Kosten van NTM’s werken door in de productieketen van Nederlandse exporteurs.

Foto omschrijving: Medewerkers staan aan een productielijn in een nieuwe fietsenfabriek en monteren aan een fiets.

Technische handelsbarrières en productieketens

Auteurs: Tom Notten, Khee Fung Wong, Sarah Creemers, Loe Franssen

Niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) in de vorm van technische handelsbarrières (TBT’s) kunnen een belemmering vormen voor Nederlandse exporteurs om buitenlandse markten te betreden, omdat deze de Nederlandse goederen relatief duurder kunnen maken. Om de export van deze goederen mogelijk te maken worden ook ingevoerde grondstoffen en halffabricaten ingezet in het productieproces. Ook deze goederen moeten vaak aan regelgeving voldoen alvorens zij kunnen worden toegelaten op de Europese markt. Doordat Nederlandse bedrijven deelnemen aan internationale waardeketens kunnen TBT’s op ingevoerde goederen de productiekosten opdrijven. In dit hoofdstuk worden niet alleen de aan TBT’s verbonden kosten in exportmarkten gekwantificeerd, maar worden ook de aan TBT’s gerelateerde kosten op ingevoerde intermediaire goederen doorberekend in de waardeketen om zo een indicatie te geven van de totale kosten als gevolg van TBT’s waarmee internationaal opererende bedrijven te maken hebben.

5.1Inleiding

In de laatste jaren heeft het handelsbeleid wereldwijd in toenemende mate een protectionistisch karakter. Dit kwam bijvoorbeeld tot uiting in het ‘America First’ beleid van de Verenigde Staten, de Brexit, en de oplopende handelsconflicten tussen de westerse economieën en China. In een voorgaande editie van de Internationaliseringsmonitor heeft het CBS (zie Franssen & Notten, 2020) laten zien dat importtarieven in het algemeen kunnen leiden tot hogere inputkosten, én dat de impact van handelstarieven doorgaans groter is voor bedrijven die deelnemen aan internationale waardeketens (zie o.a. Yi, 2003; Koopman et al., 2014; Handley et al., 2020). Tegenwoordig vindt namelijk meer dan twee derde van de wereldwijde handel plaats via internationale productie- of waardeketens (Baldwin & Lopez-Gonzalez, 2015; World Bank & WTO, 2019), wat betekent dat productieprocessen steeds meer ‘opgeknipt’ en verspreid worden over de hele wereld. Invoertarieven in exportmarkten kunnen een belemmering vormen voor Nederlandse bedrijven om deze markten te betreden, omdat Nederlandse goederen relatief duurder worden. Een belangrijk kenmerk van internationale waardeketens is dat productiebedrijven grondstoffen en halffabricaten importeren om te kunnen exporteren. Ook daarover moeten soms invoertarieven betaald worden en die hebben effect verderop in de keten. Grondstoffen en halffabricaten passeren daarbij vaak meerdere grenzen, waardoor bedrijven die participeren in zulke waardeketens te maken hebben met een opeenstapeling van handelskosten. Zo tonen Franssen & Notten (2020) aan dat over de export van Nederlandse makelij in 2019 gemiddeld 3,7 procent aan invoertarieven werd betaald in bestemmingen buiten de Europese Unie (EU). Daarbovenop werd nog eens 0,13 cent voor iedere euro export betaald aan invoerheffingen op ingevoerde grondstoffen en halffabricaten die in deze export werden verwerkt.

In deze editie van de Internationaliseringsmonitor staan niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) centraal. Naast de directe effecten van NTM’s, zoals besproken in de andere hoofdstukken van deze Internationaliseringsmonitor, zijn er ook indirecte effecten. In een wereld van internationale productieketens werken handelsbarrières als gevolg van NTM’s namelijk ook door binnen die ketens. Wanneer een Nederlandse importeur een bepaald product importeert vanuit een niet-EU-land waarvoor extra kosten optreden vanwege de aanwezigheid van een technische handelsbarrière (TBT), en deze vervolgens verwerkt tot een eindproduct wat weer wordt geëxporteerd naar een niet-EU-land waar ook een TBT aanwezig is, kan het zijn dat de kosten binnen de internationale productieketen oplopen. Zie het leeskader voor enkele specifieke voorbeelden.

Hoe kunnen TBT’s doorwerken in de keten?

Voorbeeld 1 tractoren

Eén van de belemmeringen is de discriminerende behandeling van Turkse tractoren en in de Europese Unie (EU) geproduceerde tractoren door Turkije. De Turkse richtlijnen voor de productie, wijziging en assemblage van voertuigen bepalen dat in de EU geproduceerde tractoren met ingang van januari 2018 moeten voldoen aan strengere emissievoorschriften voor motoren dan tractoren die lokaal worden geproduceerd (Europese Commissie, 2018). Dat kan betekenen dat er voor de Nederlandse producent van tractoren extra kosten zijn om te voldoen aan deze door Turkije ingestelde TBT’s. Om deze tractoren te kunnen produceren heeft de Nederlandse producent ook inputs nodig. Zo kan hij bijvoorbeeld banden importeren uit de Verenigde Staten (VS). Voor de import van banden uit een niet-EU-land zoals de VS heeft de EU TBT’s ingesteld. Zo is er bijvoorbeeld een etiketteringsregeling voor bandenparameters, met inbegrip van een classificatie van brandstofefficiëntie en grip op nat wegdek, evenals de weergave van de externe gemeten rolgeluidswaarde (WTO, 2021- G/TBT/N/EEC/241). Wanneer de Nederlandse producent van tractoren dus haar banden uit de VS haalt en ze vervolgens naar Turkije exporteert, wordt hij in feite dubbel belast.

Voorbeeld speelgoedautootjes

De banden die Nederlandse producenten gebruiken voor de vervaardiging van speelgoedautootjes moeten aan bepaalde technische richtlijnen met betrekking tot de grenswaarden voor het gehalte aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in de verdunningsoliën die gebruikt worden in de productie van speelgoed voldoen vooraleer ze de EU binnen mogen (WTO, 2021 – G/TBT/N/EU/213). Als de speelgoedautootjes dan door de Nederlandse producent naar India worden geëxporteerd, worden daar ook nog eens bijkomende controles uitgevoerd. Op 1 september 2017 heeft India namelijk met onmiddellijke ingang de facto een voorschrift ingevoerd dat geïmporteerd speelgoed in India getest moet worden (WTO, 2021 – G/TBT/N/IND/131; Europese Commissie, 2018). Wanneer de Nederlandse producent van speelgoedautootjes dus haar onderdelen uit een niet-EU-land haalt en vervolgens de afgewerkte speelgoedautootjes naar India exporteert, wordt hij in feite dubbel belast.

In dit vijfde hoofdstuk onderzoeken we dan ook op welke manier en in hoeverre Nederlandse exporteurs én importeurs in 2019 geconfronteerd worden met NTM’s. Welke bedrijfstakken hebben relatief gezien veel last van extra kosten ten gevolge van ingestelde NTM’s? Hoe werken deze kosten door in de productieketens van Nederlandse exporteurs? We kijken in dit hoofdstuk alleen naar technische handelsbarrières (TBT’s). Zoals besproken in hoofdstuk 2 van deze Internationaliseringsmonitor zijn TBT’s verreweg de meest voorkomende technische maatregelen. In tegenstelling tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) zitten TBT’s niet specifiek bij een bepaalde productgroep, maar zijn ze meer proportioneel verdeeld over de verschillende producten.

Specifiek staan de volgende onderzoeksvragen centraal in dit hoofdstuk:

  • Wat zijn de gemiddelde kosten van technische handelsbarrières (TBT’s) op Nederlandse exportproducten? Voor welke goederen, bedrijfstakken en in welke landen zijn de kosten door TBT’s het hoogst?
  • Wat zijn de gemiddelde kosten van technische handelsbarrières op goederen die Nederland binnenkomen? Voor welke goederen, bedrijfstakken en voor de invoer uit welke landen zijn de kosten door TBT’s het hoogst?
  • Hoe resoneren kosten van technische handelsbarrières op ingevoerde grondstoffen en halffabricaten door in de productie voor de Nederlandse export en binnenlandse finale vraag? Welke bedrijfstakken zien hun totale kostendruk vanwege TBT’s het meest toenemen als gevolg van TBT’s op ingevoerde benodigde grondstoffen en halffabricaten, bovenop de aanwezigheid van een TBT op geëxporteerde goederen in bestemmingsmarkten?

Leeswijzer

De opbouw van dit hoofdstuk volgt de onderzoeksvragen zoals hierboven beschreven. Paragraaf 5.2 richt zich op aan TBT gerelateerde kosten op de Nederlandse export naar niet-EU-landen. Paragraaf 5.3 bestudeert hoe dat zit voor de Nederlandse import van goederen van buiten de EU. Paragraaf 5.4 geeft vervolgens een overzicht van de opeenhoping van kosten door TBT’s binnen internationale waardeketens vanuit Nederlands perspectief. Dat wil zeggen het indirecte effect van aan TBT’s gerelateerde kosten op ingevoerde intermediaire goederen op de totale aan TBT’s gerelateerde kosten. Paragraaf 5.5 besluit het hoofdstuk met een samenvatting en conclusie. Tenslotte wordt in paragraaf 5.6 een toelichting gegeven van de gebruikte data en methoden.

17,1% bedroegen de gemiddelde aan TBT gerelateerde kosten op de Nederlandse extra-EU export in 2019
10% bedraagt het vergrotingseffect van de aan TBT gerelateerde kosten op import die in het productieproces gebruikt wordt voor exportgoederen

5.2Kosten door technische handelsbarrières in exportmarkten

Deze paragraaf kijkt naar de kosten van niet-tarifaire maatregelen in de vorm van TBT’s op de export van goederen van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. Na een berekening van de gemiddelde kosten in tariefequivalenten (ad valorem equivalenten of AVE’s), wordt gekeken naar specifieke producten, bedrijfstakken en bestemmingsmarkten. Zoals al uitgebreid besproken in hoofdstukken 2 en 4 van deze Internationaliseringsmonitor zijn dit geschatte bedragen, omdat TBT’s in tegenstelling tot importtarieven van nature niet in tariefequivalenten worden uitgedrukt. Met behulp van (verrijkte) gegevens van Ghodsi et al. (2016) is een schatting gemaakt van de kosten door TBT’s op de export van Nederlandse makelij. Verder volgen we de literatuur (Kee et al., 2009; Disdier & Fugazza, 2020) door negatieve tariefequivalenten te vervangen door een tariefequivalent van nul. We zijn in dit hoofdstuk namelijk alleen geïnteresseerd in technische handelsbarrières die kosten met zich meebrengen, en niet in TBT’s die bijvoorbeeld door kwaliteitsverbeteringen onder de streep een subsidiërend effect hebben.

De koppeling van de gegevens van Ghodsi et al. (2016) aan de handelsdata van het CBS toont aan dat er voor relatief veel belangrijke exportproducten geen tariefequivalent berekend is. Zo is er bijvoorbeeld geen tariefequivalent beschikbaar voor de Amerikaanse import van chipmachines, terwijl de Nederlandse export van chipmachines in 2019 naar de Verenigde Staten een waarde had van bijna 1,5 miljard euro. Een ander voorbeeld is de Chinese invoer van babymelkpoeder waarvoor eveneens geen tariefequivalent beschikbaar is, maar waarvan de Nederlandse exportwaarde ruim 1,3 miljard euro bedroeg. Om toch tot een meer complete dataset te komen, hebben we besloten om de ontbrekende informatie af te leiden met behulp van beschikbare informatie op een (steeds) hoger aggregatieniveau zoals in Lemmers & Wong (2019). In paragraaf 5.6 staat meer informatie over de gebruikte data en schattingsmethode.

9,4 miljard euro is het bedrag aan geschatte kosten door TBT’s op de extra-EU export van Nederlandse makelij in 2019 Buitenvorm Binnenvorm

De geschatte kosten door TBT’s in 2019 op de export van goederen van Nederlandse makelij naar landen buiten de EU bedroegen ruim 9,4 miljard euro. Dat was 17,1 procent van de totale exportwaarde van goederen van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. Met andere woorden, het tariefequivalent van aan technische handelsbarrières gerelateerde kosten wordt geschat op 17,1 procent. De kosten ten gevolge van de aanwezigheid van TBT’s in exportmarkten vallen beduidend hoger uit dan de kosten van invoertarieven. Afgedragen douanerechten bedroegen namelijk 3,2 miljard euro in 2019, goed voor 3,7 procent van de totale exportwaarde van goederen van Nederlandse makelij (Franssen & Notten, 2020).

Hoogste kosten door TBT’s op geëxporteerde machines

Figuur 5.2.1 geeft de top-10 van productgroepen met de hoogste kosten voor Nederlandse exporteurs voortkomend uit de aanwezigheid van TBT’s in niet-EU bestemmingsmarkten. De hoogste kosten treden op bij gespecialiseerde machines met geschatte kosten van bijna 2,3 miljard euro. Daarbij gaat het vooral om de Nederlandse export van chipmachines en bijbehorende onderdelen, waarop er vereisten zijn omtrent de productstandaard, berust op veiligheids- en milieuvoorschriften (UNCTAD, 2017). De kosten voor de export van elektrische apparaten (vooral elektronische componenten voor de (hightech)industrie) als gevolg van de aanwezigheid van niet-tarifaire maatregelen worden geschat op bijna 1 miljard euro en voor de export van diverse machines op 862 miljoen euro. Een voorbeeld van hoge kosten in de categorie diverse machines doet zich voor bij de export van gasgeneratoren naar China (UNCTAD, 2019).

5.2.1 Top-10 goederengroepen met de hoogste kosten op de export door TBT’s, 2019 (mln euro)
Goederengroep NTM kosten
Gespecialiseerde machines 2267
Elektrische apparaten 956
Diverse machines, n.a.g. 862
Voertuigen voor wegvervoer 496
Kunststof in primaire vormen 438
Medische en meetinstrumenten 417
Diverse fabricaten 392
Metaalertsen en metaalafvallen 298
Metaalwaren 279
Generatoren en motoren 249
Bron: CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Hoogste tariefequivalent op bereide oliën en vetten

De tariefequivalenten verschillen aanzienlijk tussen de verschillende productgroepen. Figuur 5.2.2 laat de top-10 van productgroepen met de hoogste tariefequivalenten zien. De goederengroep met het hoogste tariefequivalent is de categorie bereide oliën en vetten met 37,1 procent. Dit betekent dat 37,1 procent van de exportwaarde van in Nederland vervaardigde oliën en vetten kosten zijn ten gevolge van een TBT ingesteld door het niet-EU bestemmingsland. We zien bijvoorbeeld dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heel wat technische vereisten hebben op de import van zwarte komijn olie. Voor Nederlandse exporteurs van zwarte komijn olie naar de VAE geldt bijvoorbeeld dat het zuurgehalte niet hoger mag zijn dan een bepaalde ratio. Ook moet de olie verpakt worden in geschikte containers, die moeten worden opgeslagen in opslagruimten. Deze opslagruimten moeten aan bepaalde eisen voldoen zoals voldoende ventilatie en geen blootstelling aan direct zonlicht (WTO, 2021 – G/TBT/N/ARE/233).

Bereide oliën en vetten worden gevolgd door machines voor metaalbewerking met 36,8 procent en non-ferrometalen met 35,2 procent. Productcategorieën waarop nauwelijks aan technische handelsbarrières gerelateerde kosten zitten, zijn met name fossiele brandstoffen zoals steenkool met een tariefequivalent van 1,6 procent, aardolie en aardolieproducten met 0,5 procent, terwijl het tariefequivalent op aardgas zelfs 0 bedraagt. Dat de uitvoer van deze productcategorieën niet op grote schaal wordt belemmerd door TBT’s, zagen we eerder in hoofdstuk 2 van deze Internationaliseringsmonitor, aan de hand van de relatief lage coverage ratios.

5.2.2 Top-10 goederengroepen met het hoogste tariefequivalent door TBT's op de goederenuitvoer van Nederlandse makelij, 2019 (%)
Goederengroep Tariefequivalent
Bereide oliën en vetten 37,08
Machines voor metaalbewerking 36,75
Non-ferrometalen 35,24
Generatoren en motoren 33,90
Werken van kunststof 31,29
Elektrische apparaten 31,23
Metaalertsen en metaalafvallen 29,89
Gespecialiseerde machines 29,68
Kunststof in primaire vormen 29,40
Computers 29,19
Bron: CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Tabel 5.2.3 laat zien dat de export van de machine-industrie in 2019 de hoogste kosten in niet-EU bestemmingsmarkten kent als gevolg van de aanwezigheid van technische handelsbarrières. De geschatte kosten in 2019 bedroegen ruim 2,8 miljard euro. De chemische industrie (929 miljoen euro), de elektrotechnische industrie (915 miljoen euro) en de voedings- en genotmiddelenindustrie (835 miljoen euro) volgen op ruime afstand. Zoals al aangetoond in hoofdstuk 2 van deze Internationaliseringsmonitor heeft de voedings- en genotmiddelenindustrie samen met de landbouw naast TBT’s ook te maken met een behoorlijk aantal sanitaire of fytosanitaire maatregelen (SPS), die in deze analyse echter buiten beschouwing zijn gelaten.

Hoogste tariefequivalent op de export door de elektrische apparatenindustrie

Gemeten in tariefequivalenten heeft de elektrische apparatenindustrie de hoogste kosten, zie tabel 5.2.3. Deze kosten worden geschat op 30,4 procent van de totale export van Nederlandse makelij van deze bedrijfstak. Zoals eerder in deze paragraaf is genoemd, gaat het bij de export van de elektrische apparatenindustrie vooral om elektronische componenten voor de (hightech)industrie, zoals onderdelen voor halfgeleiders. Daarna volgen de sectoren ‘overige industrie en reparatie’ (vooral export van medische en wetenschappelijke instrumenten, en kunststofproducten zoals speelgoed) en de machine-industrie (beide circa 29 procent). Ook zijn de relatieve kosten omvangrijk voor de elektrotechnische industrie, de metaalproducten­industrie, de rubber- en kunststofproductindustrie, de basismetaalindustrie, de commerciële dienstverlening en de sector openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg, met gemiddelde tariefequivalenten variërend tussen 21 en 28 procent. Op een afstand volgt de auto- en aanhangwagenindustrie met een tariefequivalent van 16,58 procent.

5.2.3Kosten op de export van Nederlandse makelij voortkomend uit de aanwezigheid van TBT’s naar bedrijfstak, 2019
Aan TBT’s gerelateerde kosten op de export Tariefequivalent op de export door de aanwezigheid van TBT’s in bestemmingsmarkt
Bedrijfstak mln euro %
Totaal 9437 17,05
Landbouw 133 7,58
Bosbouw en visserij 9 7,24
Delfstoffenwinning 5 4,98
Voedings-, genotmiddelenindustrie 835 9,35
Textiel-, kleding-, lederindustrie 47 12,11
Hout-, papier-, grafische industrie 76 9,41
Aardolie-industrie 3 0,06
Chemische industrie 929 13,72
Farmaceutische industrie 83 6,82
Rubber- en kunststofproductindustrie 251 25,72
Bouwmaterialenindustrie 29 14,87
Basismetaalindustrie 290 20,50
Metaalproductenindustrie 326 26,85
Elektrotechnische industrie 915 27,67
Elektrische apparatenindustrie 348 30,40
Machine-industrie 2836 28,97
Auto- en aanhangwagenindustrie 385 16,58
Overige transportmiddelenindustrie 98 9,64
Meubelindustrie 14 11,99
Overige industrie en reparatie 269 29,16
Commerciële dienstverlening 647 24,03
Openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg 20 27,44
Overige 1 1,14
Handels- en vervoersmarges 888 16,72

Bron:CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Noot: In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Hoogste kosten op Nederlandse export voortkomend uit TBT’s in de VS

Nederlandse exporteurs ondervinden de hoogste kosten als gevolg van de aanwezigheid van technische handelsbarrières in de Verenigde Staten, zie tabel 5.2.4. De kosten voor Nederlandse producenten als gevolg van TBT’s in de Verenigde Staten worden geschat op 2,5 miljard euro. Deze kosten deden zich vooral voor bij de export van (gespecialiseerde) machines (met name chipmachines), elektronische onderdelen voor de (hightech)industrie, medische instrumenten en kunststoffen. Na de Verenigde Staten werden de hoogste kosten gemaakt bij de export van goederen van Nederlandse makelij naar China. De kosten op Nederlandse producten als gevolg van technische handelsbarrières ingesteld door China bedroegen bijna 1,2 miljard euro. Een aanzienlijk deel van deze kosten komt voort uit Chinese TBT’s op (gespecialiseerde) machines en bijbehorende onderdelen (ook hier vooral chipmachines), kunststof in primaire vormen, medische instrumenten en apparaten, en (varkens)vlees. Japan completeert de top-3 van landen waar in absolute zin de hoogste kosten optreden als gevolg van de aanwezigheid van technische handelsbarrières met een geschat bedrag van 776 miljoen euro. De hoogste kosten in Japan waren er ook op de export van Nederlandse hightech goederen; vooral de export van chipmachines en onderdelen daarvan, en medische instrumenten en apparaten.

Hoogste tariefequivalent op Nederlandse export naar Oman en Japan

Tabel 5.2.4 toont ook dat in relatieve zin de kosten op de export van Nederlandse makelij als gevolg van de aanwezigheid van technische handelsbarrières het hoogst waren in Oman met een tariefequivalent van 36,4 procent, gevolgd door Japan met 33,7 procent en Nieuw-Zeeland met 30,7 procent (vooral door de export van suiker). Nederlandse producenten kregen bij hun export naar Oman voornamelijk te maken met kosten gerelateerd aan TBT’s op landbouwmachines en -voertuigen, machines voor de voedingsmiddelenindustrie en metaalproducten.

5.2.4Gemiddelde handelsgewogen kosten door TBT’s op de export van Nederlandse makelij naar land, top-25, 2019
Aan TBT’s gerelateerde kosten op de export Tariefequivalent op de export door de aanwezigheid van TBT’s in bestemmingsmarkt
Land mln euro %
Totaal 9 437 17,05
Verenigde Staten 2 532 18,12
China 1 158 14,52
Japan 776 33,65
Turkije 754 29,20
Zuid-Korea 482 18,00
Australië 382 24,72
Zwitserland 369 13,34
Mexico 291 21,24
Noorwegen 285 11,37
Canada 208 8,65
Singapore 205 12,51
Israël 200 27,40
Zuid-Afrika 193 22,07
India 176 17,06
Egypte 135 18,32
Maleisië 135 26,47
Oekraïne 125 21,37
Thailand 103 17,54
Brazilië 100 9,23
Saoedi-Arabië 99 7,52
Oman 85 36,43
Nieuw-Zeeland 74 30,67
Chili 64 19,65
Filippijnen 63 16,94
Vietnam 54 11,03

Bron:CBS; Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

5.3Kosten op ingevoerde goederen door technische handelsbarrières

Deze paragraaf beschrijft de kostenschattingen van technische handelsbarrières op de invoer van goederen. Omdat we naar de invoer kijken gaat het hier dus over TBT’s die worden opgelegd door de Europese Unie (EU) aan de import van goederen die afkomstig zijn uit landen buiten de EU. Daarbij wordt gekeken naar zowel de totale goedereninvoer als naar de intermediaire goedereninvoer. De intermediaire invoer is belangrijk voor het analyseren van kosten vanuit het ketenperspectief. Eerst wordt er een schatting gegeven van de algehele kosten voor de Nederlandse economie. Daarna wordt gekeken naar de belangrijkste goederengroepen, vervolgens naar bedrijfstakken en daarna naar de invoer uit specifieke herkomstlanden.

Ook bij de import zijn er verschillende producten met een hoge invoerwaarde maar waarvoor schattingen voor tariefequivalenten door Ghodsi et al. (2016) ontbreken (of negatief zijn). Zo is er bijvoorbeeld geen tariefequivalent beschikbaar voor de Nederlandse import van ruwe aardolie, terwijl de import van ruwe aardolie uit niet-EU-landen maar liefst 20,9 miljard euro bedroeg. Andere goederen waarbij een tariefequivalent ontbreekt of negatief is, zijn telefoons en laptops met een invoerwaarde van respectievelijk 10,6 en 4,2 miljard euro. Net als bij de export in paragraaf 5.2 worden de ontbrekende kosten door TBT’s bijgeschat op een hoger aggregatieniveau zoals in Lemmers & Wong (2019).

De geschatte kosten door deze TBT’s op de invoer van goederen in 2019 bedroegen 36,1 miljard euro. Dat is beduidend hoger dan de 2,7 miljard euro die de Nederlandse douane int aan invoerheffingen (Franssen & Notten, 2020). Het gewogen gemiddelde met de bijgeschatte waarden geeft een tariefequivalent van 18,3 procent. Dit percentage valt eveneens beduidend hoger uit dan de gemiddelde heffingsdruk op de invoer van goederen door invoertarieven, die 1,4 procent bedroeg (Franssen & Notten, 2020).

Inclusief de invoer voor wederuitvoer zijn de kosten van de aanwezigheid van technische handelsbarrières het hoogst bij de categorie toestellen voor telecommunicatie (telefoons), zie figuur 5.3.1. Nederlandse producenten importeren deze goederen vooral uit China en de Verenigde Staten, en de kosten bedroegen in 2019 ruim 8,4 miljard euro. Niet-EU producenten die hun mobiele telefoons op de Europese markt willen brengen, zijn bijvoorbeeld verplicht om technische oplossingen te ondersteunen voor de ontvangst en verwerking van locatiegegevens die zijn afgeleid van Wi-Fi-signalen, en gegevens van Global Navigation Satellite Systems (GNSS) die compatibel en interoperabel zijn met ten minste het Europese wereldwijde satellietnavigatiesysteem Galileo (WTO, 2021 – G/TBT/N/EU/589). Daarnaast moeten consumentenproducten zoals de genoemde telefoons aan een aantal wettelijke eisen voldoen om het CE-keurmerk te verkrijgen.

De op één na hoogste kosten treden op bij de import van kantoor- en automatische gegevensverwerkende machines met een geschatte kostenpost van 4,9 miljard euro. Dit zijn vooral computers, computeronderdelen en printers. Voor computers gelden in het algemeen dezelfde maatregelen als voor de telefoons. De op twee na hoogste kosten treden op bij de import van elektrische apparaten met een geschatte kostenpost van bijna 4 miljard euro. Deze kosten gelden op allerlei producten, maar zijn voornamelijk geconcentreerd bij ingevoerde boormachines, transformators en statische omvormers, accu's, schakelaren, startmotoren en ultrasone diagnoseapparatuur. Technische handelsbarrières voor deze producten bestaan voornamelijk uit certificaten en licenties, ook om het CE-keurmerk te mogen dragen, dat bewijst dat het product is ontworpen en gebouwd in overeenstemming met de toepasselijke conformiteitsbeoordelingseisen en voldoet aan de Europese productveiligheidsrichtlijnen. Deze goederen worden voornamelijk uit China ingevoerd. De totale kosten binnen de categorie ‘ander vervoermaterieel’ worden geschat op circa 2,9 miljard euro. De kosten binnen deze goederengroep komen voornamelijk voor rekening van technische handelsbarrières op vliegtuigen en onderdelen daarvan. Denk hierbij aan kosten die voortkomen uit het verkrijgen van certificaten en licenties, etikettering en milieubeschermingsmaatregelen.

De top-5 van goederengroepen met de hoogste kosten op de invoer dankzij de aanwezigheid van technische handelsbarrières wordt gecompleteerd door ‘diverse machines’ met 2,2 miljard euro. De kosten treden hier voornamelijk op bij centrifugaalpompen voor verwarmingsinstallaties, ventilatoren en onderwaterpompen. De technische barrières vormen ook hier weer de certificaten en licenties, het verkrijgen van het CE-keurmerk, maar ook technische voorwaarden aan de pomponderdelen die te maken hebben met energie efficiëntie. Ook deze goederen worden veel uit China ingevoerd.

5.3.1 Top-10 goederengroepen met de hoogste kosten door TBT’s op de goedereninvoer, 2019 ( mln euro)
Goederengroep NTM kosten
Telefoons 8427
Computers 4885
Elektrische apparaten 3966
Ander vervoermaterieel 2867
Diverse machines 2217
Gespecialiseerde machines 1854
Metaalwaren 1396
Voertuigen voor wegvervoer 1260
Medische en meetinstrumenten 1214
Diverse fabricaten 1214
Bron: CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Hoogste tariefequivalent op de invoer van ander vervoermaterieel

Kijken we in figuur 5.3.2 naar de tariefequivalenten op de verschillende goederengroepen, dan is het de categorie ‘ander vervoermaterieel’ die ver aan kop gaat met ruim 72,5 procent. Het is niet mogelijk om precies te achterhalen waar deze kosten vandaan komen, maar ze kunnen samenhangen met een Europese verordening (216/2008) die bepaalt dat passagiersvliegtuigen, vliegtuigonderdelen en uitrustingsstukken, maar ook bijvoorbeeld de piloten, exploitanten en organisaties die betrokken zijn bij de opleiding en medische keuring van de piloten dienen te voldoen aan strikte eisen. Na vliegtuigen en vliegtuigonderdelen volgt de categorie ‘ruwe, synthetische en geregenereerde rubber’ met 57,4 procent. Technische handelsbarrières op synthetische rubber – vooral afkomstig uit Japan, de Verenigde Staten, Taiwan en China – komen voornamelijk voor in de vorm van etikettering en controles op schadelijke stoffen en milieubeschermingsmaatregelen (UNCTAD, 2017). Diverse machines (46,6 procent), metaalwaren (43,8 procent), en toestellen voor telecommunicatie en onderdelen daarvan (41,0 procent) vervolmaken de top-5.

5.3.2 Top-10 goederengroepen met het hoogste tariefequivalent door TBT’s op de goedereninvoer, 2019 (%)
Goederengroep Tariefequivalent
Ander vervoermaterieel 72,46
Rubber 57,44
Diverse machines 46,59
Metaalwaren 43,84
Telefoons 40,99
Papier, karton en artikelen 40,55
Generatoren en motoren 40,39
Gespecialiseerde machines 39,92
Voertuigen voor wegvervoer 30,79
Computers 30,77
Bron: CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Hoogste tariefequivalent op de invoer door de elektrotechnische industrie

Niet iedere industriële bedrijfstak is in dezelfde mate afhankelijk van grondstoffen, halffabricaten en tussenproducten uit niet-EU-landen. Daarom toont figuur 5.3.3 de top-10 van industriële bedrijfstakken die gemiddeld genomen de meeste kosten maakten als gevolg van de aanwezigheid van technische handelsbarrières op de intermediaire invoer van goederen (hoogste tariefequivalenten). De industrie importeerde in 2019 voor bijna 48,1 miljard euro aan grondstoffen, halffabricaten en tussenproducten uit niet-EU-landen. De kosten die voortkomen uit technische handelsbarrières waren goed voor ongeveer 10 procent van deze invoerwaarde. Binnen de industrie verschilt het gemiddelde tariefequivalent sterk. Met een gemiddeld tariefequivalent van 40,4 procent (goed voor een kostenpost van 1,3 miljard euro) werd er over de invoer door de elektrotechnische industrie relatief het meest betaald. Daarbij gaat het met name om de invoer van telefoontoestellen. Zoals eerder in deze paragraaf is uiteengezet, gaat het importgebruik van telefoons gepaard met hoge kosten door TBT’s die gerelateerd zijn aan bijvoorbeeld licenties en certificaten, en het verkrijgen van het CE-keurmerk. De elektrotechnische industrie wordt gevolgd door de machine-industrie met 34,7 procent (goed voor 1,0 miljard euro), de overige transportmiddelenindustrie met 32,1 procent (286 miljoen euro; met name vliegtuigonderdelen) en overige industrie en reparatie met 30,4 procent (225 miljoen euro).

5.3.3 Top-10 industriële bedrijfstakken met het hoogste gemiddelde tariefequivalent door TBT’s op de intermediaire goedereninvoer, 2019 (%)
Bedrijfstak Tariefequivalent
Elektrotechnische industrie 40,44
Machine-industrie 34,71
Overige transportmiddelenindustrie 32,14
Overige industrie en reparatie 30,35
Elektrische apparatenindustrie 27,81
Auto- en aanhangwagenindustrie 23,10
Metaalproductenindustrie 22,13
Bouwmaterialenindustrie 21,45
Farmaceutische industrie 18,07
Textiel-, kleding-, lederindustrie 16,76
Bron: CBS, Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Hoger tariefequivalent op de invoer van inputs

Naast producten en bedrijfstakken is het natuurlijk ook interessant om te kijken uit welke niet-EU-landen de kosten voortkomend uit technische handelsbarrières het hoogst zijn voor Nederlandse goederenimporteurs. Tabel 5.3.4 geeft de top-15 van herkomstlanden waarvoor de totale Nederlandse goedereninvoer en de Nederlandse goedereninvoer voor intermediair verbruik het meest blootgesteld waren aan kosten door TBT’s. Voor bedrijven die deelnemen aan internationale productieketens zijn met name de kosten op intermediaire invoer van belang. Een belangrijk kenmerk van internationale productieketens is namelijk dat productiebedrijven grondstoffen en halffabricaten importeren om te kunnen exporteren. Over het algemeen vallen de kosten op deze inputs met een tariefequivalent van 11,63 procent wat lager uit dan voor de totale goedereninvoer, waar die gemiddelde kosten 18,27 procent bedroegen in 2019. Daarmee volgen de kosten voortkomend uit niet-tarifaire maatregelen een vergelijkbaar patroon als bij de handelstarieven; daar bleken de gemiddelde kosten op geïmporteerde goederen bestemd voor intermediair verbruik ook lager uit te vallen dan voor de totale invoer (Franssen & Notten, 2020).

Meeste kosten door TBT’s op invoer uit China

De kosten liepen het hoogst op bij de invoer afkomstig uit China, namelijk zo’n 11,5 miljard euro. 23 procent (oftewel 2,7 miljard euro) van de totale kosten op Chinese producten werd echter gemaakt door bedrijfstakken die invoer uit China gebruiken in hun productie­processen. De kosten op de invoer uit de Verenigde Staten bedroegen in totaal 9,1 miljard euro, waarvan 1,6 miljard euro betrekking heeft op de intermediaire invoer door Nederlandse bedrijfs­takken. De kosten op de goedereninvoer uit Japan door TBT’s bedroegen 2,5 miljard euro. Hiervan bestond slechts 411 miljoen euro uit kosten voor de intermediaire invoer van bedrijfstakken. De invoer van Japanse producten kent technische handelsbarrières op graafmachines, pomponderdelen, lasers en startmotoren (UNCTAD, 2017).

5.3.4Top-15 landen met de hoogste kosten op de invoer van goederen door TBT's en gemiddeld tariefequivalent, 2019
Kosten door TBT's Gemiddeld tariefequivalent Kosten door TBT's op de intermediaire invoer Gemiddeld tariefequivalent op de intermediaire invoer
Partner mln euro % mln euro %
Totaal 36 106 18,27 7 440 11,63
China 11 532 27,07 2 665 28,02
Verenigde Staten 9 058 26,60 1 596 17,18
Japan 2 494 29,61 411 28,54
Hongkong 1 928 34,08 309 38,52
Taiwan 1 206 30,41 338 34,35
Zuid-Korea 1 123 28,90 214 25,75
Thailand 797 22,18 84 15,65
Vietnam 785 17,15 128 16,47
Zwitserland 749 28,70 205 27,68
Maleisië 652 17,49 133 12,95
Turkije 614 16,57 188 17,08
Mexico 570 31,09 65 15,54
Singapore 564 13,27 60 11,35
India 463 11,32 153 14,75
Filippijnen 449 33,08 23 6,78

Bron:CBS; Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Aanzienlijk meer directe dan indirecte kosten door TBT’s voor exporteurs

De kosten door technische handelsbarrières op de Nederlandse invoer voor intermediair verbruik bedroegen volgens tabel 5.3.4 in 2019 zo’n 7,4 miljard euro. Tabel 5.3.5 geeft weer in hoeverre deze kosten door TBT’s van geïmporteerde goederen doorwerken in de Nederlandse keten. Als de kosten door TBT’s niet doorwerken – dus de kosten worden gemaakt doordat bijvoorbeeld een Nederlandse exporteur zelf goederen importeert waarop TBT’s zitten – dan spreken we over directe kosten van de exporteur. Worden daarentegen de aan TBT's gerelateerde kosten door een importeur binnen Nederland doorgerekend aan bijvoorbeeld dezelfde exporteur, dan hebben we het over indirecte kosten van de genoemde exporteur. Ter illustratie; veronderstel dat er een Nederlands bedrijf in de voedings- en genotmiddelenindustrie bepaalde voedingsproducten naar Israël wil exporteren. Israël heeft in december 2017 nieuwe eisen voor voedingswaarde-etikettering ingevoerd. Deze voorschriften zijn niet in overeenstemming met de gevestigde internationale praktijken en kunnen leiden tot discriminatie van ingevoerde producten omdat de verpakkings- en etiketteringskosten hoger uitvallen voor de Nederlandse exporteur.

Om deze voedingsproducten te kunnen produceren of verwerken (voordat deze geëxporteerd worden) heeft het Nederlandse bedrijf uit de voedings- en genotmiddelenindustrie inputs nodig. Dit kan bijvoorbeeld een bepaalde landbouwmachine zijn. De EU legt TBT’s op aan de invoer van landbouw- en bosbouwmachines uit niet-EU-landen. Zo stelt de EU eisen aan veiligheid, namelijk antiblokkeerremsystemen, kortere remafstanden en de introductie van hydrostatische systemen (WTO, 2021 – G/TBT/N/EEC/350).

De Nederlandse exporteur heeft dan twee opties: (1) zelf de landbouwmachine uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten importeren, of (2) de landbouwmachine leasen van een Nederlands landbouwbedrijf. Optie 1 kan betekenen dat er voor de Nederlandse producent van voedingsproducten extra kosten zijn om te voldoen aan deze door de EU ingestelde TBT’s op landbouwmachines. We spreken in dit geval dan ook over directe kosten door TBT’s voor de Nederlandse exporteur, omdat de kosten voor de invoer van de landbouwmachine door de Nederlandse exporteur zelf gemaakt worden. Bij optie 2 kan de Nederlandse exporteur van voedingsproducten ook geconfronteerd worden met extra kosten door TBT’s, ook al voert hij de landbouwmachine niet zelf in. Dat kan zo zijn wanneer de kosten door TBT’s worden doorgerekend door het landbouwbedrijf voor het leasen van de landbouwmachine aan de Nederlandse exporteur van voedingsproducten. In dit geval hebben we het over indirecte kosten door TBT’s voor de Nederlandse exporteur, omdat de kosten voor de invoer van de landbouwmachine niet door de Nederlandse exporteur zelf gemaakt worden maar worden doorgerekend in de leaseovereenkomst.

76,2% directe kosten door TBT’s op de intermediaire invoer voor Nederlandse exporteurs Buitenvorm Binnenvorm

Nederlandse exporteurs lopen met 3,5 miljard euro aanmerkelijk hogere directe kosten op door TBT’s op de intermediaire invoer dan door indirecte kosten (de kosten op ingevoerde grondstoffen en halffabricaten die Nederlandse exporteurs hebben ingekocht van Nederlandse bedrijven die deze producten eerder hebben geïmporteerd) die bijna 1,1 miljard euro bedroegen. Het overgrote deel van de kosten van de exporterende sectoren komt dus tot stand door zelf goederen te importeren waarbij technische handelsbarrières optreden.

Tabel 5.3.5 maakt ook een onderscheid tussen intermediaire invoer die ingezet wordt voor de export, en intermediaire invoer die gerelateerd is aan de binnenlandse bestedingen. In 2019 was zo’n 61,4 procent van de 7,4 miljard euro aan kosten voor intermediaire invoer door technische handelsbarrières toe te schrijven aan exporterende sectoren. Met andere woorden, Nederlandse exporteurs werden geconfronteerd met kosten door TBT’s van bijna 4,6 miljard euro op de invoer om hun export van goederen en diensten te realiseren. In tabel 5.3.5 zien we ook dat het gros (76,2 procent ofwel 3,5 miljard euro) van de kosten van de exporterende sectoren tot stand komt door zelf goederen met technische handelsbarrières te importeren. Daarbij gaat het vooral om de industriële bedrijfstakken, en in het bijzonder de elektrotechnische industrie, machine-industrie en de transportmiddelenindustrie.

Exporterende bedrijfstakken waarin naast de directe ook de indirecte kosten een relatief grote rol spelen, zijn de voedings- en genotmiddelenindustrie (bijvoorbeeld TBT’s op landbouwgoederen of -machines), de chemische industrie (bijvoorbeeld TBT’s op cosmetica of (kunst)meststoffen) en de overige commerciële dienstverlening. Bij de overige commerciële dienstverlening blijkt het vooral te gaan om de sectoren ‘vervoer en opslag’ en ‘zakelijke dienstverlening’. Zo kan een transportbedrijf geconfronteerd worden met indirecte kosten door TBT’s op ingevoerde voertuigen of auto-onderdelen die doorgegeven worden door de (importerende) dealer in bedrijfswagens. Bedrijven in de zakelijke dienstverlening hebben vooral te maken met indirecte kosten die verbonden zijn aan de invoer van hightech producten uit China.

5.3.5Directe en indirecte kosten op ingevoerde goederen door TBT's naar bestemming en bedrijfstak, 2019
Export Binnenlandse finale vraag
direct indirect direct indirect
Bedrijfstak mln euro
Totaal 3 502,1 1 087,9 1 553,3 1 326,5
Landbouw 11,0 25,2 2,1 5,4
Bosbouw en visserij 2,9 1,3 0,2 0,4
Delfstoffenwinning 4,5 9,6 0,2 0,6
Voedings-, genotmiddelenindustrie 211,6 100,4 36,7 25,8
Textiel-, kleding-, lederindustrie 43,6 7,1 10,6 1,7
Hout-, papier-, grafische industrie 26,1 11,9 5,3 1,6
Aardolie-industrie 5,3 11,0 0,9 2,0
Chemische industrie 330,1 156,3 14,5 5,4
Farmaceutische industrie 65,8 8,6 8,8 1,2
Rubber- en kunststofproductindustrie 33,9 15,4 4,5 2,0
Bouwmaterialenindustrie 12,0 3,3 2,6 0,7
Basismetaalindustrie 17,4 17,1 0,5 0,5
Metaalproductenindustrie 51,5 20,2 17,8 7,4
Elektrotechnische industrie 1 129,7 20,7 75,7 1,4
Elektrische apparatenindustrie 96,8 6,7 11,5 0,8
Machine-industrie 729,8 97,4 130,3 17,4
Auto- en aanhangwagenindustrie 209,8 55,3 34,5 9,1
Overige transportmiddelenindustrie 206,2 48,3 48,7 10,7
Meubelindustrie 7,1 2,3 16,9 5,5
Overige industrie en reparatie 55,7 17,0 12,5 4,2
Bouw 22,4 20,0 472,4 413,9
Handel 42,9 30,0 66,8 25,9
Telecommunicatie en IT- en informatiedienstverlening 94,6 28,6 110,9 24,9
Verhuur en handel van onroerend goed 0,5 4,7 17,7 176,3
Overige commerciële dienstverlening 85,2 158,7 103,1 137,9
Openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg 2,5 2,3 320,0 233,7
Overige 3,4 3,9 27,5 31,3
Handels- en vervoersmarges 0,0 204,7 0,0 178,9

Bron:CBS; Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Bijna evenveel directe als indirecte kosten door TBT’s voor bedrijven gericht op binnenlandse markt

Bij kosten door TBT’s die uiteindelijk toegeschreven worden aan de binnenlandse finale vraag, zijn de directe en indirecte kosten veel gelijker verdeeld, zie tabel 5.3.5. Dit suggereert dat Nederlandse bedrijven die gericht zijn op de binnenlandse markt gemiddeld relatief gezien vaker indirecte (én dus aanvullende) kosten ondervinden door technische handelsbarrières (bijvoorbeeld door eisen die berust zijn op veiligheidsvoorschriften) dan exporterende bedrijven. In 2019 werden bedrijven in de bouw geconfronteerd met de hoogste directe én indirecte kosten; respectievelijk 472,4 en 413,9 miljoen euro. Bouwbedrijven gericht op de binnenlandse markt blijken voor hun productie sterk afhankelijk te zijn van een breed scala aan geïmporteerde goederen die onderhevig zijn aan hoge kosten door veiligheidsvoorschriften. Denk hierbij bijvoorbeeld aan typische producten in de bouw als boormachines, accu’s en verlichtingstoestellen, maar ook aan hightech goederen zoals computers uit China. Zoals eerder in deze paragraaf naar voren is gekomen, bestaan technische handelsbarrières voor dit soort producten voornamelijk uit certificaten en licenties, en ook om het CE-keurmerk te mogen dragen. Verder blijken sectoren die nauw verbonden zijn met de bouwsector geconfronteerd te worden met hoge indirecte kosten. Dit is zichtbaar voor bedrijven in de verhuur en handel van onroerend goed en ook in het openbaar bestuur, onderwijs en de gezondheidszorg.

Na de bouwsector ondervond de sector openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg in 2019 de hoogste kosten door technische handelsbarrières. De indirecte kosten kwamen vooral voor rekening van de overheid en waren gerelateerd aan kosten door TBT’s die doorberekend werden door bouwbedrijven. De directe kosten kwamen voor het overgrote gedeelte voor rekening van de gezondheidszorg. De importgoederen die hier ten grondslag aan liggen, zijn medicijnen en vaccins. Regelgeving speelt een belangrijke rol bij dit soort producten en de regelgeving tussen verschillende landen en handelsblokken kan sterk afwijken. Voorbeelden van technische handelsbarrières zijn medicijnen die op een bepaalde temperatuur moeten worden vervoerd en opgeslagen. Ook moeten medicijnen voordat deze geïmporteerd kunnen worden, goedkeuring verkrijgen waarbij gekeken wordt naar veiligheid en of deze medicijnen wel doen waarvoor ze bedoeld zijn (UNCTAD, 2019).

5.4Stapelingseffect en vergrotingseffect binnen Nederlandse ketens

De afgelopen decennia is de internationale goederenhandel binnen grensoverschrijdende productienetwerken geïntensiveerd. Voor Nederlandse bedrijven die deelnemen aan deze internationale productienetwerken vormen technische handelsbarrières op intermediaire invoer dikwijls een kostenpost. Deze kostenpost op ingevoerde intermediaire goederen maakt deel uit van de productiekosten voor de exporteur. In 2019 werd er voor 80,6 miljard euro aan goederen geïmporteerd die ingezet werden in de productieprocessen gericht op de export van goederen van Nederlandse makelij. Van deze 80,6 miljard euro was 46,4 miljard euro afkomstig uit landen buiten de EU. Deze import is dus onderhevig aan kosten door technische handelsbarrières. Uiteindelijk werd 15,7 miljard euro van de 46,4 miljard euro aan goedereninvoer gebruikt voor de Nederlandse export van goederen die bestemd zijn voor niet-EU-landen. Als er vervolgens ook technische handelsbarrières gelden op deze export van goederen die met de intermediaire invoer worden gemaakt waar ook al TBT’s op zitten, is er sprake van een stapelingseffect. In deze paragraaf wordt dieper ingegaan op dit stapelingseffect. We gebruiken een methode ontwikkeld door Koopman et al. (2014) om dit stapelingseffect te kwantificeren, alleen passen wij dit toe op TBT's in plaats van de door de auteurs gebruikte handelstarieven.

Gemiddelde kosten door TBT’s voor export van Nederlandse makelij

Kolom 1 in tabel 5.4.1 vermeldt per bedrijfstak de gemiddelde kosten door TBT’s die gelden voor de export van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. Deze cijfers komen overeen met die in figuur 5.2.3. Zo worden bijvoorbeeld de gemiddelde kosten door TBT’s voor de elektrische apparatenindustrie geschat op 30,4 procent van de totale export van Nederlandse makelij van deze bedrijfstak.

Gebruik invoer van goederen uit niet-EU voor goederenexport naar niet-EU

Kolom 2 in tabel 5.4.1 geeft het invoergehalte van de export van goederen van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen weer. Het betreft hier het aandeel van de invoer uit niet-EU-landen die verwerkt wordt in het productieproces voor de export van goederen van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. Deze indicator staat ook wel bekend als een maat voor verticale specialisatie. Hoe hoger het invoergehalte, hoe hoger de mate van integratie in internationale waardeketens (Hummels et al., 2001). De export van de chemische industrie naar niet-EU-landen bestaat bijvoorbeeld voor 17,33 procent uit geïmporteerde grondstoffen afkomstig uit niet-EU-landen. Een hoger invoergehalte van de export leidt potentieel tot een hoger stapelingseffect van kosten voortkomend uit TBT's.

Gemiddelde kosten door TBT’s op de import van inputs nodig voor export van Nederlandse makelij

Kolom 3 in tabel 5.4.1 rapporteert de gemiddelde kosten door TBT’s op geïmporteerde intermediaire goederen uit niet-EU-landen die worden verwerkt in de productie voor de export van goederen van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. Deze gewogen gemiddelde kosten zijn uitgedrukt als aandeel van de exportwaarde van Nederlandse makelij van de betreffende bedrijfstak. Deze indicator omvat niet alleen de kosten door TBT’s op de directe import van de exporterende bedrijfstak, maar ook op de indirecte import van noodzakelijke inputs die verwerkt zijn in toeleveringen van andere Nederlandse bedrijfstakken aan de exporterende bedrijfstak. Zo bestaat bijvoorbeeld 1 euro export van in Nederland vervaardigde producten door de farmaceutische industrie uit 1,56 eurocent aan kosten door TBT’s op de invoer van benodigde grondstoffen en halffabricaten.

Stapelingseffect: gemiddelde kosten door TBT’s binnen de Nederlandse keten

Kolom 4 in tabel 5.4.1 geeft de totale gemiddelde kosten door TBT’s binnen de keten weer en is de som van de twee gemiddelde kosten door TBT’s in kolom 1 en kolom 3. Deze gemiddelde totale kosten door TBT’s weerspiegelen het stapelingseffect, waarin bovenop de kosten door TBT’s op geïmporteerde grondstoffen en halffabricaten afkomstig uit niet-EU-landen die worden gebruikt in de productie voor de export additionele kosten optreden als gevolg van de aanwezigheid van een technische handelsbarrière op geëxporteerde goederen in bestemmingsmarkten buiten de Europese Unie. Zo bestaat bijvoorbeeld 1 euro export van in Nederland vervaardigde producten door de metaalproductenindustrie uit 26,85 eurocent aan kosten door TBT’s op de export naar niet-EU-landen en 1,43 eurocent aan kosten door TBT’s op de invoer van benodigde grondstoffen en halffabricaten uit niet-EU-landen. Dat brengt de gemiddelde kosten door TBT’s binnen de Nederlandse keten in de metaalproductenindustrie op 28,28 procent. Dit wordt ook wel het stapelingseffect genoemd.

Vergrotingseffect: extra kosten door TBT’s voor exporteurs ten gevolge van TBT’s op ingevoerde inputs

Kolom 5 in tabel 5.4.1 laat het vergrotingseffect als gevolg van kosten door TBT’s op het gebruik van geïmporteerde intermediaire goederen in het productieproces voor de export zien. Het vergrotingseffect drukt de toename in kosten door TBT’s uit, wat optreedt doordat er kosten door TBT’s bestaan op ingevoerde intermediaire goederen die worden gebruikt in de exportproductie. Zo geldt voor de Nederlandse machine-industrie, dat vanwege kosten door TBT’s op uit niet-EU-landen ingevoerde intermediaire goederen gebruikt in het productieproces, de totale kosten door TBT’s met 12 procent toenemen vergeleken met de kosten door TBT’s die optreden op de export van de Nederlandse machine-industrie naar niet-EU-landen.

5.4.1Het stapelings- en vergrotingseffect van kosten gerelateerd aan TBT's naar bedrijfstak, 2019
(1) TBT tariefequivalent op extra-EU export Nederlands product (2) Importgehalte van extra-EU export Nederlands product (3) TBT tariefequivalent op geïmporteerde inputs (4) Stapelings­effect (1 + 3) (5) Vergrotings­effect (4 ÷ 1)
% % van extra-EU export % ratio
Totaal 17,05 18,29 1,68 18,73 1,10
Landbouw 7,58 7,25 0,30 7,88 1,04
Bosbouw en visserij 7,24 6,91 0,68 7,92 1,09
Delfstoffenwinning 4,98 3,65 0,45 5,43 1,09
Voedings-, genotmiddelenindustrie 9,35 13,75 0,79 10,14 1,08
Textiel-, kleding-, lederindustrie 12,11 19,86 2,26 14,37 1,19
Hout-, papier-, grafische industrie 9,41 9,55 0,78 10,19 1,08
Aardolie-industrie 0,06 62,16 0,08 0,14 2,33
Chemische industrie 13,72 17,33 1,46 15,18 1,11
Farmaceutische industrie 6,82 15,61 1,56 8,38 1,23
Rubber- en kunststofproductindustrie 25,72 9,27 0,92 26,64 1,04
Bouwmaterialenindustrie 14,87 8,50 1,19 16,06 1,08
Basismetaalindustrie 20,50 22,95 0,61 21,11 1,03
Metaalproductenindustrie 26,85 8,74 1,43 28,28 1,05
Elektrotechnische industrie 27,67 16,14 5,56 33,23 1,20
Elektrische apparatenindustrie 30,40 10,19 2,66 33,06 1,09
Machine-industrie 28,97 12,29 3,37 32,34 1,12
Auto- en aanhangwagen­industrie 16,58 15,44 2,31 18,89 1,14
Overige transport­middelen­industrie 9,64 12,89 4,09 13,73 1,42
Meubelindustrie 11,99 11,00 1,05 13,04 1,09
Overige industrie en reparatie 29,16 9,67 1,15 30,31 1,04
Commerciële dienstverlening 24,03 2,25 0,25 24,28 1,01
Openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg 27,44 1,59 0,26 27,70 1,01
Overige 1,14 2,26 0,25 1,39 1,22

Bron:CBS; Ghodsi et al. (2016); eigen berekeningen.

Van iedere euro export naar niet-EU-landen, bestaat gemiddeld 1,68 eurocent uit kosten door TBT’s op de benodigde geïmporteerde goederen voor intermediair verbruik.noot1 Dat komt dus bovenop de gemiddelde kosten van 17,05 procent als gevolg van de aanwezigheid van TBT’s in niet-EU exportmarkten, waardoor de gemiddelde totale aan technische handelsbarrières gerelateerde kosten uitkomen op 18,73 procent. Dit is het zogenoemde stapelingseffect. Het vergrotingseffect door de aanwezigheid van TBT’s op de gebruikte invoer in de exportproductie vergroot de kosten door TBT’s gemiddeld met 10 procent.

Vergeleken met de tariefkosten aan de invoerkant voor de export van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen die in 2019 0,13 eurocent per 1 euro export bedroegen (Franssen & Notten, 2020), vallen de kosten op de import die gerelateerd zijn aan technische handelsbarrières met 1,68 eurocent per 1 euro export beduidend hoger uit. Dit geeft het belang aan om verder onderzoek te verrichten naar de kosten die voortkomen uit de aanwezigheid van technische handelsbarrières en andere niet-tarifaire maatregelen.

Hoogste vergrotingseffect voor de overige transportmiddelenindustrie

De overige transportmiddelenindustrie kent het grootste vergrotingseffect.noot2 Van iedere euro export van de overige transportmiddelenindustrie bestaat 4,09 eurocent uit aan TBT’s gerelateerde kosten aan de invoerkant, waardoor de totale kosten als gevolg van niet-tarifaire maatregelen voor de overige transportmiddelenindustrie uitkomen op 13,73 procent. Het vergrotingseffect bedraagt daarmee ruim 42 procent. Na de overige transportmiddelenindustrie was het vergrotingseffect met 20 procent het hoogst voor de farmaceutische industrie. De markt voor farmaceutische producten wordt gekenmerkt door complexe regelgeving met aanzienlijke verschillen tussen landen (Eliason, 2007).

De elektrotechnische industrie heeft relatief gezien de hoogste aan TBT’s gerelateerde kosten op geïmporteerde intermediaire goederen die worden ingezet voor de exportproductie. Van iedere euro export van deze bedrijfstak bestaat 5,56 eurocent uit kosten voortkomend uit de aanwezigheid van technische handelsbarrières aan de invoerkant. Dit komt bovenop de kosten door TBT’s met een tariefequivalent van 27,67 procent in niet-EU exportmarkten. Ook het vergrotingseffect is omvangrijk: vanwege kosten door TBT’s op grondstoffen en halffabricaten gebruikt in het productieproces, nemen de totale kosten door TBT’s met 20 procent toe vergeleken met het standaard tariefequivalent waaraan de goederen van deze sector onderhevig zijn in exportmarkten buiten de EU.

Van iedere euro export van de textiel-, kleding- en lederindustrie bestaat 2,26 eurocent uit kosten door TBT’s aan de invoerkant. Omdat de kosten door TBT’s op de export relatief laag uitvallen (lager dan het gemiddelde van alle bedrijfstakken), is het stapelingseffect en het vergrotingseffect aanzienlijk met respectievelijk 14,37 en 19 procent. Een voorbeeld van een technische handelsbarrière op textiel en kleding is inspecties op materiaalgebruik en afmetingen voordat de invoer kan plaatsvinden (UNCTAD, 2019).

De kosten gerelateerd aan technische handelsbarrières zijn al relatief hoog op de export van Nederlandse makelij van de elektrische apparatenindustrie met een tariefequivalent van 30,4 procent. Van iedere euro export van de elektrische apparatenindustrie bestaat 2,66 eurocent uit kosten door TBT’s aan de invoerkant, waardoor de totale kosten als gevolg van technische handelsbarrières voor exporteurs in de elektrische apparatenindustrie uitkomen op 33,1 procent. Hiermee heeft deze sector na de elektrotechnische industrie de hoogste totale kosten ten gevolge van TBT’s. Het vergrotingseffect bedraagt 9 procent. Na de elektrische apparatenindustrie liet de machine-industrie de hoogste totale kosten optekenen. Ook bij deze bedrijfstak ging het met name om hoge kosten aan de exportkant.

5.5Samenvatting en conclusie

Protectionistische maatregelen kunnen doorgaans een belemmering vormen voor de verdere ontwikkeling van internationale waardeketens. Grondstoffen en halffabricaten passeren tegenwoordig immers steeds vaker meerdere grenzen, waardoor bedrijven die actief participeren in zulke waardeketens te maken hebben met een opeenstapeling van kosten die voortkomen uit protectionistische maatregelen (bijvoorbeeld invoertarieven). In deze editie van de Internationaliseringsmonitor staan de niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) centraal. Nederlandse importeurs en exporteurs worden beiden geconfronteerd met niet-tarifaire maatregelen in de vorm van technische handelsbarrières. Voor importeurs bedroegen de kosten door TBT’s ingesteld door de Europese Unie in 2019 gemiddeld genomen 18,3 procent van de importwaarde, waarvan 11,6 procent op de intermediaire invoer. De kosten door TBT’s in exportmarkten bedroegen gemiddeld genomen 17,1 procent van de exportwaarde. De totale kosten door TBT’s op de export van goederen van Nederlandse makelij worden geschat op 9,4 miljard euro en de kosten op de invoer van grondstoffen en halffabricaten op 7,4 miljard euro.

Bij de export zijn de totale kosten door TBT’s het hoogst voor de machine-industrie, chemische industrie en de voedingsmiddelenindustrie. De export van de elektrische apparatenindustrie, de elektrotechnische industrie en de metaalproductenindustrie kende de hoogste relatieve kosten door technische handelsbarrières. Als we kijken naar exportmarkten, dan krijgt vooral de handel met Japan, Oman en Nieuw-Zeeland te maken met relatief hoge kosten door de aanwezigheid van technische handelsbarrières. In absolute zin zijn de kosten door TBT’s het hoogst in de Verenigde Staten en China. Bij de import is het vooral de elektrotechnische industrie, de machine-industrie en de overige transportmiddelenindustrie die geconfronteerd worden met relatief hoge kosten door technische handelsbarrières. In absolute termen lopen de kosten door TBT’s op de intermediaire invoer uit China en de Verenigde Staten het hoogst op. Relatief gezien zijn de kosten door TBT’s opvallend hoog voor ingevoerde grondstoffen en halffabricaten uit Taiwan en Hongkong.

Kosten van technische handelsbarrières op ingevoerde grondstoffen en halffabricaten kunnen verder resoneren in de productie voor de Nederlandse export en binnenlandse finale vraag. Binnen de Nederlandse keten zien we dat Nederlandse exporteurs met 3,5 miljard euro tegen aanmerkelijk hogere directe kosten door TBT’s op de intermediaire invoer aanlopen dan door indirecte kosten (de kosten op ingevoerde grondstoffen en halffabricaten die Nederlandse exporteurs hebben ingekocht van Nederlandse bedrijven die deze producten eerder hebben geïmporteerd) die bijna 1,1 miljard euro bedroegen. Het overgrote deel van de kosten van de exporterende sectoren komt dus tot stand door zelf goederen met technische handelsbarrières te importeren. Daarbij gaat het vooral om de industriële bedrijfstakken, en in het bijzonder om de elektrotechnische industrie, machine-industrie en de transportmiddelenindustrie. Exporterende bedrijfstakken waarin naast de directe ook de indirecte kosten een relatief grote rol spelen, zijn de voedings- en genotmiddelenindustrie en de chemische industrie. Bij kosten door TBT’s die uiteindelijk toegeschreven worden aan de binnenlandse finale vraag, zijn de directe en indirecte kosten veel gelijker verdeeld. Dit suggereert dat Nederlandse bedrijven die gericht zijn op de binnenlandse markt gemiddeld relatief gezien vaker indirecte (én dus aanvullende) kosten ondervinden door technische handelsbarrières (bijvoorbeeld door eisen die berust zijn op veiligheidsvoorschriften) dan exporterende bedrijven. De bouwsector werd geconfronteerd met de hoogste directe én indirecte kosten door TBT’s die gerelateerd zijn aan de binnenlandse finale vraag. Na de bouwsector ondervond de sector openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg in 2019 de hoogste kosten door technische handelsbarrières.

Het aandeel van buiten de EU ingevoerde goederen dat verwerkt wordt in de productie voor de export naar niet-EU-landen is met gemiddeld 18,3 procent aanzienlijk. Zo zijn de kosten door TBT’s op Nederlandse producten in exportmarkten 17,1 procent van de exportwaarde, waarbij nog eens 1,7 eurocent op iedere euro export aan kosten door TBT’s voor de benodigde import bijkomt. Het vergrotingseffect, oftewel het relatieve verhogingseffect van de exportkosten, bedraagt daarmee 10 procent. Vooral het vergrotingseffect van de overige transportmiddelenindustrie (42 procent), de elektrotechnische industrie (20 procent) en de textiel-, kleding- en lederindustrie (19 procent) vallen daarbij op.

De bevindingen in dit hoofdstuk geven een inzicht in hoe aan TBT’s gerelateerde kosten door kunnen werken in internationale productieketens. Vergeleken met de kosten veroorzaakt door invoertarieven vallen de kosten door technische handelsbarrières beduidend hoger uit. Dat maakt het nuttig om de kosten van technische handelsbarrières en andere niet-tarifaire maatregelen verder en nauwkeuriger in kaart te brengen.

5.6Data en methoden

Door middel van het koppelen van de statistieken Internationale Handel in Goederen (IHG) aan input-outputtabellen afkomstig van de Nationale Rekeningen (NR) van het CBS is het mogelijk te berekenen hoeveel import er in het productieproces gebruikt wordt door de verschillende bedrijfstakken. Input-outputtabellen laten namelijk de onderlinge leveringen, en dus afhankelijkheden, tussen bedrijfstakken zien.

De geschatte kosten voortkomend uit technische handelsbarrières (TBT’s) die worden gebruikt in deze analyse zijn berekend door invoer- en uitvoercijfers van de IHG statistiek te combineren met informatie over de bijkomende kosten als gevolg van de aanwezigheid van een TBT op de goedereninvoer. Deze informatie over bijkomende kosten is beschikbaar gesteld door Dr. Mahdi Ghodsi van het Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergleiche (wiiw). De database bevat informatie over kosten door TBT’s naar goederengroep en land, uitgedrukt in ad valorem equivalenten (AVE’s). Deze geschatte TBT AVE’s komen voort uit een studie uitgevoerd door Ghodsi et al. (2016).

De cijfers van Ghodsi et al. (2016) bevatten schattingen van tariefequivalenten van technische handelsbarrières voor de invoer van 100 landen. De database bevat geschatte AVE’s voor de niet-EU export voor 73 niet-EU-landen, met Rusland als belangrijkste land waarvoor informatie ontbreekt. De export naar deze landen is goed voor 68 procent van de totale export van Nederlandse makelij naar niet-EU-landen. De landen waarvoor geen tariefequivalenten beschikbaar zijn, worden buiten beschouwing gelaten en daarmee ook de export van deze landen. Bij het berekenen van geaggregeerde tariefequivalenten wordt daarom alleen de exportwaarde meegenomen van de landen waarvoor AVE’s beschikbaar zijn. Schattingen zijn beschikbaar voor 4 134 productgroepen volgens de 6‑digit Geharmoniseerde Standaard classificatie (HS6). Bij de totstandkoming van de schattingen door Ghodsi et al. (2016) was het door het ontbreken van voldoende cijfers vaak niet mogelijk om een tariefequivalent toe te kennen aan de invoer van een land van een bepaald product. Deze zijn door Ghodsi et al. (2016) toegewezen als ontbrekend. Ook komen bij sommige product/land combinaties negatieve tariefequivalenten voor. Voor product/land combinaties die worden gekoppeld met de export van Nederlandse makelij waren 10 320 van de 23 196 (45 procent) tariefequivalenten ofwel ontbrekend, ofwel negatief. Bij de tariefequivalenten van de Nederlandse goedereninvoer waren 396 van de 1 033 ontbrekend of negatief (38 procent). De ontbrekende tariefequivalenten worden bijgeschat met behulp van beschikbare informatie op een (steeds) hoger aggregatieniveau zoals in Lemmers & Wong (2019). Wanneer er bijvoorbeeld geen informatie beschikbaar is over de AVE kosten van een 6‑digit product in een bepaald land nemen we het handelsgewogen gemiddelde op een hoger aggregatieniveau, zoals bijvoorbeeld op 4‑digit productniveau. Verder worden bij de waardeketenanalyse de negatieve tariefequivalenten op nul gezet, maar de bijbehorende handelswaarde wordt wel meegenomen. Dit is in lijn met andere wetenschappelijke studies in dit domein (Kee et al., 2009; Disdier & Fugazza, 2021) en wordt gedaan omdat we hier alleen geïnteresseerd zijn in TBT’s die kosten met zich meebrengen. Daarnaast kunnen ze vanwege de IO-analyse niet worden genegeerd.

De methode die gebruikt wordt om de koppeling tussen handelscijfers en input-outputtabellen tot stand te brengen combineert methodes ontwikkeld door Lemmers (2015) en Lemmers & Wong (2019) en maakt het mogelijk om vast te stellen hoeveel en welke import er is verwerkt in de export van Nederlandse goederen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van input-outputanalyses (Miller & Blair, 2009). Deze koppelingen maken het ook mogelijk om het aandeel van geschatte heffingen aan de importkant in de export van Nederlandse goederen te bepalen. Daarbij zijn de randtotalen van de Nationale Rekeningen leidend. Daardoor kunnen deze randtotalen afwijken van de IHG-statistiek.

Om de genoemde stapelingseffecten en vergrotingseffecten te berekenen wordt een methode gebruikt die ontwikkeld is door Koopman et al. (2014).

5.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Baldwin, R. & Lopez-Gonzalez, J. (2015). Supply-chain Trade: A Portrait of Global Patterns and Several Testable Hypotheses. The World Economy, 38(11), 1682–1721.

Disdier, A. & Fugazza, M. (2020). A Practical Guide to the Economic Analysis of Non-Tariff Measures. Genève: UNCTAD & WTO.

Eliason, M. H. (2007). Regulatory Marketing Approval for Pharmaceuticals as a Non-Tariff Barrier to Trade: Analysis Under the WTO’s Agreement on Technical Barriers to Trade. San Diego International Law Journal, 8(2), 559–594.

Franssen, L. & Notten, T. (2020). Handelstarieven en productieketens. In M. Jaarsma & A. Lammertsma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven & verdragen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Ghodsi, M., Grübler, J. & Stehrer, R. (2016). Estimating Import-Specific Ad Valorem Equivalents of Non-Tariff Measures. Working Paper 129. Wenen: Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergleiche (wiiw).

Handley, K., Kamal, F. & Monarch, R. (2020). Rising import tariffs, falling export growth: When modern supply chains meet old-style protectionism. Working paper 26611. National Bureau of Economic Research.

Hummels, D., Ishi, J. & Yi, K.-M. (2001). The nature and growth of vertical specialization in world trade. Journal of International Economics, 54(1), 75–96.

Kee, H. L., Nicita, A. & Olarreaga, M. (2009). Estimating Trade Restrictiveness Indices. The Economic Journal, 119, 172–199.

Koopman, R., Wang, Z. & Wei, S. J. (2014). Tracing value-added and double counting in gross exports. American Economic Review, 104(2), 459–494.

Lemmers, O. (2015). Who needs MRIOs anyway? An alternative assignment of value added of trade. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Lemmers, O. & Wong, K. F. (2019). Distinguishing between imports for domestic use and for re-exports: a novel method illustrated for the Netherlands. National Institute Economic Review, 249(1), 59–67.

Miller, R. E. & Blair, P. D. (2009). Input–Output Analysis: Foundations and Extensions (2e ed.). Cambridge: Cambridge University Press.

UNCTAD (2017). TRAINS NTMs: The global database on Non-Tariff Measures. [Dataset]. Genève: UNCTAD.

UNCTAD (2019). International Classification of Non-Tariff Measures: 2019 Version. New York: United Nations Publications.

World Bank & WTO (2019). Global Value Chain Development Report 2019: Technological Innovation, Supply Chain Trade, and Workers in a Globalized World (English). Washington, D.C.: World Bank Group.

WTO (2021). Technical Barriers to Trade Information Management System. [Dataset]. Geraadpleegd op 20 augustus 2021.

Yi, K. M. (2003). Can vertical specialization explain the growth of world trade? Journal of political Economy, 111(1), 52–102.

Noten

Dit geldt voor de export naar niet-EU-landen waarover informatie over kosten door TBT’s beschikbaar is. De 66 niet-EU-landen waarvoor informatie over kosten door TBT’s beschikbaar zijn vertegenwoordigden 68 procent van de exportwaarde naar niet-EU-landen in 2019.

Het sterkste vergrotingseffect treedt op bij de export van de aardolie-industrie, maar de kosten door TBT’s op de export en de import zijn verwaarloosbaar klein.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Marcel van den Berg

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Marjolijn Jaarsma

Angie Mounir

Tom Notten

Janneke Rooyakkers

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Deirdre Bosch

Frans Dinnissen

Gerard den Drijver

Mahdi Ghodsi

Janneke Hendriks

Irene van Kuik

Sandra Vasconcellos

Rik Verhulst

Gabriëlle de Vet

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek