Foto omschrijving: Het allergrootste containerschip ter wereld is dinsdagmiddag voor de eerste keer gearriveerd in de Rotterdamse haven

Exogene schokken: twee case studies

Auteurs: Marjolijn Jaarsma, Hans Langenberg, Marcel van Wijk

Wat zijn exogene schokken?

Met enige regelmaat wordt de wereld opgeschrikt door een onverwachte en grote gebeurtenis. Gebeurtenissen die de economie op een acute en harde manier raken, maar buiten de eigen economie liggen. De aanslagen op het World Trade Center in 2001, de tsunami en daaropvolgende kernramp in Fukushima Japan in 2011, of een pandemie als de coronacrisis zijn voorbeelden van zogenaamde exogene schokken. Zulke schokken kenmerken zich door het feit dat ze de economie kunnen raken langs de vraag- en/of aanbodzijde, ontstaan in een bepaalde sector of juist een bepaalde sector raken, vooral financiële gevolgen hebben of ook de reële economie treffen (Karpavicius, 2012; IMF, 2003).

Welke soorten exogene schokken zijn er?

Een natuurramp kan bijvoorbeeld leiden tot een aanbodschok, als daarmee productie van bepaalde goederen in gevaar komt. Zo had de tsunami in Japan tot gevolg dat hele delen van de Japanse industrie acuut stil kwamen te liggen. Dit had ook consequenties voor producenten in andere landen. Autoproducenten merkten dat bepaalde elektronische componenten zoals gps-toestellen of sensors tijdelijk niet konden worden geleverd, en bepaalde nieuwe auto’s waren tijdelijk niet in bepaalde kleuren leverbaar (Wheatley & Ramsay, 2011; Muylaert, 2011). Als de vraag van consumenten naar goederen of diensten plotseling wegvalt – bijvoorbeeld door een terroristische aanslag – is er sprake van een vraagschok. Een exogene schok kan ook ontstaan in de financiële sector, bij een beurskrach of een acute devaluatie van de wisselkoers. Daarnaast worden ook politieke schokken onderscheiden, waarbij er internationale economische consequenties kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld de Brexit of de val van de Sovjetunie (Gulan et al., 2021).

Coronacrisis als exogene schok

Als open economie is internationale handel belangrijk voor Nederland. De toegenomen financiële verstrengeling en verbondenheid in wereldwijde productieketens maakt dat Nederland sterk verweven is met het buitenland. Een verstoring in de productie elders, zoals het huidige tekort aan computerchips of duurdere grondstofprijzen, werkt direct door in Nederlandse productieketens en bedrijfstakken (CBS, 2021e). Deze verwevenheid wordt meteen duidelijk bij het uitbreken van een internationale crisis of exogene schok. In dit inleidend hoofdstuk worden twee exogene schokken, namelijk de coronacrisis en de Brexit, geïntroduceerd en in relevante economische context geplaatst. De gevolgen van de coronacrisis op de Nederlandse economie worden daarbij afgezet tegen de gevolgen van de kredietcrisis. Of de coronacrisis voorbij is, is op het moment van schrijven echter allerminst duidelijk. In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt derhalve de meest recente, beschikbare informatie over de economie sinds het uitbreken van de coronacrisis afgezet tegen de relevante periode uit de kredietcrisis. Hierbij wordt ingezoomd op het bbp, de internationale handel, het vertrouwen, de arbeidsmarkt en woningmarkt. Tijdens de coronacrisis hebben echter ook andere maatschappelijke en politieke gebeurtenissen invloed gehad op de Nederlandse economie. Denk aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer of de stijgende internationale transportprijzen. Niet onderzocht is in hoeverre de economische ontwikkelingen in 2020 en 2021 hierdoor zijn beïnvloed.

Brexit als exogene schok

De Britse bevolking stemde op 23 juni 2016 voor vertrek uit de Europese Unie. Het duurde vervolgens nog tot 31 januari 2020 voordat het VK de Europese Unie (EU) formeel verliet. Sinds 1 januari 2021 is de EU-UK Trade and Cooperation Agreement (TCA) van kracht, waarin onder andere is vastgelegd welke preferentiële regelingen er op het gebied van internationale handel in goederen en diensten gelden (Europese Commissie, 2021). In de tweede paragraaf van dit hoofdstuk worden de gevolgen van het Brexit-referendum en de definitieve Brexit op de Britse economie onderzocht door de ontwikkeling ervan te vergelijken met die van Nederlandse economie. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de internationale handel, het vertrouwen, de arbeidsmarkt en de migratiestromen.

Leeswijzer Internationaliseringsmonitor

In deze editie van de Internationaliseringsmonitor worden deze twee exogene schokken, de coronacrisis en de Brexit, nader onderzocht.

  • In het eerste hoofdstuk komt aan bod hoe de internationale goederen- en dienstenhandel van Nederland zich heeft ontwikkeld ten tijde van de coronacrisis, en in aanloop naar de Brexit. Hierin komt aan bod welke goederen en diensten meer of minder werden verhandeld, hoe de handel met de belangrijkste handelspartners – met speciale aandacht voor het VK – zich heeft ontwikkeld en welke andere opvallende ontwikkelingen zich in de Nederlandse handel hebben voorgedaan.
  • Het tweede hoofdstuk beantwoordt de vraag hoe de Nederlandse goederenhandel zich had kunnen ontwikkelen als deze twee exogene schokken (coronacrisis en Brexit) er niet waren geweest. Er wordt een schatting gemaakt hoeveel de internationale goederenhandel van Nederland zou hebben bedragen als de coronacrisis of Brexit zich niet had voorgedaan, en er wordt op maandbasis bekeken hoe de werkelijke export en import zich verhouden tot deze schatting.
  • Welke gevolgen had de coronacrisis voor bedrijven met internationale goederenhandel? Welke handelaren werden het hardst geraakt door de coronacrisis en welke internationale handelaren herstelden hiervan (tot nu toe)? En was elke fase van de coronacrisis even erg voor de internationale goederenhandel van Nederland? Deze vragen staan centraal in hoofdstuk 3.
  • Hoofdstuk 4 bekijkt welk deel van de Nederlandse goederenexporteurs sinds 2016 actief was op de Britse markt en welk aandeel van hun export met het VK plaatsvond. Ook wordt onderzocht welke rol de onzekerheid rondom Brexit speelde in de mate waarin bedrijven naar het VK exporteren.
  • Ten slotte focust hoofdstuk 5 op de periode na de inwerkingtreding van de TCA. Welk gedeelte van de import uit het VK kon in de eerste acht maanden van 2021 tariefvrij Nederland binnenkomen, welk gedeelte deed dat ook daadwerkelijk en hoeveel bedragen de importheffingen op het restant? Ook wordt een schatting gemaakt van de omvang van Britse douaneheffingen op wederuitvoer van goederen uit niet-EU-landen die doorgaans via Nederland naar het VK gaan.
3,8% kromp de Nederlandse economie in coronajaar 2020 Buitenvorm Binnenvorm

De economische ontwikkelingen in Nederland gedurende de coronacrisis

Nederlandse economie kromp met 3,8 procent in 2020

De coronacrisis, die in het voorjaar van 2020 in Nederland uitbrak, raakte de Nederlandse economie hard. Het bruto binnenlands product (bbp) kromp in 2020 met 3,8 procent ten opzichte van 2019. Circa drie kwart van deze krimp werd veroorzaakt door een fors lagere consumptie door huishoudens (Mares, 2021). De maatregelen die het coronavirus moesten terugdringen, hadden onder andere tot gevolg dat consumenten aanzienlijk minder uitgaven aan met name diensten zoals horecabezoek, toerisme, recreatie, evenementen en culturele uitstapjes. Ook de investeringen en het handelssaldo droegen bij aan de krimp, terwijl de overheidsconsumptie licht groeide (CBS, 2021a).

Bbp 3,7 procent lager door kredietcrisis in 2009

Ruim dertien jaar voor het uitbreken van de coronacrisis maakte Nederland de laatste grote economische crisis door, de kredietcrisis, die tot een krimp van 3,7 procent leidde in 2009. Deze crisis, die eind 2007 ontstond, had een heel andere aanleiding en oorsprong dan de coronacrisis. Risicovolle hypotheken verstrekt aan Amerikaanse huishoudens met een laag inkomen of reeds grote schulden, het nemen van grote risico’s door financiële instellingen en het knappen van zeepbellen op de Amerikaanse woning- en aandelenmarkt zijn drie belangrijke factoren voor het ontstaan van – wat lang werd gedacht – de grootste crisis sinds de Grote Depressie van de jaren dertig (CPB, 2009).

Door de wereldwijde verwevenheid van financiële markten kwamen ook Nederlandse banken en instellingen in grote moeilijkheden. De overheid zag zich genoodzaakt Fortis Nederland te nationaliseren en verstrekte kapitaal aan ING, Aegon en SNS Reaal (CBS, 2019). Uiteindelijk zag de overheid zich naast deze maatregelen ook genoodzaakt om in 2013 de Amerikaanse hypotheekportefeuille van ING over te nemen en SNS Reaal te nationaliseren (ING, 2009; Rijksoverheid, 2013).

Eurocrisis en de ‘dubbele dip’

Na het eerste herstel van de wereldwijde kredietcrisis volgde een terugval, de zogeheten ‘dubbele dip’. De Nederlandse economie kromp in 2012 en 2013 met respectievelijk 1,0 en 0,1 procent. Onvolledig herstel op veel markten, maar ook de Europese staatsschuldencrisis duwden de Nederlandse economie – en ook die van vele andere eurolanden – in een recessie. Deze zogenaamde Eurocrisis ontstond al eind 2009 toen de staatsschuld van Griekenland onhoudbaar werd en het land niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen. Ook andere eurolanden kwamen in de problemen, zoals Ierland in 2010, Portugal en Italië in 2011, en Spanje en Cyprus in 2012. Op voorwaarde van economische hervormingen verleenden de EU, het IMF en de ECB financiële steun en langzaamaan herstelde het vertrouwen van de financiële markten in deze landen (CBS, 2019). In Nederland was de crisis minder diep dan in Zuid-Europa, maar dieper dan in andere Noordwest-Europese landen, door het inzakken van de woningmarkt.

Bruto binnenlands product (% volumeontwikkeling t.o.v. een jaar eerder)
jaar Volumeontwikkeling bbp
2008 2,2
2009 -3,7
2010 1,3
2011 1,6
2012 -1,0
2013 -0,1
2014 1,4
2015 2,0
2016 2,2
2017 2,9
2018 2,4
2019 2,0
2020* -3,8
*voorlopige cijfers

In de rest van deze paragraaf worden de gevolgen van de coronacrisis op de Nederlandse economie afgezet tegen de eerste periode van de kredietcrisis. De Eurocrisis, die als uitloper van de kredietcrisis ontstond, wordt hier verder buiten beschouwing gelaten.

Impact coronacrisis op bbp korter en heviger dan kredietcrisis

In onderstaande figuur is de uitwerking van de krediet- en coronacrisis op het Nederlandse bbp te zien. Hierbij is het kwartaal vóór het uitbreken van elk van beide crises als referentiepunt genomen. Voor de kredietcrisis was dat het tweede kwartaal van 2008 en voor de coronacrisis het laatste kwartaal van 2019. Wat betreft de kredietcrisis vond de grootste krimp in het bbp plaats in het derde ‘crisiskwartaal’ (het eerste kwartaal van 2009). De Nederlandse economie was toen ruim 4 procent kleiner dan vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis. De coronacrisis bracht de Nederlandse economie in het tweede crisiskwartaal (tweede kwartaal van 2020) de grootste klap toe. In dat kwartaal was het bbp 9,9 procent kleiner dan vóór de coronacrisis.

Ontwikkeling bbp tijdens krediet- en coronacrisis (pré-crisis=100)
periode kwartaal Kredietcrisis Coronacrisis*
Pré-crisis , Pré-crisis 100 100
Crisiskwartalen 1e, Crisiskwartalen 99,9 98,4
Crisiskwartalen 2e, Crisiskwartalen 99,2 90,1
Crisiskwartalen 3e , Crisiskwartalen 95,7 96,9
Crisiskwartalen 4e, Crisiskwartalen 95,7 96,9
Crisiskwartalen 5e, Crisiskwartalen 96,0 96,1
Crisiskwartalen 6e, Crisiskwartalen 96,6 99,7
Crisiskwartalen 7e, Crisiskwartalen 96,4 101,7
* voorlopige cijfers

Sneller economisch herstel tijdens coronacrisis

Het herstel tijdens de coronacrisis had een V-vormig patroon. In het tweede crisiskwartaal vielen alle bestedingen, en met name het handelssaldo, sterk terug. De internationale handel herstelde ook het sterkst in het kwartaal erna, wat – samen met hogere consumentenbestedingen – een sterke impuls gaf aan het economisch herstel in het derde kwartaal van de coronacrisis (Mares, 2021). Door de oplopende coronabesmettingen en de daaropvolgende tweede lockdown aan het eind van 2020 werd het economisch herstel echter onderbroken en kromp de Nederlandse economie opnieuw in het vijfde crisiskwartaal (het eerste kwartaal van 2021). Positieve ontwikkelingen tijdens de coronacrisis maakten grote versoepelingen mogelijk vanaf april 2021 en zorgden voor flinke economische groei in het zesde en zevende crisiskwartaal (tweede en derde kwartaal van 2021). Daarmee kwam het bbp in het derde kwartaal van 2021 boven het niveau van vóór de coronacrisis uit (CBS, 2021c). Het economisch herstel tijdens de kredietcrisis verliep trager. Pas in het vierde kwartaal van 2014 (niet getoond) was het bbp weer groter dan aan het begin van 2008, mede door de terugval tijdens de Eurocrisis.

Goederenhandel sterker geraakt in kredietcrisis dan dienstenhandel

Het volume van de Nederlandse in- en uitvoer van goederen (gecorrigeerd voor handelsprijzen) maakte zowel tijdens de kredietcrisis als de coronacrisis een forse, snelle krimp door (zie de twee volgende figuren). Het volume van zowel de goedereninvoer als -uitvoer was in het derde kredietcrisiskwartaal (het eerste kwartaal van 2009) 14 procent kleiner dan in het pré-crisiskwartaal (het tweede kwartaal van 2008). Na het dieptepunt van de kredietcrisis trok de wereldhandel en daarmee de Nederlandse handel relatief snel aan. Het volume van de in- en uitvoer van goederen was eind 2010 weer op het pré-crisisniveau. Het volume van de dienstenhandel had betrekkelijk weinig last van de kredietcrisis. De dienstenhandel maakte een veel kleinere krimp door, waardoor het totale in- en uitvoervolume van goederen en diensten samen in het derde crisiskwartaal – het dieptepunt – respectievelijk 10 en 12 procent lager uitkwam dan vóór de kredietcrisis.

In- en uitvoervolume goederen in 2020 weer boven pré-coronaniveau

Op het dieptepunt van de coronacrisis (tweede kwartaal 2020) was het volume van de goedereninvoer 10,5 procent en het volume van de uitvoer 10,4 procent kleiner dan in het pré-crisiskwartaal (het vierde kwartaal van 2019). Daarmee was het tweede kwartaal van de coronacrisis gelijk ook het dieptepunt wat betreft het volume van de goedereninvoer en -uitvoer. In het vierde crisiskwartaal (het vierde kwartaal van 2020) was zowel het in- als het uitvoervolume van goederen al hoger dan vóór het uitbreken van de coronacrisis. De wereldhandel trok sneller aan bij de kredietcrisis. Voor de in- en uitvoer van diensten ligt dit anders. Het herstel van de dienstenhandel tot pré-crisisniveau blijft vooralsnog uit, mede door de coronamaatregelen en het fors afgenomen internationale reisverkeer (zie ook hoofdstuk 1 van deze publicatie).

Ontwikkeling invoervolume van goederen en diensten tijdens de krediet- en coronacrisis (pré-crisis=100)
periode kwartaal Goedereninvoer tijdens kredietcrisis Diensteninvoer tijdens kredietcrisis Goedereninvoer tijdens coronacrisis* Diensteninvoer tijdens coronacrisis*
Pré-crisis , Pré-crisis 100 100 100 100
Crisiskwartalen 1e, Crisiskwartalen 100,2 100,9 95,5 105
Crisiskwartalen 2e, Crisiskwartalen 95,9 101,2 89,5 87,3
Crisiskwartalen 3e , Crisiskwartalen 86,3 100,3 97,4 85,6
Crisiskwartalen 4e, Crisiskwartalen 86,3 100,3 100,1 80,9
Crisiskwartalen 5e, Crisiskwartalen 88,7 102 99,9 85,6
Crisiskwartalen 6e, Crisiskwartalen 91,2 103,5 103,3 85,3
Crisiskwartalen 7e, Crisiskwartalen 93,2 103,5 106,1 83,3
* voorlopige cijfers
Ontwikkeling uitvoervolume van goederen en diensten tijdens de krediet- en coronacrisis (pré-crisis=100)
periode kwartaal Goederenuitvoer tijdens kredietcrisis Dienstenuitvoer tijdens kredietcrisis Goederenuitvoer tijdens coronacrisis* Dienstenuitvoer tijdens coronacrisis*
Pré-crisis , Pré-crisis 100 100 100 100
Crisiskwartalen 1e, Crisiskwartalen 98,5 103,2 97,1 100,9
Crisiskwartalen 2e, Crisiskwartalen 93,4 104,4 89,6 86,1
Crisiskwartalen 3e , Crisiskwartalen 85,6 96,7 98,7 86,4
Crisiskwartalen 4e, Crisiskwartalen 86,2 98,4 101,4 80,9
Crisiskwartalen 5e, Crisiskwartalen 88,7 98,7 102 83,8
Crisiskwartalen 6e, Crisiskwartalen 91,2 99,5 106,1 87,2
Crisiskwartalen 7e, Crisiskwartalen 93,4 101,4 106,7 90,8
* voorlopige cijfers

Krimp invoer van alle productgroepen tijdens kredietcrisis; gemengd beeld tijdens coronacrisis

Bij het inzoomen op de samenstelling van de goedereninvoer ten tijde van de krediet- en coronacrisis, valt een aantal zaken op. De krimp in de invoer van goederen werd tijdens de coronacrisis gedomineerd door de fors lagere vraag naar – en beduidend lagere prijs van – minerale brandstoffen. De krimp in de invoerwaarde van de overige goederensoorten bleef, op de invoer van vervoermaterieel en fabricaten na, beperkt. De invoerwaarde van chemische producten en grondstoffen en natuurproducten groeide zelfs. Tijdens het eerste jaar van de kredietcrisis (derde kwartaal 2008 t/m tweede kwartaal 2009) kromp de invoerwaarde voor alle goederensoorten, met een hoofdrol voor machines en apparaten.

De ontwikkeling van de uitvoer laat een vergelijkbaar beeld zien. Tijdens het eerste jaar van de coronacrisis werd de grootste krimp in de uitvoer eveneens veroorzaakt door fors minder én goedkopere minerale brandstoffen. Tijdens de kredietcrisis exporteerde Nederland van alle type goederen minder dan in de vier voorafgaande kwartalen. In hoofdstuk 1 van deze Internationaliseringsmonitor wordt dieper ingezoomd op de ontwikkeling van de Nederlandse in- en uitvoer van goederen en diensten ten tijde van de coronacrisis en de Brexit.

Consument somber, maar niet alleen door corona

Het vertrouwen van producenten en consumenten zijn belangrijke indicatoren voor het sentiment in de economie. Zowel het producenten- als het consumentenvertrouwen kelderde na de uitbraak van de coronacrisis. Het consumentenvertrouwen daalde van –3 in maart 2020 naar –31 in mei (maand 4).noot1 Dat was een ongekende daling, maar niet de laagste stand van het consumentenvertrouwen ooit gemeten. Vanaf november 2020 krabbelde het vertrouwen van consumenten op, naar –3 in juni 2021. Daarna werden consumenten weer pessimistischer over de toekomst. Dit hangt mogelijk samen met de stijgende prijzen van het levensonderhoud (CBS, 2021d) en de steeds weer oplaaiende coronabesmettingen. Met –19 lag het consumentenvertrouwen in november 2021 een stuk onder het gemiddelde over de afgelopen twintig jaar (–8). Het consumentenvertrouwen daalde ten tijde van de kredietcrisis iets minder snel, maar wel vrijwel even diep als tijdens de coronacrisis, zie onderstaande figuur. Het herstelde vanaf maand 10 (april 2009) gestaag. Over het algemeen geldt: hoe meer vertrouwen consumenten hebben in de economie en hun persoonlijke financiële situatie, hoe meer zij uitgeven (Mares, 2021).

Ontwikkeling consumentenvertrouwen tijdens de krediet- en coronacrisis (saldo positieve en negatieve antwoorden)
Kredietcrisis Coronacrisis
Pré-crisis 1, Pré-crisis -7 -1
Pré-crisis 2, Pré-crisis -12 -2
Pré-crisis 3, Pré-crisis -16 -2
Crisis 1, Crisis -26 -2
Crisis 2, Crisis -28 -2
Crisis 3, Crisis -25 -3
Crisis 4, Crisis -25 -23
Crisis 5, Crisis -26 -31
Crisis 6, Crisis -26 -27
Crisis 7, Crisis -27 -26
Crisis 8, Crisis -28 -29
Crisis 9, Crisis -30 -28
Crisis 10, Crisis -26 -30
Crisis 11, Crisis -22 -26
Crisis 12, Crisis -19 -20
Crisis 13, Crisis -19 -19
Crisis 14, Crisis -14 -19
Crisis 15, Crisis -12 -18
Crisis 16, Crisis -14 -14
Crisis 17, Crisis -11 -9
Crisis 18, Crisis -7 -3
Crisis 19, Crisis -4 -4
Crisis 20, Crisis -6 -6
Crisis 21, Crisis -6 -5
Crisis 22, Crisis -7 -10
Crisis 23, Crisis -9 -19

Producent binnen jaar na uitbreken coronacrisis weer overwegend positief gestemd

Het producentenvertrouwen zakte in april 2020 (maand 4 van de crisis) naar –28,7, het laagste niveau ooit gemeten sinds de start van de statistiek in 1985 (Mares, 2021).noot2 Een V-vormig herstel volgde in de maanden daarna en in januari 2021 (maand 13) waren er alweer meer positief dan negatief gestemde producenten, zie onderstaande figuur. Dit sentiment zette sterk door in 2021 en binnen een jaar tijd was het producentenvertrouwen fors hoger dan het niveau van vóór de coronacrisis. Tijdens de kredietcrisis daalde het producentenvertrouwen ook sterk, met name vanaf september 2008 (maand 3 van de kredietcrisis). Een jaar later was er sprake van toenemend producentenvertrouwen, maar nog lang niet op het niveau van vóór de kredietcrisis.

De productie van de industrie volgde tijdens beide crises ongeveer hetzelfde patroon als het producentenvertrouwen. Na een forse krimp van de gemiddelde dagproductie van de industrie in het tweede kwartaal van 2020, groeide deze productie weer. In het tweede kwartaal van 2021 lag deze productie 5 procent boven het pré-coronaniveau. Eind 2009 was de gemiddelde dagproductie van de industrie circa 10 procent kleiner dan aan het begin van 2008.

Ontwikkeling producentenvertrouwen tijdens de krediet- en coronacrisis (saldo positieve en negatieve antwoorden)
periode kwartaal Kredietcrisis Coronacrisis
Pré-crisis 1, Pré-crisis 2,8 3,6
Pré-crisis 2, Pré-crisis 3,3 2,8
Pré-crisis 3, Pré-crisis 4,8 2,9
Crisis 1, Crisis 1,8 2,5
Crisis 2, Crisis 4,8 3,7
Crisis 3, Crisis -0,9 0,2
Crisis 4, Crisis -6,0 -28,7
Crisis 5, Crisis -9,0 -25,1
Crisis 6, Crisis -21,1 -15,1
Crisis 7, Crisis -20,9 -8,7
Crisis 8, Crisis -23,5 -5,4
Crisis 9, Crisis -20,8 -4,8
Crisis 10, Crisis -17,3 -5,6
Crisis 11, Crisis -16,1 -3,8
Crisis 12, Crisis -13,9 -0,4
Crisis 13, Crisis -14,6 0,6
Crisis 14, Crisis -9,2 0,1
Crisis 15, Crisis -9,7 3,4
Crisis 16, Crisis -7,2 6,5
Crisis 17, Crisis -5,0 8,8
Crisis 18, Crisis -8,1 11,5
Crisis 19, Crisis -6,2 12,3
Crisis 20, Crisis -4,8 9,6
Crisis 21, Crisis -3,1 11,1
Crisis 22, Crisis -1,4 12,3

Eurocrisis onderbrak herstel op arbeidsmarkt na kredietcrisis

Ook wat betreft de arbeidsmarkt en werkgelegenheid was de situatie anders tijdens de coronacrisis dan tijdens de kredietcrisis. Aan het begin van de kredietcrisis (derde kwartaal van 2008) was de werkloosheid in Nederland 3,8 procent.noot3 Een jaar later was deze al opgelopen naar 4,6 procent. Aan de stijgende werkloosheid kwam in 2010 al een einde waarop een korte periode volgde van economisch herstel en teruglopende werkloosheid. De Eurocrisis, de onzekerheden op financiële markten en de periode van laagconjunctuur die in Nederland in 2011 inzetten, hadden grotere effecten op de Nederlandse arbeidsmarkt en werkloosheid dan de kredietcrisis in 2009 (CBS, 2013). In 2014 bereikte de werkloosheid met 7,4 procent een hoogtepunt.

Vóór het uitbreken van de coronacrisis was de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt uitermate gespannen. Het aantal openstaande vacatures stond op recordhoogte en het aantal werklozen was erg laag (CBS, 2021b). Aan het begin van 2020 bedroeg de werkloosheid 3,0 procent. Deze groeide naar 4,5 procent in het derde kwartaal van 2020, maar daarna nam de werkloosheid snel af. Dit had onder andere te maken met het economisch herstel in veel sectoren van de economie, de al aanwezige krapte op de arbeidsmarkt en de steunmaatregelen van de overheid, zoals de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) die in het leven is geroepen om zo veel mogelijk mensen aan werk te houden (Mares, 2021). In het derde kwartaal van 2021 was er een recordaantal vacatures per 100 werklozen. In het tweede en derde kwartaal van 2021 waren er zelfs meer vacatures dan werklozen (CBS, 2021b). Dat heeft het CBS nooit eerder gemeten.

Stijging woningprijzen niet geremd door coronacrisis

Een ander groot verschil tussen de corona- en kredietcrisis ligt in de ontwikkelingen op de woningmarkt. Ondanks de coronacrisis bleven huizenprijzen in 2020 doorstijgen. Een bestaande koopwoning was in 2020 gemiddeld 7,8 procent duurder dan in 2019 (Mares, 2021). Ook in 2021 stegen de huizenprijzen fors door. Hier lijken de huidige lage hypotheekrente, de schaarste op de woningmarkt, maar ook de hoge arbeidsparticipatie en de toegenomen besparingen een rol te spelen (Mares, 2021).

De kredietcrisis daarentegen greep sterk in op de financiële situatie van bedrijven, overheid en consumenten. De voorwaarden voor het verkrijgen van een hypotheek of lening werden aangescherpt, investeringen in de woningmarkt werden uitgesteld of geannuleerd en de Nederlandse bouwsector ging een grote crisis in (CBS, 2016). In 2009 lag het aantal verkochte (bestaande) koopwoningen 30 procent lager dan in 2008. Gemiddeld waren de woningprijzen in 2009 circa 3 procent lager dan in 2008 (CBS, 2010). In de daaropvolgende jaren daalden de prijzen nog verder.

Samenvatting en conclusie: coronacrisis versus kredietcrisis

De coronacrisis, die de wereld in 2020 overspoelde, raakte de Nederlandse economie hard en snel. De omvang van de impact was vergelijkbaar met de impact van de kredietcrisis. Niet alleen was de aanleiding van beide schokken anders, ook de uitwerking op de economie en samenleving. Daar waar de coronacrisis uiteindelijk vooral ingrijpt op de volksgezondheid en in economische zin op de (mogelijkheden voor) consumentenbestedingen, had de kredietcrisis een grote uitwerking op de financiële positie van consumenten, bedrijven en overheden, de bouw en de woningmarkt. Het verkrijgen van een lening of hypotheek werd moeilijker, investeringen in de woningmarkt namen af en de bouwsector kreeg rake klappen. In 2009 lag het aantal verkochte (bestaande) koopwoningen 30 procent lager dan in 2008 en waren de woningprijzen gemiddeld 3 procent lager. Hoe anders is dat tijdens de coronacrisis? Een bestaande koopwoning was in 2020 gemiddeld 7,8 procent duurder dan in 2019, en de prijzen stegen ook in 2021 fors door.

Ook waren de economische gevolgen van de coronacrisis – tot nu toe – korter en heviger dan die van de kredietcrisis. Economisch herstel van de kredietcrisis verliep traag en werd onderbroken door de Eurocrisis. Het duurde tot eind 2014 – ruim zes jaar na het uitbreken van de kredietcrisis – voordat het Nederlandse bbp weer boven het pré-crisisniveau uitsteeg.

De coronacrisis grijpt vooral in op het intermenselijk contact. Maatregelen om de verspreiding van het virus terug te dringen raken met name dienstverleners, waaronder ook de internationale dienstverleners. Tijdens de kredietcrisis daalde juist de internationale goederenhandel sterker dan de dienstenhandel. Ook deed de internationale goederenhandel er tijdens de kredietcrisis langer over om het pré-crisisniveau te bereiken.

De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt waren ook anders tijdens de kredietcrisis dan tijdens de coronacrisis. De kredietcrisis en de daaropvolgende Eurocrisis en een periode van laagconjunctuur resulteerden in een fors hogere werkloosheid, met een hoogtepunt van 7,4 procent in 2014. Tijdens de coronacrisis liep de werkloosheid ook op, maar deze daalde ook weer betrekkelijk snel door het economisch herstel, de krapte op de arbeidsmarkt en de noodsteun van de overheid.

31 januari 2020 verliet het VK officieel de EU Buitenvorm Binnenvorm

De economische ontwikkeling van het VK en Nederland sinds het Brexit referendum

Het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft in het referendum van 23 juni 2016 gestemd voor vertrek uit de Europese Unie. Op 31 januari 2020 heeft het VK de Europese Unie (EU) formeel verlaten. De afspraken en regels die het VK en de EU hebben gemaakt gelden vanaf 1 januari 2021. Sinds 1 januari 2021 is namelijk de EU-UK Trade and Cooperation Agreement (TCA) van kracht. In dit gedeelte wordt de economische ontwikkeling van het VK sinds het referendum vergeleken met die van Nederland. Aan de orde komen het bruto binnenlands product (bbp) en onderdelen daarvan, het vertrouwen, de arbeidsmarkt en de migratie.

Omdat de coronacrisis uiterst verstorend werkt(e) op de economie, wordt deze periode apart behandeld. Derhalve worden in deze Brexit-beschouwing drie perioden onderscheiden: de periode vóór het referendum, de periode na het referendum tot aan het uitbreken van de coronacrisis en de periode van de coronacrisis tot en met het derde kwartaal van 2021. Bij de periode vóór het referendum doemt de vraag op wanneer deze moet beginnen. Er is voor gekozen om dit voor de macroeconomische indicatoren te doen op het laagste punt waar het bbp na het uitbreken van de kredietcrisis in terecht kwam: voor beide partijen lag dit in het tweede kwartaal van 2009. Bij andere indicatoren is hier om aangegeven redenen licht van afgeweken.

Tot slot, tegelijk met de naderende Brexit hebben zoals altijd talloze andere maatschappelijke en politieke gebeurtenissen invloed gehad op de economie van zowel het VK als Nederland. Niet onderzocht is of veranderingen in de ontwikkeling van het VK vergeleken met die van Nederland sinds het referendum veroorzaakt zijn door dat referendum en de (naderende) Brexit.

Tot 2016 groeide Britse economie sneller

In het algemeen kan worden gesteld dat de Britse economie vóór het referendum sneller groeide dan de Nederlandse, zie de onderstaande figuur. Hierna was het andersom. In tegenstelling tot Nederland kende het VK in de nasleep van de kredietcrisis geen dubbele dip. Wel groeide de Britse economie een tijd lang wat trager. Van het tweede kwartaal van 2009 (het laagste punt waar het bbp na het uitbreken van de kredietcrisis in terecht kwam) tot aan het referendum groeide de Britse economie met 15,7 procent en de Nederlandse met 7,1 procent. Na het referendum tot eind 2019 groeide de Britse economie met 6,1 procent en de Nederlandse met 8,9. Tijdens de coronacrisis hadden beide economieën een sterke krimp. Nederland zit inmiddels wel al boven het pré-coronaniveau, het VK nog niet. Van eind 2019 tot en met het derde kwartaal van 2021 kromp de Britse economie met 2,1 procent. De Nederlandse economie was 1,7 procent groter dan pré-corona.

Bruto binnenlands product (volume), seizoengecorrigeerd (2016 Q2 = 100)
Jaar Kwartaal Nederland Verenigd Koninkrijk
2008 1e kwartaal, 2008 97,2 91,9
2008 2e kwartaal, 2008 97,6 91,5
2008 3e kwartaal, 2008 97,5 90,1
2008 4e kwartaal, 2008 96,9 88,3
2009 1e kwartaal, 2009 93,4 86,7
2009 2e kwartaal, 2009 93,4 86,4
2009 3e kwartaal, 2009 93,8 86,5
2009 4e kwartaal, 2009 94,3 86,8
2010 1e kwartaal, 2010 94,2 87,4
2010 2e kwartaal, 2010 94,6 88,3
2010 3e kwartaal, 2010 95,0 89,0
2010 4e kwartaal, 2010 96,1 89,1
2011 1e kwartaal, 2011 96,6 89,5
2011 2e kwartaal, 2011 96,5 89,6
2011 3e kwartaal, 2011 96,5 89,9
2011 4e kwartaal, 2011 96,0 90,0
2012 1e kwartaal, 2012 95,8 90,6
2012 2e kwartaal, 2012 95,8 90,5
2012 3e kwartaal, 2012 95,4 91,6
2012 4e kwartaal, 2012 94,7 91,4
2013 1e kwartaal, 2013 95,0 91,8
2013 2e kwartaal, 2013 94,9 92,4
2013 3e kwartaal, 2013 95,4 93,1
2013 4e kwartaal, 2013 96,0 93,6
2014 1e kwartaal, 2014 95,9 94,5
2014 2e kwartaal, 2014 96,5 95,3
2014 3e kwartaal, 2014 96,8 95,9
2014 4e kwartaal, 2014 97,6 96,5
2015 1e kwartaal, 2015 98,2 97,1
2015 2e kwartaal, 2015 98,5 97,8
2015 3e kwartaal, 2015 98,8 98,3
2015 4e kwartaal, 2015 98,9 99,0
2016 1e kwartaal, 2016 99,8 99,4
2016 2e kwartaal, 2016 100,0 100,0
2016 3e kwartaal, 2016 101,1 100,4
2016 4e kwartaal, 2016 102,0 101,2
2017 1e kwartaal, 2017 102,5 101,8
2017 2e kwartaal, 2017 103,4 102,2
2017 3e kwartaal, 2017 104,1 102,6
2017 4e kwartaal, 2017 105,0 103,0
2018 1e kwartaal, 2018 105,4 103,3
2018 2e kwartaal, 2018 106,0 103,8
2018 3e kwartaal, 2018 106,3 104,5
2018 4e kwartaal, 2018 106,9 104,8
2019 1e kwartaal, 2019 107,5 105,5
2019 2e kwartaal, 2019 108,0 105,6
2019 3e kwartaal, 2019 108,4 106,1
2019 4e kwartaal, 2019 108,9 106,1
2020* 1e kwartaal, 2020* 107,1 103,2
2020* 2e kwartaal, 2020* 98,1 83,0
2020* 3e kwartaal, 2020* 105,5 97,5
2020* 4e kwartaal, 2020* 105,5 98,6
2021* 1e kwartaal, 2021* 104,7 97,2
2021* 2e kwartaal, 2021* 108,6 102,6
2021* 3e kwartaal, 2021* 110,7 103,9
Bron: CBS, Office for National Statistics (ONS)
*voorlopige cijfers

De economische ontwikkeling zoals gemeten aan de hand van het bbp kan worden verdeeld in bestedingscategorieën. Het bbp is opgebouwd uit de consumptie door huishoudens, de consumptie door de overheid, de investeringen en het handelssaldo (de uitvoer minus invoer). Zoals blijkt uit onderstaande figuur is het beeld bij de consumptie door huishoudens (de grootste consumptiepost) en de investeringen in lijn met het bbp: vóór het referendum had het VK de sterkste groei, erna Nederland. Tijdens de coronacrisis was de krimp het sterkst in het VK.

Bbp, consumptie en investeringen, seizoengecorrigeerd (% volumeverandering)
2019 Q4 - 2021 Q3* 2016 Q2 - 2019 Q4 2009 Q2 - 2016 Q2
Bruto
binnenlands
product
Nederland, Bruto
binnenlands
product
1,7 8,9 7,1
Bruto
binnenlands
product
Verenigd
Koninkrijk, Bruto
binnenlands
product
-2,1 6,1 15,7
Consumptie
huishoudens¹⁾
Nederland, Consumptie
huishoudens¹⁾
-1 6,6 0,9
Consumptie
huishoudens¹⁾
Verenigd
Koninkrijk, Consumptie
huishoudens¹⁾
-5 5,3 17,3
Investeringen
in vaste
activa
Nederland, Investeringen
in vaste
activa
-4,3 14,8 6,9
Investeringen
in vaste
activa
Verenigd
Koninkrijk, Investeringen
in vaste
activa
-3,8 3,3 31,1
*voorlopige cijfers
1) Inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

Uitvoergroei VK eerste jaren na referendum groter dan Nederlandse groei

Onderstaande figuur laat zien dat het beeld bij de uitvoer afwijkt ten opzichte van het bbp. De Britse uitvoer groeide vanaf 2009 trager dan de Nederlandse, en vanaf het referendum groeide de Britse uitvoer een fractie sneller dan de Nederlandse. Wel geldt ook voor de uitvoer dat deze tijdens de coronacrisis in het VK veel sterker kromp dan in Nederland. Wat in de periode na het referendum een rol gespeeld kan hebben is dat het Britse pond toen gemiddeld zwakker stond dan vóór het referendum. De coronacrisis veranderde, schommelingen daargelaten, weinig aan de positie van het pond.

Overigens worden de in- en uitvoer van Nederland sterk bepaald door de wederuitvoer: het gaat hierbij om goederen die in Nederland worden ingevoerd en na een minimale bewerking het land weer verlaten. Het volume van wederuitvoer omvat ruim de helft van de totale Nederlandse uitvoer. Vooral in de periode na het referendum groeide de wederuitvoer sterker dan de uitvoer van Nederlandse goederen. Hierdoor pakte de groei van zowel de uitvoer als de invoer voor Nederland extra hoog uit.

De invoer levert weer een ander plaatje op. Zowel vóór als na het referendum groeide de Britse invoer trager dan de Nederlandse. Tijdens de coronacrisis kromp deze in het VK sterker dan in Nederland. Over de hele periode bezien kende Nederland zelfs een lichte groei. Het zwakkere Britse pond in de periode na het referendum maakte invoer duurder voor het VK. In de Britse invoer vanuit de EU-landen zijn sterke schommelingen te zien. In het derde kwartaal van 2021 was deze wel ongeveer terug op pré-coronaniveau.

Internationale handel, seizoengecorrigeerd (% volumeverandering)
2019 Q4 - 2021 Q3* 2016 Q2 - 2019 Q4 2009 Q2 - 2016 Q2
Uitvoer
goederen en
diensten
Nederland, Uitvoer
goederen en
diensten
2,4 15,0 40,1
Uitvoer
goederen en
diensten
Verenigd
Koninkrijk, Uitvoer
goederen en
diensten
-22,2 18,2 27,2
Invoer
goederen en
diensten
Nederland, Invoer
goederen en
diensten
0,0 15,6 38,5
Invoer
goederen en
diensten
Verenigd
Koninkrijk, Invoer
goederen en
diensten
-11,8 6,7 33,0
*voorlopige cijfers

Resumerend kan men stellen dat de Britse economie zich na het referendum ongunstiger ontwikkelde dan de Nederlandse door een ongunstigere ontwikkeling van de consumptie en de investeringen. Dat gold voor de uitvoer in de eerste jaren na het referendum nog niet, maar de ontwikkeling ervan tijdens de coronacrisis pakte erg slecht uit voor het VK. Doordat de invoer na het referendum nog maar matig groeide en tijdens de coronacrisis sterk kromp, bleef de bbp-achterstand die het VK na het referendum opliep ten opzichte van Nederland nog enigszins beperkt. In hoofdstuk 1 van deze publicatie worden de ontwikkelingen in de bilaterale goederen- en dienstenhandel tussen Nederland en het VK sinds het Brexit referendum en de formele Brexit nader toegelicht. In hoofdstuk 2 wordt onder andere onderzocht hoe de Nederlandse goederenhandel met het VK zich mogelijk had kunnen ontwikkelen als er geen Brexit zou zijn geweest.

Nederlandse consument sinds Brexit referendum veelal positiever dan Britse

Belangrijke sentimentsindicatoren voor de economie zijn het consumenten- en het producentenvertrouwen. Als begin van de periode vóór het referendum is hier begin 2009 gekozen. In de regel loopt het sentiment iets voor op de feitelijke economische ontwikkeling. Het dieptepunt van het consumentenvertrouwen tijdens de kredietcrisis viel in het VK in januari van dat jaar en in Nederland in maart.

In de regel zijn de Nederlandse consumenten optimistischer (of minder pessimistisch) dan de Britse (zie hiernavolgende figuur), maar de verschillen zijn eerder beperkt. Alleen in de jaren 2010–2011 en 2016–2018 lag het Nederlandse consumentenvertrouwen ver boven het Britse. Niet lang na het referendum steeg het consumentenvertrouwen sterk, terwijl het Britse vertrouwen langzaam afnam. Aan de Nederlandse stijging kwam in 2018 een einde, en in 2019 lag het sentiment weer ongeveer op hetzelfde niveau als dat van het VK (NOS, 2018). Tijdens de coronacrisis was het Britse consumentenvertrouwen wel negatiever dan het Nederlandse. Beide landen kenden in 2021 een terugval na een periode van stijgend optimisme. De terugval in 2018 ging samen met de dalende AEX-index en wordt toegeschreven aan de door president Trump ontketende handelsoorlog.

Consumentenvertrouwen, seizoengecorrigeerd (Saldo positieve en negatieve antwoorden %)
Jaar Maand Nederland Verenigd Koninkrijk
2009 1, 2009 -15,1 -30,1
2009 2, 2009 -15,2 -27,7
2009 3, 2009 -18,3 -23,9
2009 4, 2009 -15,1 -20,5
2009 5, 2009 -10 -20,5
2009 6, 2009 -11,6 -17,1
2009 7, 2009 -10 -15,6
2009 8, 2009 -7,2 -16,3
2009 9, 2009 -4,9 -9,6
2009 10, 2009 -6,6 -8,8
2009 11, 2009 -2,9 -8,8
2009 12, 2009 -1,9 -10,6
2010 1, 2010 0,1 -8,2
2010 2, 2010 -1,5 -7
2010 3, 2010 -1,1 -8
2010 4, 2010 -6,9 -8,9
2010 5, 2010 -6,1 -11,1
2010 6, 2010 -6,3 -11,7
2010 7, 2010 -4,9 -14,1
2010 8, 2010 -4,6 -12
2010 9, 2010 -5,7 -16
2010 10, 2010 -4,3 -16,4
2010 11, 2010 -4,5 -18
2010 12, 2010 -8,4 -17,3
2011 1, 2011 -4,1 -21,8
2011 2, 2011 -2,8 -20,8
2011 3, 2011 -3,4 -21,7
2011 4, 2011 -3,4 -25,1
2011 5, 2011 -5,9 -17,7
2011 6, 2011 -7,7 -19,7
2011 7, 2011 -4,7 -21,3
2011 8, 2011 -12,6 -23,7
2011 9, 2011 -17 -24,6
2011 10, 2011 -21,1 -26,6
2011 11, 2011 -19,1 -25,4
2011 12, 2011 -22,4 -25,9
2012 1, 2012 -23,9 -22,4
2012 2, 2012 -21 -22,5
2012 3, 2012 -22,7 -24,2
2012 4, 2012 -17,9 -25
2012 5, 2012 -22,6 -24,7
2012 6, 2012 -24,7 -24,5
2012 7, 2012 -17,3 -21,7
2012 8, 2012 -19,2 -21,4
2012 9, 2012 -16,6 -23,1
2012 10, 2012 -15,7 -24,3
2012 11, 2012 -24 -18,5
2012 12, 2012 -22,7 -21
2013 1, 2013 -19,8 -20,1
2013 2, 2013 -27,2 -21,7
2013 3, 2013 -23,4 -19,9
2013 4, 2013 -19 -19,5
2013 5, 2013 -17 -18,5
2013 6, 2013 -18,6 -18
2013 7, 2013 -21,2 -11,1
2013 8, 2013 -18,2 -10,4
2013 9, 2013 -17,1 -9,6
2013 10, 2013 -12,7 -10,1
2013 11, 2013 -7,5 -11,7
2013 12, 2013 -5,6 -10,3
2014 1, 2014 -5,3 -5,9
2014 2, 2014 -2,6 -6,6
2014 3, 2014 -0,3 -4,8
2014 4, 2014 -2,8 -3,4
2014 5, 2014 -1,7 -3,4
2014 6, 2014 0,2 -2,4
2014 7, 2014 -1,7 -3,6
2014 8, 2014 -3,9 -1,5
2014 9, 2014 -3,9 -4,5
2014 10, 2014 -1,7 -3,1
2014 11, 2014 -3,6 -4,5
2014 12, 2014 -3,2 -4
2015 1, 2015 -3,7 -1,8
2015 2, 2015 -4 -1,4
2015 3, 2015 -1 0,3
2015 4, 2015 -3,3 0,8
2015 5, 2015 -1,7 -3,8
2015 6, 2015 0,5 0,6
2015 7, 2015 -1,2 0,4
2015 8, 2015 0,3 0,1
2015 9, 2015 0,5 -0,9
2015 10, 2015 -0,7 -0,3
2015 11, 2015 1 -1,8
2015 12, 2015 0,9 1,6
2016 1, 2016 -1,3 1,2
2016 2, 2016 -3,2 -0,8
2016 3, 2016 -5,4 -1,3
2016 4, 2016 -4,7 -2,4
2016 5, 2016 -5 -2,2
2016 6, 2016 -1,5 -1,9
2016 7, 2016 -4 -10,1
2016 8, 2016 -4 -8,2
2016 9, 2016 -0,9 -3,2
2016 10, 2016 1,8 -3,5
2016 11, 2016 1,6 -6,1
2016 12, 2016 2,2 -5,1
2017 1, 2017 1,6 -5,7
2017 2, 2017 3,9 -6,6
2017 3, 2017 3,8 -6,3
2017 4, 2017 4,2 -6,3
2017 5, 2017 1,1 -5,9
2017 6, 2017 2,4 -8,6
2017 7, 2017 4,8 -7,1
2017 8, 2017 5,1 -8,1
2017 9, 2017 3,5 -8,3
2017 10, 2017 5 -7,4
2017 11, 2017 3,2 -7,7
2017 12, 2017 4,8 -7,9
2018 1, 2018 4 -7,6
2018 2, 2018 3,6 -6,9
2018 3, 2018 4,1 -5,9
2018 4, 2018 3,8 -7,5
2018 5, 2018 2,4 -4,8
2018 6, 2018 2,5 -7
2018 7, 2018 4 -4,4
2018 8, 2018 2 -5,6
2018 9, 2018 2 -7
2018 10, 2018 -0,8 -7
2018 11, 2018 -1,8 -8,1
2018 12, 2018 -3,8 -9,2
2019 1, 2019 -8,1 -11,3
2019 2, 2019 -6,3 -10,8
2019 3, 2019 -8,3 -11,7
2019 4, 2019 -7,9 -11,1
2019 5, 2019 -7,8 -8,3
2019 6, 2019 -7,1 -10,5
2019 7, 2019 -7 -6,9
2019 8, 2019 -7,8 -11,4
2019 9, 2019 -8,4 -9,8
2019 10, 2019 -7,3 -10,6
2019 11, 2019 -7,4 -8,8
2019 12, 2019 -7,2 -7,1
2020 1, 2020 -8,1 -6,5
2020 2, 2020 -5 -6,2
2020 3, 2020 -7,9 -8,2
2020 4, 2020 -22,6 -22,7
2020 5, 2020 -18,3 -23,7
2020 6, 2020 -15,8 -21
2020 7, 2020 -15,1 -16,6
2020 8, 2020 -14,8 -16,6
2020 9, 2020 -13,8 -17,9
2020 10, 2020 -16,7 -20,4
2020 11, 2020 -12,1 -22,6
2020 12, 2020 -7,9 -16,2
2021 1, 2021 -7,1 -18,5
2021 2, 2021 -7,9 -13,3
2021 3, 2021 -4,1 -5
2021 4, 2021 0,8 -4
2021 5, 2021 3 0,8
2021 6, 2021 5,6 1
2021 7, 2021 -0,2 1,8
2021 8, 2021 -0,6 0,5
2021 9, 2021 0,6 -5,3
2021 10, 2021 -4,7 -10
Bron: OESO

Ook het vertrouwen van industriële producenten bereikte begin 2009 een dieptepunt (zie onderstaande figuur). Voor de Britse industriële producenten viel dat in maart, voor de Nederlandse in februari. In die periode waren Britse industriëlen duidelijk negatiever gestemd dan Nederlandse, hierna was de stemming vergelijkbaar. Op de gelijkgestemdheid vormen drie perioden een uitzondering: zowel in 2014 als in 2017 waren de Britse producenten duidelijk optimistischer dan de Nederlandse, vanaf 2019 was het vrijwel voortdurend andersom.

Producentenvertrouwen in de industrie, seizoengecorrigeerd (Saldo positieve en negatieve antwoorden %)
Jaar Maand Nederland Verenigd Koninkrijk
2009 1, 2009 -21,9 -35,6
2009 2, 2009 -25,4 -44,9
2009 3, 2009 -25,2 -49,0
2009 4, 2009 -24,8 -43,3
2009 5, 2009 -23,5 -39,6
2009 6, 2009 -23,7 -38,2
2009 7, 2009 -22,9 -40,0
2009 8, 2009 -19,0 -27,2
2009 9, 2009 -17,8 -27,9
2009 10, 2009 -16,6 -18,1
2009 11, 2009 -12,5 -16,3
2009 12, 2009 -10,2 -18,5
2010 1, 2010 -9,9 -16,8
2010 2, 2010 -8,3 -9,8
2010 3, 2010 -7,0 -8,7
2010 4, 2010 -5,2 -6,2
2010 5, 2010 -3,3 0,0
2010 6, 2010 -3,8 -8,2
2010 7, 2010 -4,5 -2,5
2010 8, 2010 -4,7 -1,5
2010 9, 2010 -4,0 -2,6
2010 10, 2010 -1,6 -0,4
2010 11, 2010 -1,8 -2,4
2010 12, 2010 1,0 5,2
2011 1, 2011 2,5 1,0
2011 2, 2011 2,2 5,7
2011 3, 2011 4,7 8,7
2011 4, 2011 4,9 4,8
2011 5, 2011 1,8 3,0
2011 6, 2011 -0,4 1,6
2011 7, 2011 -3,6 -2,2
2011 8, 2011 -6,0 -0,7
2011 9, 2011 -5,0 -6,8
2011 10, 2011 -5,8 -11,4
2011 11, 2011 -6,6 -12,4
2011 12, 2011 -3,9 -13,0
2012 1, 2012 -5,1 -6,0
2012 2, 2012 -4,2 -2,5
2012 3, 2012 -5,1 -5,1
2012 4, 2012 -6,3 -1,0
2012 5, 2012 -8,0 -13,8
2012 6, 2012 -8,0 -10,9
2012 7, 2012 -8,3 -3,1
2012 8, 2012 -7,6 -13,0
2012 9, 2012 -8,7 -8,3
2012 10, 2012 -9,7 -2,7
2012 11, 2012 -9,6 -9,9
2012 12, 2012 -9,5 -4,1
2013 1, 2013 -10,1 -8,8
2013 2, 2013 -7,1 -9,0
2013 3, 2013 -8,4 -8,4
2013 4, 2013 -9,3 -7,4
2013 5, 2013 -8,3 -7,8
2013 6, 2013 -7,8 -11,4
2013 7, 2013 -7,1 -4,4
2013 8, 2013 -4,8 0,3
2013 9, 2013 -5,2 9,6
2013 10, 2013 -2,7 2,3
2013 11, 2013 -2,8 12,3
2013 12, 2013 -3,5 9,0
2014 1, 2014 -3,1 6,0
2014 2, 2014 -3,2 6,3
2014 3, 2014 -1,8 2,5
2014 4, 2014 -2,6 9,0
2014 5, 2014 -2,0 9,2
2014 6, 2014 -1,7 12,3
2014 7, 2014 -1,0 7,4
2014 8, 2014 -1,6 9,2
2014 9, 2014 -1,3 4,9
2014 10, 2014 0,9 5,4
2014 11, 2014 1,1 7,2
2014 12, 2014 0,8 7,4
2015 1, 2015 -0,5 6,3
2015 2, 2015 -1,3 8,7
2015 3, 2015 -1,3 1,4
2015 4, 2015 0,3 1,3
2015 5, 2015 1,4 2,9
2015 6, 2015 1,7 -0,4
2015 7, 2015 1,3 1,7
2015 8, 2015 1,0 -1,3
2015 9, 2015 1,7 -3,7
2015 10, 2015 0,7 -2,7
2015 11, 2015 2,0 -5,5
2015 12, 2015 0,2 -6,3
2016 1, 2016 1,1 -3,0
2016 2, 2016 -0,1 -7,0
2016 3, 2016 -0,1 -2,0
2016 4, 2016 1,1 -4,6
2016 5, 2016 1,3 -1,0
2016 6, 2016 2,7 1,3
2016 7, 2016 2,7 -2,4
2016 8, 2016 -1,2 -2,2
2016 9, 2016 0,3 -2,2
2016 10, 2016 1,0 -0,4
2016 11, 2016 0,9 5,2
2016 12, 2016 2,5 3,7
2017 1, 2017 3,4 6,7
2017 2, 2017 3,5 9,2
2017 3, 2017 3,8 8,9
2017 4, 2017 4,7 5,6
2017 5, 2017 3,3 9,8
2017 6, 2017 4,6 12,9
2017 7, 2017 4,2 16,2
2017 8, 2017 3,4 12,3
2017 9, 2017 5,2 10,3
2017 10, 2017 5,2 10,5
2017 11, 2017 6,7 11,5
2017 12, 2017 6,7 13,2
2018 1, 2018 7,2 13,0
2018 2, 2018 8,1 6,4
2018 3, 2018 7,0 0,1
2018 4, 2018 5,8 5,1
2018 5, 2018 7,0 3,6
2018 6, 2018 5,5 5,9
2018 7, 2018 4,3 7,0
2018 8, 2018 4,7 7,6
2018 9, 2018 4,0 5,4
2018 10, 2018 3,5 3,1
2018 11, 2018 4,1 4,1
2018 12, 2018 4,5 7,7
2019 1, 2019 3,0 2,3
2019 2, 2019 3,4 -0,2
2019 3, 2019 3,2 -0,4
2019 4, 2019 3,4 -4,6
2019 5, 2019 2,2 -10,5
2019 6, 2019 0,2 -10,8
2019 7, 2019 1,2 -16,9
2019 8, 2019 2,3 -12,2
2019 9, 2019 0,9 -23,5
2019 10, 2019 0,9 -16,9
2019 11, 2019 -0,4 -16,7
2019 12, 2019 -0,4 -22,0
2020 1, 2020 -0,4 -19,5
2020 2, 2020 0,4 -13,2
2020 3, 2020 -2,6 -21,0
2020 4, 2020 -26,7 -45,3
2020 5, 2020 -24,7 -42,4
2020 6, 2020 -17,8 -38,9
2020 7, 2020 -12,7 -22,1
2020 8, 2020 -9,5 -30,7
2020 9, 2020 -9,8 -21,5
2020 10, 2020 -10,3 -7,2
2020 11, 2020 -9,5 -24,5
2020 12, 2020 -6,4 -16,4
2021 1, 2021 -5,1 -25,0
2021 2, 2021 -6,0 -9,3
2021 3, 2021 -2,3 11,7
2021 4, 2021 7,0 9,0
2021 5, 2021 8,6 0,7
2021 6, 2021 9,1 -2,1
2021 7, 2021 9,3 -0,7
2021 8, 2021 7,1 -2,5
2021 9, 2021 8,4 1,8
2021 10, 2021 10,0 5,1
Bron: OESO

Arbeidsparticipatie in Nederland inmiddels hoger dan voor coronacrisis; in VK nog niet

De analyse van de arbeidsmarkt begint in 2010. Zowel in het VK als in Nederland stagneerde de afname van de netto-arbeidsparticipatie in het eerste kwartaal van 2010, zoals te zien op onderstaande figuur. De Britse arbeidsparticipatie was toen 70,2 procent, de Nederlandse 73,8 procent. Dit betreft overigens de leeftijdsgroep 15 tot 65 jaar; de tegenwoordig meer gangbare groep van 15 tot 75 jaar is voor het VK niet volledig beschikbaar. Na een aanvankelijke stijging vanaf begin 2010 daalde de arbeidsparticipatie in Nederland, in verband met de dubbele dip van de kredietcrisis in 2012/2013. In 2014 werd in Nederland een nieuw dieptepunt bereikt, nog beneden dat van 2010. De Britse arbeidsparticipatie ging de jaren 2010–2014 grosso modo omhoog totdat deze de Nederlandse naderde. Ongeveer vanaf het referendum steeg de Nederlandse arbeidsparticipatie echter sneller dan de Britse, zodat het verschil weer opliep. De verschillen in arbeidsparticipatie werden echter pas weer groot tijdens de coronacrisis. Beide landen kenden een terugval. Maar waar de Britse werkgelegenheid nog niet is hersteld, is de Nederlandse arbeidsparticipatie inmiddels hoger dan vóór corona.

Nettoarbeidsparticipatie, 15 tot 65 jaar, seizoengecorrigeerd (%)
Jaar Kwartaal Nederland Verenigd Koninkrijk
2010 1e kwartaal, 2010 73,8 70,2
2010 2e kwartaal, 2010 73,9 70,4
2010 3e kwartaal, 2010 73,9 70,7
2010 4e kwartaal, 2010 74,1 70,4
2011 1e kwartaal, 2011 74,0 70,5
2011 2e kwartaal, 2011 73,9 70,5
2011 3e kwartaal, 2011 74,1 70,1
2011 4e kwartaal, 2011 74,6 70,2
2012 1e kwartaal, 2012 74,5 70,5
2012 2e kwartaal, 2012 74,4 70,9
2012 3e kwartaal, 2012 74,4 71,1
2012 4e kwartaal, 2012 74,2 71,4
2013 1e kwartaal, 2013 73,9 71,2
2013 2e kwartaal, 2013 73,7 71,3
2013 3e kwartaal, 2013 73,4 71,7
2013 4e kwartaal, 2013 73,3 72,0
2014 1e kwartaal, 2014 72,8 72,5
2014 2e kwartaal, 2014 72,9 72,8
2014 3e kwartaal, 2014 73,2 73,0
2014 4e kwartaal, 2014 73,5 73,2
2015 1e kwartaal, 2015 73,9 73,4
2015 2e kwartaal, 2015 74,2 73,4
2015 3e kwartaal, 2015 74,2 73,8
2015 4e kwartaal, 2015 74,2 74,1
2016 1e kwartaal, 2016 74,3 74,1
2016 2e kwartaal, 2016 74,8 74,4
2016 3e kwartaal, 2016 75,0 74,4
2016 4e kwartaal, 2016 75,2 74,6
2017 1e kwartaal, 2017 75,4 74,8
2017 2e kwartaal, 2017 75,7 75,1
2017 3e kwartaal, 2017 76,0 75,0
2017 4e kwartaal, 2017 76,2 75,2
2018 1e kwartaal, 2018 76,5 75,6
2018 2e kwartaal, 2018 77,0 75,5
2018 3e kwartaal, 2018 77,5 75,6
2018 4e kwartaal, 2018 77,8 75,8
2019 1e kwartaal, 2019 78,0 76,1
2019 2e kwartaal, 2019 78,2 76,1
2019 3e kwartaal, 2019 78,3 76,0
2019 4e kwartaal, 2019 78,2 76,5
2020 1e kwartaal, 2020 78,4 76,3
2020 2e kwartaal, 2020 77,3 75,7
2020 3e kwartaal, 2020 77,6 75,0
2020 4e kwartaal, 2020 77,8 74,7
2021 1e kwartaal, 2021 79,8 74,7
2021 2e kwartaal, 2021 80,8 75,1
Bron: OESO

Emigratie Nederlanders naar het VK nam sinds 2016 sterk af

Hoe zijn de migratiestromen tussen het VK en Nederland veranderd sinds het referendum? Hierbij wordt expliciet gekeken naar personen met de Britse en de Nederlandse nationaliteit. Hoeveel Britten emigreerden er naar Nederland en hoeveel keerden er terug? En hoe zat dit mutatis mutandis bij Nederlanders? Alle vier de stromen namen licht toe vanaf 2010 (zie bijgevoegde figuur). Het referendumjaar betekende echter een keerpunt: de emigratie van Nederlanders naar het VK nam sterk af. Nog voor de coronapandemie, in 2019, was deze stroom afgenomen tot de kleinste in twintig jaar tijd. De emigratie van Britten naar Nederland nam daarentegen versneld toe, zij het dat deze versnelling al in 2015 inzette. Deze stijging werd wel onderbroken in het coronajaar 2020. Verder nam de remigratie van naar Nederland geëmigreerde Britten in 2019 versneld toe. De afname van deze stroom in 2020 was slechts gering. De conclusie is helder: Nederlanders emigreren sinds het referendum veel minder vaak naar het VK, terwijl de omgekeerde stroom tot aan de coronapandemie juist sneller toenam. Tegelijkertijd nam de remigratie van Britten vanuit Nederland iets toe. De remigratie van Nederlanders vanuit het VK stabiliseerde sinds het referendum.

Migratie tussen het VK en Nederland, Britten en Nederlanders (Migranten)
Remigratie Nederlanders van VK naar NL Emigratie Nederlanders van NL naar VK Emigratie Britten van VK naar NL Remigratie Britten van NL naar VK
2010 1655 3050 3126 1720
2011 1797 3600 3255 1777
2012 1696 3344 3390 1774
2013 1639 3682 3627 1981
2014 1752 3949 3735 2198
2015 2009 4277 4141 2274
2016 2271 3749 4747 2527
2017 2332 3323 5134 2650
2018 2370 3017 5659 2668
2019 2299 2571 6459 2986
2020 2319 2093 5470 2860

Sinds referendum minder immigratie van personen met EU‍-‍nationaliteit in het VK

Arbeidsmigratie vanuit Oost-Europa en de doorstroom van vluchtelingen van buiten de EU naar het VK zijn wel genoemd als verklarende factoren voor de uitslag van het Brexit referendum (University of Essex, 2017). Voor zowel het VK als Nederland geldt dat dit al jaren netto-immigratielanden zijn en dat de migratie naar deze landen de laatste tien jaar trendmatig steeg.

De immigratie in het VK kent sterke schommelingen, maar het Brexit referendum vormt geen trendbreuk (zie onderstaande figuur). Er zijn echter wel verschuivingen gaande, want de immigratie van personen met een EU-nationaliteit is sinds het referendum afgenomen (CBS, 2020). Het verloop van de immigratie sinds de feitelijke Brexit is nog niet bekend, want de Britse migratiecijfers lopen op het moment van schrijven maar tot en met 2019. Het is aannemelijk dat de migratie naar het VK in 2020 in verband met de beperkingen vanwege de coronapandemie een stuk lager was dan het jaar ervoor. Dit geldt in elk geval voor Nederland. Ook de emigratie uit beide landen groeit trendmatig. Voor Nederland is deze groei beperkt en redelijk stabiel. Na het referendum lijkt de emigratie uit het VK iets te zijn versneld.

Totale migratiestromen VK en Nederland (x 1 000)
jaar Immigratie in NL Emigratie uit NL Immigratie in VK Emigratie uit VK
2005 92,30 83,40 566,70 360,90
2006 101,15 91,03 596,00 398,30
2007 116,82 91,29 573,80 340,80
2008 143,52 90,07 590,20 427,20
2009 146,38 85,36 566,50 368,20
2010 154,43 91,45 590,90 339,30
2011 162,96 106,19 566,00 350,70
2012 158,37 110,36 498,00 321,20
2013 164,77 117,18 526,00 316,90
2014 182,95 122,25 632,00 319,10
2015 204,62 126,88 631,50 299,20
2016 230,74 127,32 589,00 340,40
2017 234,96 127,45 644,20 359,70
2018 243,74 134,80 604,00 344,30
2019 269,06 139,16 680,90 368,40
2020 220,85 133,16 . .
Bron: CBS, Office for National Statistics (ONS)

Samenvatting en conclusie: Nederlandse versus Britse economie na Brexit referendum

Wanneer de ontwikkeling van de Britse economie met die van de Nederlandse wordt vergeleken, dan ziet het beeld er voor de Britten na het referendum ongunstiger uit dan vóór het referendum. Wat eerst sneller groeide (bbp, consumptie, investeringen), groeide daarna trager en kromp in coronatijd zelfs sterker. Een uitzondering hierop vormde de internationale handel. Waar de groei van de Britse uitvoer eerst sterk achterliep op de Nederlandse, was deze direct na het referendum, geholpen door een devaluatie van het pond, zelfs iets groter. Dit werd echter gevolgd door een sterkere krimp in coronatijd. De Nederlandse invoer groeide zowel vóór als direct na het referendum sterker dan de Britse en kromp in coronatijd minder hard. De facto pakt dit gunstig uit voor het Britse bbp.

De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is in lijn met de economie. De arbeidsparticipatie maakte in het VK vóór het referendum een geweldige inhaalslag; deze werd na het referendum echter ongedaan gemaakt. De Britse consumenten misten na het referendum een periode van sterk optimisme zoals de Nederlandse consumenten die wel kenden. De Britse industriële producenten waren na het referendum een tijd lang optimistischer dan de Nederlandse, net als in de periode vóór het referendum. Vanaf 2019 is de stemming onder Britse producenten echter duidelijk negatiever dan onder Nederlandse.

In de totale migratiestromen lijkt het referendum geen bijzonder punt te markeren. Voor zowel Nederland als het VK stegen alle migratiestromen tot de coronapandemie en werd de kloof tussen immigratie (vestigen in ander land dan land van herkomst) en emigratie (land van herkomst verlaten) tot die tijd telkens groter. Hoe de migratiestromen zich ontwikkelen na de feitelijke Brexit is afwachten. Het referendum lijkt wel een sterke invloed te hebben op de emigratie van Nederlanders naar het VK: de sterke stijging hiervan sloeg na het referendum om in een daling.

Op veel plekken lijkt het referendum en de naderende Brexit vooralsnog ongunstig te zijn geweest voor de vergelijking van het VK met Nederland. Hier vallen een paar zaken tegen in te brengen. Allereerst kende Nederland tussen 2009 en 2016 nog een periode van economische krimp, waardoor de vergelijking voor het VK vóór het referendum extra gunstig uitpakte. Ten tweede is de Brexit voor het VK uiteraard veel ingrijpender dan voor Nederland. Het land kende politieke chaos, moest de strijd aangaan met de EU voor wat betreft de post-Brexit verhoudingen en moest zijn belangen op veel punten opnieuw in orde gaan brengen. Ook viel de start van de nieuwe verhouding met de EU middenin de coronacrisis. Tenslotte kent die coronacrisis faseverschillen tussen landen, die ook effect hebben op de economie. Het is in elk geval te vroeg om een eindoordeel te vellen over de impact van de coronaperiode. De vergelijking tussen het VK en Nederland vóór en na het referendum, is slechts een tussenstand. De balans kan nogmaals worden opgemaakt wanneer de coronacrisis ten einde is. Of de Brexit het groeipad van de Britse economie fundamenteel veranderd heeft ten opzichte van Nederland weten we pas over een jaar of tien.

Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2010). De Nederlandse economie, 2009. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2013). De Nederlandse economie, 2012. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019). Schulden Eurozone nog steeds hoger dan voor de crisis. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2020). Meer Britten naar Nederland. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021a). Bbp krimpt met 0,1 procent in vierde kwartaal 2020. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021b). Werkgelegenheid in derde kwartaal naar nieuw record. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021c). Economie groeit met 1,9 procent in het derde kwartaal 2021 Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021d). Vertrouwen consument daalt fors in november. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021e). Opnieuw meer omzet autohandel in derde kwartaal. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CPB (2009). Centraal Economisch Plan 2009. Den Haag: Centraal Planbureau.

Europese Commissie (2021). De handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het VK. Brussel/Straatsburg: EC.

Gulan, A., Haavio, M. & Kilponen, J. (2021). Large trade shocks and economic crises: The case of the Finnish-Soviet trade collapse. VoxEU CEPR.

IMF (2003). Fund Assistance for Countries Facing Exogenous Shocks. Washington D.C., VS: IMF.

Karpavicius, H. (2012). Classification and Interpretation of Macroeconomic Exogenous Shocks – The Case of Lithuania. Socialiniai tyrimai / Social Research, 2(27), 89–97.

Mares, A. (2021). De Nederlandse economie in 2020. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Muylaert, J. (2011). Auto komt later door tsunami. Nieuwsblad.be.

NOS (2018). AEX-index sluit 2018 af met jaarverlies van ruim 10 procent.

Rijksoverheid. Nationalisering Fortis/ABN AMRO en SNS REAAL.

ING. Staatsteun.

University of Essex (2017). Insight: Why Britain really voted to leave the European Union.

Wheatley, M. & Ramsay, M. (2011). After the disaster in Japan. Automotive Logistics.

Noten

Het consumentenvertrouwen is een indicator die informatie geeft over het vertrouwen en opvattingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkelingen van de Nederlandse economie en hun eigen financiële situatie. De indicator geeft het gemiddelde van de saldi van de percentages van positieve en negatieve antwoorden, waarbij een waarde van -100 betekent dat iedereen negatief antwoordt en een waarde van +100 betekent dat iedereen positief antwoordt. Bij een waarde van 0 is het aandeel pessimisten gelijk aan het aandeel optimisten.

Het producentenvertrouwen is een stemmingsindicator van de ondernemers in de industrie die de richting aangeeft waarin de industriële productie zich naar verwachting zal ontwikkelen. Hoe optimistischer of pessimistischer de ondernemers gestemd zijn, des te meer zal de waarde van het producentenvertrouwen positief of negatief afwijken van de nullijn en des te groter is de verwachting dat de industriële productie in de komende maanden zal toe- of afnemen.

Het gaat hierbij om personen zonder betaald werk, die wel betaald werk willen en kunnen verrichten, én ernaar op zoek zijn. Dit wordt uitgedrukt als het aandeel van de werkloze beroepsbevolking (15-75 jaar) in de totale beroepsbevolking van deze leeftijd.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Sarah Creemers

Dennis Cremers

Dennis Dahlmans

Hans Draper

Loe Franssen

Thomas van Gemert

Marjolijn Jaarsma

Hans Langenberg

Angie Mounir

Tim Peeters

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Iryna Rud

Mark Vancauteren

Marcel van Wijk

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Henk-Jan Dirven

Janneke Hendriks

Richard Jollie

Remco Kaashoek

Michel van Kooten

Irene van Kuik

André Mares

Frank Notten

Tom Notten

Tim Peeters

Michael Polder

Davey Poulissen

Rik van Roekel

Roos Smit

Sandra Vasconcellos

Lona Verkooijen

Marien Vrolijk

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek

CBS Vertaalbureau