R&D-uitgaven nemen toe

Foto omschrijving: Studenten bezig met het allerlei technische- en software oplossingen aan de voetbalrobots

Research & Development

Auteur: Rik van Roekel

Onderzoek en ontwikkeling (R&D) zijn van belang voor een open economie die niet zo zeer op prijs maar vooral op kennis concurreert. In 2018 hebben Nederlandse bedrijven en instellingen bijna 16,6 miljard euro gespendeerd aan R&D en werden hieraan 157 duizend arbeidsjaren besteed. Bijna een kwart van het R&D-personeel werkt in de ICT-sector. Meer dan de helft van de Nederlandse R&D-uitgaven werd gefinancierd door bedrijven in 2018.

5.1R&D in Nederland

Om nieuwe kennis en kunde te ontwikkelen, is het van belang te investeren in R&D. Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek naar vernieuwing streeft. Volgens de definitie die statistische bureaus internationaal hanteren, betreft R&D: ‘creatief werk dat op systematische basis wordt verricht ter vergroting van de hoeveelheid kennis, met inbegrip van de kennis van de mens, de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze hoeveelheid kennis voor het ontwerpen van nieuwe toepassingen’ (OESO, 2015). Het kader ‘Definitie van R&D’ toont een praktische uitwerking van deze definitie, zoals het CBS deze hanteert in zijn enquêtes en publicaties. Traditioneel gaat R&D over fundamenteel en toegepast onderzoek naar nieuwe kennis en technologie. Later monden deze kennis en technologie mogelijk uit in concrete nieuwe producten en processen.

Er bestaat een verschil tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek. In fundamenteel onderzoek staat centraal dat een bedrijf of instelling de wetenschappelijke kennis vergroot (‘research’). Kennisinstellingen zoals universiteiten en onderzoeksinstituten richten zich vooral op dit type onderzoek. Bij toegepast onderzoek draait het er om dat bedrijven en instellingen ideeën verder ontwikkelen tot een prototype van nieuwe of sterk verbeterde processen en producten (‘development’). Bedrijven verrichten relatief vaak dit type onderzoek. Voor succesvolle R&D-activiteiten in Nederland is enerzijds de traditionele R&D binnen het eigen bedrijf van belang. Anderzijds zijn externe, gespecialiseerde kennisdiensten essentieel, waarbij partners samenwerken en kennis delen. Voorbeelden van samenwerkingspartners zijn onderzoeksinstituten en ingenieursbureaus.

R&D levert nieuwe kennis op die kan resulteren in innovaties. Dit zijn veelal technologische innovaties: nieuwe producten en processen. Daarnaast kan R&D ook niet-technologische innovaties opleveren. Voorbeelden hiervan zijn nieuwe organisatievormen en marketingmethoden.

Definitie van R&D

In enquêtes vraagt het CBS bedrijven en instellingen naar hun uitgaven en ingezette arbeidsjaren voor R&D. In dit kader wordt beschreven welke activiteiten onder R&D-activiteiten vallen.

Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek streeft naar oorspronkelijkheid én vernieuwing. R&D is het creatief, systematisch en planmatig zoeken naar oplossingen voor praktische problemen, bijvoorbeeld productieproblemen. Ook het strategische en het fundamentele onderzoek behoren tot R&D. Hierbij staat voorop dat het bedrijf of de kennisinstelling de achtergrondkennis en de (puur) wetenschappelijke kennis wil vergroten. Dit type onderzoek heeft niet zo zeer tot doel direct economisch voordeel te behalen of problemen op te lossen. Verder omvat R&D activiteiten om ideeën of prototypes verder te ontwikkelen tot bruikbare processen en productierijpe producten.

Belangrijk in dit proces is ook activiteiten te definiëren die geen R&D zijn. De volgende activiteiten betreffen geen R&D:

  • routinematige metingen of controles,
  • marktonderzoeken,
  • scholing en training,
  • werkzaamheden voor octrooien en licenties,
  • ingekochte technologie of geavanceerde (productie)apparatuur operationeel maken,
  • bestaande software herschrijven of klantspecifiek maken,
  • industriële vormgeving, tenzij het doel is systematisch ergonomische verbeteringen aan te brengen.

In deze publicatie vallen onder R&D-uitgaven – tenzij anders vermeld – de uitgaven die bedrijven of instellingen doen aan R&D die het eigen en ingeleende personeel in Nederland verricht. Daarbij kan het bedrijf zelf de R&D financieren, maar het kan ook tegen betaling R&D uitvoeren in opdracht van andere bedrijven of instellingen. R&D-activiteiten van Nederlandse bedrijven die zij uitvoeren in het buitenland, vallen hier dus niet onder. Omgekeerd vallen in Nederland verrichte R&D-activiteiten gefinancierd vanuit het buitenland hier wél onder. R&D-financiering via WBSO-subsidies wordt niet verrekend.noot1 Dit betekent dat uitgaven van een bedrijf aan gesubsidieerd R&D-personeel tellen als R&D-uitgaven, ook al krijgt het bedrijf een deel hiervan (later) via de loonbelasting terug. Door deze aanpak zijn de cijfers over Nederland vergelijkbaar met uitkomsten van andere landen.

Bij R&D gaat het er niet alleen om dat een bedrijf of instelling zelf nieuwe kennis ontwikkelt. Het is ook van belang elders ontwikkelde kennis te benutten, en bestaande informatie uit te wisselen. Daartoe is een goed ontsloten kennisinfrastructuur essentieel. Als bedrijven, overheden en kennisinstellingen veel R&D-activiteiten verrichten en daarbij samenwerken, kan een land beter concurreren. Dit maakt een land ook aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Substantiële R&D-activiteiten in een bedrijfstak of land gaan ook gepaard met hoogwaardige werkgelegenheid.

Deze paragraaf schetst allereerst een beeld van de totale R&D-uitgaven en het bijbehorende R&D-personeel in 2018. Vervolgens komt aan bod welk aandeel de verschillende sectoren hierin hebben en hoe de situatie in Nederland is vergeleken met het buitenland.

Ruim 16,5 miljard euro aan R&D in Nederland

In 2018 hebben Nederlandse bedrijven en instellingen bijna 16,6 miljard euro uitgegeven aan R&D (tabel 5.1.1). Het Nederlandse bedrijfsleven verrichtte twee derde van alle R&D in Nederland: het betrof bijna 11 miljard euro. Instellingen voor hoger onderwijs waren goed voor 28 procent van de totale R&D-uitgaven (ruim 4,5 miljard euro). Dit zijn de universiteiten, universitaire medische centra en het hoger beroepsonderwijs. Overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen verrichtten in 2018 de resterende 6 procent van de Nederlandse R&D (bijna 1 miljard euro). Bedrijven en instellingen verrichten R&D niet altijd voor zichzelf of voor de eigen sector. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld ook R&D verrichten in opdracht van de overheid of researchinstellingen, en universiteiten kunnen R&D-activiteiten uitvoeren in opdracht van bedrijven (zie ook financiering van R&D in tabel 5.3.1). Ook bij R&D is er dus, net als bij andere economische activiteiten, sprake van een zekere arbeidsverdeling tussen bedrijven en sectoren.

5.1.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: uitgaven, arbeidsjaren en R&D-intensiteit

2014 2015 2016 2017 2018** 2018**
R&D-uitgaven mln euro % van totaal
Totaal 14 595 14 808 15 235 16 080 16 554 100
Bedrijven 9 444 9 515 10 008 10 667 10 998 66
Instellingen2) 889 900 923 907 971 6
Hoger onderwijs en UMC3) 4 262 4 393 4 304 4 506 4 585 28
 
R&D intensiteit1) % van bbp
Totaal 2,17 2,15 2,15 2,18 2,14
Bedrijven 1,41 1,38 1,41 1,45 1,42
Instellingen2) 0,13 0,13 0,13 0,12 0,13
Hoger onderwijs en UMC3) 0,63 0,64 0,61 0,61 0,59
 
R&D-personeel 1 000 fte % van totaal
Totaal 136,2 139,4 144,5 150,4 156,9 100
Bedrijven 94,6 97,4 102,6 107,5 112,8 72
Instellingen2) 8,3 8,3 8,6 8,6 9,3 6
Hoger onderwijs en UMC3) 33,2 33,6 33,3 34,4 34,7 22

Bron:CBS

1)R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp).

2)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

3)Universiteiten, het facultair deel van de Universitaire Medische Centra (UMC's) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo).

**Nader voorlopige cijfers.

Bijna 157 duizend arbeidsjaren aan R&D

In 2018 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen bijna 157 duizend arbeidsjaren (fte) aan R&D. Ook hier namen de bedrijven het grootste deel voor hun rekening: 72 procent. Het hoger onderwijs was goed voor 22 procent van de R&D-arbeidsjaren. De resterende 6 procent werd gerealiseerd door de overheidsinstellingen en de private non-profitinstellingen.

Per R&D-arbeidsjaar gaf de bedrijvensector bijna 98 duizend euro uit; in het hoger onderwijs was dit ruim 132 duizend euro. De publieke researchinstellingen lagen hier, met ruim 104 duizend euro per arbeidsjaar, tussenin. De R&D-uitgaven bestaan naast de loonkosten uit de overige exploitatiekosten die aan R&D zijn toe te rekenen, met uitzondering van de afschrijvingen. In plaats van de afschrijvingen behoren de R&D-investeringen tot de R&D-uitgaven. De uitgaven die bedrijven en instellingen doen aan R&D omvatten dus meer dan alleen de loonkosten.

Aandeel bedrijven in R&D-uitgaven Nederland rond EU-gemiddelde

Gemiddeld genomen is het aandeel van bedrijven in de totale R&D-uitgaven in EU-landen vergelijkbaar met dat van Nederland. In 2018 waren Nederlandse bedrijven goed voor 66 procent van de totale R&D-uitgaven in Nederland (tabel 5.1.1); in de EU-27 als geheel lag dit aandeel ook op 66 procent. Bij de OESO-landennoot2 wordt gemiddeld meer bijgedragen door bedrijven aan de R&D-uitgaven dan in Nederland en in de EU, namelijk bijna 71 procent.

Het hoger onderwijs in Nederland geeft relatief meer uit dan het hoger onderwijs in de gehele EU, namelijk respectievelijk 28 procent tegen 22 procent. Overheidsinstellingen en private non-profit organisaties geven in Nederland juist relatief minder uit dan in de gehele EU: 6 procent in Nederland tegen 12 procent in de EU-27.

R&D-intensiteit

Tabel 5.1.1 vermeldt ook de zogenaamde R&D-intensiteit. Deze is gedefinieerd als de R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product (bbp), en drukt zo de omvang van de R&D-uitgaven uit als percentage van de totale economie. Daardoor geeft dit cijfer aan in hoeverre de R&D-uitgaven gelijke tred houden met de economie. Daarnaast zorgt het ervoor dat de R&D-uitgaven van verschillende landen vergelijkbaar zijn.

De R&D-intensiteit is een heldere, bruikbare en feitelijk juiste indicator, maar de achterliggende werkelijkheid is altijd genuanceerder. Door verschillen in sectorstructuur zijn landen niet zonder meer met elkaar te vergelijken. Nederland heeft relatief weinig industriële bedrijven en dat verklaart voor een deel dat Nederland minder uitgeeft aan R&D. De industrie verricht namelijk meestal meer en duurdere R&D dan de dienstensector, hoewel de dienstverlening zeker ook R&D-activiteiten uitvoert. Het is dus mogelijk dat landen een vergelijkbare R&D-intensiteit hebben voor de industrie en de dienstensector afzonderlijk, maar dat de R&D-intensiteit op nationaal niveau verschilt doordat het ene land veel meer industrie heeft.

R&D-intensiteit Nederland licht hoger dan EU-28 gemiddelde

De R&D-intensiteit in Nederland bedroeg 2,14 procent in 2018 (figuur 5.1.2). Dit is licht hoger dan het gemiddelde van de EU-28, dat uitkwam op 2,12 procent. Het is echter lager dan de R&D-intensiteit van de EU-27, dat uitkwam op 2,19 procent in 2018. Ook was de R&D-intensiteit in Nederland lager dan het gemiddelde van de landen die behoren tot de OESO (2,38 procent). De R&D-intensiteit van Nederland is hoger dan van Ierland, Polen, Italië, Canada en het Verenigd Koninkrijk, maar lager dan van Zweden, Duitsland, Denemarken, België en Finland; landen waar Nederland zich regelmatig aan spiegelt. Zuid-Korea spande in 2018 de kroon met een R&D-intensiteit van 4,53 procent.

5.1.2 R&D-intensiteit1), 2018* (%)
land R&D-intensiteit
Zuid-Korea 4,53
Zweden 3,32
Oostenrijk 3,17
Duitsland 3,13
Denemarken 3,03
Verenigde Staten 2,83
België 2,76
Finland 2,75
OESO 2,38
Frankrijk 2,2
EU-27 2,19
Nederland 2,14
EU-28 2,12
Verenigd Koninkrijk 1,7
Canada 1,56
Italië 1,39
Polen 1,21
Ierland 1,15
Bron: Eurostat, OESO.
1) De R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp.
*Voorlopige cijfers.

Bijdrage bedrijven R&D-intensiteit Nederland licht lager dan gemiddeld in EU-27

De bijdrage van bedrijven aan de R&D-intensiteit in Nederland was in 2018 een fractie lager dan gemiddeld in de EU-27, net als wanneer gekeken wordt naar de R&D-intensiteit van alle sectoren (figuur 5.1.3). Het cijfer voor de bijdrage van bedrijven aan de R&D-intensiteit bedroeg voor Nederland 1,42 procent van het bbp, tegen 1,45 procent gemiddeld in de EU-27. Nederland scoorde op dit punt ook lager dan het gemiddelde van alle OESO-landen, dat uitkwam op 1,68 procent van het bbp.

5.1.3 R&D-intensiteit1) alle sectoren en bedrijven, 2018* (%)
Nederland EU-27 OESO
Alle sectoren 2,14 2,19 2,38
Bedrijven 1,42 1,45 1,68
Bron: Eurostat, OESO.
1) De R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bbp.
*Voorlopige cijfers.

5.2R&D in de bedrijvensector

Deze paragraaf bouwt voort op de vorige paragraaf, waar is geconcludeerd dat het grootste deel van de R&D in Nederland verricht wordt door de bedrijvensector. De bedrijvensector heeft in 2018 bijna 11 miljard euro gespendeerd aan R&D met eigen en ingeleend personeel. Binnen de bedrijvensector zijn de verschillen in de R&D-uitgaven en de daarmee samenhangende arbeidsjaren echter groot.

Meeste R&D in industrie

In 2018 nam de industrie iets meer dan de helft van de R&D-uitgaven van de bedrijvensector voor haar rekening (tabel 5.2.1). Toch behoorde minder dan een kwart van alle bedrijven die R&D verrichten tot de industrie (22 procent). De gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf zijn in de industrie dan ook vele malen hoger dan in de dienstensector: 1,3 miljoen euro tegen 375 duizend euro in 2018. Dit komt deels doordat R&D in de industrie technischer van aard is en daardoor uitgaven aan apparatuur en laboratoria hoger zijn. Ook in de R&D-uitgaven per arbeidsjaar komt dit tot uiting: deze zijn in de industrie veel hoger dan in de dienstverlening, namelijk 117 duizend euro tegen 82 duizend euro in 2018. Er is nog een belangrijke reden voor het grote aandeel van de industrie in de R&D-uitgaven. Vooral in de industrie geven enkele grote multinationals zeer grote bedragen uit aan R&D. Daardoor stuwen zij de gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf in de industrie enorm op. Dit is zichtbaar in de gemiddelde R&D-uitgaven van de bedrijven met 250 of meer werkzame personen; deze bedroegen 8,1 miljoen euro per bedrijf in 2018. Voor een zeer belangrijk deel zijn dit grote multinationals in de industrie. De R&D-uitgaven binnen de bedrijvensector zijn dan ook zeer scheef verdeeld. De R&D-bedrijven met 250 of meer werkzame personen omvatten slechts 5 procent van alle R&D-bedrijven, terwijl zij samen goed waren voor 66 procent van alle R&D-uitgaven in 2018.

5.2.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: bedrijven

2014 2015 2016 2017 2018** 2018**
aantal % van totaal
Totaal R&D-bedrijven 19 877 19 798 20 159 19 484 19 031 100
 
Sector
Industrie 4 494 4 379 4 416 4 325 4 278 22
Dienstverlening 12 899 13 039 13 220 12 610 12 375 65
Overig 2 484 2 380 2 523 2 549 2 378 12
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 10 068 10 249 9 823 8 984 8 477 45
10 tot 50 werkzame personen 6 294 6 184 6 805 6 900 6 901 36
50 tot 250 werkzame personen 2 688 2 533 2 695 2 760 2 761 15
250 of meer werkzame personen 828 832 836 840 892 5
 
mln euro % van totaal
Totaal R&D-uitgaven 9 444 9 515 10 008 10 667 10 998 100
 
Sector
Industrie 4 789 4 746 5 014 5 384 5 596 51
Dienstverlening 4 057 4 133 4 329 4 540 4 639 42
Overig 599 636 665 743 763 7
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 605 647 628 607 460 4
10 tot 50 werkzame personen 881 1 014 1 054 1 051 1 009 9
50 tot 250 werkzame personen 1 872 1 792 2 069 2 192 2 285 21
250 of meer werkzame personen 6 086 6 062 6 258 6 817 7 245 66
 
1 000 fte % van totaal
Totaal R&D-personeel 94,6 97,4 102,6 107,5 112,8 100
 
Sector
Industrie 39,0 40,1 42,6 45,0 47,7 42
Dienstverlening 48,4 49,7 52,2 54,3 56,8 50
Overig 7,2 7,6 7,8 8,2 8,3 7
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 10,6 10,5 10,7 9,8 9,4 8
10 tot 50 werkzame personen 13,6 16,9 16,6 17,1 16,4 15
50 tot 250 werkzame personen 22,5 21,3 23,1 24,9 26,6 24
250 of meer werkzame personen 47,9 48,7 52,2 55,8 60,4 54

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers.

Ook kleine bedrijven dragen bij aan R&D

Een groot deel van de bedrijven die R&D verrichten, zijn kleine bedrijven. Dit komt deels doordat er gewoonweg veel meer kleine dan grote bedrijven zijn. Veel van deze kleine bedrijven zijn actief in de dienstensector en hebben mede daardoor lagere R&D-uitgaven per bedrijf. Zij hebben ook lagere R&D-uitgaven per arbeidsjaar dan grote bedrijven. Van de bedrijven die in 2018 R&D verrichtten, had 81 procent minder dan 50 werkzame personen. Deze bedrijven waren goed voor 13 procent van de totale R&D-uitgaven en 23 procent van het R&D-personeel (uitgedrukt in fte’s) van alle bedrijven.

Ook de groep kleinste bedrijven – bedrijven met minder dan 10 werkzame personen – draagt noemenswaardig bij aan de R&D-uitgaven van de bedrijvensector. Bijna de helft van de bedrijven die aan R&D doen, behoort tot deze groep. Zij vertegenwoordigden 4 procent van de totale R&D-uitgaven en 8 procent van het totale R&D-personeel van de bedrijvensector in 2018.

Grote bedrijven vormen de tegenhanger van kleine bedrijven. Er zijn relatief weinig bedrijven met meer dan 50 werkzame personen, en zij zijn voornamelijk actief in de industrie. Grote bedrijven kenmerken zich door hoge R&D-uitgaven per bedrijf en per arbeidsjaar. In 2018 waren zij samen goed voor 87 procent van de R&D-uitgaven en 78 procent van de R&D-werkgelegenheid in de bedrijvensector.

Een dergelijke scheve verdeling van de R&D-activiteiten binnen de bedrijvensector is niet uniek voor Nederland. Er zijn ook andere, vooral kleine landen waar een beperkt aantal grote multinationals het leeuwendeel van de R&D voor zijn rekening neemt. De R&D in deze landen is dus sterk afhankelijk van een klein aantal bedrijven. Beslissingen van deze bepalende bedrijven over hun R&D hebben immers grote invloed op de totale R&D van de bedrijvensector. Dit maakt een kenniseconomie kwetsbaar. Anderzijds kunnen deze grote bedrijven een positieve invloed hebben op R&D-activiteiten van andere bedrijven, universiteiten en researchinstellingen. De scheve verhouding tussen de R&D in grote en kleine bedrijven heeft dus voor- en nadelen, maar het is hoe dan ook positief dat in Nederland ook kleine bedrijven investeren in R&D.

23% R&D-personeel bedrijvensector actief bij ICT-bedrijf Buitenvorm Binnenvorm

Veel R&D in ICT-dienstensector

Een aparte sector binnen de bedrijvensector is de ICT-sector. Het vervolg van deze paragraaf gaat in op het belang van R&D binnen de ICT-sector ten opzichte van de totale bedrijvensector. Om hier enig zicht op te krijgen zijn in tabel 5.2.2 de R&D-activiteiten van de ICT-sector weergegeven, alsmede het belang hiervan voor de R&D-activiteiten van de totale bedrijvensector (tabel 5.2.1).

5.2.2R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: ICT-sector

2014 2015 2016 2017 2018** 2018**
aantal % van totaal
R&D-bedrijven 3 587 3 686 3 963 3 849 3 705 19
 
Sector
ICT-industrie 147 155 152 142 139 3
ICT-dienstverlening 3 436 3 526 3 806 3 698 3 562 29
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 1 996 2 170 2 136 1 947 1 853 22
10 tot 50 werkzame personen 1 198 1 143 1 413 1 472 1 445 21
50 tot 250 werkzame personen 314 307 348 365 337 12
250 of meer werkzame personen 79 66 65 64 71 8
 
mln euro % van totaal
R&D-uitgaven 1 648 1 694 1 756 1 831 1 878 17
 
Sector
ICT-industrie 277 283 290 315 356 6
ICT-dienstverlening 1 371 1 411 1 464 1 498 1 507 32
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 150 165 167 150 119 26
10 tot 50 werkzame personen 301 373 370 370 320 32
50 tot 250 werkzame personen 301 302 377 409 498 22
250 of meer werkzame personen 896 854 842 901 941 13
 
1 000 fte % van totaal
R&D-personeel 20,3 21,6 23,5 24,4 25,5 23
 
Sector
ICT-industrie 2,1 2,3 2,4 2,4 2,8 6
ICT-dienstverlening 18,2 19,3 21,2 21,9 22,6 40
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 2,8 3,0 3,1 2,8 2,7 29
10 tot 50 werkzame personen 5,1 6,9 6,4 6,7 6,3 38
50 tot 250 werkzame personen 4,5 4,3 4,4 5,4 6,1 23
250 of meer werkzame personen 7,8 7,5 9,6 9,6 10,4 17

Bron:CBS

** Nader voorlopige cijfers.

In 2018 was 19 procent van alle bedrijven die aan R&D deden een ICT-bedrijf. Deze bedrijven waren goed voor 17 procent van de R&D-uitgaven en 23 procent van het R&D-personeel in de bedrijvensector. Echter, de ICT-bedrijven die aan R&D doen, zijn binnen de dienstverlening van veel groter belang dan binnen de industrie. Bijna 30 procent van de bedrijven in de dienstensector die aan R&D doet, was een ICT-bedrijf. Binnen de totale dienstensector bestond 32 procent van de R&D-uitgaven uit R&D-uitgaven van de ICT-dienstverlening en 40 procent van het R&D-personeel. Voor de Nederlandse industrie is de bijdrage van de ICT-industrie van veel minder groot belang.

Ook in absolute zin geeft de ICT-dienstverlening meer uit aan R&D dan de ICT-industrie: bijna vijfmaal zoveel in 2018. Daarnaast dragen de ICT-bedrijven meer bij aan de R&D-activiteiten van de kleinere bedrijven dan aan de R&D-activiteiten van de grotere bedrijven. Dit komt deels door het feit dat de R&D van de ICT-sector vooral in de dienstverlening van belang is: een sector met meer kleinere bedrijven dan de industrie.

5.3Financiering van R&D

De uitgaven aan R&D verricht met eigen en ingeleend personeel vormen een belangrijke indicator van de R&D-statistieken. Het voorgaande deel van dit hoofdstuk heeft dit gegeven dan ook uitgebreid behandeld. Daarnaast zijn er meer algemene vormen van financiering van R&D. De overheid verstrekt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel de middelen voor onderzoek binnen het hoger onderwijs. Deze paragraaf beschrijft in welke mate verschillende partijen R&D in Nederland financieren. Ook wordt er inzichtelijk gemaakt wat de nationale uitgaven aan R&D zijn.

Bedrijven financieren meer dan de helft van R&D in Nederland

In 2018 bedroegen de totale uitgaven voor R&D verricht met eigen personeel in Nederland bijna 16,6 miljard euro. De bedrijvensector financierde ruim 9 miljard euro hiervan, dat is 57 procent (tabel 5.3.1). Voor het overgrote deel is dit R&D voor het eigen bedrijf, gefinancierd uit middelen van het bedrijf zelf. Het omvat echter ook contractonderzoek van het ene bedrijf voor het andere. De overheid is de tweede grote financier van R&D in Nederland. In 2018 was ruim 4,8 miljard euro afkomstig van de overheid; dat is 30 procent van het totaal. De derde grote financier van R&D in Nederland is het buitenland. In 2018 was 11 procent van de R&D-financiering afkomstig uit andere landen.

30% R&D in Nederland gefinancierd door overheid Buitenvorm Binnenvorm

Bij de herkomst van middelen zijn de private non-profitinstellingen (PNP’s) apart onderscheiden. Zij hebben zich namelijk ontwikkeld tot hoofdzakelijk financiers van R&D, die zelf steeds minder R&D verrichten. De financiële bijdragen van PNP’s vormen een substantiële geldstroom voor het hoger onderwijs, en dan vooral voor het onderzoek op het terrein van gezondheid.

Per sector is het niet altijd dezelfde financier die van het grootste belang is. Zo is de bedrijvensector zelf, met een bijdrage van 81 procent, de grootste financier van de R&D-activiteiten die bedrijven uitvoerden in 2018. Meer dan drie kwart van de R&D-activiteiten die overheidsinstellingen en het hoger onderwijs verrichten, werd gefinancierd door de overheid in dat jaar.

Het buitenland betaalde respectievelijk voor 12 procent en 14 procent mee aan de R&D-activiteiten van de bedrijvensector en van de overheidsinstellingen. Maar ook het hoger onderwijs (9 procent) ontving een niet te verwaarlozen bijdrage uit het buitenland. Voor de overheidsinstellingen en het hoger onderwijs betreft dit vaak bijdragen van de EU. Bij bedrijven zijn het overwegend financiële stromen binnen multinationals met een moeder- of dochteronderneming in Nederland.

5.3.1Herkomst en bestemming van middelen voor R&D, 2018**

Bestemming middelen
totaal bedrijven instellingen1) hoger onderwijs buitenland nationaal
mln euro
Herkomst middelen2)
Totaal 16 554 10 998 971 4 585 3 259 17 963
Bedrijven 9 393 8 905 89 399 3 248 12 641
Overheid 4 896 707 731 3 458 11 4 907
Hoger onderwijs 35 22 13 0 0 35
Private non-profitorganisaties 381 79 3 298 0 381
Buitenland 1 849 1 285 135 429
 
%
Totaal 100 100 100 100 100 100
Bedrijven 57 81 9 9 100 70
Overheid 30 6 75 75 0 27
Hoger onderwijs 0 0 1 0 0 0
Private non-profitorganisaties 2 1 0 7 0 2
Buitenland 11 12 14 9

Bron:CBS

1)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

2)De tegemoetkoming in de kosten van R&D uit hoofde van de WBSO-regeling wordt in de staat van herkomst en bestemming van middelen niet verdisconteerd.

**Nader voorlopige cijfers.

Ruim 18 procent nationale R&D-middelen naar buitenland

Het voorgaande ging in op de financiering van de R&D die bedrijven en instellingen in Nederland verrichten: de herkomst van de middelen. Een tweede invalshoek is de bestemming van de middelen die bedrijven, instellingen en overheden in Nederland besteden aan R&D.

De meeste middelen die bedrijven vrijmaken voor R&D, besteden zij binnen het eigen bedrijf of bij andere bedrijven. In 2018 was dit ruim 8,9 miljard euro van de ruim 12,5 miljard euro die bedrijven in totaal uitgaven aan R&D. Het buitenland is een andere belangrijke bestemming van R&D-gelden van de bedrijvensector. In 2018 financierden Nederlandse bedrijven voor ruim 3,2 miljard euro aan R&D in het buitenland; dit was 27 procent van hun totale bestedingen aan R&D. De totale R&D-uitgaven van de bedrijvensector (12,6 miljard euro) zijn groter dan de uitgaven van bedrijven aan R&D die zij met eigen en ingeleend personeel in Nederland verrichten (bijna 11 miljard euro). Dat betekent dat de bedrijvensector per saldo R&D van andere sectoren financiert, waaronder het buitenland. Zo besteedde de bedrijvensector in 2018 voor 399 miljoen euro R&D uit aan het hoger onderwijs; omgekeerd ging dat om 22 miljoen euro.

Nationale uitgaven aan R&D

De nationale uitgaven aan R&D zijn de totale uitgaven van bedrijven, instellingen en overheden in Nederland aan R&D. Dit is exclusief R&D die organisaties in Nederland hebben uitgevoerd voor buitenlandse financiers, maar inclusief de R&D die Nederlandse partijen hebben uitbesteed aan het buitenland. Ingezetenen van Nederland hebben 17 963 miljoen euro aan R&D uitgegeven in 2018 (tabel 5.3.1). Dit zijn de nationale uitgaven aan R&D. De totale R&D-uitgaven met eigen en ingeleend personeel bedroegen 16 554 miljoen euro. Het verschil bestaat uit twee componenten. Ten eerste telt het bedrag dat buitenlandse financiers uitgaven in Nederland niet mee in de nationale uitgaven aan R&D. Dit bedroeg 1 849 miljoen euro in 2018. Ten tweede telt het bedrag dat Nederlandse partijen uitgaven in het buitenland wél mee: het ging om 3 259 miljoen euro in 2018. De nationale uitgaven aan R&D zijn dan als volgt te berekenen:

  • de totale R&D-uitgaven met eigen personeel (16 554 miljoen euro),
  • verminderd met de uitgaven van buitenlandse financiers (1 849 miljoen euro),
  • en daarbij opgeteld de R&D-uitgaven van Nederlandse partijen in het buitenland (3 259 miljoen euro). Dit telt op tot (afgerond) 17 963 miljoen euro aan nationale R&D-uitgaven in 2018. Het buitenlandse R&D-saldo bedraagt dan −1 410 miljoen euro (1 849 miljoen – 3 259 miljoen euro). Dit betekent dat in 2018 Nederland ruim 1,4 miljard euro meer heeft uitgegeven aan R&D in het buitenland dan buitenlandse partijen hebben uitbesteed aan Nederland.

5.4Literatuur

Open literatuurlijst

Noten

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Deze wet regelt een fiscale stimulering van (private) R&D door de loonbelasting van R&D-personeel die een bedrijf moet afdragen te verminderen.

Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Nico Heerschap

Ron de Heij

Raymond Kleingeld

Bart Klijs

Rik van Roekel

Overige bijdragen

John Bechholz

Hugo de Bondt

Linda Bruls

David Gies

Cor Kragt

Ilham Malkaoui

Eelco van Vliet

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij