||
| 4. Ierland | 0,123077 | 18 |
| 5. België | 0,163462 | 27 |
| 6. Zwitserland | ||
| 7. Frankrijk | 0,147308 | 23 |
| 8. Italië | 0,214615 | 31 |
| 9. Zweden | 0,060000 | 5 |
| 10. Spanje | 0,056154 | 3 |
| 11. Luxemburg | 0,150385 | 24 |
| 12. Polen | 0,091923 | 11 |
| 13. China | ||
| 14. Denemarken | 0,105000 | 13 |
| 15. Saoedi-Arabië | ||
| Nederland | 0,066154 | 6 |
Bron:Bron: CBS, Europese Commissie
3.6Samenvatting en conclusie
Handelsbelemmeringen kunnen bedrijven ervan weerhouden om op buitenlandse markten goederen en/of diensten aan elkaar te verkopen. De belangrijkste belemmeringen voor de internationale handel vallen uiteen in natuurlijke belemmeringen (geografisch of cultureel) en niet natuurlijk belemmeringen (tarifaire en niet-tarifaire barrières).
De dienstenhandel kan worden verklaard met behulp van zwaartekrachtmodellen. In de loop der tijd hebben onderzoekers veel verklarende factoren opgenomen in het model, zoals bbp, fysieke afstand, virtuele nabijheid (virtual proximity), culturele verschillen, een gemeenschappelijke taal en digitalisering. Op basis van literatuur en enkele beschrijvende statistieken kunnen we voor de natuurlijke barrières de volgende conclusies trekken:
- exportwaarde diensten is lager naar kleinere economieën (gemeten aan de hand van bbp);
- samenhang tussen fysieke afstand en dienstenhandel is niet eenduidig;
- meer dienstenhandel met virtueel dichtbij gelegen landen;
- het hebben van een gemeenschappelijke taal bevordert dienstenhandel;
- landen die meer vergelijkbaar zijn in hun cultuur hebben sterkere internationale handelsrelaties en meer dienstenhandel;
- een hoger niveau van digitalisering vergemakkelijkt internationale dienstenhandel.
Naast deze natuurlijke barrières bestaan er ook door de overheid gecreëerde handelsbelemmeringen die worden ingesteld door middel van wet- en regelgeving. Bij handel in diensten is het lastiger om wet- en regelgeving tussen de verschillende handelspartners te harmoniseren. Niet-tarifaire handelsbarrières meten we in deze Internationaliseringsmonitor aan de hand van twee externe databronnen: de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO en de Europese Commissie Restrictiveness Indicator. Niet-tarifaire maatregelen beperken het exportpotentieel van dienstenleveranciers. Studies tonen aan dat grotere belemmeringen (lees: een hogere STRI) samenhangen met minder dienstenhandel. Complexe en restrictieve regelgeving in het bestemmingsland beperken het volume van de handel. Ook wanneer handelsbarrières gemeten worden door de EC Restrictiveness Indicator vinden studies een negatieve samenhang tussen belemmeringen en dienstenhandel. De EC Restrictiveness Indicator data is recent door de Europese Commissie beschikbaar gesteld. Tot dusver zijn er slechts enkele studies die de samenhang tussen de EC Restrictiveness Indicator en handel onderzocht hebben (zie hoofdstuk 5 van deze publicatie). De EC Restrictiveness Indicator is specifieker dan de OESO STRI en er worden bij beide maatstaven andere dienstensectoren uitgelicht.
Traditionele analyses van handelsbelemmeringen zijn vooral gericht op de effecten van tarieven. Dit zijn discriminerende belastingen die worden geheven aan de grens van een land op in het buitenland geproduceerde goederen. Belemmeringen voor de handel in diensten zijn echter anders dan tarieven. Het zijn doorgaans regelgevende belemmeringen, in plaats van expliciete belastingen. Hoewel diensten niet zijn onderworpen aan grenstarieven, zijn ze wel onderhevig aan andere niet-tarifaire handelsbelemmeringen. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere vereisten voor een commerciële aanwezigheid, gebrek aan transparantie en beperkingen bij het verkrijgen van een vergunning.
De vele vormen van regulering bemoeilijken de toegang van internationale dienstenleveranciers tot buitenlandse markten (extensieve marge) alsook het uitbreiden van hun exportportefeuille in reeds aangedane markten (intensieve marge). In hoofdstuk 4 van deze Internationaliseringsmonitor onderzoeken we in hoeverre handelsbarrières die Nederlandse dienstenhandelaren binnen de EU kunnen tegenkomen een invloed hebben op hun potentiële exportstart naar een ander EU-land. Hoofdstuk 5 van deze Internationaliseringsmonitor onderzoekt in hoeverre beleidsgerelateerde belemmeringen de omvang van de export van bestaande dienstenhandelaren beïnvloeden.
3.7Bijlage
| OESO - STRI | Europese Commissie - Restrictiveness Indicator | |
|---|---|---|
| Landen | 50 Australië, België, Brazilië, Canada, Chili, China, Colombia, Costa Rica, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, India, Indonesië, Ierland, IJsland, Israel, Italië, Japan, Kazachstan, Letland, Litouwen, Luxemburg, Maleisië, Mexico, Nederland, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Peru, Polen, Portugal, Rusland, Singapore, Slovenië, Slowakije, Spanje, Thailand, Tsjechië, Turkije, Vietnam, VK, VS, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Zweden, Zwitserland |
31 België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, VK, Zweden |
| Periode | 2014-2021 | 2006, 2012, 2017 |
| Restricties | 391 Waaronder: beperkingen op buitenlandse toetreding, beperkingen op het verkeer van personen, andere discriminerende maatregelen, belemmeringen voor concurrentie, transparantie van regelgeving |
24 Waaronder: machtigingsvereisten, rechtsvormvereisten, aandeelhoudersvereisten, tariefvereisten, multidisciplinaire beperkingen, reclame-beperkingen, Beschikbaarheid van een elektronische procedure om de toepasselijke formaliteiten te vervullen, machtigingsschema's van toepassing bij tijdelijke dienstverlening |
| Sectoren | 22 Broadcasting, films, geluidsopnames, bouwdiensten, koerierdiensten, computerdiensten, groot- en detailhandel, commerciële bankdiensten, verzekeringsdiensten, logistieke vrachtafhandeling, logistieke douane-inklaring, logistieke expeditie, logistieke opslag en magazijn, accounting, architecten diensten, ingenieursdiensten, juridische diensten, telecommunicatie, goederenvervoer over de weg, luchtvaart, zeevervoersdiensten, goederenvervoer per spoor |
13 Accounting, architecten diensten, ingenieursdiensten, juridische diensten, vastgoedmakelaarsdiensten, reisbureaus, toeristische gidsen, restaurants, hotels, bouwdiensten (algemene aannemers), bouwdiensten (elektriciens en loodgieters), detailhandel en groothandel |
3.8Literatuur
Literatuur
Barendregt, E. & Wijffelaars, M. (2017). De interne markt is een onvoltooid succes. ESB, 102(4754S), 73–76.
Benz, S. & Gonzales, F. (2019). Intra-EEA STRI Database: Methodology and Results. OECD Trade Policy Papers, No. 223. Paris: OECD Publishing.
Benz, S., Ferencz, J. & Nordås, H. K. (2020). Regulatory barriers to trade in services: A new database and composite indices. The World Economy, 43(11), 2860–2879.
Benz, S. & Jaax, A. (2020). Service trade costs in the United States: A simulation based on the OECD Services Trade Restrictiveness Index. OECD Economics Working Paper, No. 1617.
CBS (2020). Internationaliseringsmonitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven & verdragen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2021). Internationaliseringsmonitor 2021, derde kwartaal: Niet-tarifaire maatregelen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Chaney, T. (2008). Distorted Gravity: The Intensive and Extensive Margins of International Trade. American Economic Review, 98(4), 1707–1721.
Christen, E. (2017). Time Zones Matter: The Impact of Distance and Time Zones on Services Trade. The World Economy, 40(3), 612–631.
Christen, E. & Francois, J. (2017). Modes of Supply for US Exports of Services. The World Economy, 40(3), 517–531.
Chung, J. (2011). The Geography of Global Internet Hyperlink Networks and Cultural Content Analysis. Dissertation, University at Buffalo.
Cremers, D. & Jaarsma, M. (2020). Dienstenhandel en zwaartekracht; anders dan goederenhandel? In S. Creemers & M. Jaarsma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2020 derde kwartaal, Internationale handel in diensten en R&D. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Europese Commissie (2021). Mapping and assessment of legal and administrative barriers in the services sector. Brussel: Europese Commissie, Directorate-General for Internal Market, Industry, Entrepreneurship and SMEs (DG GROW).
Harms, P. & Shuvalova, D. (2020). Cultural distance and international trade in services: A disaggregate view. Economic Systems, 44(2), 100786.
Hellmanzik, C. & Schmitz, M. (2015). Virtual proximity and audiovisual services trade. European Economic Review, 77, 82–101.
Hellmanzik, C. & Schmitz, M. (2016). Gravity and international services trade: the impact of virtual proximity. ETSG 2016 Paper, Helsinki.
Helpman, E., Melitz, M. & Rubinstein, Y. (2008). Estimating trade flows: trading partners and trading volumes. The Quarterly Journal of Economics, 123(2), 441–487.
Hofstede, G. (1980). Culture’s Consequences. New York, NY: Sage.
Jayasooriya, S. P. (2021). Bayesian Gravity Model for Digitalization on Bilateral Trade Integration in Asia. ADBI Working Paper 1232. Tokyo: Asian Development Bank Institute.
Kikuchi, T. & Iwasa, K. (2010). A Simple Model of Service Trade with Time Zone Differences. International Review of Economics & Finance, 19(1), 75–80.
Kikuchi, T. & Marjit, S. (2010). Time Zones and Periodic Intra-Industry Trade. EERI Research Paper Series, No. 08/2010. Brussels: Economics and Econometrics Research Institute (EERI).
Kimura, F. & Lee, H. (2006). The Gravity Equation in International Trade in Services. Review of World Economics, 142, 92–121.
Kogut, B. & Singh, H. (1988). The effect of national culture on the choice of entry mode. Journal of International Business Studies, 19(3), 411–432.
Kowalski, P., Malinowska, A. P., McKenzie, M. & Glowacki, K. (2019). Integration within the European Single Market: accounting, computer, and construction services. Report prepared for the Polish Ministry of Foreign Affairs by CASE – the Center for Social and Economic Analysis. Warsaw: Ministry of Foreign Affairs.
Kristjánsdóttir, H., Guðlaugsson, P. O., Guðmundsdóttir, S. & Aðalsteinsson, G. D. (2017). Hofstede national culture and international trade. Applied Economics, 49(57), 5792–5801.
Lewer, J. J. & Berg, van den, H. (2007). Estimating the Institutional and Network Effects of Religious Cultures on International Trade. Kyklos, 60(2), 255–277.
Loungani, P., Mishra, S., Papageorgiou, C. & Wang, K. (2017). World Trade in Services: Evidence from A New Dataset. IMF working paper, WP/17/77.
Lucke, N. & Eichler, S. (2016). Foreign Direct Investment: The Role of Institutional and Cultural Determinants. Applied Economics, 48(11), 935–956.
Marel, van der, E. & Shepherd, B. (2013). Services Trade, Regulation and Regional Integration: Evidence from Sectoral Data. The World Economy, 36(11), 1393–1405.
Marjit, S. (2007). Trade theory and the role of time zones. International Review of Economics & Finance, 16(2), 153–160.
Mattoo, A., Stern, R. M. & Zanini, G. (Red.). (2007). A handbook of international trade in services. OUP Oxford.
Nadolinskaia, O. & Smit, R. (2021). Imports of Digitised Products. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Nordås, H. K. & Rouzet, D. (2017). The impact of services trade restrictiveness on trade flows. The World Economy, 40(6), 1155–1183.
OESO (2019). Handbook on Measuring Digital Trade. OECD, WTO and IMF. Paris: OECD Publishing.
OESO (2021). OECD Services Trade Restrictiveness Index (STRI): The Netherlands. Paris: OECD Publishing.
OESO (2022a). OECD Services Trade Restrictiveness Index: Policy trends up to 2022. Paris: OECD Publishing.
OESO (2022b). Services Trade Restrictiveness Index Regulatory Database. [Database]. Geraadpleegd op 19 mei 2022.
Rouzet, D., Benz, S. & Spinelli, F. (2017). Trading firms and trading costs in services: Firm-level analysis. OECD Trade Policy Papers, No. 210. Paris: OECD Publishing.
Stein, E. & Daude, C. (2007). Longitude matters: Time zones and the location of foreign direct investment. Journal of International Economics, 71(1), 96–112.
Tinbergen, J. (1962). Shaping the World Economy. New York: The Twentieth Century Fund.
Walsh, K. (2006). Trade in Services: Does Gravity Hold? A Gravity Model Approach to Estimating Barriers to Services Trade. Discussion Paper, No. 183. Dublin: Institute for International Integration Studies.
Wereldbank (2016). World Development Report 2016: Digital dividends. Washington DC: International Bank for Reconstruction and Development/The World Bank.
WTO (2019). World Trade Report 2019: The future of services trade. Genève: World Trade Organization.
Noten
Bij de internationale handel in goederen gaat het in principe over fysieke grensoverschrijding van goederen, maar bij de internationale handel in diensten ligt dat diffuser.
Zie ook tabel 3.7.1 in de bijlage voor meer informatie.
Zie ook tabel 3.7.1 in de bijlage voor meer informatie.