Export naar de EU. Gateway to the rest of the world?

Het grootste deel van de Nederlandse export gaat naar de EU. Dit aandeel neemt wel af door de tijd, onder andere doordat groeimarkten zoals China steeds belangrijker worden. In dit hoofdstuk kwantificeren we hoe belangrijk de EU is voor de Nederlandse economie, vergelijken we dit EU-aandeel met dat in andere landen en laten we zien hoe het belang van de EU en andere handelsblokken door de tijd veranderde. Dat doen we vooral door te kijken hoeveel Nederland verdient aan deze export, niet hoeveel Nederland exporteert. Voor het eerst laten we zien hoe belangrijk de EU15 voor Nederland is als ‘gateway to the rest of the world’. Namelijk, welk deel van de export naar de EU15 daar verwerkt wordt tot export naar andere landen.

4.1Inleiding

Het ‘Trump effect’ lijkt er toe te leiden dat sommige EU-landen en hun leiders in toenemende mate weer om zich heen kijken om de samenwerking binnen de EU op gebied van defensie, klimaat en handel nieuw leven in te blazen (Bolin, 2017; Von der Burchard & Hanke, 2017; Emmett & Blenkinsop, 2017). Met het aantreden van president Trump lijken de betrekkingen tussen de Verenigde Staten, Europa en China namelijk een ander pad in te slaan dan in voorgaande jaren. Trumps ‘America First’ politiek, het op pauze zetten van TTIP/TTP en de bekoelde economische relatie met China zorgen voor verschuivingen op het internationale handelstoneel. Zelfs de aanstaande Brexit draagt op een bepaalde manier bij aan het nieuwe Europese sentiment van ‘samen sterk’ (Van Middelaar, 2017). Sommigen in Europa zijn weer optimistisch over verdere integratie en samenwerking, mede onder invloed van de sterke economische groei en voorspoed in Europa (Juncker, 2017) of de uitslagen van de verkiezingen in Duitsland, Frankrijk en Nederland (Heymans, 2017), waar pro-Europese partijen uiteindelijk weer de regering vormden. Het Nederlandse regeerakkoord stelt (2017) zelfs: ‘In de Europese herbezinning over de rol van de unie staat voorop dat Nederland onlosmakelijk is verbonden met de EU’.

Foto omschrijving: Trein met containers over Betuwelijn.

1/3 van het bbp komt tot stand door productie van goederen en diensten voor export
25 miljard verdiende Nederland aan de EU15-export naar de rest van de wereld

De Europese Unie is voor de internationale handel van Nederland van groot belang. Het kabinet zet er daarom ook op in om handel verder te bevorderen en te vergemakkelijken. In de speech (Rutte, 2018) waarin minister-president Rutte zijn visie op de EU deelde en negen voorstellen deed om deze verder te verbeteren, stond ‘maak de Europese dienstenmarkt echt open’ op de eerste plaats. Maar het aandeel in de export – in het bijzonder voor de Nederlandse goederenhandel – lijkt af te nemen (CBS, 2016a). Grafiek 2.4.2 in hoofdstuk 2 liet al zien dat tussen 2002 en 2017 het aandeel van de EU28 in de goederenexport gedaald is van bijna 80 procent naar 71 procent. Vooral de export van Nederlandse makelij gaat vaker naar landen buiten de EU28 ten opzichte van tien jaar geleden. Het gedeelte van de wederuitvoer dat naar het Europese achterland gaat, is in de afgelopen tien jaar wel redelijk stabiel gebleven. Het relatieve belang van Europa voor de Nederlandse goederenexport loopt dus al een tijd lang terug.

71% van de goederenexport ging naar de EU28 in 2017

Buitenvorm Binnenvorm

Om dit relatieve belang goed te kunnen analyseren is het niet voldoende om alleen naar de ‘traditionele’ exportcijfers (de bruto exportwaarde) te kijken. Waardeketenonderzoek (bijvoorbeeld OESO-WHO, 2013; Los et al., 2015; CBS, 2015; CBS, 2017a) heeft namelijk laten zien dat productie in toenemende mate opgeknipt is en in onderdelen in verschillende delen van de wereld plaatsvindt. Bedrijven zijn in toenemende mate een schakel in een wereldwijd productieproces. Dat houdt ook in dat de export van een bedrijf steeds vaker dan vroeger niet meteen zijn eindbestemming bereikt maar in het land van de afnemer verder wordt verwerkt om vervolgens opnieuw geëxporteerd te worden. Het land van de afnemer vormt dan een poort, een ‘gateway’, tot andere landen. Denk bijvoorbeeld aan een Nederlandse staalfabrikant die een grote order krijgt van een Duitse autofabrikant omdat er vanuit China een toegenomen vraag naar Duitse auto’s is. Dan vormt Duitsland voor de Nederlandse staalfabrikant een toegangspoort tot China. Traditionele handelsstatistieken zoals in de voorgaande hoofdstukken bieden slechts een gedeeltelijk beeld van hoe de handelsstromen tegenwoordig lopen en hoe de verdiensten hieraan tot stand komen. Daarnaast laten de traditionele handelsstatistieken alleen zien hoeveel er verkocht wordt, maar niet hoeveel import er voor nodig was. Het gaat er tenslotte niet alleen om hoeveel je verkoopt als land, maar ook om wat je er aan overhoudt.

In dit hoofdstuk zullen de trends en ontwikkelingen in de export van Nederland de revue passeren, met bijzondere focus op de EU. Concreet staan de volgende onderzoeksvragen centraal:

  1. Hoe belangrijk is export voor de Nederlandse economie?
  2. Hoe belangrijk is de EU voor de Nederlandse export?
  3. Welk deel van de Nederlandse exportverdiensten komt tot stand dankzij consumptie door de EU en welk deel dankzij de gateway functie van de EU?
  4. Hoe ziet dit patroon er uit voor de andere handelsblokken waar Nederland naar toe exporteert?

Daarbij vergelijken we Nederland steeds met andere landen en kijken we ook hoe alles verloopt door de tijd.

In de volgende paragraaf komt aan bod welke data en cijfers gebruikt zijn om bovenstaande onderzoeksvragen te beantwoorden. Paragraaf 4.3 beschrijft de bruto export. Paragraaf 4.4 gaat dieper in op de waardeketens en de bijdrage van de EU15 aan de Nederlandse economie, in 4.5 komen ook andere handelsblokken zoals NAFTA en APEC-klein aan de orde. Paragraaf 4.6 laat zien hoe de gateway functie van de EU15 zich door de tijd ontwikkelde. Het hoofdstuk sluit af met conclusie, samenvatting en discussie.

4.2Data en methoden

In dit hoofdstuk maken we in het begin gebruik van de statistieken internationale handel in goederen en diensten om helder te krijgen in hoeverre de Nederlandse export rechtstreeks naar de landen in de EU gaat. Vervolgens wordt met behulp van input-outputanalyse onderzocht wat Nederland verdient aan de export naar de verschillende handelsblokken. Het CBS heeft alleen informatie over de directe internationale handel van bedrijven in Nederland (het land waaruit wordt geïmporteerd of waarnaar wordt geëxporteerd) maar heeft geen zicht op wat er met de goederen en diensten gebeurt nadat ze zijn geëxporteerd. Deze kunnen in het importerende land geconsumeerd worden of verwerkt worden in verdere export. De OESO en de WHO hebben in het TiVA-project (OESO-WHO, 2013) informatie afgeleid waarmee het CBS wél kan schatten wat er met de export gebeurt, bijvoorbeeld hoeveel Nederlandse export via verwerking in het ene land of handelsblok uiteindelijk in een ander land of handelsblok geconsumeerd wordt. De OESO-WHO informatie betreft indicatoren en tijdreeksen die op de OESO website staan, de zogenaamde multi region input-outputtabellen. Dit zijn input-outputtabellen met 63 landen (en ‘rest van de wereld’) en 34 bedrijfstakken, voor de periode 1995–2014. Het CBS heeft op basis van deze tabellen nog een aantal extra indicatoren en tijdreeksen afgeleid.

In dit hoofdstuk onderscheiden we de volgende zes handelsblokken/landengroepen

  • EU15 (Frankrijk, België, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Italië, Oostenrijk, Denemarken, Spanje, Portugal, Griekenland, Finland, Luxemburg, Zweden, Ierland, Nederlandnoot1, allen EU-lid vóór 2004).
  • EU13 (Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slowakije, Slovenië, Malta, Cyprus, Tsjechië, Bulgarije, Roemenië, Kroatië, allen toegetreden tot de EU in 2004 of later)
  • NAFTA (Canada, Verenigde Staten, Mexico)
  • BRICS (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika)
  • APEC_klein (Australië, Brunei, Chili, Filipijnen, Hongkong, Indonesië, Japan, Maleisië, Nieuw-Zeeland, Peru, Singapore, Taiwan, Thailand, Vietnam, Zuid-Korea, met andere woorden de APEC exclusief Canada, China, Mexico, Papoea Nieuw Guinea, Rusland en Verenigde Staten).
  • Overige landen (Alle landen ter wereld die nog niet bij andere handelsblokken zijn genoemd)

Bij het onderzoeken van het relatieve belang van de EU is voor dit hoofdstuk de afweging gemaakt of de EU28 of een smallere EU-afbakening het meest veelzeggend is. In 1995 bestond de EU (nét) uit 15 lidstaten. Daarna duurde het nog negen jaar of meer voordat de Baltische staten, Malta, Cyprus en verschillende Oost-Europese landen lid werden. Het apart onderscheiden van deze 13 ‘toetredingslanden’ in plaats van ze samenvoegen met de ‘oude’ lidstaten heeft als voordeel dat er een beter beeld ontstaat van het relatieve belang van deze landen voor de Nederlandse export vóór en na toetreding tot de EU. De keuze voor de overige landengroeperingen is verder ingegeven door het beschikbare detail in de OESO-WHO-data.

4.3(Bruto) Nederlandse export naar verschillende handelsblokken

In deze paragraaf gaan we dieper in op de ontwikkeling van de (bruto) export van Nederland naar de verschillende handelsblokken. Hier gaat het om de traditionele exportcijfers, te weten de totale exportwaarde. Er wordt nog niet gekeken naar het feit dat een deel van deze export niet direct de eindbestemming bereikt. We doen dit om een eerste kader te schetsen en om vergelijking met cijfers in de eerdere hoofdstukken mogelijk te maken. De combinatie van de traditionele handelscijfers met de nieuwere cijfers over toegevoegde waarde verwerkt in export, later in dit hoofdstuk, geeft een completer beeld van de Nederlandse export.

In 1996 ging bijna 80 procent van de Nederlandse goederenexport naar de EU15. In 2017 was dit aandeel een stuk lager, namelijk 64 procent. Vooral de export van Nederlandse makelij verlaat steeds vaker Europa. Tegenwoordig gaat 42 procent van de export van Nederlandse makelij naar landen buiten de EU15 (zie ook hoofdstuk 3); in 1996 was dit nog geen 30 procent. Wederuitvoer, doorgaans bestemd voor het Europese achterland, gaat eveneens minder vaak naar de EU15 maar de afname van dit aandeel is kleiner dan bij de export van eigen makelij.

42% van de export van eigen makelij ging in 2017 naar niet-EU landen

Ook aan de importkant zien we het aandeel van de EU15 afnemen. In 1996 kwam 64 procent van de Nederlandse goederenimport uit de EU15. In 2017 was dit aandeel 15 procentpunt kleiner. Iets minder dan de helft van de goederenimport komt nu uit een EU15 land. Ook dit is gerelateerd aan de wederuitvoer, die voor een groot deel bestaat uit goederen die vanuit Azië door Nederlandse bedrijven gedistribueerd worden naar het Europese achterland. Nederland heeft dankzij de gunstige ligging, de goede infrastructuur en de vele handelservaring veel meer wederuitvoer dan andere landen (Kuypers et al., 2013). Denk bijvoorbeeld aan de haven van Rotterdam, Schiphol en de Betuwelijn. En deze wederuitvoer, dus ook de aanvoer uit Azië, is de afgelopen decennia fors gegroeid.

Het aandeel van de Nederlands geproduceerde export met de EU15 als bestemming in de totale export neemt af, zie ook paragraaf 2.5 van deze publicatie. Onze belangrijkste Europese partners wat betreft goederenexport, te weten Duitsland, België/Luxemburg, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Italië hebben allemaal een kleiner aandeel in onze export dan twintig jaar geleden. In 1996 ging nog 68 procent van onze goederenexport naar deze vijf bestemmingennoot2. In 2017 was dit aandeel afgenomen tot 54 procent. Deze afname zit grotendeels in de export van Nederlandse makelij. Als we verder inzoomen op deze export van eigen makelij dan zien we dat het aandeel van Duitsland, onze grootste exportpartner, het meest afnam ten opzichte van 2002. Dit aandeel nam met 4 procentpunt af. Het aandeel van Frankrijk in de export van Nederlandse makelij is met 3 procentpunt afgenomen en dat van het Verenigd Koninkrijk en Italië elk met 2 procentpunt. Het aandeel van België nam weinig af.

Landen met een (flink) groter aandeel in de Nederlandse export dan twintig jaar geleden zijn vooral opkomende landen in Azië. De export van eigen makelij naar China was in 2017 ruim het zevenvoudige van de export in 2002 en daarmee is China het land met veruit het sterkst gegroeide aandeel in de export. Ook Singapore, Zuid-Korea en Turkije vertonen een toegenomen aandeel in de export van eigen makelij in de afgelopen jaren. Polen en Tsjechië hebben ook een groter aandeel in de totale Nederlandse export weten te veroveren, maar hier speelt meer wederuitvoer de belangrijkste rol. Zie ook grafiek 3.4.1.
Bij de internationale handel in diensten is het patroon niet zo eenduidig. Import van diensten lijkt vrijwel even vaak uit EU-landen te komen als een aantal jaren geleden. De dienstenexport is in 2017 weer meer op EU gericht dan in eerdere jaren.

4.4Belang export ten opzichte van bbp

Voor een kleine, open economie als Nederland is internationale handel een belangrijke bron van inkomsten en welvaart. De toegevoegde waarde dankzij productie van goederen en diensten verwerkt in de export is volgens de OESO-WHO cijfers goed voor een derdenoot3 van het bbp. Andere kleine, open Europese economieën zoals België, Denemarken en Oostenrijk kennen eveneens een redelijk hoog en stabiel exportbelang. De OESO-WHO cijfers tonen dat tussen de 28 en 37 procent van hun bbp tot stand komt door export van goederen en diensten. Dit is zichtbaar in grafiek 4.4.1. Voor grotere economieën zoals Duitsland of de Verenigde Staten is het belang van internationale handel kleiner. Bijvoorbeeld, in de Verenigde Staten varieert dit van 7–10 procent van het bbp. Ook in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk is het belang van de export voor de economie een stuk kleiner dan in Nederland. Dit belang is stabiel over de afgelopen twintig jaar. Deze landen hebben een grotere interne markt en toegang tot meer eigen grondstoffen en inputs die kleinere landen mogelijk niet of minder hebben. Kleinere landen kennen daarom doorgaans ook een hogere ‘trade openness’ dan grotere landen (Guerron-Quintana, 2013). Maar of het belang van deze handel voor de (kleine) economie dan ook automatisch groter is, en hoe deze openheid voor internationale handel samenhangt met economische groei is voer voor economisch debat (zie bijvoorbeeld Alesina et al., 2005).

Grafiek 4.4.1 laat voor sommige landen een opvallende ontwikkeling zien. Zo is in Oostenrijk het aandeel van de exportverdiensten in het bbp gegroeid van 28 procent in 1995 naar 33 procent in 2014. De grootste toename zien we in Duitsland. Twintig jaar geleden verdienden onze oosterburen nog minder dan een vijfde van hun bbp dankzij het buitenland, in 2014 was dit al bijna een derde. De Duitse economie is in de afgelopen twintig jaar dus duidelijk meer aan export gaan verdienen, zowel absoluut als relatief. Duitse producten staan bekend om hun kwaliteit en deugdelijkheid: ‘Made in Germany’ is het hoogst gewaardeerde kwaliteitslabel voor goederen en diensten in de wereld (Statista, 2017). Opvallend genoeg is er geen vergelijkbare ontwikkeling in het belang van de export voor twee andere grote Europese economieën, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Hier blijft dit belang – variërend van een vijfde tot een kwart van het bbp – gelijk en blijft driekwart van de economie draaien op binnenlandse bestedingen en consumptie. Ook aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in de Verenigde Staten, is het belang van de export al twintig jaar bijzonder stabiel.

Daar waar grafiek 4.4.1 het belang van de totale export liet zien, zoomt grafiek 4.4.2 in op de toegevoegde waarde die samenhangt met export van goederen en diensten naar de EU15 als aandeel van de totale toegevoegde waarde in een land. Voor ieder land is een lijn in grafiek 4.4.2 dus altijd lager dan in grafiek 4.4.1. In grafiek 4.4.2 gaat het om directe export naar de EU15. Dat wil zeggen dat hier uitsluitend wordt gekeken naar het eerste land van bestemming. Later laat grafiek 4.4.3 zien hoeveel Nederland verdient dankzij de EU15, dankzij de directe export naar de EU15 die daar geconsumeerd wordt en de export die door andere handelsblokken verwerkt wordt in hun export naar de EU15.

Daar waar grafiek 4.4.1 overwegend constante of stijgende lijnen liet zien (oftewel een toenemend belang van export voor nationale economieën), toont grafiek 4.4.2 vooral dalende lijnen. Een dalende lijn betekent een kleiner (relatief) belang van directe export naar de EU15 voor de economie. Dit zien we terug bij België, het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Het belang van landen buiten de EU15 nam voor elk van deze drie landen juist toe.Anders geformuleerd, de economie van deze drie landen is in twintig jaar tijd minder afhankelijk geworden van directe export naar de EU15, maar meer afhankelijk van directe export naar landen buiten de EU15. De grote uitzondering is wederom Duitsland; hier is het relatieve belang van directe export naar de EU15 met 5 procentpunt toegenomen in twintig jaar.

Bedrijven opereren steeds vaker als een schakel in een wereldwijd productieproces. Dat betekent dat export steeds vaker dan vroeger niet meteen zijn eindbestemming bereikt, maar in het land van de afnemer verder verwerkt wordt om vervolgens opnieuw geëxporteerd te worden. Het is dus niet duidelijk of de exportgroei naar een land te danken is aan de groei van de consumptie daar of dat het komt doordat dit land meer Nederlandse intermediaire goederen en diensten afneemt om te verwerken in de export. In het laatste geval kwam de exportgroei uiteindelijk door een ander land.

Daarom houden we rekening met de mogelijkheid dat de export die in eerste instantie naar de EU15 gaat daar verder verwerkt wordt in export naar andere landen. Dan wordt het beeld dat uit de vorige grafiek naar voren komt nog verder versterkt. Grafiek 4.4.3 laat zien hoeveel de verschillende landen verdienen aan export uiteindelijk in de EU15 wordt geconsumeerd. De EU15 is dan de laatste bestemming in de exportketen. Dan zien we dat het relatieve belang van de EU15 als eindgebruiker (consument of investeringennoot4) voor vrijwel alle landen afneemt. Net als in 4.4.2 is deze afname het grootst voor België, het Verenigd Koninkrijk en Nederland en het kleinst voor Duitsland. Het aandeel voor Duitsland neemt zelfs nog steeds toe: in 1995 was 10 procent van het Duitse bbp toe te schrijven aan finale consumptie in de EU15, in 2014 was dat opgelopen tot 14 procent.

4.5Samenstelling exportverdiensten naar handelsblok

Grafiek 4.4.1 in de vorige paragraaf liet zien welk gedeelte van het bbp van een land tot stand kwam dankzij export van goederen en diensten. Grafiek 4.4.2 liet hetzelfde zien als we alleen naar de directe export van goederen en diensten naar de EU15 kijken. In deze paragraaf verdelen we de exportverdiensten naar handelsblokken om zo hun belang verder inzichtelijk te maken.

De volgende twee grafieken laten op twee manieren zien hoe de exportverdiensten van de verschillende landen zijn opgebouwd. In grafiek 4.5.1 kijken we waar de export in eerste instantie naar toe gaat, ofwel de eerste buitenlandse afnemer in de keten. Hier wordt onderscheid gemaakt naar zes handelsblokken, namelijk de EU15, EU13, NAFTA, BRICS, APEC-klein en de ‘rest van de wereld’. Vervolgens kijken we in grafiek 4.5.2 naar de opbouw van de exportverdiensten als we uitgaan van het handelsblok waar het exportproduct uiteindelijk wordt geconsumeerd. De toegevoegde waarde van de export dankzij de eindgebruiker wordt ook hier onderverdeeld naar de zes handelsblokken.

Grafiek 4.5.1 laat voor Nederland, Duitsland, Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zien hoeveel exportverdiensten zij hebben dankzij welke directe handelspartners. Anders geformuleerd, hier wordt getoond hoe belangrijk de eerste buitenlandse afnemer in de totale exportverdiensten van een land is. Zoals al bleek uit paragraaf 4.4 is de EU15 voor alle landen – met uitzondering van de Verenigde Staten – de belangrijkste eerste afnemer. De aandelen schommelden in 1995 tussen de 51 procent (Verenigd Koninkrijk) en 73 procent (België). Het Verenigd Koninkrijk is van origine wat minder op de EU en wat meer op de Verenigde Staten gericht en dat laten deze cijfers dan ook duidelijk zien. Opvallend is het relatief grote aandeel dat de EU15 vormt in de exportverdiensten van Nederland en België. Hier speelt het grote aandeel van de wederuitvoer in de export van deze landen een rol; deze is voornamelijk op het Europese achterland gericht. Een bescheiden kwart van de Amerikaanse exportverdiensten komt door export naar de EU15. Hier is de geografische afstand een logische barrière. De Verenigde Staten verdient vrijwel even veel aan de export naar de twee andere NAFTA landen (22 procent) als aan export naar de hele EU15. Voor de Verenigde Staten is export naar de APEC-klein landen met 30 procent het belangrijkst. Voor de Europese landen is export naar de APEC-klein van kleiner belang. Ook de BRICS vormden in 1995 met 3–6 procent exportverdiensten een relatief kleine afnemer. Een ander in het oog springend feit is het relatief grote belang van de nieuwe EU landen (EU13) in de export van Oostenrijk. Vier van de dertien nieuwe lidstaten grenzen aan Oostenrijk en van oudsher zijn er sterke economische banden met deze landen.

Ten opzichte van 1995 is het beeld in 2014 enigszins veranderd. Conform grafiek 4.4.2 is het relatieve belang van de EU15 als eerste afnemer flink lager dan midden jaren negentig. Vooral de directe export van België, Duitsland en Frankrijk gaat relatief minder vaak naar de EU15 dan in 1995. Het sterkst toegenomen is het aandeel toegevoegde waarde dat verdiend wordt aan export naar BRICS landen. Vooral voor de Verenigde Staten en Duitsland neemt dat toe terwijl dat voor hen toch al relatief groot was. Voor de Verenigde Staten neemt het aandeel van exportverdiensten uit APEC-klein af, voor Duitsland vooral het aandeel van de EU15. Merk op dat grafiek 4.4.2 liet zien dat het aandeel van de Duitse exportverdiensten dankzij de EU15 in de Duitse economie/totale toegevoegde waarde flink toenam. Dat het aandeel van de EU15 in de Duitse totale exportverdiensten toch afneemt tussen 1995 en 2014 wil zeggen dat Duitsland relatief veel meer is gaan verdienen aan de directe export naar de BRICS en relatief minder aan de EU15. De export naar de BRICS groeide nóg harder dan die naar de EU15.

Opvallend om te zien is de relatief bescheiden positie van de EU13 in de exportverdiensten van de verschillende landen. Dit aandeel neemt alleen voor Duitsland noemenswaardig toe.

In grafiek 4.5.1 stond de eerste afnemer in de exportketen centraal. In grafiek 4.5.2 staat de eindgebruiker centraal. Anders gezegd, welk deel van de exportverdiensten komt tot stand doordat er in NAFTA, BRICS of APEC-klein landen goederen en diensten geconsumeerd worden waar bijvoorbeeld Nederland ergens in het productieproces een bijdrage aan heeft geleverd.

Voor ieder handelsblok neemt het relatieve belang van de EU15 af. Opvallend is dat het aandeel van de EU13 voor de meeste landen gelijk blijft. Er is dus weinig sprake van export die via andere landen naar de EU13 gaat om daar geconsumeerd te worden. De uitzonderingen zijn Oostenrijk en Duitsland, die dan ook aan de EU13 grenzen. Het aandeel van de NAFTA neemt juist toe in de export van de meeste landen; vooral Nederlandse export komt hier uiteindelijk terecht, maar ook Duitse, Oostenrijk, Belgische en Deense export. Ook het relatieve belang van de BRICS wordt groter.

Grofweg twee patronen komen naar voren als we grafiek 4.5.1 en 4.5.2 met elkaar vergelijken. Ten eerste, voor de exportverdiensten van de Europese landen is het belang van de EU15 als consument kleiner dan het belang als directe afzetmarkt. Dit geldt vooral voor Nederland en België maar ook voor landen als Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. In 1995 werd circa 64 procent van de Nederlandse exportverdiensten gerealiseerd door finale consumptie in de EU15; terwijl de directe export naar de EU15 goed was voor 70 procent van de exportverdiensten in dat jaar. Een deel van de Nederlandse exportverdiensten kwam dus tot stand dankzij export die eerst naar de EU15 ging maar uiteindelijk elders werd geconsumeerd. In 4.6 zullen we zien dat dat in 1995 vooral in NAFTA, APEC-klein en ‘rest van de wereld’ was. In 2014 was het verschil tussen toegevoegde waarde dankzij directe export naar de EU15 en dankzij finale consumptie in de EU15 nog groter. In 4.6 zullen we zien dat dat komt doordat de EU15 steeds meer Nederlandse goederen en diensten verwerkt voor consumptie in NAFTA, BRICS en ‘rest van de wereld’.

Het tweede patroon dat uit deze grafieken te destilleren valt is dat tussen 1995 en 2014 het relatieve belang van de EU15 als consument af neemt en de gateway functie van de EU15 steeds belangrijker wordt. Voor geen enkel ander land (in deze selectie van Europese landen) is deze ontwikkeling zo sterk als voor Nederland. Dit toont aan dat Nederlandse export in toenemende mate verwerkt wordt in de export van andere landen in plaats van dat het eindproducten zijn die direct geconsumeerd worden. België volgt min of meer het patroon van Nederland, maar minder uitgesproken. Met andere woorden, de Nederlandse export van intermediaire goederen en diensten wordt steeds belangrijker. Dit is eerder al uiteengezet en gekwantificeerd in CBS (2017a).

4.6Handelsblok: eindverbruiker of gateway to the world?

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het relatieve belang van de EU15 voor de Nederlandse export geleidelijk afneemt. Het aandeel van de EU15 in de Nederlandse exportverdiensten is nog wel groter dan dat van andere landen buiten de EU maar het aandeel is tanende, zeker als de EU15 als eindverbruiker als uitgangspunt wordt genomen. Toegevoegde waarde in Nederland dankzij consumptie in bijvoorbeeld NAFTA en BRICS speelt een steeds grotere rol, zeker als we naar de rol van deze landen als eindverbruiker (en niet als directe afnemer) kijken. De EU15 wordt dus minder belangrijk als eindverbruiker van Nederlandse producten maar steeds belangrijker als intermediair tussen Nederland en de rest van de wereld. We pellen de Nederlandse exportverdiensten af en volgen de hele keten van de Nederlandse export, van de eerste afnemer tot aan de laatste, ofwel de eerste buitenlandse ontvanger tot de consument/eindverbruiker. Vanwege het grote belang van de EU15 voor de Nederlandse economie onderzoeken we dit eerst voor de export die naar de EU15 gaat. Daarna doen we dat ook voor andere handelsblokken.

Op deze manier kwantificeren we voor het eerst de rol van ieder handelsblok. Niet alleen hoe belangrijk een handelsblok is als finale afnemer, maar ook de rol van een handelsblok als ‘gateway to the world’. Oftewel, hoeveel verdient Nederland doordat het in de waardeketen zit van een handelsblok dat weer naar een ander handelsblok exporteert?

De rol van de EU15

4.6.1Nederlandse exportverdiensten dankzij en via de EU15, 1995

Nederlandse exportverdiensten dankzij en via de EU15 in 1995. Nederland hield in 1995 circa 66,4 miljard euro over aan de export naar de EU15 als we de kosten van geïmporteerde halffabricaten, grondstoffen en ondersteunende diensten in mindering brengen. Het overgrote deel werd verdiend door export die rechtstreeks naar een EU-land ging (65 miljard). Slechts een fractie (1,4 miljard) kwam tot stand doordat de export eerst naar een niet-EU land ging, daar verder verwerkt werd en alsnog naar de EU15 werd geëxporteerd.

Grafiek 4.6.1 laat zien dat Nederland in 1995 circa 66,4 miljard euro overhield aan de export naar de EU15 als we de kosten van geïmporteerde halffabricaten, grondstoffen en ondersteunende diensten in mindering brengen. Het overgrote deel werd verdiend door export die rechtstreeks naar een EU-land ging (65 miljard). Slechts een fractie (1,4 miljard) kwam tot stand doordat de export eerst naar een niet-EU land ging, daar verder verwerkt werd en alsnog naar de EU15 werd geëxporteerd.

Bijna 90 procent (59,1 miljard) van de Nederlandse export die in 1995 in de EU15 aankwam, werd ook daar, na eventuele verwerking, geconsumeerd of gebruikt in een investeringsgoed zoals een machine. De overige 10 procent werd eerst in een EU15-land verwerkt en vervolgens verder geëxporteerd naar niet-EU-landen zoals de Verenigde Staten, China of Rusland. Wat Nederland verdiende aan de export die (in eerste instantie) naar de EU15 ging kwam dus grotendeels tot stand door consumptie van Nederlandse goederen en diensten (of goederen en diensten waar deze in verwerkt waren) in de EU15. Een beperkt deel komt tot stand door de gateway functie van de EU15; Nederlandse export die door de EU15 wordt verwerkt, doorgeleverd en elders wordt geconsumeerd. Dan blijken vooral landen in NAFTA, APEC-klein en de ‘rest van de wereld’ een belangrijke rol te spelen. Ongeveer 1,5 miljard komt tot stand door consumptie van (van origine Nederlandse) goederen en diensten in de Verenigde Staten, Canada of Mexico die via de EU15 daar terecht zijn gekomen. Uiteindelijke consumptie in de EU13, BRICS en zelfs in Nederland speelt een kleinere rol in de Nederlandse exportketen.

4.6.2Nederlandse exportverdiensten dankzij en via de EU15, 2014

Nederlandse exportverdiensten dankzij en via de EU15 in 2014. Nederland verdiende in 2014 125 miljard euro aan de export naar de EU15. Het grootste deel hiervan kwam tot stand door directe export naar de EU15 (121,4 miljard) die vervolgens ook in de EU15, na eventuele verwerking, wordt geconsumeerd (98,6 miljard). In 2014 kwam 79 procent van wat Nederland verdiende aan de export naar de EU15 tot stand doordat de goederen en diensten dáár werden geconsumeerd.

Wat Nederland aan de export naar de EU15 verdient, is in de afgelopen 20 jaar bijna verdubbeld, van 66,4 naar 125,0 miljard in 2014. Grafiek 4.6.2 laat zien dat ook in 2014 het grootste deel hiervan tot stand kwam door directe export naar de EU15 (121,4 miljard) die vervolgens ook in de EU15, na eventuele verwerking, wordt geconsumeerd (98,6 miljard). Dit aandeel is echter ruim 10 procentpunt kleiner dan twintig jaar geleden. Want in 2014 kwam 79 procent van wat Nederland verdiende aan de export naar de EU15 tot stand doordat de goederen en diensten dáár werden geconsumeerd. In 1995 was dit nog 90 procent. Zoals al eerder bleek is Nederland in de afgelopen 20 jaar dus relatief minder aan eindverbruik in de EU15 gaan verdienen en flink meer aan eindverbruik elders. Anders gezegd, de ‘verwerk en doorlever’ functie van de EU15 wordt voor de Nederlandse export steeds belangrijker terwijl de ‘consumptie’ functie relatief gezien aan belang heeft ingeboet. Een steeds groter gedeelte van de Nederlandse exportverdiensten komt tot stand door naar de EU15 te exporteren, waarna de EU15 deze goederen en diensten verwerkt voor eindverbruik buiten de EU15.

Bijvoorbeeld, uiteindelijke consumptie door landen in de NAFTA die via een waardeketen in de EU15 loopt blijkt een grotere rol in de Nederlandse exportverdiensten te zijn gaan spelen dan twintig jaar geleden. In 1995 kwam circa een vijfde van wat Nederland verdiende aan de ‘doorlever- en verwerkfunctie’ van de EU dankzij uiteindelijke consumptie in de Verenigde Staten, Canada en Mexico. Twintig jaar later was dit al een kwart. Alleen al aan consumptie door de Verenigde Staten van goederen en diensten die via de EU gingen, verdiende Nederland vier keer zoveel als in 1995. De sterkste ontwikkeling zien we bij de BRICS landen; hier verdiende Nederland in 1995 ongeveer 0,6 miljard door goederen en diensten aan de EU15 te leveren die deze verwerkte voor finale consumptie in de BRICS landen. In 2014 was dit al ruim het zevenvoudige. China spant hierin de kroon; in 2014 verdiende Nederland het twintigvoudige aan Chinese consumptie van EU15 goederen en diensten waar Nederland eerder in het productieproces bij betrokken was. Dat kwam neer op 2,3 miljard ofwel een derde van wat Nederland verdiende dankzij finale consumptie in China. De EU15 is voor Nederland dus een belangrijke toegangspoort tot China.

De rol van andere handelsblokken

In de voorgaande paragraaf keken we naar het belang van de EU15 voor de Nederlandse exportverdiensten. Hierbij werd er onderscheid gemaakt tussen consumptie in de EU15 en export die in de EU15 verder verwerkt en vervolgens geëxporteerd wordt naar andere landen. Hier bleek uit dat Nederland in toenemende mate aan deze laatste stroom verdient en dat consumptie in de EU15 steeds minder belangrijk wordt. Hieruit volgt de vraag of dit patroon ook zichtbaar is voor andere handelsblokken. Zien we dat Nederland steeds meer gaat verdienen aan export die via (vele) andere landen de eindconsument bereikt? De antwoorden zijn af te lezen in tabel 4.6.3.

4.6.3 Export, toegevoegde waarde dankzij export en toegevoegde waarde dankzij gateway-functie

Toegevoegde waarde in Nederland door:
Exportwaarde naar handelsblok (eerste in keten) export naar handelsblok (eerste in keten) consumptie in handelsblok (einde van keten) consumptie elders dankzij export via handelsblok
1995 2014 1995 2014 1995 2014 1995 2014
x mln euro
EU15 89.851 185.600 65.016 121.414 59.630 100.442 6.779 24.590
Toetredingslanden (EU13) 2.697 11.856 1.984 7.888 2.036 7.518 545 3.951
BRICS 3.692 19.101 2.718 13.653 3.254 18.069 558 4.781
NAFTA 7.388 20.044 5.591 14.280 7.324 21.875 558 1.709
APEC-klein 9.567 24.325 7.244 18.283 8.218 18.824 1.022 4.965
Rest van de wereld 14.076 29.992 10.226 20.089 11.504 26.156 1.595 4.271
Verenigde Staten 6.495 16.624 4.929 12.236 6.491 18.630 620 2.016
China 614 7.377 446 5.138 506 7.252 244 3.547

Bron: Berekeningen CBS, gebaseerd op OESO.

De eerste twee kolommen van deze tabel laten zien hoeveel de totale exportwaarde van goederen en diensten naar verschillende landen en handelsblokken in 1995 en 2014 bedroeg volgens de OESO-WHO cijfersnoot5. Nederland exporteerde in 1995 voor circa 90 miljard euro goederen en diensten naar de EU15. Twintig jaar later was dit ruim 2 keer zoveel, namelijk ruim 185 miljard euro. Na de EU15 is de APEC-klein (na ‘rest van de wereld’) het grootste handelsblok voor Nederland, zowel in 1995 als in 2014. Hier maken landen als Zuid-Korea, Thailand, Singapore, Maleisië, Japan, Indonesië en Australië deel van uit. In 2014 exporteerde Nederland voor 24 miljard naar dit handelsblok. Daarna volgen NAFTA met een Nederlandse export van 20 miljard euro, daarna de BRICS-landen met 19 miljard en dan de toetredingslanden (EU13). Vooral de export van goederen en diensten naar de BRICS landen is flink gestegen tussen 1995 en 2014. Deze is vervijfvoudigd van bijna 3,7 miljard naar ruim 19 miljard. Vooral de rechtstreekse export naar China is flink gegroeid in deze periode.

In de tweede kolom staat hoeveel toegevoegde waarde gemoeid is met de export naar deze handelsblokken. Hier gaat het om export die rechtstreeks naar het handelsblok gaat (de eerste afnemer in de keten) ongeacht wat er verder met deze export gebeurt. Dus of deze export in dit handelsblok wordt geconsumeerd of wordt verwerkt in verdere export is in deze kolom buiten beschouwing gelaten. Het is niet verwonderlijk dat de patronen in deze toegevoegde waarde hetzelfde zijn als bij de exportwaarde: mede dankzij de opkomst van China steeg de toegevoegde waarde dankzij directe export naar de BRICS-landen. En Nederland verdiende ook fors meer dankzij de toetredingslanden in de EU13. De waardegroei naar andere handelsblokken/landengroepen, zoals de EU14 of NAFTA, was aanzienlijk maar wel kleiner.

De derde kolom laat zien hoeveel toegevoegde waarde Nederland had dankzij finaal verbruik in een handelsblok. Wederom zijn de grootste toenames te zien voor de BRICS-landen en de toetredingslanden, maar voor de BRICS-landen is de groei hoger dan bij de groei van de exportwaarde en bij de toetredingslanden is dat juist minder. Voor de BRICS-landen betekent dat dat er nog een flinke groei zat in de Nederlandse export die verwerkt wordt in de export van andere landen naar de BRICS-landen. Kolom viernoot6 laat zien hoeveel Nederland verdient doordat een handelsblok optrad als toegangspoort/gateway tot de rest van de wereld. Bijvoorbeeld, in 2014 had Nederland naar schatting 3.951 miljoen euro aan exportverdiensten doordat de toetredingslanden naar andere landen exporteerden en in hun export Nederlandse goederen en diensten verwerkt waren. Dat is ruim zeven keer zo veel als in 2014. De EU13 heeft dus een steeds belangrijker functie voor Nederland door als toegangspoort op te treden. In het algemeen geldt dat productie steeds meer wordt opgeknipt (Los et al., 2014), zodat ieder handelsblok steeds meer optreedt als toegangspoort tot de wereld en Nederland op die manier afhankelijker wordt van dat blok.

4.7Samenvatting, conclusie en discussie

Export is goed voor ongeveer een derde van het Nederlandse bbp. Dat is een stuk hoger dan voor grote landen zoals Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Maar het is minder dan in Denemarken en Oostenrijk. Voor de meeste economieën in dit onderzoek is dit exportbelang stabiel. Behalve voor Duitsland, hier stijgt het belang van de export juist flink.

De rol van de EU15 als directe (eerste) afnemer is relatief kleiner geworden tussen 1995 en 2014, zowel voor Nederland als de andere landen in dit onderzoek, met uitzondering van Duitsland. Een groter deel van de directe export gaat dus naar de EU13, NAFTA, BRICS, APEC-klein en ‘rest van de wereld’. Als we kijken waar de uiteindelijke consumptie plaatsvindt, dan kunnen we stellen dat het relatieve belang van de EU15 nog verder is afgenomen.

Ofschoon het relatieve belang van de EU afneemt, is het van belang te realiseren dat dit handelsblok nog steeds goed is voor meer dan de helft van de toegevoegde waarde die Nederland realiseert dankzij haar export. En het bedrag dat Nederland verdient dankzij finale consumptie in de EU neemt ook nog altijd toe, al is het in een langzamer tempo dan dat van opkomende markten zoals de BRICS. Verder neemt de rol van de EU als toegangspoort tot de rest van de wereld ook steeds meer toe. In dit hoofdstuk kwantificeren we dit voor het eerst. Bijvoorbeeld, in 2014 verdiende Nederland 25 miljard euro doordat Nederlandse goederen en diensten verwerkt waren in de export van de EU15 naar de rest van de wereld. Dat is meer dan bijvoorbeeld de 22 miljard euro die Nederland verdiende dankzij finaal verbruik in de NAFTA. Landen in de NAFTA, BRICS en ‘rest van de wereld’ worden steeds belangrijker als consument van goederen en diensten uit de EU15 waar Nederland eerder in de waardeketen een bijdrage voor heeft geleverd. Nederland verdient dus in toenemende mate indirect aan landen buiten Europa door ze via de EU15 te bedienen. Dit weerspiegelt de wereldwijde fragmentatie van productieprocessen, waar de productie van goederen en diensten steeds meer opgeknipt wordt in onderdelen in verschillende landen.

Er zijn verschillende verklaringen te bedenken waarom het aandeel van de EU in de Nederlandse goederenexport verandert. Hier geven we enkele voorbeelden. Wederuitvoer is in de laatste jaren harder gegroeid dan makelij eigen product. Dit heeft de export van goederen naar de EU juist een impuls gegeven, want wederuitvoer loopt vooral van Azië naar Europa. Een eerste verklaring voor het afnemend aandeel van de EU in de Nederlandse export is dat de economische groei in de EU28 gemiddeld (fors) lager was dan in de rest van de wereld. Opkomende markten zoals de BRICS landen kenden de afgelopen 20 jaar onstuimige groei terwijl deze in West-Europa beperkt bleef. En zoals we al in hoofdstuk 2 zagen is de grootte van een economie een belangrijke verklaring voor de export naar dat land. Door de hogere economische groei buiten de EU nam de export naar deze landen ook sneller toe dan die naar de EU. Jaarsma en Lemmers (2014) zagen bijvoorbeeld dat de export naar Mexico in de periode 1996–2013 met een factor 13 groeide, terwijl dat voor Duitsland maar een factor 2,4 was. Een mogelijke tweede verklaring is een verschuiving in de populatie van exporteurs. Eerder onderzoek liet zien dat de meeste Nederlandse goederenexporteurs actief zijn in België, gevolgd door Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (CBS, 2016b). Maar de ontwikkelingen op het gebied van transport en communicatie maken het steeds makkelijker voor bedrijven om ook naar verre landen te exporteren (Baldwin, 2016). In ander verband spreekt men wel over ‘the death of distance’ al is er twijfel of dat echt het geval is (bijvoorbeeld, Disdier & Head, 2008). In het verleden konden alleen grote bedrijven de hoge kosten van export naar verre landen dragen (Smeets, 2010). Dat lijkt steeds meer weggelegd voor het MKB.

De Amerikaanse handelspolitiek, de mogelijke Brexit en de eventuele Europese toenadering hebben gevolgen voor de Nederlandse economie, die voor een derde afhangt van de export. Voor de toekomst is het daarom belangrijk om te monitoren dankzij wie Nederland geld verdient – zowel de directe handelspartner als de uiteindelijke consument. Het eerste is belangrijk omdat dat de klanten zijn van Nederlandse bedrijven. Het tweede is belangrijk omdat economische schokken in het land van de uiteindelijke consument ook doorwerken in Nederland maar niet meteen zichtbaar zijn in de handelsstatistieken. Het CBS brengt de toegevoegde waarde dankzij directe export in kaart (bijvoorbeeld CBS, 2017a; CBS, 2017b). De OESO en de WHO doen dat in het TiVA-project ook voor toegevoegde waarde dankzij de eindgebruiker, maar omdat zij afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van gegevens in veel landen beschikken zij over minder recente data.

De verwachting is dat economische groei buiten Nederland, buiten Europa, de komende jaren groter blijft dan de groei in Nederland. De nota Team Nederland: Samen sterker in de wereld (Stuurgroep 2017) noemt daarom de ambitie dat in 2030 de export goed is voor 40 procent van het bbp (nu: 32 procent) en wil dat bereiken door de export naar emerging markets te vergroten. Om dat doel te bereiken is nieuw beleid nodig, beleid dat het CBS kan ondersteunen met cijfers en analyses. Bijvoorbeeld, door te monitoren wat de export naar individuele emerging markets oplevert en wat de rol van het MKB hier bij is. Of door te analyseren hoe en waarom de export van bedrijven naar deze landen toeneemt, welke eigenschappen succesvolle exporteurs hebben, of zij vooral uitbreiden door naar meer landen te exporteren of door meer naar dezelfde landen te exporteren. Dat kan in samenwerking met kennispartners zoals de Hogeschool Zuyd (International Trade Management Research Centre), CPB of universiteiten.

4.8Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Alesina, A., Spolaore, E. & Wacziarg, R. (2005), Trade, growth and the size of countries. In Handbook of Economic Growth, Volume 1B. Elsevier, 1499-1542.

Baldwin, R. (2016). The great convergence. Harvard University Press: Cambridge.

Bolin, B. (2017), Europe Feels the Trump Effect. Geraadpleegd op de website van Fair Observer: https://www.fairobserver.com/region/europe/donald-trump-nato-european-union-trade-climate-europe-news-15555/, op 8 februari 2018.

CBS (2015), Internationaliseringsmonitor 2015, eerste kwartaal: Waardeketens.
Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2016a), Nederlandse export meer gericht op niet-EU-landen, Centraal Bureau voor de Statistiek: Heerlen/Den Haag/Bonaire.

CBS (2016b), Internationaliseringsmonitor 2016, vierde kwartaal: Zelfstandig MKB.
Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2017a), Internationaliseringsmonitor 2017, vierde kwartaal: Waardeketens.
Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2017b), Internationaliseringsmonitor 2017, eerste kwartaal: Verenigd Koninkrijk.
Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Disdier, A. C., & Head, K. (2008). The puzzling persistence of the distance effect on bilateral trade. The Review of Economics and statistics, 90(1), 37–48.

Emmett, R. & Blenkinsop, P. (2017), The EU wants to set global trade rules after Trump steps back. Geraadpleegd op de website http://www.businessinsider.com/r-europe-seeks-to-set-global-trade-rules-after-trump-steps-back-2017-7?IR=T, op 12 februari 2018.

Guerron-Quintana, P. (2013), The economics of small open economies. Business Review Q4 2013, 9-18. www.philadelphiafed.org.

Heymans, J. (2017), Milder over Europa. Geraadpleegd op de website van RTL Nieuws: https://www.rtlnieuws.nl/columns/column/jos-heymans/milder-over-europa, op 13 februari 2018.

Jaarsma, M. & Lemmers, O. (2014), Handel met opkomende markten groeit sterk. CBS Webmagazine, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Juncker, J.-C. (2017), Toespraak over de staat van de Unie 2017. Geraadpleegd op de website van de Europese Commissie: http://europa.eu/rapid/press-release_SPEECH-17-3165_nl.htm, op 13 februari 2018.

Kuypers, F., Lejour, A., Lemmers, O. & Ramaekers, P. (2013), Wederuitvoer op bedrijfsniveau bekeken. TPEdigitaal, 7(3), 117–138.

Los, B., Timmer, M. P., & Vries, G. J. (2015). How global are global value chains? A new approach to measure international fragmentation. Journal of Regional Science, 55(1), 66–92.

OESO-WHO, (2013), OECD-WTO Database on Trade in Value-Added, May 2013 Release.

Smeets, R., Creusen, H., Lejour, A., & Kox, H. (2010), Export margins and export barriers: Uncovering market entry costs of exporters in the Netherlands. CPB Document, 208(1).

Statista (2017), Made in Germany Is World’s Favorite Brand: German Products Take First Place in Statista’s Made-In-Country Index. Geraadpleegd op de website van Statista:
https://www.statista.com/press/p/27_03_2017_made_in_germany_is_world_s_favorite_brand_german_products_take_first_place_in_statista_s_made_in_country_index/, op 10 januari 2018.

Regeerakkoord (2017), Vertrouwen in de toekomst. Den Haag.

Rutte (2018), Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Bertelsmann Stiftung, 2 maart 2018, Berlijn.

Stuurgroep (2017), Team Nederland: samen sterker in de wereld. Een actieplan voor banen en groei. Adviesrapport DTIB Stuurgroep internationale handels-, innovatie- en investeringsbevordering. Xerox/OBT: Den Haag.

Van Middelaar, L. (2017), Brexit en de toekomst van de Europese Unie. Geraadpleegd op de website van Universiteit Leiden: https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2017/11/brexit-zorgde-voor-hernieuwd-vertrouwen-in-europese-samenwerking, op 7 februari 2018.

Von der Burchard, H. & Hanke, J. (2017), Facing trade war with Trump, Europe rediscovers its swagger. Geraadpleegd op de website van Politico: https://www.politico.eu/article/facing-a-trade-war-europe-rediscovers-its-swagger/, op 6 februari 2018.

Noten

Als we voor een land kijken wat het belang is van de export naar een handelsblok voor dit land en het land zelf deel uitmaakt van dit handelsblok, dan kijken we naar het handelsblok exclusief dit land. Het gaat immers alleen over de export. Bijvoorbeeld, het belang voor Nederland van de export naar de EU15 is wat Nederland verdient dankzij de EU15 exclusief Nederland.

Vanaf het jaar 2000 zijn de België en Luxemburg gesplitst in de statistiek Internationale Handel in Goederen. Daarvóór was het één bestemming. In deze vergelijking is Luxemburg dus meegeteld bij België in beide jaren.

Deze OESO-WHO schattingen wijken licht af van eerder gepubliceerde CBS-cijfers (bijvoorbeeld CBS, 2015). Het CBS heeft nu een project waarin het bekijkt waar de verschillen tussen de eigen cijfers en die uit andere bronnen (naast OESO-WHO ook het WIOD-project) precies in zitten.

Voor het gemak vanaf nu steeds ‘consumptie’ genoemd.

Deze cijfers zijn exclusief wederuitvoer en wijken ook om andere redenen af van de CBS-cijfers over export.

Merk op dat de som van de derde en vierde kolom niet gelijk is aan de som van de tweede kolom. Deze som bevat namelijk nog een klein stukje toevoegde waarde dat Nederland realiseert door export naar dit handelsblok via een ander handelsblok. Bijvoorbeeld, in 2014 was voor de EU15 het verschil tussen de derde en vierde kolom precies de 3,6 miljard in grafiek 4.6.2 die de EU15 indirect bereikt.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte
Copyright foto hoofdstuk 3: Boskalis

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Dennis Cremers
Marjolijn Jaarsma
Oscar Lemmers
Pascal Ramaekers
Roger Voncken
Jaap Walhout
Khee Fung Wong

Redactie

Marjolijn Jaarsma
Pascal Ramaekers
Roger Voncken

Eindredactie

Marjolijn Jaarsma
Roger Voncken

Dankwoord

We danken de volgende collega’s voor hun constructieve bijdrage voor deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Anne-Peter Alberda
Marcel van den Berg
Annelies Boerdam
Jeanet Exel
Rik van Roekel
Gabriëlle Salazar-de Vet
Linda Schaefer
Roos Smit
Sjoertje Vos
Hans Westerbeek
Hendrik Zuidhoek
Irene van Kuik