Uitgaven per R&D-arbeidsjaar verschillen per sector

Foto omschrijving: Door middel van concentratie van de geest word een figuur van een computerspel, computergame, aangestuurd. De elektroden in de kap op het hoofd staan in verbinding met de computer.

Research & Development

Auteurs: Rogier Goedhart, Rik van Roekel

Onderzoek en ontwikkeling (R&D) zijn van belang voor een open economie die niet zo zeer op prijs maar vooral op kennis concurreert. De mogelijkheid producten te maken die anderen (nog) niet kunnen maken, geeft marktvoordeel en dus mogelijkheden voor groei. In 2020 gaven Nederlandse bedrijven en instellingen bijna 18,5 miljard euro uit aan R&D. De overheid financierde 30 procent van de R&D-uitgaven. De R&D-intensiteit kwam uit op 2,31 procent.

5.1R&D in Nederland

Om nieuwe kennis en kunde te ontwikkelen, is het van belang te investeren in R&D. Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek naar vernieuwing streeft. Volgens de definitie die statistische bureaus internationaal hanteren, betreft R&D: ‘creatief werk dat op systematische basis wordt verricht ter vergroting van de hoeveelheid kennis, met inbegrip van de kennis van de mens, de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze hoeveelheid kennis voor het ontwerpen van nieuwe toepassingen’ (OESO, 2015). Het kader ‘Definitie van R&D’ toont een praktische uitwerking van deze definitie, zoals het CBS deze hanteert in zijn enquêtes en publicaties. Traditioneel gaat R&D over fundamenteel en toegepast onderzoek naar nieuwe kennis en technologie. Later monden deze kennis en technologie mogelijk uit in concrete nieuwe producten en processen.

Er bestaat een verschil tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek. In fundamenteel onderzoek staat centraal dat een bedrijf of instelling de wetenschappelijke kennis vergroot (‘research’). Kennisinstellingen zoals universiteiten en onderzoeksinstituten richten zich vooral op dit type onderzoek. Bij toegepast onderzoek draait het er om dat bedrijven en instellingen ideeën verder ontwikkelen tot een prototype van nieuwe of sterk verbeterde processen en producten (‘development’). Bedrijven verrichten relatief vaak dit type onderzoek. Voor succesvolle R&D-activiteiten in Nederland is enerzijds de traditionele R&D binnen het eigen bedrijf van belang. Anderzijds zijn externe, gespecialiseerde kennisdiensten essentieel, waarbij partners samenwerken en kennis delen. Voorbeelden van samenwerkingspartners zijn onderzoeksinstituten en ingenieursbureaus.

R&D levert nieuwe kennis op die kan resulteren in innovaties. Dit zijn veelal technologische innovaties: nieuwe producten en processen. Daarnaast kan R&D ook niet-technologische innovaties opleveren. Voorbeelden hiervan zijn nieuwe organisatievormen en marketingmethoden.

Definitie van R&D

In enquêtes vraagt het CBS bedrijven en instellingen naar hun uitgaven en ingezette arbeidsjaren voor R&D. In dit kader beschrijven we welke activiteiten onder R&D-activiteiten vallen.

Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek streeft naar oorspronkelijkheid én vernieuwing. R&D is het creatief, systematisch en planmatig zoeken naar oplossingen voor praktische problemen, bijvoorbeeld productieproblemen. Ook het strategische en het fundamentele onderzoek behoren tot R&D. Hierbij staat voorop dat het bedrijf of de kennisinstelling de achtergrondkennis en de (puur) wetenschappelijke kennis wil vergroten. Dit type onderzoek heeft niet zo zeer tot doel direct economisch voordeel te behalen of problemen op te lossen. Verder omvat R&D activiteiten om ideeën of prototypes verder te ontwikkelen tot bruikbare processen en productierijpe producten.

Belangrijk in dit proces is ook activiteiten te definiëren die geen R&D zijn. De volgende activiteiten betreffen geen R&D:

  • routinematige metingen of controles;
  • marktonderzoeken;
  • scholing en training;
  • werkzaamheden voor octrooien en licenties;
  • ingekochte technologie of geavanceerde (productie)apparatuur operationeel maken;
  • bestaande software herschrijven of klantspecifiek maken;
  • industriële vormgeving, tenzij het doel is systematisch ergonomische verbeteringen aan te brengen.

In deze publicatie vallen onder R&D-uitgaven – tenzij anders vermeld – de uitgaven die bedrijven of instellingen doen aan R&D die het eigen en ingeleende personeel in Nederland verricht. Daarbij kan het bedrijf zelf de R&D financieren, maar het kan ook tegen betaling R&D uitvoeren in opdracht van andere bedrijven of instellingen. R&D-activiteiten van Nederlandse bedrijven die zij uitvoeren in het buitenland, vallen hier dus niet onder. Omgekeerd vallen in Nederland verrichte R&D-activiteiten gefinancierd vanuit het buitenland hier wél onder. R&D-financiering via WBSO-subsidies wordt niet verrekend.noot1 Dit betekent dat uitgaven van een bedrijf aan gesubsidieerd R&D-personeel tellen als R&D-uitgaven, ook al krijgt het bedrijf een deel hiervan (later) via de loonbelasting terug. Door deze aanpak zijn de cijfers over Nederland vergelijkbaar met uitkomsten van andere landen.

Bij R&D gaat het er niet alleen om dat een bedrijf of instelling zelf nieuwe kennis ontwikkelt. Het is ook van belang elders ontwikkelde kennis te benutten, en bestaande informatie uit te wisselen. Daartoe is een goed ontsloten kennisinfrastructuur essentieel. Als bedrijven, overheden en kennisinstellingen veel R&D-activiteiten verrichten en daarbij samenwerken, kan een land beter concurreren. Dit maakt een land ook aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Substantiële R&D-activiteiten in een bedrijfstak of land gaan ook gepaard met hoogwaardige werkgelegenheid. Ook onderzoek ten behoeve van de energietransitie en de mondiale voedselvoorziening is van actueel belang. R&D is daarmee niet uitsluitend een zaak voor de bedrijvensector, maar zeker ook voor overheid en wetenschap.

Deze paragraaf schetst een beeld van de totale R&D-uitgaven en het bijbehorende R&D-personeel in 2020. Aan bod komt welk aandeel de verschillende sectoren hierin hebben en hoe de situatie in Nederland is in internationaal perspectief.

Bijna 18,5 miljard euro aan R&D in Nederland

In 2020 hebben Nederlandse bedrijven en instellingen bijna 18,5 miljard euro uitgegeven aan R&D met eigen en ingeleend personeel (tabel 5.1.1). Het Nederlandse bedrijfsleven verrichtte twee derde van alle R&D in Nederland. Instellingen voor hoger onderwijs waren goed voor 28 procent van de totale R&D-uitgaven. Dit zijn de universiteiten, universitaire medische centra en het hoger beroepsonderwijs. Overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen verrichtten de resterende 6 procent van de Nederlandse R&D in 2020. Bedrijven en instellingen verrichten R&D niet altijd voor zichzelf of voor de eigen sector. Bedrijven doen bijvoorbeeld R&D in opdracht van de overheid, en researchinstellingen en universiteiten verrichten R&D in opdracht van bedrijven (zie ook tabel 5.3.1). Ook bij R&D is er dus, net als bij andere economische activiteiten, sprake van een zekere arbeidsverdeling tussen bedrijven en sectoren.

5.1.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: uitgaven, arbeidsjaren en R&D-intensiteit
2016 2017 2018 2019 2020** 2020**
R&D-uitgaven mln euro % van totaal
Totaal 15 235 16 081 16 550 17 760 18 494 100
Bedrijven 10 008 10 667 10 998 11 846 12 314 67
Instellingen1) 923 907 971 1 014 1 038 6
Hoger onderwijs en UMC2) 4 304 4 506 4 581 4 900 5 142 28
R&D intensiteit3) % van bbp
Totaal 2,15 2,18 2,14 2,18 2,31
Bedrijven 1,41 1,45 1,42 1,46 1,54
Instellingen1) 0,13 0,12 0,13 0,12 0,13
Hoger onderwijs en UMC2) 0,61 0,61 0,59 0,60 0,64
R&D-personeel 1 000 fte % van totaal
Totaal 144,5 150,4 156,8 160,4 166,4 100
Bedrijven 102,6 107,5 112,8 115,1 118,4 71
Instellingen1) 8,6 8,6 9,3 9,3 9,6 6
Hoger onderwijs en UMC2) 33,3 34,4 34,7 36,0 38,4 23

Bron:CBS

1)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

2)Universiteiten, het facultair deel van de Universitaire Medische Centra (UMC's) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo).

3)R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp).

**nader voorlopige cijfers

Ruim 166 duizend arbeidsjaren aan R&D

In 2020 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen ruim 166 duizend arbeidsjaren aan R&D. Ook hier namen de bedrijven het grootste deel voor hun rekening: 71 procent. Het hoger onderwijs was goed voor 23 procent van de R&D-arbeidsjaren. De resterende 6 procent werd gerealiseerd door de overheidsinstellingen en de private non-profitinstellingen.

Per R&D-arbeidsjaar gaf de bedrijvensector 104 duizend euro uit; in het hoger onderwijs was dit 134 duizend euro. De publieke researchinstellingen lagen hier met 108 duizend euro per arbeidsjaar tussenin. De R&D-uitgaven bestaan naast de loonkosten uit de overige exploitatiekosten die aan R&D zijn toe te rekenen, met uitzondering van de afschrijvingen. In plaats van de afschrijvingen behoren de R&D-investeringen tot de R&D-uitgaven. De uitgaven die bedrijven en instellingen doen aan R&D omvatten dus meer dan alleen de loonkosten.

R&D-intensiteit

Tabel 5.1.1 vermeldt ook de zogenaamde R&D-intensiteit. Deze is gedefinieerd als de R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product (bbp), en drukt zo de omvang van de R&D-uitgaven uit als percentage van de totale economie. Daardoor geeft dit cijfer aan in hoeverre de R&D-uitgaven gelijke tred houden met de economie. Daarnaast zorgt het ervoor dat de R&D-uitgaven van verschillende landen vergelijkbaar zijn.

De R&D-intensiteit is een heldere, bruikbare en feitelijk juiste indicator, maar de achterliggende werkelijkheid is altijd genuanceerder. Door verschillen in sectorstructuur zijn landen niet zonder meer met elkaar te vergelijken. Nederland heeft relatief weinig industriële bedrijven en dat verklaart voor een deel dat Nederland minder uitgeeft aan R&D. De industrie verricht namelijk meestal meer R&D dan de dienstensector, hoewel de dienstverlening ook R&D-activiteiten uitvoert. Het is dus mogelijk dat landen onderling een vergelijkbare R&D-intensiteit hebben voor zowel de industrie als de dienstensector, maar dat de R&D-intensiteit op nationaal niveau verschilt doordat het ene land veel meer industrie heeft. Dit gegeven speelt mee in de ambitie van Nederlandse beleidsmakers. Zij hebben de doelstelling voor de R&D-uitgaven in Nederland vastgesteld op 2,5 procent van het bbp in 2020 (Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie, 2011). Daarmee hebben zij de generieke ambitie voor de Europese Unie (EU) genuanceerd voor Nederland. De Europese Commissie (EC) streefde namelijk naar een R&D-intensiteit van drie procent voor de gehele EU in 2020 (Europese Commissie, 2010). Eerder ambieerde de EC voor 2010 ook al een intensiteit van drie procent. Slechts een minderheid van de EU-landen heeft deze doelstelling toen ook daadwerkelijk gehaald.

Nederland mist doelstelling R&D-intensiteit

De R&D-intensiteit in Nederland bedroeg 2,31 procent in 2020 (figuur 5.1.2). Nederland mist daarmee de doelstelling om de R&D-intensiteit 2,5 procent te laten bedragen in dat jaar (zie kader ‘R&D-intensiteit’). De R&D-intensiteit in Nederland is bijna gelijk aan het gemiddelde van de EU-27 (2,32 procent), maar licht lager dan de R&D-intensiteit van de OESO-landennoot2 (2,68 procent). Het cijfer van Nederland is hoger dan dat van bijvoorbeeld Noorwegen, Italië, Canada en Luxemburg. Het is beduidend lager dan de R&D-intensiteit van Finland, België, Denemarken, Duitsland en Zweden, landen waar Nederland zich regelmatig aan spiegelt. Israël spande in 2020 de kroon met een R&D-intensiteit van 5,4 procent.

5.1.2 R&D-intensiteit1), 2020* (%)
Land R&D-intensiteit
Israël 5,44
Zuid-Korea 4,81
Zweden 3,53
België 3,48
Verenigde Staten 3,45
Japan 3,27
Oostenrijk 3,20
Duitsland 3,14
Denemarken 3,03
Finland 2,94
OESO 2,68
IJsland 2,47
Frankrijk 2,35
EU-27 2,32
Nederland 2,31
Noorwegen 2,28
Slovenië 2,15
Tsjechië 1,99
Canada 1,70
Portugal 1,62
Hongarije 1,61
Italië 1,53
Griekenland 1,50
Spanje 1,41
Polen 1,39
Ierland 1,23
Luxemburg 1,13
Bron: Eurostat, OESO
1)De R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp.
*voorlopige cijfers

Aandeel bedrijven in R&D-uitgaven gemiddeld in Nederland

In 2020 waren Nederlandse bedrijven goed voor 67 procent van de totale R&D-uitgaven in Nederland (zie ook tabel 5.1.1); in de EU als geheel lag dit aandeel op 66 procent. Bij de OESO-landen wordt gemiddeld meer bijgedragen door bedrijven aan de R&D-uitgaven dan in Nederland en in de EU, namelijk 72 procent.

Het hoger onderwijs in Nederland geeft relatief meer uit dan het hoger onderwijs in de gehele EU-27, namelijk 27 procent tegen 22 procent in 2020. Overheidsinstellingen en private non-profit organisaties samen geven in Nederland juist relatief minder uit dan in de gehele EU: hun aandeel bedroeg 6 procent in Nederland en 12 procent in de EU.

Bijdrage bedrijven aan R&D-intensiteit gelijk aan EU-gemiddelde

In 2020 was de bijdrage van bedrijven aan de R&D-intensiteit in Nederland 1,54 procent, nagenoeg gelijk aan de gemiddelde bijdrage van bedrijven in de EU-27 (figuur 5.1.3). Nederland scoorde echter wel lager dan het gemiddelde van alle OESO-landen, dat uitkwam op 1,92 procent van het bbp. Zowel voor alle sectoren als voor bedrijven alleen ligt de R&D-intensiteit van Nederland dus meer in de buurt van het gemiddelde van de EU, maar lager dan dat van de OESO-landen.

5.1.3 R&D-intensiteit1) alle sectoren en bedrijven, 2020* (%)
Nederland Europese Unie (EU-27) OESO
Alle sectoren 2,31 2,32 2,68
Bedrijven 1,54 1,53 1,92
Bron: Eurostat, OESO
1)De R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp.
*voorlopige cijfers

5.2R&D in de bedrijvensector

Deze paragraaf bouwt voort op de vorige paragraaf, waar is geconcludeerd dat het grootste deel van de R&D in Nederland verricht wordt door de bedrijvensector. Binnen de bedrijvensector zijn de verschillen in R&D-uitgaven echter groot.

Meeste R&D in industrie

De industrie neemt in 2020 de helft van de R&D-uitgaven van de bedrijvensector voor haar rekening (tabel 5.2.1). Toch behoort minder dan een kwart van alle bedrijven die R&D verrichten tot de industrie. De gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf zijn in de industrie dan ook vele malen hoger dan in de dienstensector: respectievelijk 1,42 miljoen euro tegen 403 duizend euro. Dit komt deels doordat de R&D in de industrie technischer van aard is en daardoor uitgaven aan apparatuur en laboratoria hoger zijn. Ook in de R&D-uitgaven per arbeidsjaar komt dit tot uiting; deze zijn in de industrie veel hoger dan in de dienstverlening. Er is nog een belangrijke reden voor het grote aandeel van de industrie in de R&D-uitgaven. Vooral in de industrie geven enkele grote multinationals zeer grote bedragen uit aan R&D. Daardoor stuwen zij de gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf in de industrie enorm omhoog. Dit is zichtbaar in de gemiddelde R&D-uitgaven van de bedrijven met 250 of meer werkzame personen; deze bedroegen 8,2 miljoen euro per bedrijf in 2020. Dit is lager dan in 2019 toen gemiddeld 8,6 miljoen euro aan R&D werd uitgegeven door bedrijven met 250 werkzame personen of meer. Het aantal grote R&D-bedrijven nam sterker toe dan hun R&D-uitgaven. In 2020 telde Nederland 1 015 R&D-bedrijven met meer dan 250 werkzame personen (2019: 930 bedrijven). Zij bestaan voor een zeer belangrijk deel uit grote multinationals in de industrie. De R&D-uitgaven binnen de bedrijvensector zijn dan ook zeer scheef verdeeld. De R&D-bedrijven met 250 of meer werkzame personen omvatten slechts 5,1 procent van alle R&D-bedrijven, terwijl zij samen goed waren voor 68 procent van alle R&D-uitgaven in 2020.

5.2.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: bedrijven
2016 2017 2018 2019 2020** 2020**
R&D-bedrijven % van totaal
Totaal 20 160 19 485 19 030 19 550 19 720 100
Sector
Industrie 4 415 4 325 4 280 4 385 4 350 22
Dienstverlening 14 020 13 450 13 165 13 655 13 905 71
Overig 1 725 1 710 1 590 1 505 1 465 7
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 9 825 8 985 8 475 8 435 8 605 44
10 tot 50 werkzame personen 6 805 6 900 6 900 7 315 7 200 37
50 tot 250 werkzame personen 2 695 2 760 2 760 2 865 2 905 15
250 of meer werkzame personen 835 840 890 930 1 015 5
R&D-uitgaven mln euro % van totaal
Totaal 10 008 10 667 10 998 11 846 12 315 100
Sector
Industrie 5 014 5 384 5 596 5 914 6 178 50
Dienstverlening 4 602 4 816 4 945 5 405 5 602 45
Overig 392 467 458 527 535 4
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 628 607 460 603 600 5
10 tot 50 werkzame personen 1 054 1 051 1 009 1 052 1 139 9
50 tot 250 werkzame personen 2 069 2 192 2 285 2 227 2 257 18
250 of meer werkzame personen 6 258 6 817 7 245 7 965 8 319 68
R&D-personeel 1 000 fte % van totaal
Totaal 102,6 107,5 112,8 115,1 118,4 100
Sector
Industrie 42,6 45,0 47,7 47,6 47,4 40
Dienstverlening 55,5 57,6 60,4 62,8 66 56
Overig 4,5 4,9 4,7 4,7 5 4
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 10,7 9,8 9,4 9,3 9,5 8
10 tot 50 werkzame personen 16,6 17,1 16,4 16,1 17,6 15
50 tot 250 werkzame personen 23,1 24,9 26,6 24,9 25,5 22
250 of meer werkzame personen 52,2 55,8 60,4 64,8 65,8 56

Bron:CBS

**nader voorlopige cijfers

Ook kleine bedrijven dragen bij aan R&D

Een groot deel van de bedrijven die R&D verrichten, zijn kleine bedrijven. Dit komt deels doordat er gewoonweg veel meer kleine dan grote bedrijven zijn. Veel van deze kleine bedrijven zijn actief in de dienstensector en hebben mede daardoor lagere R&D-uitgaven per bedrijf. Zij hebben ook lagere R&D-uitgaven per arbeidsjaar dan grote bedrijven. Van de bedrijven die in 2020 R&D verrichtten, had 81 procent minder dan 50 werkzame personen. Deze bedrijven waren goed voor 14 procent van de totale R&D-uitgaven en 23 procent van het R&D-personeel (uitgedrukt in fte’s) van alle bedrijven.

Ook de groep kleinste bedrijven – bedrijven met minder dan 10 werkzame personen – draagt noemenswaardig bij aan de R&D-uitgaven van de bedrijvensector. Bijna de helft van de bedrijven die aan R&D doen, behoort tot deze groep. Zij vertegenwoordigden 5 procent van de totale R&D-uitgaven en 8 procent van het totale R&D-personeel van de bedrijvensector in 2020.

Er zijn relatief weinig bedrijven met meer dan 50 werkzame personen in Nederland, en zij zijn voornamelijk actief in de industrie. Grote bedrijven kenmerken zich door hoge R&D-uitgaven per bedrijf en per arbeidsjaar. Samen waren zij goed voor 86 procent van de R&D-uitgaven en 78 procent van de R&D-werkgelegenheid in de bedrijvensector.

Een dergelijke scheve verdeling van de R&D-activiteiten binnen de bedrijvensector is niet uniek voor Nederland. Er zijn ook andere landen waar grote bedrijven het leeuwendeel van de R&D voor hun rekening nemen. De R&D in deze landen is dus sterk afhankelijk van een klein aantal bedrijven. Beslissingen van deze bepalende bedrijven over hun R&D hebben immers grote invloed op de totale R&D van de bedrijvensector. Dit maakt een kenniseconomie kwetsbaar. Anderzijds kunnen deze grote bedrijven een positieve invloed hebben op R&D-activiteiten van andere bedrijven, universiteiten en researchinstellingen. De scheve verhouding tussen de R&D in grote en kleine bedrijven heeft dus voor- en nadelen, maar het is hoe dan ook positief dat in Nederland ook kleine bedrijven investeren in R&D.

16% R&D-uitgaven bedrijven door ICT-sector Buitenvorm Binnenvorm

Veel R&D in ICT-dienstensector

Een aparte sector binnen de bedrijvensector is de ICT-sector. In het vervolg van deze paragraaf beschouwen we het belang van R&D binnen de ICT-sector ten opzichte van de totale bedrijvensector. Om hier enig zicht op te krijgen zijn in tabel 5.2.2 de R&D-activiteiten van de ICT-sector weergegeven alsmede het belang hiervan voor de R&D-activiteiten van de totale bedrijvensector zoals weergegeven in tabel 5.2.1.

5.2.2R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: ICT-sector
2016 2017 2018 2019 2020** 2020**
R&D bedrijven % van totaal
Totaal 3 960 3 845 3 705 3 625 3 830 19
Sector
ICT-industrie 150 140 140 145 145 3
ICT-dienstverlening 3 810 3 705 3 565 3 480 3 685 28
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 2 135 1 945 1 855 1 830 1 855 22
10 tot 50 werkzame personen 1 415 1 470 1 445 1 305 1 500 21
50 tot 250 werkzame personen 350 365 335 410 395 14
250 of meer werkzame personen 65 60 70 75 80 8
R&D-uitgaven mln euro % van totaal
Totaal 1 756 1 814 1 863 1 988 2 013 16
Sector
ICT-industrie 290 315 356 336 354 6
ICT-dienstverlening 1 465 1 500 1 507 1 653 1 659 32
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 167 150 119 150 148 25
10 tot 50 werkzame personen 370 370 320 296 357 31
50 tot 250 werkzame personen 377 409 498 489 491 22
250 of meer werkzame personen 841 885 926 1 054 1 016 12
R&D-personeel 1 000 fte % van totaal
Totaal 23,5 24,4 25,4 25,5 26,2 22
Sector
ICT-industrie 2,4 2,4 2,8 2,5 2,4 5
ICT-dienstverlening 21,2 21,9 22,6 23,0 23,8 39
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 3,1 2,8 2,7 2,7 2,7 28
10 tot 50 werkzame personen 6,4 6,7 6,3 5,4 6,2 35
50 tot 250 werkzame personen 4,4 5,4 6,1 6,3 5,9 23
250 of meer werkzame personen 9,6 9,5 10,4 11,1 11,4 17

Bron:CBS

**nader voorlopige cijfers

In 2020 was 19 procent van alle bedrijven die aan R&D deden een ICT-bedrijf. Gezamenlijk waren deze bedrijven goed voor 16 procent van de R&D-uitgaven en 22 procent van het R&D-personeel in de bedrijvensector in dat jaar. Echter, ICT-bedrijven die aan R&D doen, zijn binnen de dienstverlening van veel groter belang dan binnen de industrie. Ruim 28 procent van de bedrijven in de dienstensector die aan R&D deden in 2020, is een ICT-bedrijf. Binnen de dienstensector bestond 32 procent van de R&D-uitgaven uit R&D-uitgaven van ICT-dienstverleners en 39 procent van het R&D-personeel werkte in de ICT-dienstensector. Voor de Nederlandse industrie is de bijdrage van de ICT-industrie van veel minder groot belang.

Ook in absolute zin geeft de ICT-dienstverlening meer uit aan R&D dan de ICT-industrie: ruim 4,5 keer zoveel in 2020. Daarnaast dragen de ICT-bedrijven meer bij aan de R&D-activiteiten van de kleinere bedrijven dan aan die van de grotere. Dit komt deels door het feit dat de R&D van de ICT-sector vooral in de dienstverlening van belang is: een sector met meer kleinere bedrijven dan de industrie.

5.3Financiering van R&D

De uitgaven aan R&D verricht met eigen en ingeleend personeel vormen een belangrijke indicator van de R&D-statistieken. Het voorgaande deel van dit hoofdstuk heeft dit gegeven dan ook uitgebreid behandeld. Daarnaast zijn er meer algemene vormen van financiering van R&D. De overheid verstrekt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel de middelen voor onderzoek binnen het hoger onderwijs. Deze paragraaf beschrijft in welke mate verschillende partijen R&D in Nederland financieren.

30% R&D in Nederland gefinancierd door overheid Buitenvorm Binnenvorm

Bedrijven financieren meer dan de helft van R&D in Nederland

In 2020 bedroegen de totale uitgaven voor R&D verricht met eigen en ingeleend personeel in Nederland bijna 18,5 miljard euro. De bedrijvensector financierde 10,5 miljard euro hiervan, dat is 57 procent (tabel 5.3.1). Voor het overgrote deel is dit R&D voor het eigen bedrijf, gefinancierd uit middelen van het bedrijf zelf. Het omvat echter ook contractonderzoek van het ene bedrijf voor het andere. De overheid is de tweede grote financier van R&D in Nederland. In 2020 was 5,6 miljard euro afkomstig van de overheid; dat is 30 procent van het totaal. De derde grote financier van R&D in Nederland is het buitenland. In 2020 kwam ruim 10 procent van de R&D-financiering uit andere landen.

Bij de herkomst van middelen zijn de private non-profitinstellingen (PNP’s) apart onderscheiden. Zij hebben zich namelijk ontwikkeld tot hoofdzakelijk financiers van R&D, die zelf steeds minder R&D verrichten. De financiële bijdragen van PNP’s vormen een substantiële geldstroom voor het hoger onderwijs, en dan vooral voor het onderzoek op het terrein van gezondheid.

Per sector is het niet altijd dezelfde financier die van het grootste belang is. Zo is de bedrijvensector, met een bijdrage van 81 procent in 2020, zelf de grootste financier van de R&D die bedrijven uitvoeren. Voor de R&D die overheidsinstellingen en het hoger onderwijs uitvoeren, is de overheid de grootste financier. Voor beide gold dat 77 procent van de R&D-uitgaven gefinancierd werd door de overheid.

In 2020 betaalde het buitenland voor 11 procent mee aan de R&D van de bedrijvensector en voor 12 procent aan de R&D van de overheidsinstellingen. Maar ook het hoger onderwijs (9 procent) ontving een bijdrage uit het buitenland. Voor de overheidsinstellingen en het hoger onderwijs betreft dit vaak bijdragen van de EU. Bij bedrijven zijn het overwegend financiële stromen binnen multinationals met een moeder- of dochteronderneming in Nederland.

5.3.1Herkomst en bestemming van middelen voor R&D, 2020*
Bestemming middelen
totaal bedrijven instellingen1) hoger onderwijs buitenland nationaal
Herkomst middelen2) mln euro
Totaal 18 494 12 314 1 038 5 142 2 912 19 491
Bedrijven 10 520 10 030 88 402 2 896 13 416
Overheid 5 603 831 797 3 975 16 5 619
Hoger onderwijs 39 26 13 0 0 39
Private non-profitorganisaties 415 102 12 301 0 415
Buitenland 1 915 1 324 128 463
%
Totaal 100 100 100 100 100 100
Bedrijven 57 81 8 8 99 69
Overheid 30 7 77 77 1 29
Hoger onderwijs 0 0 1 0 0 0
Private non-profitorganisaties 2 1 1 6 0 2
Buitenland 10 11 12 9

Bron:CBS

1)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

2)De tegemoetkoming in de kosten van R&D uit hoofde van de WBSO-regeling wordt in de staat van herkomst en bestemming van middelen niet verdisconteerd.

*voorlopige cijfers

Bijna 15 procent nationale R&D-middelen naar buitenland

Het voorgaande ging in op de financiering van de R&D die bedrijven en instellingen in Nederland verrichten: de herkomst van de middelen. Een tweede invalshoek is de bestemming van de middelen die bedrijven, instellingen en overheden in Nederland besteden aan R&D.

De meeste middelen die bedrijven vrijmaken voor R&D, besteden zij binnen het eigen bedrijf of bij andere bedrijven. In 2020 was dit 10 miljard euro van de 13,4 miljard euro die bedrijven in totaal uitgaven aan R&D. Het buitenland is een andere belangrijke bestemming van R&D-gelden van de bedrijvensector. In 2020 financierden Nederlandse bedrijven voor bijna 2,9 miljard euro aan R&D in het buitenland; dit was bijna 22 procent van hun totale bestedingen aan R&D. De totale R&D-uitgaven van de bedrijvensector (12,3 miljard euro) zijn groter dan de middelen die bedrijven beschikbaar stelden voor de financiering van R&D (10,5 miljard euro). Dat betekent dat de bedrijvensector per saldo R&D van andere sectoren financiert, waaronder het buitenland. Zo besteedde de bedrijvensector in 2020 voor 402 miljoen euro R&D uit aan het hoger onderwijs; omgekeerd ging dat om 26 miljoen euro.

Nationale uitgaven aan R&D

De nationale uitgaven aan R&D zijn de totale uitgaven van bedrijven, instellingen en overheden in Nederland aan R&D. Dit is exclusief R&D die organisaties in Nederland hebben uitgevoerd voor buitenlandse financiers, maar inclusief de R&D die Nederlandse partijen hebben uitbesteed aan het buitenland. Ingezetenen van Nederland hebben 19 491 miljoen euro aan R&D uitgegeven in 2020 (tabel 5.3.1). Dit zijn de nationale uitgaven aan R&D. De totale R&D-uitgaven met eigen en ingeleend personeel bedroegen 18 494 miljoen euro. Het verschil bestaat uit twee componenten. Ten eerste telt het bedrag dat buitenlandse financiers uitgaven in Nederland niet mee in de nationale uitgaven aan R&D. Dit bedroeg 1 915 miljoen euro in 2020. Ten tweede telt het bedrag dat Nederlandse partijen uitgaven in het buitenland wél mee: het ging om 2 912 miljoen euro in 2020. De nationale uitgaven aan R&D zijn dan als volgt te berekenen:

  • de totale R&D-uitgaven met eigen en ingeleend personeel (18 494 miljoen euro),
  • verminderd met de uitgaven van buitenlandse financiers (1 915 miljoen euro),
  • en daarbij opgeteld de R&D-uitgaven van Nederlandse partijen in het buitenland (2 912 miljoen euro). Dit telt op tot 19 491 miljoen euro aan nationale R&D-uitgaven in 2020. Het buitenlandse R&D-saldo bedraagt dan −997 miljoen euro (1 915 miljoen–2 912 miljoen euro). Dit betekent dat in 2020 Nederland bijna 1 miljard euro meer heeft uitgegeven aan R&D in het buitenland dan buitenlandse partijen hebben uitbesteed aan Nederland.

5.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Europese Commissie (2010). Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Europese Commissie, Brussel.

Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (2011). Nationaal Hervormingsprogramma 2011. Brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 15 april 2011, nummer 21501-20-531. Den Haag.

OESO (2015). Frascati Manual 2015. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.

Noten

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Deze wet regelt een fiscale stimulering van (private) R&D door de loonbelasting van R&D-personeel die een bedrijf moet afdragen te verminderen.

Landen aangesloten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends

Rogier Goedhart

Ron de Heij

Raymond Kleingeld

Danny Pronk

Rik van Roekel

Overige bijdragen

Math Akkermans

Marloes Dijksma

Henk Florie

David Gies

Cor Kragt

Rick de Kruijff

Ilham Malkaoui

Shirley Ortega Azurduy

Eelco van Vliet

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij

Danny Pronk