Foto omschrijving: Op de Ferryterminal van de DFDS worden de bestuurders van personen- en vrachtwagens, uit NewCastle UK, gecontroleerd

Goederenhandel met het VK na Brexit: Tariefvrij of niet?

Auteurs: Loe Franssen, Janneke Rooyakkers

De goederenhandel met het Verenigd Koninkrijk (VK) ziet er sinds januari 2021 heel anders uit dan voorheen. Zo is er nu een fysieke grens tussen het VK en de EU, waar gecontroleerd kan worden of goederen voldoen aan de internationale handelsregels. Daarnaast is het mogelijk dat goederenhandelaren alsnog met importtarieven geconfronteerd worden wanneer de goederen niet aan de oorsprongsregels van de Trade and Cooperation Agreement (TCA) voldoen. Dit hoofdstuk werpt een eerste blik op de Nederlandse goederenhandel met het VK na het ingaan van het handelsakkoord tussen de EU en het VK. In hoeverre was de import uit het VK in de eerste acht maanden van 2021 daadwerkelijk tariefvrij, en welke kosten zijn er al gemaakt aan invoerrechten? Daarnaast worden de productgroepen uitgelicht die een groot risico lopen om bij de wederuitvoer naar het VK getarifeerd te worden, omdat ze een hoog importgehalte hebben uit niet-EU-landen waardoor ze niet kunnen conformeren aan de regels van oorsprong uit het handelsverdrag.

5.1Inleiding

Na jarenlange verdeeldheid over het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk (VK) bij de Europese Unie (EU), hielden de Britten hier in juni 2016 een bindend referendum over. Een kleine meerderheid stemde voor uittreding, waarna het VK de nodige voorbereidingen trof om de EU te kunnen verlaten. Op 31 januari 2020 verliet het VK de EU, waarna er een overgangsperiode volgde waarin het VK zich nog aan de Europese handelsregels hield. Hiermee wilde men verstoringen van de handel na Brexit voorkomen en nieuwe verhoudingen in een handelsakkoord kunnen vaststellen. Die transitie eindigde op 31 december 2020.

De onduidelijkheid over de toekomstige handelsrelatie met het VK met betrekking tot grenscontroles, invoerrechten en niet-tarifaire maatregelennoot1 zorgde voor grote onzekerheid bij internationaal actieve bedrijven. Hoewel er tot 1 januari 2021 formeel nog niets veranderde in de handelsrelatie tussen het VK en de EU, zorgde de onzekerheid rondom Brexit al voor een enorme groeivertraging in de internationale handel tussen deze twee partners (Graziano et al., 2018; Douch & Huw Edwards, 2021). Ruim 45 jaar was het VK lid van de EU of de voorlopers daarvan, en daarmee ook van de Europese gemeenschappelijke markt die er sinds 1993 is. Dat betekende voor de goederenhandel dat er geen invoerrechten of quota geheven werden tussen de deelnemende landen. Goederenstromen tussen Nederland en het VK konden dus onbelemmerd verhandeld worden, totdat het VK de Europese interne markt per 1 januari 2021 verliet.

De handelsrelatie tussen het VK en de EU zou daarmee zoals die van alle ‘derde’ landen worden. Dat betekent dat de Most Favoured Nation (MFN) voorwaarden gelden, de Britse of Europese tarieven en quota die voor alle andere leden van de Wereldhandelsorganisatie (Engels: WTO) van kracht zijn. Daarnaast zouden ook niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) gaan gelden tussen beide handelspartners: beleidsregels met een effect op de hoeveelheid of prijs van de goederenhandel, of beide (zie ook CBS (2021) voor een verdere verdieping van NTM’s). De invoerrechten, quota en NTM’s zouden de handel tussen deze twee partners een stuk duurder en ingewikkelder maken. Daarom hebben het VK en de EU onderhandeld over een handelsakkoord, zoals de EU dat met verschillende landen wereldwijd heeft.

Op 22 december 2020 waren de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk het eens over een “Brexit akkoord”: de zogenaamde Trade and Cooperation Agreement (TCA) was afgesloten. Premier Johnson gaf daarbij direct aan dat het ging om een tarief- en quotavrij handelsverdrag. Daarmee lijkt de handelsrelatie tussen de EU en het VK op de relatie zoals deze vóór Brexit was, met onbelemmerde handel zonder tarieven en quota.

Tarief- en quotavrije handel is echter verre van vanzelfsprekend geworden na de Brexit. Waar de handel voorheen ongehinderd de grenzen passeerde, moeten de goederen nu ingeklaard worden bij de douane. Om aanspraak te maken op tarief- en quotavrije handel moeten bedrijven de preferenties nu actief aanvragen, en de benodigde documenten aanleveren. Preferentiegebruik door bedrijven is geen gewoonte. Dat komt enerzijds door de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan en anderzijds door de voorwaarden die eraan gesteld worden. De belangrijkste voorwaarde is dat een product pas preferentieel ingevoerd mag worden wanneer het zijn oorsprong kent binnen de landen van het handelsverdrag. De regels om te bepalen of een product in voldoende mate binnen het land geproduceerd (‘verkregen’) is, verschillen per product. De volgende paragraaf zal dieper ingaan op de oorsprongsregels en de problemen daar rondom.

Door de toegenomen globalisering en wijdverspreide productieketens wordt de oorsprong van een product namelijk steeds lastiger te achterhalen. Een productieproces bestaat tegenwoordig uit vele stapjes die in verschillende landen gemaakt worden. Ook heeft eerder onderzoek al aangetoond dat de wederuitvoer naar het Verenigd Koninkrijk voor zo’n 50 procent uit import bestaat die oorspronkelijk buiten de EU tot stand is gekomen (Franssen et al., 2020). Het is dus waarschijnlijk dat een aanzienlijk deel van de handel met het VK haar oorsprong kent buiten de Europese Unie waardoor er alsnog importtarieven over moeten worden betaald.

Dit hoofdstuk geeft een eerste overzicht in hoeverre er sinds de provisioneel in werking getreden TCA toch nog importtarieven betaald worden. We doen dat met name voor de import, omdat het CBS cijfers heeft die per importtransactie aangeven of er gebruik is gemaakt van het handelsverdrag. Voor de export naar het VK beschikt het CBS niet over die details, maar daar geven we op basis van waardeketenanalyse een allereerste inzicht in de mogelijke problemen met betrekking tot de oorsprongsregels. We onderzoeken namelijk in welke mate de Nederlandse wederuitvoer naar het VK buiten de EU vervaardigd is, waardoor ze mogelijk niet voldoen aan de oorsprongsregels. Dit doen we door een analyse van Franssen et al. (2020) op basis van handelsdata over 2017 te specificeren op productniveau. Verder doen we dat specifiek voor de wederuitvoer omdat met name deze stroom is gedaald sinds de Brexit en omdat wederuitvoer per definitie al een hogere buitenlandse toegevoegde waarde heeft wat tot problemen met de oorsprongsregels kan leiden.

De onderzoeksvragen die in dit hoofdstuk centraal staan zijn:

  1. Aan welke regels moet worden voldaan voordat handelaren gebruik kunnen maken van de TCA?
  2. Welk deel van de Nederlandse import uit het VK maakt sinds 1 januari 2021 gebruik van de TCA?
  3. Worden er nog importtarieven betaald over de import uit het VK en hoe hoog zijn die kosten?
  4. Welke producten die Nederland naar het VK weder uitvoert lopen met name risico om daar getarifeerd te worden omdat ze wellicht niet aan oorsprongsregels kunnen voldoen?
121 miljoen euro is er in de eerste acht maanden van 2021 betaald aan importtarieven voor import uit het VK
58% van de wederuitvoer naar het VK kwam in 2017 tot stand buiten de EU

5.2Trade and Cooperation Agreement: De duivel zit in de details

Een belangrijke motivatie voor het Verenigd Koninkrijk om de Europese Unie te verlaten was dat de Britten vonden dat ze aan heel veel regels moesten voldoen die in Brussel bepaald werden. Met de slogan “Take Back Control” haalde de Leave campagnevoerders, voorstanders van uittreding uit de EU, vervolgens voldoende steun voor de Brexit.

Brexit: van “Take back Control” naar nog meer regels?

De vraag is echter in hoeverre de Brexit tot minder regels gaat leiden. Voor wat betreft NTM’s is er namelijk het zogenaamde Brussels effect, de redenering dat landen buiten de EU een groot economisch motief hebben om hun regels toch zoveel mogelijk te conformeren aan de Europese wetgeving, waardoor men vervolgens mogelijk alsnog dezelfde regels moet volgen maar daar minder inspraak over heeft (Bradford, 2020). Zelfs wanneer de regels hetzelfde blijven, moet er nu aan de grens aangetoond worden dat aan deze regels is voldaan. De douaneformaliteiten die daarmee gepaard gaan kosten veel tijd en vormen daarmee ook een handelsobstakel.

Ook op het gebied van de importtarieven krijgen Britse en Europese handelaren nu te maken met meer regels. De belofte van de tariefvrije handel is namelijk alleen van toepassing op producten die binnen de EU of het VK vervaardigd zijn. En in een wereld van mondiale waardeketens is dat niet meer zo vanzelfsprekend. Productie is gefragmenteerd, en het wordt steeds lastiger om te bepalen waar een product vervaardigd is. Binnen het handelsverdrag bestaan er dan ook gedetailleerde oorsprongsregels.

Grofweg zijn er twee manieren waarop er voor een product bepaald kan worden of het haar oorsprong kent binnen de EU of het VK (HM Revenue & Customs, 2021). Ten eerste zijn er de producten die volledig verkregen zijn (Engels: wholly obtained). Dat wil zeggen dat zij volledig tot stand zijn gekomen in een deelnemer van het handelsverdrag, ofwel in één of meerdere landen van de EU, ofwel in het VK. Denk bijvoorbeeld aan mineralen die onttrokken worden aan de grond van één land, dieren die geboren, opgegroeid en geslacht zijn in één land, of landbouwgewassen die in één land geteeld worden.

De andere mogelijkheid is dat producten substantieel bewerkt zijn in een land dat deelneemt aan het handelsverdrag. Of een product substantieel bewerkt is, kan bepaald worden op verschillende manieren. De drie meest voorkomende manieren zijn: 1) op basis van een minimaal percentage toegevoegde waarde, 2) wanneer er een wijziging van een goederencode plaatsvindt, en/of 3) wanneer er bepaalde gespecificeerde productie- of bewerkingsprocessen plaatsvinden.

De eerste regel is in de basis eenvoudig. In het handelsverdrag kan bijvoorbeeld gespecificeerd worden dat minimaal 50 procent van de waarde van een product binnen de deelnemende landen van het handelsverdrag tot stand moet zijn gekomen om vervolgens volledig als van oorsprong zijnde geclassificeerd te worden. Dit percentage verschilt van product tot product. Zo geldt bijvoorbeeld voor personenauto’s een MaxNOM (Engels: maximum value of non-originating materials) van 45 procent, terwijl dat voor cement 70 procent is en voor kunstmest 40 procent (TCA, 2020). In de praktijk kan het echter lastig zijn om deze inschatting te maken, of anderzijds aan te tonen waar de waarde tot stand gekomen is.

De tweede regel richt zich op het verwerken van niet van oorsprong zijnde intermediaire goederen in het productieproces van het eindproduct. Wanneer er namelijk onderdelen gebruikt zijn die afkomstig zijn van buiten de EU of het VK, dan kunnen deze alsnog de status van oorsprong krijgen wanneer het eindproduct een andere goederencode heeft. Een voorbeeld is een jacht dat vervaardigd is uit niet van oorsprong zijnde onderdelen uit andere hoofdstukken dan hoofdstuk 89 (schepen, boten en drijvende constructies) van de gecombineerde nomenclatuur (GN).noot2 Er kunnen bijvoorbeeld onbeperkt niet van oorsprong zijnde delen van staal (hoofdstukken 72 en 73) of glas (hoofdstuk 70) worden gebruikt, ongeacht hun waarde, omdat het eindproduct toch een andere goederencode krijgt. Maar aan de regel zou niet worden voldaan door een jacht dat in het VK geïmporteerd wordt uit een derde land, waarna alleen het uitrustingswerk in het VK toegevoegd wordt voordat het naar de EU wordt geëxporteerd. Het uiteindelijke product behoudt dan dezelfde goederencode en er kan geen beroep gedaan worden op de TCA: er moeten dan invoerrechten betaald worden bij import in de EU die gelden voor alle derde landen.

Tot slot zijn er gespecificeerde bewerkingen die niet van oorsprong zijnde producten alsnog de status van oorsprong kunnen opleveren. Dit is van toepassing bij bepaalde gespecialiseerde industrieën of producten. Voorbeelden zijn de herprofilering van autobanden, een bepaalde chemische reactie bij chemische producten of het weven en snijden van stoffen om kleding te maken. Wanneer een van deze processen plaatsvindt op niet van oorsprong zijnde producten binnen de EU of het VK, kunnen zij alsnog de van oorsprong zijnde status krijgen.

Nederlandse importeurs moeten dus bij de Nederlandse douane aantonen dat de goederen die zij importeren aan de regels van oorsprong uit de TCA voldoen. Dit kunnen ze doen door de oorsprongsdocumenten aan te leveren, die van de exporteur vandaan moet komen. Deze regels kunnen echter een behoorlijke administratieve last genereren voor zowel het exporterende als het importerende bedrijf. In welke mate bedrijven gebruikmaken van de TCA bij de Nederlandse import uit het VK, wordt in de volgende paragraaf uitgelicht.

5.3Wat betekent de TCA voor de Nederlandse import uit het VK?

Het Verenigd Koninkrijk is een belangrijke handelspartner voor Nederland. In 2020 was het met een aandeel van bijna 5 procent het vijfde belangrijkste herkomstland van de goederenimport, na Duitsland, België, China en de VS (Creemers & Draper, 2021). De import neemt wel af, zoals in hoofdstuk 1 van deze publicatie ook al is beschreven. In de eerste acht maanden van 2021 importeerde Nederland voor ruim 15 miljard euro uit het VK, tegenover bijna 17 miljard euro in diezelfde periode in 2019. Dat is een afname van zo’n 7 procent, terwijl de totale goedereninvoer in de periode januari–augustus van 2021 juist meer dan 8 procent hoger was dan in diezelfde periode in 2019.

Nu het Verenigd Koninkrijk geen lid meer is van de Europese Unie, wordt het VK sinds 1 januari 2021 door de EU als een ‘derde land’ gezien, waardoor de handelsregels van de Wereldhandelsorganisatie (Engels: WTO) gelden. Dat betekent dat de goederen uit het VK die Nederland binnenkomen onder de Most Favoured Nation (MFN) voorwaarden van de EU vallen. Er moeten dan invoerrechten betaald worden over de inkomende goederen. Niet alle goederen hebben een invoertarief: zo’n 56 procent van de invoerwaarde uit het VK tussen januari en augustus 2021 heeft onder de MFN-regels al een nultarief. Zie ook figuur 5.3.1 voor de opbouw van de importwaarde uit het VK over de eerste 8 maanden van 2021.

Voor de overige 44 procent van de invoerwaarde geldt wel een invoertarief (of een quotum). Het invoertarief is doorgaans een percentage, en dat percentage van de goederenwaarde moet aan de douane betaald worden.noot3 De kosten kunnen behoorlijk oplopen, met tarieven die variëren van 0,4 tot 74,9 procent. De waarde van de goedereninvoer uit het VK was in de eerste acht maanden van 2021 15,3 miljard euro.noot4 Voor 44 procent hiervan (6,6 miljard euro) gelden dus MFN-tarieven. Als voor deze goederenimport het bijbehorende MFN-tarief betaald had moeten worden, had dat 396 miljoen euro aan tariefkosten opgeleverd voor de Nederlandse importeurs van deze goederen. Gemiddeld genomen was het MFN-tarief voor deze goederen daarmee 6,0 procent.

86% van de import uit het VK werd tariefvrij ingevoerd Buitenvorm Binnenvorm

Zoals in paragraaf 5.1 al werd besproken, is in de TCA echter vastgelegd dat goederen onbelast tussen de EU en het VK verhandeld mogen worden: ze hebben preferentiële toegang en er hoeven geen MFN-invoerrechten betaald te worden. Dit gebeurt echter niet automatisch, en importeurs moeten de preferentiële invoer aanvragen bij de douaneaangifte. De goederen moeten daarvoor wel voldoen aan de in paragraaf 5.2 besproken oorsprongsregels, en dat moet bij de douane aangetoond worden met de vereiste documenten.

De preference utilisation rate (PUR), ofwel het gebruiksaandeel, vat samen hoeveel er gebruik wordt gemaakt van een handelsverdrag. We kijken hiervoor enkel naar de goederenwaarde waarvan het MFN-tarief méér dan 0 procent is, en de goederen die onder het handelsverdrag vallen (in het geval van de TCA tussen de EU en het VK zijn dat alle goederen). Het aandeel van deze goederen dat ook effectief onder de preferentiële voorwaarden van het handelsverdrag ingevoerd wordt, is het gebruiksaandeel.

Uit voorlopige data over de Nederlandse import uit het VK voor de periode januari–augustus 2021 blijkt dat van de goederen die ervoor in aanmerking komen (omdat het MFN-tarief méér dan 0 procent is), 68 procent preferentieel ingevoerd wordt. Dit is het gebruiksaandeel, of de preference utilisation rate (PUR).noot5 Figuur 5.3.2 laat zien dat dit aandeel per maand varieerde, maar wel een stijgende trend liet zien. Dat is niet gek, bedrijven hebben tijd nodig om te wennen aan de nieuwe regelgeving waardoor het gebruiksaandeel in het begin nog toeneemt, wat de literatuur ook laat zien (Lukaszuk & Legge, 2019). Daarnaast hebben bedrijven nog tot vijf jaar terug recht op de preferenties, waardoor het percentage ook met terugwerkende kracht nog toe kan nemen.

68% van de importwaarde uit het VK die in aanmerking komt voor het handelsakkoord maakte daar ook gebruik van Buitenvorm Binnenvorm
In deze figuur zien we de verdeling van de importwaarde uit het Verenigd Koninkrijk naar preferentiegebruik in de periode januari-augustus 2021. 86 procent werd tariefvrij geïmporteerd, waarbij 56 procent een MFN-tarief van 0 procent had, en bij de overige 29 procent werd gebruik gemaakt van het handelsakkoord tussen de EU en het VK. 5.3.1 V e r d e l i n g i m p o rt w a a r d e u i t h e t VK n a ar p r e f e r e n t i e g e b rui k , ja n u ari- a u g u s t u s 2021* Gebruik v an T CA 5% 762 m l n e u r o T o t a l e i n v oer u i t h e t VK 15,3 m l d e u r o Gebruik v an T CA 29% 4,5 m l d e u r o Geen gebruik v an T CA 14% 2,1 m l d e u r o Geen gebruik v an T CA 51% 7,8 m l d e u r o MFN > 0%: 44% 6,6 m l d e u r o MFN = 0%: 56% 8,6 m l d e u r o T ariefvrij (0%) 86% * v oorlopige cij f e r s
5.3.2 Gebruiksaandeel invoer uit het VK per maand, 2021* (%)
Maand Gebruiksaandeel
jan 64,2
feb 66,6
mrt 65,4
apr 66,6
mei 69,1
jun 67,6
jul 69,3
aug 70,9
*voorlopige cijfers

Tariefkosten

De MFN-tarieven hadden de Nederlandse importeur dus 396 miljoen euro kunnen kosten, maar door preferentiële voorwaarden is een groot deel (68 procent) dus onbelast ingevoerd. De overige goederen, waar wel tarieven over betaald werden, leverden zo’n 121 miljoen euro aan tariefkosten op. Het grootste deel van de tariefkosten werd betaald over de invoer van kleding (33 procent), daarna over schoenen (9 procent) en machines (9 procent). Het is aannemelijk dat een groot deel van de kleding en schoenen buiten het VK en de EU geproduceerd is, waardoor die goederen niet kunnen voldoen aan de oorsprongsregels van de TCA. In figuur 5.3.3 zijn de cumulatieve tariefkosten per maand zichtbaar. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen de kosten die in 2021 daadwerkelijk gemaakt zijn, en op 121 miljoen euro uitkomen, en de kosten die gemaakt zouden zijn wanneer er geen gebruik gemaakt was van de TCA, uitkomend op 396 miljoen euro voor de eerste 8 maanden van 2021.

5.3.3 Cumulatieve tariefkosten bij de import uit het VK, 2021* (mln euro)
maand Daadwerkelijke tariefkosten Tariefkosten zonder TCA
jan 7,7 23,0
feb 22,8 71,1
mrt 42,8 136,8
apr 58,6 188,4
mei 74,6 237,7
jun 91,3 290,7
jul 107,3 345,4
aug 120,5 395,9
*voorlopige cijfers

Voedingsmiddelenindustrie maakt relatief veel gebruik van handelsverdrag

Er zijn twee sectoren die in Nederland een groot deel van de handel voor hun rekening nemen, en dat geldt ook voor de import uit het VK: de groot- en detailhandel en de industrie. Deze sectoren zijn verantwoordelijk voor respectievelijk 47 en 39 procent van de importwaarde uit het VK over de eerste 8 maanden van 2021.noot6 De importerende bedrijven uit deze sectoren hebben een gebruiksaandeel dat net iets hoger ligt dan het gemiddelde van de totale importwaarde, met 71 procent voor de industrie en 70 procent voor de groothandel.

Binnen deze twee sectoren is er meer variatie zichtbaar. Zo blijkt dat bedrijven die zich bezighouden met de vervaardiging van auto’s relatief weinig gebruikmaken van het handelsverdrag, en voor meer dan de helft (51 procent) van de waarde van hun goederenimport uit het VK nog tarieven betaalden. Dat gaat om de goederen waar geen MFN 0‑tarief voor geldt. Ook de industriële bedrijven die zich bezighouden met de vervaardiging van overige machines maakten relatief weinig gebruik van het handelsverdrag met het VK, met een gebruiksaandeel van 59 procent. De exporterende automotive sector in het VK laat met 72 procent in april 2021 echter een relatief hoog gebruiksaandeel zien. De eerste cijfers over het gebruik van de TCA door exporterende bedrijven in de machine-industrie van het VK komen wel overeen met de Nederlandse cijfers, met een PUR van bijna 50 procent in april (Ayele, 2021).

De bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie hebben juist een heel hoog gebruiksaandeel, met bijna 92 procent. Dat kan er mee te maken hebben dat de oorsprongsregels relatief goed aan te tonen zijn bij zulke goederen, omdat over het algemeen duidelijk is waar zulke producten vervaardigd zijn. De productieketen van agrifood producten is over het algemeen korter en minder internationaal verweven. Ook de chemische industrie had met 82 procent een relatief hoog gebruiksaandeel. De eerste cijfers over het gebruiksaandeel van exporterende bedrijven uit het VK naar de EU uit deze twee sectoren laten hetzelfde beeld zien (Ayele, 2021).

Geen verschil in PUR tussen grootbedrijf en zelfstandig mkb

In tegenstelling tot eerder onderzoek naar het gebruik van handelsverdragen bij de Nederlandse import (zoals naar CETA; Franssen & Rooyakkers, 2021) zien we geen verschil in gebruiksaandeel tussen het zelfstandig midden- en kleinbedrijf enerzijds, en het grootbedrijf anderzijds. Zowel het grootbedrijf als het zelfstandig mkb gebruikte het handelsverdrag met het VK bij 69 procent van de handelswaarde. Het gaat daarbij om bijna 5 duizend importerende grote bedrijven, en bijna 16 duizend bedrijven behorende tot het zelfstandig mkb. Onderzoekers met Zweedse bedrijvendata konden in 2019 ook geen verschil vinden tussen het preferentiegebruik van grote en kleine bedrijven (Kasteng & Tingvall, 2019).

Determinanten van preferentiegebruik

Voor bijna één derde van de goederen waar een MFN-tarief op zit, werden deze tarieven dus ook betaald bij de invoer uit het VK. Dit aandeel varieert bovendien behoorlijk tussen sectoren. Hoe komt het dat niet alle mogelijke preferenties aangewend worden?

Ten eerste kunnen de administratieve regels en procedures om de benodigde oorsprongsdocumenten te verzamelen, hoewel steeds eenvoudiger, toch te ingewikkeld zijn voor bedrijven. Daaraan gerelateerd kunnen de kosten om de benodigde documenten te vergaren te hoog zijn, zeker wanneer de handelswaarde maar laag is (Hayakawa, 2013). Ook een klein verschil tussen het MFN-tarief en het tarief van het handelsverdrag (in het geval van de TCA altijd 0 procent) kan relatief klein zijn, dat is de preferentiële marge (Keck & Lendle, 2012). In beide gevallen levert het weinig tariefkosten op, en bij zowel een lage handelswaarde als een kleine preferentiële marge kan het zo zijn dat de administratieve- en onderzoekskosten niet opwegen tegen de mogelijke tarifaire kostenbesparingen.

Echter is het zo dat een gebruiksaandeel van 100 procent in de praktijk niet te bereiken is. Niet alle handel tussen het VK en Nederland wordt (in voldoende mate) in ofwel het VK (in het geval van export), ofwel de EU (bij de import) vervaardigd. Vooral Nederland is een belangrijke schakel in de internationale handel met Schiphol en de haven van Rotterdam, waardoor we veel producten invoeren en (weder)uitvoeren. Deze zijn dan simpelweg niet in voldoende mate in de EU vervaardigd, en kunnen niet aan de oorsprongsregels voldoen. Hoe groot het aandeel van de handel is dat sowieso niet zou kwalificeren voor de regels van oorsprong is niet duidelijk. Kwantificering van oorsprongsregels zou daarvoor nodig zijn. In de volgende paragraaf geven we een eerste inzicht in het aandeel van de Nederlandse exportproducten dat niet in de EU vervaardigd is.

5.4Oorsprong van de Nederlandse exportproducten naar het VK

In de vorige paragraaf zagen we al dat de import uit het VK in 2021 lager was dan in 2019, terwijl er ook nog eens forse tarieven betaald werden in 2021. De uitvoer naar het VK laat echter nog een grotere terugval zien, wat geheel door de daling in wederuitvoer wordt verklaard. De totale Nederlandse export naar het VK was in de eerste 8 maanden van 2021 24,1 miljard euro, waar dat tussen januari en augustus 2019 nog 26,7 miljard euro was. Een afname van bijna 10 procent, terwijl de totale export naar alle landen met bijna 10 procent groeide. De export van Nederlandse makelij naar het VK groeide tussen 2019 en 2021 nog, met ruim 14 procent, terwijl de wederuitvoer met bijna 34 procent afnam, zie figuur 5.4.1. Uit hoofdstuk 1 van deze Internationaliseringsmonitor bleek dat ook de quasi-doorvoer naar het VK een forse krimp liet zien.

5.4.1 Export Nederlandse makelij en wederuitvoer naar het VK, januari-augustus (mld euro)
Exportstroom Jaar Waarde
Nederlandse makelij 2015, Nederlandse makelij 12,5
Nederlandse makelij 2019, Nederlandse makelij 14,0
Nederlandse makelij 2020, Nederlandse makelij 11,2
Nederlandse makelij 2021*, Nederlandse makelij 16,0
Wederuitvoer 2015, Wederuitvoer 11,5
Wederuitvoer 2019, Wederuitvoer 12,7
Wederuitvoer 2020, Wederuitvoer 10,6
Wederuitvoer 2021*, Wederuitvoer 8,4
*voorlopige cijfers

De vraag is of, en dan in hoeverre deze trend van afnemende wederuitvoer naar het VK verklaard kan worden door het feit dat er sinds aanvang 2021 importtarieven tussen het VK en de EU geheven kunnen worden. De Nederlandse douane houdt niet bij welk deel van de uitvoer naar het VK daar preferentieel binnenkomt en welk deel niet, zoals ze dat wel voor de import doet. Het CBS doet echter onderzoek naar de uitvoer en wederuitvoer naar het VK, bijvoorbeeld door op basis van waardeketenanalyses de oorsprong van die wederuitvoer te bepalen. Zo hebben Franssen et al. (2020) laten zien dat van de 17 miljard euro die Nederland in 2017 importeerde om naar het VK te wederuitvoeren, 9 miljard euro afkomstig was uit niet-EU-landen. Daarmee is het niet-EU-importgehalte van de wederuitvoer naar het VK gemiddeld 53 procent. Een groot deel daarvan komt uit China (2,5 miljard euro) en de Verenigde Staten (1,8 miljard euro), zie figuur 5.4.2. Met een dergelijk hoog niet-EU-importgehalte van de wederuitvoer naar het VK is het aannemelijk dat deze handelsstroom in bepaalde gevallen risico loopt om niet te voldoen aan de oorsprongsregels van het handelsverdrag. De importtarieven die vervolgens van toepassing zijn, kunnen een reden zijn voor het ogenschijnlijk verleggen van de handelsstromen waarbij de EU wordt overgeslagen en het VK haar spullen direct uit de niet-EU-landen haalt (Smid & Frankena, 2021). Met name Nederland en haar grote rol in de in-, door- en wederuitvoer van goederen met de haven van Rotterdam kan daar mogelijk grote gevolgen van ondervinden.

5.4.2 Wederuitvoer van en naar het VK, 2017 (mld euro)
Kolom1 Import uit VK via Nederland naar partner Export naar VK via Nederland uit partner
Duitsland 3,322 2,951
België 1,433 1,435
Frankrijk 0,966 0,791
Italië 0,526 0,419
Spanje 0,458 0,301
Verenigde Staten 0,351 1,678
China 0,145 2,479
Bron: CBS, Franssen et al. (2020)

Bij welke producten zit het risico met name?

In plaats van de voorgaande analyse te specificeren naar de oorsprong en bestemming van de wederuitvoer, is het in het kader van de oorsprongsregels interessanter om per wederuitgevoerd product te kijken welk deel uit niet-EU-landen komt. Voordat we dat doen, kijken we in tabel 5.4.3 eerst naar de productgroepen die in 2021 (periode januari–augustus) de grootste afname hebben doorgemaakt in termen van de wederuitvoerwaarde sinds 2019 (periode januari–augustus). Dat zijn telefoons (–1 miljard euro), geraffineerde aardolieproducten (–737 miljoen euro), kantoormachines (–331 miljoen euro), computers (–245 miljoen euro) en kleding (–188 miljoen euro).

5.4.3Productgroepen met grootste afname wederuitvoer naar het VK, januari–augustus
2019 2020 2021* Afname 2021 t.o.v. 2019 Afname 2021 t.o.v. 2019
mln euro %
Productgroepen (SITC3)
(Mobiele) telefoons, modems, routers, etc. 1 705 1 216 702 –1 003 –59
Geraffineerde aardolieproducten 875 346 138 –737 –84
Kantoormachines 621 373 289 –331 –53
Computers, laptops, tablets 581 646 337 –245 –42
Kleding en -toebehoren van textiel 304 285 115 –188 –62
Delf- en graafmachines; machines voor grondwerken; heimachines en sneeuwploegen 219 139 45 –174 –79
Onderdelen en toebehoren voor machines 167 142 59 –108 –65
Schoeisel 182 134 78 –104 –57
Geneesmiddelen 255 261 160 –95 –37
Alcoholen, fenolen en derivaten 170 119 81 –88 –52

Er zijn meerdere redenen te bedenken waarom deze producten zo’n hoge afname kennen. Ten eerste zijn dit simpelweg producten die veel (weder)uitgevoerd worden, waardoor ook een kleine procentuele afname al tot een grote krimp in absolute waarden leidt. Daarnaast kan het sowieso efficiënter zijn voor het VK om haar spullen direct uit het land van herkomst te halen, in plaats van ze eerst door Europa te vervoeren, waarbij de goederen meerdere landsgrenzen passeren. Tot slot zijn er de mogelijke tarifaire kosten die betaald moeten worden.

Om een overzicht te krijgen van die kosten gebruiken we de informatie over de Britse MFN-tarieven sinds het VK zich los gemaakt heeft van de EU. Deze tarieven zijn over het algemeen wat lager dan de Europese tarieven. Zo bedraagt het gemiddelde MFN-importtarief nu 1,5 procent in plaats van de 2,1 procent die gold volgens de EU-regels (Winters, Gasiorek & Magntorn Garrett, 2020). Deze auteurs laten bovendien zien dat tarieven op zo’n twee duizend producten (zo’n 17 procent van het totaal aantal producten) nu volledig verwijderd zijn. Voor nog eens 40 procent van de producten zijn de tarieven “vereenvoudigd”, wat neerkomt op een afronding (naar beneden) of een omzetting van niet ad valorem tarieven (bijvoorbeeld tarieven op basis van hoeveelheden) naar ad valorem tarieven (als percentage van de prijs).

Door de analyse van Franssen et al. (2020) te specificeren op productniveau kunnen we per geëxporteerd product zien welke goederen een relatief hoog gehalte import uit niet-EU-landen kennen en daardoor mogelijk niet aan bepaalde oorsprongsregels kunnen voldoen. Tabel 5.4.4 biedt een overzicht van de tien producten waar de grootste risico’s liggen in termen van de mogelijke handelskosten die hier alsnog betaald zouden moeten worden wanneer zij niet aan de oorsprongsregels zouden voldoen.

5.4.4Overzicht van potentiële tarifaire kosten
VK gemiddeld MFN-tarief Totale waarde van wederuitvoer in 2017 Niet-EU import gehalte in 2017 Potentiële tarifaire kosten o.b.v. 2017-data
% mln euro % mln euro
Productgroep (CPA3)
Kleding 10,9 1 010 49,6 110
Schoen/lederwaren 4,6 618 39,8 28
Tabaksproducten 41,7 68 2,4 28
Vruchten- en groentesap 19,7 97 34,4 19
Overige goederen 1,4 1 375 46,2 19
Groenten 9,8 183 17,9 18
Fruit 6,5 257 60,0 17
Groente en fruitproducten 14,8 102 37,7 15
Overige machines, apparaten en onderdelen. 0,7 1 879 46,2 14
Radio/tv/video ed. 3,8 341 72,3 13

Kleding springt er duidelijk uit. Aangezien dit een relatief grote wederuitvoer stroom is én er een relatief hoog importtarief op geldt in het Verenigd Koninkrijk, loopt deze wederuitvoerstroom het risico om voor meer dan 100 miljoen euro getarifeerd te worden. Het gemiddelde gehalte van niet-EU-import in deze stroom is met bijna 50 procent ook hoog. Dit komt bovenop de mogelijke importtarieven die al betaald werden toen de producten de Europese Unie (Nederland dus) binnenkwamen.

Goederen die met name een risico lopen vanwege hun hoge extra-EU importgehalte zijn radio/tv/video ed., elektrische machines en apparaten, oliën/veekoek en optische foto-apparaten. Andere goederengroepen die vaak voorkomen in de lijst zijn landbouwproducten, aangezien die relatief zwaar getarifeerd worden in het VK.

De hamvraag is natuurlijk in hoeverre dit hoge importgehalte uit niet-EU-landen in de wederuitvoer naar het VK de daling in de wederuitvoer naar het VK kan verklaren. Daar is ten eerste meer onderzoek voor nodig. Zo zijn de cijfers in tabel 5.4.4 gebaseerd op 2017 data terwijl er natuurlijk veel ontwikkeling in de wederuitvoer cijfers heeft plaatsgevonden. Daarvoor zijn meerdere verstoringen in de handel dan alleen de Brexit, zoals natuurlijk de coronacrisis. Tot slot komen oorsprongsregels in verschillende vormen voor, zoals paragraaf 5.2 heeft uitgelegd. Idealiter zouden we op een nog gedetailleerder productniveau de oorsprongsregels op basis van toegevoegde waarde naast onze schattingen zetten. Alleen dan kunnen we zeggen in hoeverre bepaalde oorsprongsregels de wederuitvoer van specifieke producten naar het VK kunnen bemoeilijken.

Echter kunnen we op basis van de vergelijking van tabellen 5.4.3 en 5.4.4 wel degelijk tot enkele inzichten komen. Zo zien we de producten waarvan de wederuitvoer met name gedaald is ook terug in het lijstje met producten die een groot risico lopen op tarifering (tabel 5.4.4). Dat geldt dan met name voor kleding, maar ook bijvoorbeeld voor fruit.

(Mobiele) telefoons, modems en routers, de productgroep waarbij de afname in de wederuitvoer het hoogste was, is ook één van de productgroepen met de allerhoogste gehalte aan import uit niet-EU-landen. Maar liefst 81,2 procent van de wederuitvoer van deze productgroep naar het VK is tot stand gekomen buiten de EU. Echter geldt hier slechts een gemiddeld importtarief van 0,1 procent, waardoor de tarifaire kosten meevallen. Het feit blijft echter dat deze stroom alsnog dubbel getarifeerd wordt voordat de goederen het VK effectief bereiken. Daarbovenop komt het tijdsverlies dat mogelijk gepaard gaat met de additionele douanecontrole, wat ertoe kan leiden dat Britse bedrijven er toch voor kiezen deze stroom direct in te voeren. Hetzelfde geldt voor computers, laptops en tablets, vierde op de lijst van tabel 5.4.3. Met gemiddeld 58 procent niet-EU import gehalte loopt deze stroom risico om niet aan de oorsprongsregels te voldoen. Echter heffen de Britten hier geen tarieven op, waardoor de tarifaire dreiging in ieder geval mee valt.

5.5Samenvatting en conclusie

Door het verlaten van de Europese gemeenschappelijk markt is internationale handel tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk lastiger geworden. Dit is ten eerste zichtbaar bij de invoering van de grenscontroles, waar onder andere gecontroleerd wordt of goederen aan de regels voldoen, maar ook of zij tariefvrij het land mogen binnenkomen of niet. In het Brexit akkoord is afgesproken dat producten van Europese of Britse oorsprong tariefvrij verhandeld mogen worden tussen de twee handelsblokken, maar vanwege mondiale productieketens is het niet langer vanzelfsprekend dat een product dat vanuit de EU geëxporteerd wordt, ook in de EU gemaakt is. Dit hoofdstuk schetst een beeld van de realiteit: in hoeverre is de internationale handel tussen de EU en het VK sinds januari 2021 daadwerkelijk vrij van handelskosten?

Voor de import is het mogelijk om direct te observeren welke transacties tariefvrij zijn binnengekomen en welke niet. We hebben in paragraaf 5.3 laten zien dat het gebruiksaandeel in de eerste acht maanden van 2021 68 procent was. Dat betekent dat 68 procent van de Nederlandse invoer uit het VK die ervoor in aanmerking kwam, preferentieel ingevoerd werd. Over zo’n 2,1 miljard euro werden dus nog wel MFN-tarieven betaald, wat in de periode januari–augustus 2021 resulteerde in 121 miljoen euro aan tariefkosten die betaald werden over de invoer uit het VK. Deze tariefkosten werden vooral betaald voor de invoer van kleding (33 procent), schoenen en machines (beide 9 procent).

Grote en kleine bedrijven maakten in dezelfde mate gebruik van de TCA, maar er waren wel grote verschillen zichtbaar tussen bedrijfstakken. Zo was het gebruiksaandeel van de voedingsmiddelenindustrie en de chemische industrie relatief hoog, en dat van de machine- en auto-industrie relatief laag. Dat kan ermee te maken hebben dat de ketens in de machine- en auto-industrie langer en ingewikkelder zijn, waardoor de oorsprong moeilijker aan te tonen is. Bij voedingsmiddelen is het vaak eenduidiger waar het product haar oorsprong kent, waardoor het makkelijker is om aanspraak te maken op preferentiële invoer.

Voor de export is het lastiger om in te schatten welk deel tariefvrij het Verenigd Koninkrijk is binnengekomen, omdat die cijfers geregistreerd worden door de Britse douane. Wel kunnen we op basis van eerder onderzoek (Franssen et al., 2020) een inschatting maken van het aandeel van de (weder)uitvoer naar het VK dat tot stand gekomen is buiten de EU. We kijken hier specifiek naar de wederuitvoer omdat die drastisch is afgenomen sinds de Brexit én omdat daar per definitie een hogere buitenlandse toegevoegde waarde in verwerkt zit. Deze analyse toont aan dat producten zoals kleding, telefoons, modems en routers, alsook computers – producten waarvan de wederuitvoer met name is ingestort – ook een relatief hoog gehalte aan import uit niet-EU-landen kennen. Het is daardoor waarschijnlijker dat deze niet aan de oorsprongsregels kunnen voldoen, waardoor het Britse MFN-tarief betaald moet worden. Met name bij kleding vormt dit een groot risico, omdat het Britse importtarief daar gemiddeld 10,9 procent bedraagt én omdat dit een relatief grote wederuitvoer stroom is. Het is dus aannemelijk dat de Britten deze stroom direct willen gaan importeren.

Het moet echter benadrukt worden dat deze exercitie pas een voorzichtige inschatting van dit fenomeen betreft. Meer onderzoek is nodig om te kijken in hoeverre oorsprongsregels een probleem vormen voor Nederlandse (weder)uitvoer goederen waardoor deze getarifeerd kunnen worden en dus mogelijk zullen afnemen in de toekomst. Door specifieker te kijken naar de oorsprongsregels van individuele producten alsook naar het belang van dergelijke producten voor de Nederlandse economie, kan dit soort onderzoek inzicht geven in de risico’s en kansen van de Trade and Cooperation Agreement voor Nederland.

5.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Ayele, Y. (2021). Tariff-free trade with the EU: not so PUR and simple. Sussex University: UK Trade Policy Observatory.

Bradford, A. (2020). The Brussels effect: how the European Union rules the world. New York: Oxford University Press.

CBS (2021). Internationaliseringsmonitor 2021, derde kwartaal: Niet-tarifaire maatregelen. Een investering in kwaliteit? Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Creemers, S. & Draper, H. (2021). Geografische dimensie van de Nederlandse goederenhandel. In S. Creemers & M. Jaarsma (Red.), Nederland Handelsland: Export, import & investeringen 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Douch, M. & Huw Edwards, T. (2021). The bilateral trade effects of announcement shocks: Brexit as a natural field experiment. Journal of Applied Econometrics, 1–25.

Franssen, L., Lemmers, O., Prenen, L. & Wong, K. F. (2020). Verenigd Koninkrijk afhankelijker van Europese Unie dan eerder gedacht. Economisch Statistische Berichten, 105(4786), 268–271.

Franssen, L. & Rooyakkers, J. (2021). Midden- en kleinbedrijf maakt vaker gebruik van CETA dan grootbedrijf. Economisch Statistische Berichten, 106(4799), 330–333.

Graziano, A., Handley, K. & Limão, N. (2018). Brexit uncertainty and trade disintegration. NBER Working Paper no. 25334. Cambridge, VS: National Bureau of Economic Research.

Hayakawa, K. (2013). Firms’ Use of FTA Schemes in Exporting and Importing: Is There a Two-Way Relationship? In K. Hayakawa (Red.), Deepening of Corporate Global Activities in East Asia, BRC Research Report No. 12. Bangkok Research Report. IDE-JETRO: Bangkok.

HM Revenue & Customs (2021, 6 oktober). Guidance: Introduction to rules of origin and claiming duties when trading between the UK and EU.

Kasteng, J. & Tingvall, P. (2019). Who Uses the EU’s Free Trade Agreements? A transaction-level analysis of the EU-South Korea free trade agreement. Stockholm, Zweden: Kommerskollegium National Board of Trade.

Keck, A. & Lendle, A. (2012). New evidence on preference utilization. WTO Staff Working Paper, No. ERSD-2012-12. Genève, Zwitserland: World Trade Organization.

Lukaszuk, P. & Legge, S. (2019). Which Factors Determine the Utilization of Preferential Tariff Rates?, Beiträge zur Jahrestagung des Vereins für Socialpolitik 2019: 30 Jahre Mauerfall –‍ Demokratie und Marktwirtschaft – Session: International Trade and Trade Reforms III, No. E08‑V2, ZBW – Leibniz-Informationszentrum Wirtschaft: Kiel, Hamburg.

Smid, T. & Frankena, G. (2021). Britse handel verlegt zich naar landen buiten de Europese Unie. Economisch Statistische Berichten.

Trade and Cooperation Agreement (2020). De Europese Unie-Verenigd Koninkrijk, 30 december 2020, Official Journal of the European Union: L444/14.

Winters, A., Gasiorek, M. & Magntorn Garret, J. (2020) New tariff on the block: What is in the UK’s Global Tariff? UK Trade Policy Observatory.

Noten

Niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) zijn beleidsmaatregelen, maar geen tarieven, die mogelijk een economisch effect hebben op de internationale handel. De NTM’s kunnen hun effect hebben op het product via een veranderende hoeveelheid, een veranderde prijs, of beide. Grofweg in te delen in 2 groepen. De eerste groep zijn technische maatregelen zoals eisen aan kwaliteit of technische voorschriften, waaronder sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) en technische handelsbarrières (TBT) vallen. De tweede groep maatregelen behelst de niet-technische maatregelen zoals quota, lokale inhoudseisen, distributie, etc.

Dit is de goederenindeling die door de Europese Unie voor de statistieken van de Internationale Handel in Goederen wordt voorgeschreven.

Er zijn ook invoerrechten die bepaald worden op basis van hoeveelheden of het gewicht van goederen.

De cijfers in dit hoofdstuk kunnen iets afwijken van de cijfers in hoofdstuk 1. Er wordt in deze monitor gerekend met heel recente, voorlopige data die nog verbeterd wordt. De data in hoofdstuk 1 zijn iets recenter dan die in dit hoofdstuk.

Eurostat publiceert ook cijfers over het gebruiksaandeel, maar deze wijken in de regel af van de CBS-cijfers. Dat komt onder andere doordat bij Eurostat doorvoer in de handelscijfers zit en bij het CBS niet.

Een deel van de Nederlandse import is niet toe te rekenen aan een in Nederland gevestigd bedrijf. Deze import wordt gerealiseerd op naam van buitenlandse partijen zonder vertegenwoordiging in Nederland. Deze partijen zijn niet geregistreerd in het Algemeen Bedrijven Register (ABR), waardoor dit deel van de goederenhandel niet aan individuele bedrijven toegewezen kan worden en derhalve niet te verbijzonderen is naar bedrijfstak of bedrijfsgrootte.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Sarah Creemers

Dennis Cremers

Dennis Dahlmans

Hans Draper

Loe Franssen

Thomas van Gemert

Marjolijn Jaarsma

Hans Langenberg

Angie Mounir

Tim Peeters

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Iryna Rud

Mark Vancauteren

Marcel van Wijk

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Henk-Jan Dirven

Janneke Hendriks

Richard Jollie

Remco Kaashoek

Michel van Kooten

Irene van Kuik

André Mares

Frank Notten

Tom Notten

Tim Peeters

Michael Polder

Davey Poulissen

Rik van Roekel

Roos Smit

Sandra Vasconcellos

Lona Verkooijen

Marien Vrolijk

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek

CBS Vertaalbureau