Honderd jaar goederenhandel in beeld

Het CBS houdt al 100 jaar statistieken bij over de goederenhandel met het buitenland. Dit is een mooie aanleiding om terug te blikken en om te zoeken naar duiding van de belangrijkste ontwikkelingen in de Nederlandse handel in de afgelopen 100 jaar. Met een zwaartekrachtmodel kunnen de belangrijkste verklaringen voor de verschillen tussen landen in de handel met Nederland worden gekwantificeerd.

2.1Inleiding

Nederland is al eeuwenlang een handelsland. De veelgehoorde slogan ‘Nederland handelsland’ komt dan ook niet uit de lucht vallen. Al in de Middeleeuwen waren belangrijke Nederlandse steden aangesloten bij het van oorsprong Duitse Hanzeverbond. Op het hoogtepunt strekte het gebied dat het Hanzeverbond bestreek zich uit van Londen via de Noordzee en Oostzee naar Finland en Rusland (Zeiler & Dekker, 1997). Met de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602 en de West-Indische Compagnie (WIC) in 1621 nam de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het heft meer in eigen handen. Dit waren niet zomaar twee handelsbedrijven. Met deze twee bedrijven domineerde Nederland met name in de 17e eeuw de internationale handel in goederen.

Foto omschrijving: Historisch beeld van inpaksters in de Van Nelle fabriek uit 1957.

0,4 miljard euro bedroeg de Nederlandse exportwaarde in 1917
469 miljard euro was het bedrag in 2017

Vanaf 1917 registreert het CBS de internationale goederenhandel van Nederland en publiceert daarover de statistiek Internationale Handel in Goederen (IHG), zie onder andere CBS, 2010a en 2010b. In de IHG-statistiek is een duidelijke ontwikkeling te zien. In het begin werd alleen jaarlijks een onderscheid gemaakt tussen handel met diverse landen. Een opdeling in goederengroepen werd slechts eens in de vijf jaar gepubliceerd. Tegenwoordig wordt in de handelsstromen op maandbasis onderscheid gemaakt naar circa 240 landen en meer dan 9 duizend goederensoorten.

In dit hoofdstuk belichten we de recente geschiedenis van Nederland als handelsland. Na een korte beschrijving van de data en de gebruikte methoden belichten we in paragraaf 2.3 de eerste 85 jaar van de statistiek Internationale Handel in Goederen. Daarbij zullen verschillende historische gebeurtenissen aan de orde komen. Omdat sinds 2002 ook onderscheid wordt gemaakt tussen wederuitvoer en uitvoer van Nederlandse producten, beschrijven we de trends van 2002 tot heden in een aparte paragraaf 2.4. In paragraaf 2.5 gaan we in op de determinanten van de export van Nederlandse makelij. Waarom handelen we veel met het ene land en weinig met het andere? Dit doen we met behulp van het zogenaamde zwaartekrachtmodel. (Isard, 1954; Ullman, 1954; Tinbergen, 1962; Anderson, 1979). Het model heeft deze naam, omdat deze is gebaseerd op de zwaartekrachttheorie van Newton. De wederzijdse aantrekkingskracht tussen twee massa’s (in dit geval landen) wordt verklaard door hun respectievelijke omvang (bbp) en de fysieke afstand tussen beide. In de afgelopen decennia zijn vele andere factoren getest inzake het kunnen verklaren van bilaterale handelsstromen. Paragraaf 2.5 zal een tiental mogelijke exportdeterminanten vanuit Nederlands perspectief onder de loep nemen. Aan het einde van dit hoofdstuk vatten we het geheel nog eens samen.

2.2Data en methoden

In dit hoofdstuk komen enkele databronnen en methoden voorbij. Deze paragraaf is bedoeld om hiervan een overzicht te geven. Paragraaf 2.3 beschrijft de eerste 85 jaar van Nederlandse goederenhandel sinds het begin van de CBS-meting in 1917. Het betreft daarbij de officiële statistieken van de internationale handel in goederen (IHG) zoals die wereldwijd volgens dezelfde standaarden worden bijgehouden. Tot de begin jaren ’90 gaat het vrijwel alleen om douanedata. Met het verdwijnen van de EU-binnengrenzen is een groot deel van de douanedata vervangen door bedrijfsenquêtes. Sindsdien gaat het dus om een mix van douanedata en enquête-informatie. De historische data zijn allemaal te raadplegen via een historische tabel op CBS-StatLine binnen het thema internationale handel in goederen. Omdat de internationale goederenhandel in 100 jaar tijd explosief gegroeid is, maar ook inflatie daarbij een grote rol speelt, is er voor gekozen om de in- en uitvoer als percentage van het Nederlandse bbp te presenterennoot1. Zo wordt het opblazende effect van inflatie voor een groot deel weggenomen en is de lange tijdreeks goed te presenteren middels grafieken.

Paragraaf 2.4 gaat over de periode 2002–2017 en maakt ook gebruik van de officiële IHG-statistieken van het CBS. Het verschil met de periode in de vorige paragraaf is dat er sinds 2002 veel meer data beschikbaar zijn gekomen. Zo kan het CBS vanaf dit jaar onderscheid maken in de totale goederenexport tussen uitvoer van Nederlandse makelij en wederuitvoer van buitenlandse makelij. Dat onderscheid is van belang, omdat een euro export van Nederlandse makelij ruim vijf keer meer oplevert voor de Nederlandse economie dan een euro wederuitvoer (CBS, 2016c). Voor de export van Nederlandse makelij is namelijk veel minder import nodig dan voor wederuitvoer (uitvoer van onbewerkte of lichte bewerkte geïmporteerde goederen). Daarnaast is er sinds 1996 (zie verschillende tabellen op StatLine) veel meer informatie beschikbaar over landen- en goederendetails voor zowel de in- als uitvoer. Van al deze ‘nieuwe’ informatie wordt in paragraaf 2.4 gebruik gemaakt.

Paragraaf 2.5 maakt naast Nederlandse goederenhandelsinformatie ook gebruik van externe bronnen om te toetsen welke factoren samenhangen met de export van Nederlandse makelij. In deze paragraaf worden de databronnen beschreven en ook de methodologische aanpak ten aanzien van de opzet van een zwaartekrachtmodel ter verklaring van de verschillen tussen landen in de import van goederen uit Nederland.

Het CBS startte in 1917 met het waarnemen van de in- en uitvoerstromen van goederen. In deze 100 jaar hebben belangrijke gebeurtenissen plaatsgevonden die hun weerslag hebben gehad op de internationale handel van Nederland.

Interbellum

De start van de statistiek IHG was aan het eind van de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918). Nederland was neutraal in deze oorlog, maar had economisch met name veel last van de blokkades en sabotage op zee. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hielden elkaar in een economische wurggreep door alle overzeese handel te blokkeren of saboteren (Paterson et al., 2005). In figuur 2.3.1 is de omvang van zowel de goederenimport als de -export ten opzichte van de omvang van de economie weergegeven voor de periode 1917 tot en met 1939noot2. Het is duidelijk te zien dat de Nederlandse handel het in de laatste oorlogsjaren 1917 en 1918 erg moeilijk had door alle handelsbelemmerende omstandigheden.

De periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog kenmerkte zich in eerste instantie door voorspoed als gevolg van de wederopbouw van Europa en de opkomst van nieuwe consumentenproducten zoals de auto (Historiek, 2007). De Nederlandse goederenhandel (met name de import) groeide in 1919 en 1920 (absoluut én relatief) explosief in vergelijking met de laatste oorlogsjaren.

In de jaren ’20 floreerde de Nederlandse handel van goederen, maar met de beurskrach op Wallstreet van 1929 kwam daar een abrupt einde aan. Deze beurskrach leidde tot een zware economische depressie wereldwijd. Instortende beurskoersen, dalende koopkracht en recordwerkloosheid zorgden voor een terugval in de economie en de internationale handel (Bakker, 2008; De Jong, 2012; Van Zanden, 2008). Het is duidelijk in figuur 2.3.1 te zien dat vanaf het eind van de 20er jaren de omvang van de handel ten opzichte van de totale economie sterk daalt. De omvang van de export neemt af van ruim 30 procent van het bbp tot minder dan 15 procent van het bbp. De import neemt af van 43 procent van het bbp naar 20 procent van het bbp. De afname van de handel was nog erger dan het hier lijkt, omdat ook het bbp sterk is gekrompen in die periode. Op het dieptepunt in 1935 was de handel in absolute termen zelfs met twee derde gekrompen ten opzichte van 1929.

De sterke daling van de handel in de jaren ’30 werd nog eens versterkt door protectionistische maatregelen van vele landen (Ronsse, 2017). De ‘New Deal’ politiek van president Roosevelt sinds 1932 leidt tot een vermindering van de Amerikaanse inkomensongelijkheid, maar zorgt niet voor een noodzakelijk herstel van de wereldeconomie (Johnston, 2017). 

Ondanks de sterke daling van zowel de import als de export veranderde er in deze periode relatief weinig in de verhouding tussen de continenten. Ongeveer twee derde van de import kwam uit Europa, gevolgd door bijna 20 procent uit Amerika. Van de export ging ongeveer driekwart naar Europa. Net als tegenwoordig was Duitsland destijds ook een belangrijke handelspartner; zelfs nog belangrijker dan nu. Aangezien Duitsland een grote economie is en dichtbij Nederland ligt, is het niet verwonderlijk dat Duitsland altijd al een zeer belangrijke handelspartner voor Nederland was. Ook in tijden van oorlog en herstel blijkt dit zo te zijn. Daarbij speelt ook de gunstige ligging van de Rijn en het Roergebied. Voor wat betreft de import is Duitsland in de hele vooroorlogse periode het belangrijkste herkomstland (zie figuur 2.3.2). Bij de export is het Verenigd Koninkrijk regelmatig een belangrijkere bestemming dan Duitsland. In de handel met België is goed het effect van de Eerste Wereldoorlog te zien. Na het einde van deze oorlog is het aandeel van België in zowel de import als de export meer dan verdubbeld (figuren 2.3.2 en 2.3.3)noot3. Ook Indonesië is in deze periode nog een belangrijke handelspartner voor Nederland, vanwege de koloniale banden.

Nederland is tegenwoordig na de VS de grootste landbouwexporteur ter wereld (CBS, 2018b), maar in het interbellum was deze export relatief nog belangrijker. In 1930 bestond ruim 40 procent van de totale export toen uit voedingsmiddelen, dranken en tabak en in aanloop naar de Tweede Wereldoorlog daalde dit aandeel naar circa een derde. Aan de importkant zijn industriële producten in deze periode de belangrijkste goederengroep.

Tweede Wereldoorlog

In de periode van de Tweede Wereldoorlog zijn de statistieken verre van compleet. Voor geen van de jaren van 1940 tot en met 1945 is er een bbp bekend en voor 1944 en 1945 zijn er ook geen handelsdata. Nederland was militair bezet en de Nederlandse economie kwam als Rijkscommissariaat Nederland onder Duits bestuur (De Jong, 1972). Voor de andere jaren zijn er wel gegevens over de goederenhandel. Het is niet verrassend dat het overgrote deel van de handel plaatsvond met de bezetter, nazi-Duitsland. In de jaren waarin Nederland gedurende het hele jaar onder het bewind van Duitsland stond en waarvan handelsdata beschikbaar zijn – 1940 tot en met 1943 – ging ongeveer 80 procent van de export richting Duitsland en was circa 70 procent van de import afkomstig uit Duitsland. Na Duitsland was België – ook een land dat was bezet door Duitsland – de belangrijkste handelspartner voor Nederland. Het belang van België voor de import nam in die drie jaar af van bijna 12 procent tot iets minder dan 10 procent. Bij de export was deze afname sterker, van iets meer dan 10 procent tot minder dan 7 procent.

De totale omvang van de goederenhandel nam in deze periode logischerwijs sterk af door de oorlog. In de jaren 1942 en 1943 had Nederland een handelsoverschot terwijl sinds het begin van de systematische publicatie van de handel Nederland altijd een tekort op de handelsbalans had.

Wederopbouw

De Tweede Wereldoorlog had diepe sporen achtergelaten in Europa. Ook Nederland had grote klappen opgelopen (Eng, 1987). Grote delen van infrastructuur zoals (spoor)bruggen en (spoor)wegen waren door het oorlogsgeweld vernield. Ook waren er veel fabrieken en huizen vernietigd of (zwaar) beschadigd. Voorbeelden hiervan zijn het gebombardeerde centrum van Rotterdam en de grote schade aan bruggen, huizen en fabrieken bij de slag om Arnhem. Grote delen van Nederland lagen in puin en er was grote behoefte aan van alles; van machines, bouwmaterialen en grondstoffen tot voeding. De eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog waren dan ook gericht op de wederopbouw van Nederland. Cruciaal hierbij was de Marshallhulp die de Verenigde Staten aan Europa gaf. De officiële benaming was het European Recovery Program, maar het plan werd al snel vernoemd naar de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken George Marshall die het initiatief nam. De officiële looptijd van het Marshallplan was van 1948 tot en met 1952 (Eng, 1987). Een nieuw systeem van stabiele wisselkoersen, gekoppeld aan de US dollar (Bretton Woods systeem) werkte gunstig voor de wereldhandel (Banning, 2011). Nederland profiteerde verder van het inzetten van loonmatiging (geleide loonpolitiek) ter verbetering van de eigen concurrentiepositie (Vakbondshistorie, 2012-18).

Ondanks dat de Marshallhulp pas in 1948 op gang kwam, leefde de Nederlandse goederenhandel wel gelijk op na afloop van de Tweede Wereldoorlog. In 1946 was het aandeel van de import al bijna op het niveau van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Omdat de export in eerste instantie logischerwijze nog achterbleef, kende Nederland in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog nog een groot handelstekort. In 1947 bedroeg het handelstekort zelfs 18 procent van het bbp. Aan het begin van de 50-er jaren groeide de export veel harder dan de import, waardoor het handelstekort fors daalde naar iets minder dan twee procent van het bbp in 1952.

Aan het begin van de wederopbouw is de Verenigde Staten met een aandeel van bijna een kwart in 1946 het belangrijkste herkomstland van de import. Deze belangrijke positie verandert echter vrij snel. In 1950 is de Verenigde Staten al gezakt naar de derde positie en is België het belangrijkste herkomstland. Duitsland staat dan alweer op de tweede plaats.noot4 Onze oosterburen kregen namelijk onder de Koude Oorlog dreiging ook Marshall kredieten (Lundestad, 2005). Het economische herstel van Duitsland kreeg begin jaren ’50 serieus gestalte, waardoor de traditionele exportmarkten van Nederland (landbouw, industrie) een impuls kregen.

Nederland importeerde in deze periode vooral industriële producten en fabrikaten. Denk daarbij aan materialen als textiel, ijzer en metaal. Ook was er grote behoefte aan grondstoffen (zoals metaalertsen en papier) en machines om de binnenlandse productie en fabrieken weer te herbouwen. Een belangrijke groeicategorie betreft de minerale brandstoffen. Het aandeel daarvan nam toe van 8 procent naar ruim 14 procent tussen 1946 en 1955. Een voorbeeld van zulke minerale brandstoffen is steenkool. Hier was grote behoefte aan, aangezien de eigen productie was teruggevallen naar een kwart van het vooroorlogse niveau (Kromhout, 2007).

De belangrijkste goederengroep voor de export van Nederland betreft voeding, dranken en tabak met een aandeel van 31 tot 39 procent gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de voeding een belangrijke goederengroep voor de Nederlandse export in de afgelopen eeuw was, is het belang wel afgenomen. Het blijft echter een belangrijk onderdeel van de Nederlandse export (CBS, 2016a). De jaren ’50 was daarnaast voor Nederland ook een bloeitijd voor wat betreft de ontwikkeling van de chemische, electrotechnische, machine- en metaalindustrie (Van Zanden, 1992). De Nederlandse export ging in de decennia hierna nog flink profiteren van deze progressie.

De Europese Unie en haar voorlopers

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een sterk besef dat protectionisme en nationalisme, gangbaar beleid in de jaren ’30, contraproductief zijn (Ronsse, 2017). Het eerste initiatief om te komen tot meer samenwerking tussen Europese landen was de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, opgericht in 1952 door België, West-Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland. In 1958 werden daarnaast ook de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie opgericht. In 1967 werden deze drie organisaties met het Verdrag van Brussel en het Fusieverdrag samengevoegd tot de Europese Gemeenschappen of EG (EUR-Lex, 1967). De EG (sinds 2009 de EU) heeft zich in de loop van de tijd verdiept van een douane-unie via een interne markt, in 1993, naar een muntunie, in 1999 (Europa-EU, 2018).

Naast een verdieping heeft er ook verbreding plaatsgevonden. De EG werd in verschillende stappen uitgebreid met meerdere landen. Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland werden in 1973 lid. In de tachtiger jaren werd de EG uitgebreid met Griekenland (1981), Portugal en Spanje (1986). Vervolgens werden Finland, Oostenrijk en Zweden in 1995 toegevoegd. De grootste uitbreiding kwam echter in 2004 toen tien landen in één keer lid werden.

Van deze nieuwe leden van de EG is het Verenigd Koninkrijk het belangrijkste voor de Nederlandse handel. Zoals in figuur 2.3.7 is te zien, nam het aandeel van het Verenigd Koninkrijk in zowel de import en export gestaag af gedurende de 50-er en 60-er jaren. Vanaf de toetreding van het Verenigd Koninkrijk in 1973 nam het aandeel in de import en export weer gestaag toe tot ongeveer 10 procent van de handel. Of dit een direct gevolg is van de toetreding is echter niet eenduidig te zeggen.

Periode 1955–1970

In de jaren ‘50 werkte Nederland, na het verliezen van Nederlands-Indië als kolonie (1949),  hard aan de verdere versterking van de eigen economie en welvaart met bijvoorbeeld een sterke focus op industrialisatie (kolenmijnen, sterke uitbreiding Hoogovens, scheepsbouw), (Goedkoop, 2011). De logistiek gunstige ligging van Nederland  wordt in de jaren ’60 verder uitgebouwd met de doorontwikkeling van havens en de daarbijhorende infrastructuur (Shavit, 2015). De ontdekking van aardgas in Slochteren in 1959noot5 (De Jong, 2005) en de verdere verspreiding van luxe consumentengoederen (auto’s, koelkasten, etc.) geven een verdere boost aan de Nederlandse economie en welvaart. Mede door het verlaten van de centrale loonpolitiek (in 1970) begonnen de lonen harder te stijgen en onstond er ruimte voor meer consumptie en import (Vakbondshistorie, 2012-18).

Oliecrises

In 1973 kwam er een eind aan het in 1944 ingevoerde Bretton Woods-systeem van vaste wisselkoersen. Binnen dit systeem kon alleen de dollar tegen een vaste hoeveelheid goud ingeruild worden, voor alle andere valuta werd een vaste wisselkoers met de dollar bepaald. Het uiteenvallen van Bretton Woods leidde er toe dat Nederland zijn gulden aan de Duitse Mark ging koppelen – een beleid dat tot aan de invoering van de ECU/Euro werd gevolgd. In deze periode had dat tot gevolg dat de effectieve wisselkoers 30–40 procent steeg (CBS, 2012). Dat was niet bepaald gunstig voor de Nederlandse concurrentie- en exportpositie. De export als percentage van het bbp daalde dan ook, van circa 40 procent naar 35 procent in 1978. Ook de oliecrises van 1973 en 1979 waren voor de jaren ‘70 beeldbepalend. Er kwam een einde aan de economische voorspoed van de jaren ‘50 en ‘60. Ook werd deze periode gekenmerkt door stagnerende productie en hoge inflatie (stagflatie), wat mede een gevolg was van de hoge olieprijzen. Minerale brandstoffen, zoals olie(producten) en aardgas, zijn gedurende de jaren ‘70 wel een steeds groter deel uit gaan maken van zowel de import als de export van Nederland en een drijvende kracht achter het uiteindelijke weer  groeiende aandeel export in het bbp geweest.

Als reactie op deze twee crises voerde de Nederlandse regering verschillende wijzigingen door in het economische beleid. De lonen werden net als in de jaren ’50 gematigd en de uitkeringen verlaagd. In het akkoord van Wassenaar (1982) werden de afspraken tussen de regering en de vakbonden en werkgeversverenigingen over het beleid van loonmatiging vastgelegd (Langenberg & Van der Zwam, 2007).

Hoewel Nederland in 1975 en 1976 al een miniem handelsoverschot had, kent de Nederlandse goederenhandelsbalans pas vanaf 1981 een structureel overschot. Sinds het begin van de waarneming van de internationale handel door het CBS had Nederland tot dan toe vrijwel altijd een tekort op de handelsbalans. Dit is in 2.3.9 in beeld gebracht. De omslag naar een structureel overschot wordt algemeen toegeschreven aan het langdurige beleid van loonmatiging waardoor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven verbeterde (Bakker, 2008) en de opkomst van de Nederlandse aardgasexport (Notten, 2015) en de groeiende doorvoer- en wederuitvoer functie van de Nederlandse havens. Door innovaties in transport en zeevaart (bijvoorbeeld containerisatie) konden er steeds meer goederen snel en steeds goedkoper vervoerd worden. Door de gunstige ligging van Nederland en de Rotterdamse haven komt nu een aanzienlijk deel van de Europese import via Nederland de Unie binnen.

Beurscrashes

De grote crisis van de jaren 30 werd ingeluid door de beurscrash van 1929. Ook in 1987 en 2000 deden zich flinke beurscrashes voor. Elk van deze crises had weer een andere oorzaak. In figuur 2.3.10 zijn deze twee beurscrashes gemarkeerd. Voor de ‘Zwarte Maandag’ crash van 1987 worden verschillende oorzaken genoemd. De meest genoemde factoren zijn de overwaardering van de aandelenkoersen, het groeiende handelstekort van de VS met een dalende koers van de dollar als gevolg en de recent geïntroduceerde geautomatiseerde beurshandel (Carlson, 2007). De gevolgen van deze crash bleven voor de Nederlandse handel echter relatief beperkt.

In de jaren ’80 en ’90 ging het bedrijfsleven zich, onder druk van onder andere aandeelhouders, activistischer opstellen (Westerhuis & De Jong, 2015). Dit vertaalt zich naar andere verdienmodellen van met name grote multinationals. Een voorbeeld hiervan is het opknippen van productieprocessen (zie ook paragraaf 2.4). Door het principe van concurrentie verdwijnen de bedrijven die hier niet aan mee willen of kunnen doen, omdat hun producten naar verhouding te duur worden. Ook supply chain management processen zoals ‘just in time’ komen op gang en leiden tot een verdere groei van de wereldhandel (Butter, 2007).

Op geopolitiek vlak vinden eind jaren ’80 en begin jaren ’90 grote veranderingen plaats, waar de wereldeconomie vandaag de dag nog van profiteert. Te denken valt aan de voortgaande ontwikkeling van de Europese interne markt (begin jaren ’90), de val van de Berlijnse muur (1989), het uiteenvallen van de Sovjet-Unie (1991) en grote politieke en economische ontwikkelingen in China (jaren ’80 tot aan toetreden tot de WTO in 2001).

In 2000 knapte de zogenaamde Internetzeepbel (dot-com bubble). Met de introductie van internet voor het brede publiek halverwege de jaren negentig ontstond een euforische stemming over de mogelijkheden en de gevolgen daarvan voor de economie (Alden, 2005). De lichte recessie die het gevolg van deze beurscrash was, vertaalde zich ook in een lagere omvang van de handel ten opzichte van het bbp. Wel had zowel de import als de export inmiddels de grens van 50 procent van het bbp bereikt. Een voorbode voor een enorme groei van de internationale handel in de periode daarop volgend.

In de vorige paragraaf stond de ontwikkeling van de Nederlandse goederenhandel tijdens de roerige 85 jaar sinds de start van de CBS-waarneming centraal. In deze paragraaf gaat het over de afgelopen 15 jaar, van 2002 tot 2017. Het jaar 2002 wordt gekozen als startpunt, omdat dat het eerste verslagjaar is waarin er onderscheid gemaakt kan worden tussen wederuitvoer en uitvoer van Nederlandse makelij binnen de totale uitvoer van goederen. Dit onderscheid is van groot belang, omdat de uitvoer van Nederlandse makelij veel meer bijdraagt aan het Nederlandse bbp dan de wederuitvoer van buitenlandse makelij (CBS, 2016c).

Ondanks een grote periode van mondiale crisis die ontstond uit problemen op de Amerikaanse hypotheekmarkt in 2007 – en mondiaal werd met het omvallen van topbank Lehman Brothers in september 2008 (CBS, 2009) –, is de Nederlandse goederenhandel hard gegroeid in de periode 2002 tot 2017. Het is zelfs zo dat zowel import- als exportwaarde, in euro’s gemeten, in deze 15 jaar even hard gegroeid zijn als in de 85 jaar ervoor. Maar ook in deze jaren was er geen sprake van een lineair groeipad. Afgaande op figuur 2.4.1 zijn er grofweg drie perioden te onderscheiden: (1) snel herstel van de dot-com crisis tot het uitbreken van de grote economische crisis van 2008, (2) voortdurende crisis, stagnatie en voorzichtig herstel tot circa 2015 en (3) hoogconjunctuur in de laatste jaren.

Binnen de periode van crisis zijn er grote schommelingen zichtbaar. Het jaar 2009 was het absolute economische rampjaar met een afname van de goederenhandel met 20 tot 30 procent en een krimp van 3,8 procent van het bbp. In 2010 was de handel echter al weer op het niveau van 2008 (inhaalgroei). Ook groeide de economie weer in 2010 en 2011, waarna plots de klad er weer in kwam en de economie in 2013 en 2014 opnieuw kromp (het bbp daalde met respectievelijk 1,1 en 0,2 procent). De laatste jaren is er weer sprake van economische groei met in 2017 zelfs de sterkste groei in tien jaar tijd (CBS, 2018c).

Dat de Nederlandse handel sinds 2002 gemiddeld genomen hard is gegroeid, ondanks een grote en langdurige mondiale crisis, heeft te maken met grote structurele veranderingen in de wereld die deels hun oorsprong hebben in de periode vόόr 2002 (zie de vorige paragraaf). Een eerste punt betreft de opkomst van grote opkomende (afzet)markten, zoals Brazilië, Rusland, India en China (BRIC-landen). Mede door de opkomst van dergelijke grootmachten groeide de wereldeconomie sterk. Zo groeide de wereldeconomie in 2000–2010 in absolute termen drie keer harder dan in elk van de twee decennia ervoor (Kuypers et al., 2012). De opkomst van China als exportmacht heeft deels te maken met het lid worden van de World Trade Organisation in 2001 (WTO, 2001), maar er zijn meer factoren zoals grote investeringen in onderwijs (Friedman, 2013) en technologie (Management Team, 2011) en een groeiende beleidsmatige focus op de export (Bezlova, 2009). Daarnaast zijn er uiteraard grote ontwikkelingen binnen Europa geweest met een verhoogde economische integratie (tot o.a. het vrije verkeer van goederen) binnen de EU en een voortdurende uitbreiding van zowel de EU als de eurozone. Een andere zeer belangrijke ontwikkeling betreft de fragmentatie van wereldwijde productieprocessen. In de laatste decennia heeft de productie van een specifiek goed in toenemende mate in meerdere landen plaatsgevonden. Het resultaat is dat goederen (halffabrikaten, tussenproducten) steeds vaker worden in- en uitgevoerd voordat ze kunnen worden geconsumeerdnoot6 (CBS, 2017c).

Tot nu toe is de totale goederenhandel besproken, zowel in- als uitvoer. Beide stromen hebben zich op vergelijkbare wijze ontwikkeld zoals te zien in figuur 2.4.1. De invoerwaarde groeide met 99 procent van 206 tot 410 miljard euro in 2017 en de exportwaarde verdubbelde ruim van 233 tot 469 miljard euro. Binnen de totale uitvoer is er wel sprake van een duidelijk afwijkende ontwikkeling. De wederuitvoer is sinds 2002 met 111 procent toegenomen tegenover een groei van 95 procent voor de export van Nederlands product.

Wederuitvoer is, omdat het om enorm grote stromen gaat, voor de Nederlandse economie van aanzienlijk belang, ondanks de relatieve lage bijdrage aan de economie per euro export (CBS, 2016c). De wederuitvoerstromen hebben grote impact op zowel de import- als exportstatistieken. Een aantal structurele factoren heeft met name invloed gehad op de snelle groei van de Nederlandse wederuitvoer. Zo heeft containerisatie plaatsgevonden waardoor het makkelijker en goedkoper werd om grote massa’s goederen over grote afstanden te verplaatsen (Levinson, 2016). Containerisatie is daarnaast extra gefaciliteerd door investeringen in grote zeeschepen en infrastructuur. Denk daarbij voor Nederland aan geavanceerde communicatiesystemen in de Rotterdamse haven, de ontwikkeling van de eerste gerobotiseerde containerterminals, havenuitbreiding met de Tweede Maasvlakte en de aanleg van de Betuwelijn. Wereldwijd zijn de communicatiekosten verder omlaag gebracht door met name grote ICT-ontwikkelingen rondom het internet en navigatie. Andere factoren die een rol spelen zijn wetgeving ten gunste van wederuitvoer (zoals reductie van invoerrechten en de Europese interne markt), een toenemende afhankelijkheid van lagelonenlanden voor hightech en een toenemende specialisatie rondom distributie en transport (Kuypers et al., 2012).

De landen van de huidige EU (nog inclusief het Verenigd Koninkrijk) zijn belangrijk voor Nederland als afzetmarkt bij de export en als leverancier bij de invoer. Traditiegetrouw is de EU belangrijker als afzetmarkt dan als leverancier. Zo haalt Nederland veel goederen uit Azië, met name China, en de VS en voert deze weer uit naar andere landen in Europa. Bij de totale invoer is het EU-aandeel in 2017 55 procent en bij de totale uitvoer is dat 72 procent.

Bij alle handelsstromen geldt een duidelijk afnemend EU-aandeel sinds 2002, omdat andere regio’s belangrijker voor Nederland worden. Het EU-aandeel bij de invoer is afgenomen van 59 tot 55 procent en bij de uitvoer is de afname nog groter, van 79 tot 72 procent. Ook bij de wederuitvoer en de uitvoer van Nederlandse makelij wordt de EU minder belangrijk. Daarbij is de wederuitvoer sterk op de EU gericht (81 procent in 2017) en de uitvoer van Nederlandse makelij veel minder (65 procent). Hoofdstuk 4 van deze publicatie gaat verder in op het belang van de EU als handelspartner van Nederland en de rol die fragmentatie van productieprocessen hierin speelt.

De tien belangrijkste landen bij de Nederlandse invoer zijn goed voor bijna twee derde van het totaal. Dat aandeel is in vijftien jaar tijd nauwelijks gewijzigd, maar wel de samenstelling van de top tien. Nieuwkomers in de top tien in vergelijking met 2002 zijn Rusland (van 11 naar 7), Noorwegen (van 12 naar 8) en Polen (van 22 naar 10). Japan, Spanje en Zweden zijn juist net uit de top tien gevallen. Binnen de top tien betreft de belangrijkste verschuiving China dat sinds 2002 is opgestoomd van een zesde naar een derde plek in de lijst van belangrijkste leveranciers voor Nederland. China heeft nu een aandeel van negen procent in de totale Nederlandse invoer tegenover vier procent in 2002.

2.4.3Belangrijkste landen van herkomst voor de Nederlandse goedereninvoer

2002
mld euro %
1 Duitsland 39,9 19
2 België 22,6 11
3 VS 18,2 9
4 Verenigd Koninkrijk 16,5 7
5 Frankrijk 11,8 6
6 China 8,9 4
7 Japan 6,4 3
8 Italië 6,3 3
9 Spanje 4,4 2
10 Zweden 4,1 2
Top-10 samen 139,1 66
2017*
mld euro %
1 Duitsland 74,5 18
2 België 42,3 10
3 China 35,8 9
4 VS 30,8 8
5 Verenigd Koninkrijk 23,2 6
6 Frankrijk 16,2 4
7 Rusland 15,2 4
8 Noorwegen 10,4 3
9 Italië 10,2 2
10 Polen 8,2 2
Top-10 samen 266,8 65

Bron: CBS.

De tien belangrijkste landen van bestemming binnen de Nederlandse export zijn goed voor maar liefst 68 procent van de totale export. Dat is wel een fors lager percentage dan in 2002. Toen was de top tien van landen goed voor 77 procent van het totaal. Met name de top vier (Duitsland, België, VK en Frankrijk) is verhoudingsgewijs minder belangrijk geworden. Polen (van 12 naar 8) en China (van 21 naar 9) zijn hier de nieuwkomers in de top tien. De opkomst van China als afzetmarkt is daarmee wel spectaculair te noemen. Het Chinese aandeel in de totale Nederlandse export is gegroeid van 0,7 procent in 2002 tot 2,5 procent in 2017. Zwitserland en Denemarken zijn net buiten de top tien gevallen. Binnen de top tien zijn verder geen grote verschuivingen. De belangrijkste verandering betreft dat VS Italië heeft afgelost als  vijfde exportbestemming voor Nederland.

2.4.4Belangrijkste landen van bestemming voor de Nederlandse goederenuitvoer

2002
mld euro %
1 Duitsland 56,5 24
2 België 27,5 12
3 Verenigd Koninkrijk 25,5 11
4 Frankrijk 23,4 10
5 Italië 14,3 6
6 VS 11,4 5
7 Spanje 8,2 4
8 Zweden 4,5 2
9 Zwitserland 3,9 2
10 Denemarken 3,4 1
Top-10 samen 178,5 77
2017*
mld euro %
1 Duitsland 107,2 23
2 België 47,3 10
3 Verenigd Koninkrijk 38,8 8
4 Frankrijk 37,4 8
5 VS 20,5 4
6 Italië 18,9 4
7 Spanje 13,9 3
8 Polen 11,9 3
9 China 11,6 2
10 Zweden 9,6 2
Top-10 samen 317,0 68

Bron: CBS.

De uitvoer van Nederlandse makelij is geografisch minder geconcentreerd dan de totale export. De top tien van landen is goed voor 64 procent tegenover 68 procent bij de totale export. Ook hier is het belang van de belangrijkste tien landen in de export door de tijd sterk afgenomen. Net als bij de totale export zijn China (van 17 naar 7) en Polen (van 12 naar 9) de enige nieuwkomers in de top tien van bestemmingen voor Nederlandse producten. China komt nu hoger uit dan Polen, omdat de export naar China gedomineerd wordt door Nederlandse makelij. Net als bij de vorige rangschikking vallen ook hier Zwitserland en Denemarken buiten de top tien. Het Verenigd Koninkrijk heeft in vergelijking met 2002 Frankrijk gepasseerd als derde belangrijkste bestemming voor Nederlandse goederen. In het kader van de lopende Brexit-onderhandelingen is dat een interessant gegeven.

 7e exportbestemming was China voor Nederlandse producten in 2017

2.4.5Belangrijkste landen van bestemming voor de uitvoer van Nederlandse makelij

2002
mld euro %
1 Duitsland 31,5 23
2 België 15,9 12
3 Frankrijk 13,2 10
4 Verenigd Koninkrijk 13,0 10
5 VS 8,2 6
6 Italië 7,8 6
7 Spanje 4,1 3
8 Zweden 2,3 2
9 Zwitserland 2,1 2
10 Denemarken 1,9 1
Top-10 samen 100,2 74
2017*
mld euro %
1 Duitsland 50,2 19
2 België 27,4 10
3 Verenigd Koninkrijk 20,0 8
4 Frankrijk 18,7 7
5 VS 14,5 6
6 Italië 9,5 4
7 China 9,2 4
8 Spanje 6,6 3
9 Polen 5,7 2
10 Zweden 5,1 2
Top-10 samen 167,1 64

Bron: CBS.

De Nederlandse wederuitvoer is sterk gericht op een relatief beperkt aantal landen. Maar liefst 73 procent van de totale wederuitvoer heeft als bestemming een van de tien meest voorkomende bestemmingen. In 2002 was het percentage zelfs 80 procent. Polen is een belangrijke nieuwe bestemming voor de wederuitvoer van goederen van buitenlandse makelij en stijgt met stip van 14 naar 7. Tsjechië is de andere nieuwe binnenkomer en stijgt sterk van 19 naar 10. Het toenemende belang van Polen en Tsjechië heeft ongetwijfeld te maken met het profiteren van het vrije verkeer van goederen door toetreding van deze landen tot de EU in 2004.

2.4.6Belangrijkste landen van bestemming voor de Nederlandse wederuitvoer

2002
mld euro %
1 Duitsland 24,9 25
2 Verenigd Koninkrijk 12,5 13
3 België 11,5 12
4 Frankrijk 10,2 10
5 Italië 6,5 7
6 Spanje 4,1 4
7 VS 3,2 3
8 Zweden 2,2 2
9 Zwitserland 1,7 2
10 Oostenrijk 1,6 2
Top-10 samen 78,5 80
2017*
mld euro %
1 Duitsland 56,9 28
2 België 19,8 10
3 Verenigd Koninkrijk 18,8 9
4 Frankrijk 18,7 9
5 Italië 9,3 5
6 Spanje 7,3 4
7 Polen 6,1 3
8 VS 6,0 3
9 Zweden 4,5 2
10 Tsjechië 4,4 2
Top-10 samen 151,9 73

Bron: CBS.

Minerale brandstoffen (zoals ruwe aardolie) en high-tech (machines, ICT-producten, apparaten, telefoons, etc.) domineren de Nederlandse goedereninvoer. In 2017 zijn minerale brandstoffen het belangrijkste met een aandeel van 16 procent in het totaal. Dat was in 2002 nog 10 procent. Er is slechts één nieuwkomer in de top tien en dat betreft de groep van diverse chemische producten (van 18 naar 10). Papier- en kartonwaren daalden van 9 naar 18. Binnen de top tien valt het verder op dat farmaceutische producten zoals medicijnen een stuk belangrijker geworden zijn. Een groot deel daarvan betreft invoer voor wederuitvoer. De gezamenlijke top tien is goed voor 65 procent van de totale invoer in zowel 2002 als in 2017.

2.4.7Belangrijkste goederen voor de Nederlandse invoer

2002
mld euro %
1 Machines, computers 34,7 17
2 Apparaten, telefoons 26,2 13
3 Minerale brandstoffen 20,7 10
4 Landvoertuigen 14,5 7
5 Wetenschappelijke
instrumenten
9,5 5
6 Kunststof(werken) 7,1 3
7 Organische chemie 6,8 3
8 Farmaceutische producten 6,1 3
9 Papier en karton(waren) 4,6 2
10 IJzer en staal 3,6 2
Top-10 samen 133,9 65
2017*
mld euro %
1 Minerale brandstoffen 65,5 16
2 Machines, computers 52,3 13
3 Apparaten, telefoons 49,6 12
4 Landvoertuigen 23,5 6
5 Wetenschappelijke
instrumenten
20,1 5
6 Farmaceutische producten 13,6 3
7 Kunststof(werken) 13,1 3
8 Organische chemie 12,0 3
9 IJzer en staal 8,6 2
10 Diverse chemie 6,7 2
Top-10 samen 265,1 65

Bron: CBS.

De goederensamenstelling bij de Nederlandse uitvoer is vergelijkbaar met de invoerkant. Ook hier zijn minerale brandstoffen en high-tech toonaangevend. De minerale brandstoffen betreffen met name aardolieproducten en aardgas. Ondanks het uitdovende belang van aardgas was het aandeel van de minerale brandstoffen in 2017 groter dan in 2002. IJzer en staal betreft de enige binnenkomer in de top tien (van 13 naar 9) en dat gaat ten koste van de vleesexport (van 10 naar 13). Net als bij de invoer zijn het ook nu weer de farmaceutische producten die binnen de top tien het hardst gestegen zijn (van 9 naar 5). Sierteelt, zoals bloemen, planten, boomkwekerijproducten en bloembollen is in 2017 het enige landbouwproduct in de export top tien.

2.4.8Belangrijkste goederen voor de Nederlandse uitvoer

2002
mld euro %
1 Machines, computers 38,4 17
2 Apparaten, telefoons 24,1 10
3 Minerale brandstoffen 19,0 8
4 Wetenschappelijke
instrumenten
12,8 6
5 Kunststof(werken) 11,8 5
6 Landvoertuigen 11,3 5
7 Organische chemie 10,6 5
8 Sierteelt 6,7 3
9 Farmaceutische producten 6,6 3
10 Vlees 4,5 2
Top-10 samen 145,8 63
2017*
mld euro %
1 Machines, computers 63,1 13
2 Minerale brandstoffen 59,7 13
3 Apparaten, telefoons 44,4 9
4 Wetenschappelijke
instrumenten
25,5 5
5 Farmaceutische producten 22,6 5
6 Kunststof(werken) 21,6 5
7 Landvoertuigen 20,7 4
8 Organische chemie 15,9 3
9 IJzer en staal 11,3 2
10 Sierteelt 9,0 2
Top-10 samen 293,7 63

Bron: CBS.

Het gezamenlijk belang van de tien belangrijkste goederen daalt als wordt gezuiverd voor de Nederlandse wederuitvoer. De eerste tien producten van Nederlandse makelij zijn in 2017 goed voor 59 procent van het totaal, iets meer dan in 2002. Minerale brandstoffen en machines blijven bovenaan staan, maar de kleinere apparaten en toestellen (zoals telefoons) dalen naar zes. Farmaceutische producten (van 14 naar 9) zijn nieuw in de top tien in vergelijking met 2002.  Dat gaat ten koste van zuivel (van 10 naar 12). Daardoor zijn in deze rangschikking sierteelt en vlees de enige landbouwproducten.

2.4.9Belangrijkste goederen voor de Nederlandse uitvoer van Nederlandse makelij

2002
mld euro %
1 Minerale brandstoffen 14,2 11
2 Machines, computers 10,8 8
3 Kunststof(werken) 9,6 7
4 Landvoertuigen 7,9 6
5 Organische chemie 7,3 5
6 Apparaten, telefoons 6,9 5
7 Sierteelt 6,5 5
8 Wetenschappelijke
instrumenten
6,1 4
9 Vlees 4,0 3
10 Zuivel 3,7 3
Top-10 samen 76,9 57
2017*
mld euro %
1 Minerale brandstoffen 37,2 14
2 Machines, computers 29,5 11
3 Landvoertuigen 16,8 6
4 Kunststof(werken) 16,8 6
5 Organische chemie 11,4 4
6 Apparaten, telefoons 9,3 4
7 Wetenschappelijke
instrumenten
9,2 4
8 Sierteelt 8,6 3
9 Farmaceutische producten 7,9 3
10 Vlees 7,2 3
Top-10 samen 153,8 59

Bron: CBS.

De Nederlandse wederuitvoer is qua goederensamenstelling een stuk geconcentreerder dan de export van Nederlands makelij. De eerste tien goederen zijn goed voor 70 procent (74 procent in 2002). High-tech en minerale brandstoffen staan ook nu weer bovenaan. Nieuw in de top tien zijn in vergelijking met 2002 fruit en ijzer en staal (in de plaats van landvoertuigen en niet gebreide kleding). Fruit is door grote en steeds toenemende wederuitvoerstromen door Nederland inmiddels het op vier na meest geëxporteerde landbouwproduct (CBS, 2018a). De snelste opkomst geldt voor de avocado, na de druif de meest ingevoerde fruitsoort door Nederland (CBS, 2017a).

2.4.10Belangrijkste goederen voor de Nederlandse wederuitvoer

2002
mld euro %
1 Machines, computers 27,7 28
2 Apparaten, telefoons 17,2 18
3 Wetenschappelijke
instrumenten
6,8 7
4 Minerale brandstoffen 4,8 5
5 Farmaceutische producten 3,4 3
6 Landvoertuigen 3,4 3
7 Organische chemie 3,3 3
8 Kunststof(werken) 2,3 2
9 Kleding, niet breiwerk 1,9 2
10 Kleding van breiwerk 1,4 1
Top-10 samen 72,1 74
2017*
mld euro %
1 Apparaten, telefoons 35,1 17
2 Machines, computers 33,5 16
3 Minerale brandstoffen 22,6 11
4 Wetenschappelijke
instrumenten
16,3 8
5 Farmaceutische producten 14,7 7
6 Kunststof(werken) 4,8 2
7 Organische chemie 4,5 2
8 Fruit 4,2 2
9 IJzer en staal 4,2 2
10 Kleding van breiwerk 3,9 2
Top-10 samen 143,7 70

Bron: CBS.

2.5Zwaartekrachtmodel van de Nederlandse export

In de vorige paragrafen werd de ontwikkeling van de Nederlandse goederenhandel in de afgelopen honderd jaar in vogelvlucht gepresenteerd. In deze paragraaf wordt stilgestaan bij alleen het meeste recente jaar, 2017noot7, en specifiek de Nederlandse export naar alle andere landen in de wereld. De vraag die in deze paragraaf beantwoord wordt, is: ‘Wat zijn de belangrijkste verklaringen voor verschillen tussen landen van bestemming in de Nederlandse export naar die landen?’. In eerdere CBS-onderzoeken (Ramaekers & De Wit, 2012; Van den Berg & Moons, 2015) bleken de variabelen economiegrootte (van het bestemmingsland) en afstand (tot het bestemmingsland) een groot deel van de verschillen te verklaren. Dat is geen verrassing, want dat zijn de variabelen die verwacht worden op basis van de onderliggende zwaartekrachttheorie (Tinbergen, 1962) en de twee variabelen die in alle wereldwijde bekende onderzoeken als eerste naar voren komen. Voortbouwend op de eerdere CBS-onderzoeken uit 2012 en 2015 wordt in dit onderzoek specifiek gekeken naar de export van Nederlandse makelij (omdat dat voor Nederland de meest relevante export is) en worden actuelere data gebruikt (nu 2017-data).

Om bovenstaande vraag zo goed mogelijk te beantwoorden, is op basis van bestaande literatuur en economische theorie een set variabelen geïdentificeerd die mogelijk een verklaring kan bieden voor verschillen tussen landen in de omvang van de import uit Nederland. Figuur 2.5.1 toont alle onderzochte variabelen en presenteert de belangrijkste regressieresultaten. De tien onderzochte variabelen samen hebben een verklaringskracht van 86,4 procent (adjusted R-Square). Oftewel, ruim 86 procent van de omvang van de export van Nederlandse goederen kan worden verklaard met de tien onafhankelijke variabelen in het model. Daarbij gaat het om 186 onderzochte landen van bestemming in het onderzoek, omdat dat het aantal landen is waarvoor voor elke variabele recente data beschikbaar warennoot8.

2.5.1Resultaten uitgebreid regressiemodel

Verklarende variabelen
Coëfficienten Significantie
Gestandaardiseerd T-waarde P-waarde
Constante 3,188 0,002
LN_bbp 0,849 19,249 0,000
LN_afstand -0,333 -7,619 0,000
Landlocked -0,157 -5,337 0,000
Econ_glob 0,142 3,811 0,000
Hist_banden 0,081 2,951 0,004
LN_bbp_hoofd -0,179 -3,388 0,001
Inst_afstand -0,114 -2,130 0,035
EU -0,062 -1,403 0,162
Neg_reisadvies -0,031 -0,944 0,346
Cult_glob -0,012 -0,212 0,832

Verklarende kracht model (R square adjusted): 86,4 procent.

Aantal landen model (N): 186.

Te verklaren variabele: LN_export_NL.

LN_export_NL betreft de afhankelijke variabele van het model en is de natuurlijke logaritmenoot9 van de Nederlandse export van Nederlandse makelij (in euro’s) in 2017 (databron CBS). Dit is dus de hier te verklaren variabele.

Hieronder worden de onafhankelijke variabelen in het model besproken in volgorde van hoog naar laag verklarend belang voor het model:

  1. LN_bbp: de natuurlijke logaritme van het nominale bbp (in euro’s) in 2017 van elk partnerland (bron IMF). Economiegrootte betreft de meest verklarende onafhankelijke variabele voor de verschillen tussen landen voor de import uit Nederland. Zoals de zwaartekrachttheorie voorspelt handelt Nederland, al het andere gelijk, meer met landen met een grote economie dan met landen met een kleine economie. De samenhang is statistisch significant op elk gangbaar niveau.
     
  2. LN_afstand: de natuurlijke logaritme van de afstand (in kilometers) van Nederland (hier Amsterdam) tot de hoofdsteden van alle andere landen in de wereld (bron: website distancefromto.net). Na economiegrootte is geografische afstand de meest verklarende variabele in het model (overeenkomstig de onderliggende theorie). Zoals de zwaartekrachttheorie voorspelt handelt Nederland, al het andere gelijk, meer met landen dichtbij dan met landen veraf. Ook hier is de samenhang statistisch significant op elk gangbaar niveau.
     
  3. Landlocked: dit betreft een dummy-variabele die 0 is indien een land aan internationaal bereikbaar water ligt en 1 indien het om een land gaat dat via water niet te bereiken is (‘landlocked’, bron: CEPII). Zoals verwacht is er een negatief significant verband met de Nederlandse export. Het is logisch dat Nederland meer exporteert naar een land dat aan de kust ligt dan aan een vergelijkbaar land dat van zee afgesloten is. Bovendien speelt hier mee dat bij de statistiek internationale handel in goederen het laatste land van herkomst en het eerste land van bestemming tellen en niet de landen van oorsprong of uiteindelijke bestemming. Een import van Nederlandse aardolieproducten door de Centraal-Afrikaanse Republiek via Nigeria telt dus als Nederlandse export naar Nigeria. Ook bijvoorbeeld Moore (2017) vindt een significante ‘trade penalty’ voor ‘landlocked countries’.
     
  4. Econ_glob: dit betreft een variabele die aangeeft in hoeverre een land economisch is geglobaliseerd (zie ook de voorbeelden in hoofdstuk 1). De variabele is geconstrueerd door het KOF-instituut gebruikmakend van data van de Wereld Bank, IMF en eigen analyses. Daarbij wordt per land bekeken hoe zowel goederen- als dienstenhandel zich verhouden tot het eigen bbp. Daarnaast wordt ook gekeken naar het aantal handelspartners in verhouding tot de handelsomvang. Zoals verwacht is er een positief significant verband met de Nederlandse export. Landen met een hoge ratio van handel versus het bbp zijn, alle andere gelijk, open economieën die open staan voor de handel met andere landen. Een hoog aantal handelspartners in vergelijking met de handelsomvang geeft onder meer aan hoe open een land staat voor de handel met verre landen. Een Aziatisch land dat vrijwel alleen maar handelt met andere Aziatische landen is bijvoorbeeld een lastige afzetmarkt voor Nederland.
     
  5. Hist_banden: dit betreft een dummy-variabele die 1 is indien Nederland in het (verre) verleden koloniale banden met het land had. Zoals verwacht is er een significant positief verband met de Nederlandse export. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de variabele een gebrekkige spreiding heeft, omdat er slechts vier landen zijn met een 1-score en 182 landen met een 0-score. Volgens Head et al. (2011) neemt het effect van historische banden, na onafhankelijkheid van de kolonie, sterk door de tijd af. De handel met de gemiddelde ex-kolonie neemt, alle andere gelijk, 40 jaar na onafhankelijkheid met 65 procent af. Aangezien Nederland al een tijd geen kolonies meer heeft, zal het effect van deze variabele op de export steeds verder afnemen.
     
  6. LN_bbp_hoofd: de natuurlijke logaritme van het bbp per hoofd van de bevolking op basis van IMF-data voor bbp en populatiedata van CIAnoot10. De initiële verwachting was een positief verband met Nederlandse export (dit komt wel uit een enkelvoudig model), maar opvallend genoeg komt er een significant negatief verband uit het model met tien variabelen (en een insignificant verband zonder logaritmische transformatie). Het onverwachte effect houdt verband met hoge correlaties met andere onafhankelijke variabelen in het model zoals institutionele kwaliteit en culturele globalisering. De Groot et al. (2005) tonen in hun onderzoek aan dat bbp per hoofd een insignificant verband met bilaterale handel heeft en dat het juist institutionele kwaliteit is dat (onderliggend) effect op de handel heeft en niet zo zeer bbp per hoofd zelf. Rijke landen zijn over het algemeen ook landen met een hoge institutionele kwaliteit en dat maakt het interessante handelspartners omdat ze effectief zijn bij de verdediging van eigenaarsrechten en daarmee transactiekosten omlaag brengen. Redenerend vanuit economische theorie is er geen eenduidig direct verband tussen export en bbp per hoofd te verwachten (De Groot et al., 2005).
     
  7. Inst_afstand: dit betreft een variabele die aangeeft in hoeverre de institutionele kwaliteit van een land afwijkt van Nederland. Deze is berekend op basis van Worldwide Governance Indicators van Kauffman. Voor elke subindicator (voice accountability, political stability, government effectiveness, regulatory quality, rule of law, control of corruption) is de (absolute) afstand tot Nederland berekend, waarna een gemiddelde per subindicator is gecalculeerd. Zoals verwacht is er een significant negatief verband met Nederlandse export. Wel is de variabele bovengemiddeld gecorreleerd met andere variabelen zoals bbp per hoofd of culturele globalisering.
     
  8. EU: dit betreft een dummy-variabele die 1 is indien een land onderdeel is van de huidige EU28. Uit een enkelvoudige regressie (met alleen deze dummy) komt het verwachte positieve verband met Nederlandse export, maar in dit model betreft het een insignificant verband.  Het ontbreken van significantie van de EU-dummy wordt waarschijnlijk verklaard door de hoge correlatie met afstand; EU-landen liggen relatief dichtbij.
     
  9. Neg_reisadvies: dit betreft een dummy-variabele die 1 is indien er sprake is van een groot langdurig conflict dat de handel met Nederland belemmert of kan belemmeren.  Hierbij is gebruik gemaakt van informatie over recente reisadviezen per land van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het gevonden verband is insignificant, er zijn relatief hoge correlaties met andere variabelen en bovendien is de verklarende kracht van de variabele volgens het model relatief klein.
     
  10. Cult_glob: dit betreft een variabele die de culturele globalisering per land beschrijft, zoals samengesteld door het KOF-instituut. Onderliggend gaat het om verschillen met de westerse cultuur op het gebied van de handel in culturele goederen (cijfers VN), patentaanvragen (World Bank), handel in persoonlijke diensten (IMF), aantal McDonald’s restaurants en IKEA-winkels (verschillende bronnen), zie ook Lejour en Creusen (2015). Ook hier is het verband niet significant en zijn er issues met correlaties en een relatief lage verklarende kracht.
     

82% van de exportverschillen kan worden verklaard door economiegrootte en afstand

Figuur 2.5.2 sorteert de variabelen naar verklarende kracht op basis van een geautomatiseerde stapsgewijze methode. Bij deze methode wordt per stap één onafhankelijke variabele aan het model toegevoegd en wel in de volgorde van relatieve invloed op de afhankelijke waardenoot11. De figuur laat zien dat economiegrootte alleen al 73,7 procent van de verschillen tussen landen in de import uit Nederland verklaart. Geografische afstand zorgt voor een extra verklaring van 8,2 procentpunt. Ligging aan zee (extra 2,2 procentpunt) en economische globalisering (extra 1,0 procentpunt) hebben ook nog een zekere toegevoegde waarde. De vier variabelen verklaren daarmee 85,1 procent. De zes overige variabelen zorgen samen voor een extra verklaring van slechts 1,3 procentpunt. De laatste drie van deze zes variabelen zorgen zelfs voor een lichte daling in de verklarende kracht van het model.

Economiegrootte, geografische afstand, ligging aan zee en economische globalisering zijn niet alleen de krachtigste verklarende variabelen voor verschillen tussen landen in de import van Nederlandse goederen. Het model zorgt voor plausibele resultaten en heeft geen last van econometrische issues, zoals correlaties tussen onafhankelijke variabelen. Eerder is getoond dat het toevoegen van bbp per hoofd en EU als dummy tot onverwachte verbanden met de Nederlandse export leidt. Dit speelt ook bij de toevoeging van andere variabelen zoals institutionele afstand, reisadvies en culturele globalisering. Een model met economiegrootte, geografische afstand, ligging aan zee en economische globalisering lijkt daarmee het meest ideale compacte model gegeven de tien variabelen die voor dit onderzoek onderzocht zijn. Het geeft de volgende resultaten met vergelijkbare gestandaardiseerde beta-coëfficienten als in het uitgebreide model met tien variabelen.

2.5.3Resultaten compact regressiemodel

Verklarende variabelen
Coëfficienten Significantie
Gestandaardiseerd T-waarde P-waarde
Constante 0,574 0,567
LN_bbp 0,791 23,119 0,000
LN_afstand -0,271 -7,894 0,000
Landlocked -0,133 -4,531 0,000
Econ_glob 0,124 3,673 0,000

Verklarende kracht model (R square adjusted): 85,1 procent.

Aantal landen model (N): 186.

Te verklaren variabele: LN_export_NL.

Door het schatten van de totale Nederlandse export in plaats van enkel de export van Nederlandse makelij verandert er niet veel in de resultaten. Het belangrijkste verschil is dat de verklarende kracht van het model iets omhoog gaat, van 85,1 procent naar 86,5 procent.

2.6Samenvatting en conclusie

In dit hoofdstuk is de Nederlandse goederenhandel onder de loep genomen middels een terugblik op de afgelopen 100 jaar (sinds de meting door het CBS) en een blik op de belangrijkste verklaringen voor de verschillen in de Nederlandse export in 2017. Sinds 1917 is de Nederlandse invoer circa 930 keer groter geworden en de Nederlandse uitvoer circa 1 260 keer. Een belangrijke verklaring betreft voortdurende prijsstijgingen. Door deze explosieve stijging van de Nederlandse goederenhandel is er voor gekozen om naar de ontwikkeling van de Nederlandse handel als percentage van het eigen bbp te kijken. Ook na deze correctie is er nog sprake van een sterk groeiende handel en dat geldt zeker voor de uitvoer (van 24 procent in 1917 tot circa 64 procent in 2017). De invoer is minder hard gegroeid en dat is terug te zien in de Nederlandse handelsbalans. Pas vanaf de jaren ’80 kent Nederland een structureel handelsoverschot, daarvoor een handelstekort. De omslag hangt samen met nationale akkoorden over loonmatiging en de opkomst van de Nederlandse aardgasexport. Duitsland is sinds medio jaren ’50  altijd de belangrijkste handelspartner geweest voor Nederland, zowel belangrijkste afnemer als leverancier. Duitsland was ook de belangrijkste leverancier van goederen voor het begin van de Tweede Wereldoorlog (in de andere jaren was dat België of de VS).  De belangrijkste afnemer van Nederlandse goederen was tot 1954 afwisselend Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk.

In de laatste decennia is de Nederlandse handel extra sterk gegroeid, hoewel natuurlijk wel fors gehinderd door een langdurige mondiale economische crisis sinds het einde van 2008. De opkomst van de BRIC-landen, de toetreding van China tot de WTO, verregaande economische integratie binnen Europa en fragmentatie van productieprocessen hebben een rol gespeeld bij de explosief stijgende Nederlandse handel. De Rotterdamse haven heeft op allerlei manieren slim ingespeeld op deze wereldwijde ontwikkelingen en dat heeft zich onder meer geuit in een zeer sterke stijging van de wederuitvoer die zowel op de Nederlandse invoer- als uitvoercijfers zijn weerslag heeft. Toch zijn de belangrijkste landen van herkomst en bestemming in 2002 over het algemeen ook de belangrijkste landen in 2017. Meest in het oog springend is de opkomst van Rusland (bij de invoer), Polen en China (bij zowel in- als uitvoer). China is als bestemming voor Nederlands product zelfs gestegen van plek 17 in 2002 naar plek 7 in 2017. Voor de goederen is het beeld vergelijkbaar. De belangrijkste goederen voor de Nederlandse handel in 2002 zijn ook de belangrijkste in 2017.

In de vijfde paragraaf is stilgestaan bij de geografische verdeling van de goederenexport van Nederlande makelij en de verklaringen hiervoor. Wat verklaart dat Nederland relatief veel eigen goederen naar het ene land exporteert en relatief weinig naar het andere? Uit onderzoek naar tien mogelijk verklarende variabelen voor verschillen tussen exportbestemmingen komt naar voren dat met name de grootte van de economie van het bestemmingsland, de afstand tot het bestemmingsland, ligging aan zee en de mate van economische globalisering bepalend zijn voor de verschillen in exportomvang tussen bestemmingen. Deze vier variabelen verklaren samen ruim 85 procent van de verschillen tussen landen voor de import van Nederlandse goederen.

2.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Alden, C. (2005), Looking back on the crash. Geraadpleegd op de website van The Guardian: https://www.theguardian.com/technology/2005/mar/10/newmedia.media, op 31 januari 2018.

Anderson, J.E. (1979), A theoretical foundation for the gravity equation. American Economic Review 69(1), 106–116.

Bakker, G. den (2008), Economische crises jaren dertig en tachtig vergeleken. In De Nederlandse Economie 2008. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Banning (2011), De internationale economie heeft grote behoefte aan nieuw ‘Bretton Woods’. Geraadpleegd op de website van NRC Handelsblad: https://www.nrc.nl/nieuws/2011/04/20/de-internationale-economie-heeft-grotebehoefte-aan-12011699-a1198040, op 7 februari 2018.

Berg, M. van den, & Moons, S. (2015), Exporteren of Investeren? De invloed van ontwikkelingsniveau en bilaterale hulp op de internationalisering van het Nederlands bedrijfsleven. In CBS Internationaliseringsmonitor 2015, vierde kwartaal:
Duurzaamheid. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Bezlova, A. (2009), Snelle economische groei baart China zorgen. Geraadpleegd op de website van Mondiaal Nieuws: https://www.mo.be/fr/node/14242, op 10 februari 2018.

Butter, F.A.G. den (2007), De bijdrage van supply chain management aan welvaarts- en productiviteitsgroei in Nederland, Beleidsimplicaties in economisch kader. In E. Levinga & F. Schreppers (red.), Supply Chain Management Meervoudig Beschouwd. Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Adviesdienst Verkeer en Vervoer, 68–106.

Carlson, M, (2007), A brief history of the 1987 Stock Market Crash with a Discussion of the Federal Reserve Response. Divisions of Research & Statistics and Monetary Affairs, Federal Reserve Board: Washington, DC.

CBS (2009), De Nederlandse economie 2008. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2010a), 111 jaar statistiek in tijdreeksen, 1899 – 2010. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2010b), Terugblikken, een eeuw in statistieken. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2013), De Nederlandse economie 2012. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2016a), Internationaliseringsmonitor tweede kwartaal: Agribusiness. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2016b), Bijdrage wederuitvoer aan bbp in 20 jaar verdubbeld.Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2017a), Nederland tweede avocado-importeur ter wereld. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2017b), Hightechindustrie exporteert voor bijna 22 miljard. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2017c), Internationaliseringsmonitor vierde kwartaal: Waardeketens. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2018a), Nederlandse landbouwexport op recordhoogte. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS & WUR (2018b), De Nederlandse landbouwexport 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek en Wageningen University & Research: Den Haag/Heerlen/Bonaire/Wageningen.

CBS (2018c), Bbp groeit met 0,8 procent in vierde kwartaal 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

De Groot, H., Linders, G. & Rietveld, P. (2005), Institutions, Governance and International Trade, opening the black box of OECD and GDP per capita effects in gravity equations. International issues in the sustainability of cross-border transport, IATSS Research, Volume 29(2).

Eng, P. van der, (1987), De Marshall-hulp. Een perspectief voor Nederland. 1947 – 1955. De Haan-Unieboek: Houten.

EUR-Lex (1967),Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie van de Europese Gemeenschappen. 152/2.

Europese Unie (2018), De geschiedenis van de Europese Unie. Geraadpleegd op de website van Europese Unie: https://europa.eu/european-union/about-eu/history_nl, op 2 februari 2018.

Field, A. (2005), Discovering Statistics using SPSS. Second edition, Sage Publications Ltd: London.

Friedman, T. (2013), 'Het geheim van het goede Chinese onderwijs? Er is geen geheim'. Geraadpleegd op de website van De Volkskrant:  https://www.volkskrant.nl/buitenland/-het-geheim-van-het-goede-chinese-onderwijs-er-is-geen-geheim~a3535274/, op 25 januari 2018.

Goedkoop, H. (verteller) (2011), Special jaren ’50 [TV-programma]. In T. Lindenkamp, I. Bieze & J. Hakkenberg (producenten). Andere Tijden. 11 juni 2011, VPRO/NTR: Hilversum.

Head, K., Mayer, T. & Ries, J. (2011), The erosion of colonial trade linkages after independence. Journal of International Economics, Elsevier, 81 (1), 1–14.

Historiek (2007), Henry Ford (1863–1947). Uitvinder van de personenauto. Geraadpleegd op de website van Historiek: https://historiek.net/henry-ford-uitvinder-eerste-personenauto/212/, op 3 februari 2018.

Isard, W. (1954), Location theory and trade theory: short run analysis. Quarterly Journal of Economics, 68, 305–22.

Johnston (2017), The economic effects of the New Deal. Geraadpleegd op de website van Investopedia: https://www.investopedia.com/articles/investing/011116/economic-effects-new-deal.asp, op 5 februari 2018.

Jong, L. de, (1972), Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. IV: mei '40 – maart '41, eerste helft. Staatsuitgeverij: ’s-Gravenhage.

Jong, H. de, (2005), De magie van Slochteren. Historisch Nieuwsblad, Vol. 8, 24–27.

Jong, H. de, (2012), De crisis van de jaren dertig: verloren jaren of grote sprong voorwaarts? Oratie uitsproken op 11 december 2012, Rijksuniversiteit Groningen: Groningen.

Kromhout, B. (2007), De wederopbouw van Nederland. Historisch Nieuwsblad, Vol. 5.

Kuypers, F., Lejour, A., Lemmers O. & Ramaekers, P. (2012), Kenmerken van Wederuitvoerbedrijven. Centraal Planbureau & Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Langenberg, H. & van der Zwam, J. (2007), Akkoord van Wassenaar keerpunt op de arbeidsmarkt. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Lejour, A., & Creusen, H. (2015), Using stepping stones to enter distant export markets, Global Economy Journal, 15(1), 107–132.

Levinson, M., (2016), The Box: How the shipping container made the World smaller and the World economy bigger. Princeton University Press: Princeton.

Lundestad, G. (2005), The United States and Western Europe since 1945: From ‘Empire’ by Invitation to Transatlantic Drift. Oxford University Press: Oxford.

Moore, A. (2017), Quantifying the Landlocked Trade Penalty using Structural Gravity. Journal of Quantitative Economics, 1–18.

Management Team (2011), Opkomst van een R&D-reus. Geraadpleegd op de website van Management Team: https://www.mt.nl/business/opkomst-van-een-rd-reus/65545, op 23 januari.

Notten, F. (2015), De invloed van de aardgaswinning op de Nederlandse economie. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Paterson, T., Clifford, J., Maddock, S., Kisatsky, D. & Hagan, K. (2005), American Foreign Relations. A History Since 1895. Houghton MifflinCompany: Boston/New York.

Ramaekers, P. & de Wit, T. (2012), Economiegrootte, afstand en de handel van Nederland met andere landen. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Ronsse, S. (2017), Protectionisme in historisch perspectief. In Beke, W., Bos, C., Dalle, B., De Maeyer, J., Gobbin, N., Janssen, G., Judo, F., Penen, M., Smets, J., Vanden Berghe, I. & Van Hecke, M. (red.), Christen-Democratische Reflecties, Tussen vrijhandel en bescherming, (5)2.

Santos Silva, J.M.C. & Tenreyro, S. (2006), The log of gravity, The review of economics and statistics, 88 (4), 641–658, Presidents and Follows of Harvard college and the Massachusetts Institute.

Shavit, J. (2015), Verslag: de ontwikkeling van een wereldhaven, Lezing Rotterdam als wereldhaven in de 19e en 20e eeuw. Geraadpleegd op de website van Historici: https://www.historici.nl/verslag-de-ontwikkeling-van-een-wereldhaven/, op 19 januari 2018.

The Economist (1977), The Dutch Disease. 82–83.

Tinbergen, J. (1963). Shaping the world economy. Thunderbird International Business Review, 5(1), 27–30.

Ullman, E.L. (1954), Geography as spatial interaction. In D. Rezvan & E.S. Engelbert (red.), Interregional Linkages, Proceedings of the Western Committee on Regional Economic Analysis. The University of California: Berkeley, CA. 63–71.

Vakbondshistorie (2012–2018), Tijdbalk 1945–1975. Geraadpleegd op de website van Vakbondshistorie: https://www.vakbondshistorie.nl/tijdbalk-canon/tijdbalk-1945-1975/, op 26 februari 2018.

Westerhuis, G. & de Jong, A. (2015), Over geld en macht; financiering en corporate governance van het Nederlandse bedrijfsleven. Bedrijfsleven in Nederland in de twintigste eeuw, deel 7. Boom: Amsterdam.

WTO (2001), WTO ministerial conference approves China’s accession. Wereldhandelsorganisatie: New York.

Zanden, J. L. van (1992), De economische ontwikkeling van Nederland en België en het 'succes' van de Benelux, 1945–1958. Het Benelux-effect: Amsterdam.

Zanden, J.L. van  (2008), De jaren dertig op herhaling? Geraadpleegd op de website van Me Judice: http://www.mejudice.nl/artikelen/detail/de-jaren-dertig-op-herhaling, op 16 februari 2018.

Zeiler, F.D. & Dekkers, G. (1997), Sporen van de Hanze. Glorie van een gouden eeuw. Waanders: Zwolle.

Gebruikte databronnen

CBS-StatLine, Internationale Handel  in Goederen, Historiereeks 1917–2017; http://statline.cbs.nl/Statweb/selection/?DM=SLNL&PA=70792NED&VW=T

CBS-StatLine, Internationale Handel in Goederen, Diverse tabellen;
http://statline.cbs.nl/Statweb/dome/default.aspx

CBS-StatLine, Macro-Economie, Nationale Rekeningen Historiereeks 1900–2012;
http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=7343nr&D1=0-8&D2=0&D3=a&HD=080827-1126&HDR=T,G1&STB=G2

Central Intelligence Agency (CIA), World Factbook, populatiedata;
https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/

CEPII Research Center, Landlocked data per land en data over historische banden;
http://www.cepii.fr/CEPII/en/cepii/cepii.asp

Distancefromto.net, distance between cities and places;
https://www.distancefromto.net/

International Monetary Fund, World Economic Outlook Database, October 2017, Forecast data 2017 voor bbp;
https://www.imf.org/external/pubs/ft/weo/2017/02/weodata/index.aspx

Kauffman Foundation, data over institutionele kwaliteit;
https://www.kauffman.org/microsites/state-of-the-field/user-resources/data-resources

KOF Swiss Economic Institute, 2018 KOF Globalisation Index, Data voor economische globalisering en culturele globalisering;
https://www.kof.ethz.ch/en/

Ministerie van Buitenlandse Zaken, recente data over reisadviezen per land;
https://www.nederlandwereldwijd.nl/reizen/reisadviezen

Noten

Het gaat hier om de handelswaarde (verkoopwaarde) gedeeld door het totale bbp (toegevoegde waarde), dus niet het aandeel van de handel in het bbp (beiden toegevoegde waarde).

Voor de periode 1917-1920 zijn geen bbp-data voor Nederland gebruikt (geen data beschikbaar), maar daarvoor in de plaats wel cijfers over het netto nationaal inkomen. Voor de jaren 1920-1925 zijn de verschillen tussen bbp en nationaal inkomen nihil en daarmee is netto nationaal inkomen een goede proxy voor bbp in de ontbrekende jaren.

In de IHG statistieken is België tot en met 1999 inclusief Luxemburg en daarna zonder Luxemburg. Ook in de periode 1941-1943 wordt Luxemburg niet bij België opgeteld.

De Duitsland-data van 1950 t/m 1990 betreffen alléén West-Duitsland. Vanaf 1991 gaan de data over geheel Duitsland, inclusief voormalig Oost-Duitsland.

De economische dominantie die de aardgaswinning krijgt binnen de Nederlandse economie zet wel druk op de overige exportproducten tegen het einde van deze periode. Dit proces wordt ook wel beschreven als de ‘Dutch disease’ (The Economist, 1977). Sectoren zoals de scheepsbouw en de textielindustrie krijgen het lastig, ook omdat de lonen in deze periode flink omhoog gaan.

Dit heeft geleid tot wereldwijd een sterke groei van de ratio handel en bbp, maar slechts een lichte groei van de bijdrage van de export aan het bbp. De hier besproken handelswaarden zijn namelijk brutowaarden (omzetwaarden) en het bbp is altijd een toegevoegde waarde.

Centraal in deze paragraaf staan de verklaringen voor de verschillen tussen landen voor wat betreft de import uit Nederland. Daarvoor is het testen van een regressiemodel voor één jaar voldoende.

Nederland exporteert naar vrijwel alle landen ter wereld. Voor de (hele kleine ei)landen waarnaar Nederland niet exporteert zijn er vrijwel geen andere economische gegevens beschikbaar. Door alleen te kijken naar landen waarvoor integraal data beschikbaar zijn, kan het model relatief eenvoudig worden gehouden.

Bekeken vanuit de onderliggende econometrische basis van het model is het gewenst om de te verklaren handelsvariabele, het bbp en de geografische afstand natuurlijk logaritmisch te transformeren om te passen in een lineair regressiemodel (zie bijvoorbeeld Santos Silva en Tenreyro, 2006). Voor de overige (onafhankelijke) variabelen is die voorwaarde er niet (Field, 2005). In het geval van de variabele bbp per hoofd is net als bij het onderzoek van Santos Silva en Tenreyro gekozen voor logaritmische transformatie, omdat er sprake was van een zeer scheve (niet-normale) verdeling.

Alternatieve constructies van de variabelen bbp per hoofd (zoals het categoriseren naar hoog, midden en laag inkomen) leiden tot vergelijkbare uitkomsten.

De volgorde van het toevoegen van de variabelen bepaalt daarmee een klein deel van de uitkomsten. Desalniettemin geven de verhoudingen van de variabelen in figuur 2.5.2 wel een goed beeld van de veel verklarende, weinig verklarende en niet of nauwelijks verklarende variabelen in het model.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte
Copyright foto hoofdstuk 3: Boskalis

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Dennis Cremers
Marjolijn Jaarsma
Oscar Lemmers
Pascal Ramaekers
Roger Voncken
Jaap Walhout
Khee Fung Wong

Redactie

Marjolijn Jaarsma
Pascal Ramaekers
Roger Voncken

Eindredactie

Marjolijn Jaarsma
Roger Voncken

Dankwoord

We danken de volgende collega’s voor hun constructieve bijdrage voor deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Anne-Peter Alberda
Marcel van den Berg
Annelies Boerdam
Jeanet Exel
Rik van Roekel
Gabriëlle Salazar-de Vet
Linda Schaefer
Roos Smit
Sjoertje Vos
Hans Westerbeek
Hendrik Zuidhoek
Irene van Kuik