R&D-uitgaven nemen toe

Foto omschrijving: Wetenschapper die cellen in een cultuurkruik bekijkt met een DNA-profielen op een scherm op de achtergrond die gen het uitgeven illustreren.

Research & Development

Auteur: Rik van Roekel

Onderzoek en ontwikkeling (R&D) zijn van belang voor een open economie die niet zo zeer op prijs maar vooral op kennis concurreert. De mogelijkheid producten te maken die anderen (nog) niet kunnen maken, geeft marktvoordeel en dus mogelijkheden voor groei. Ook onderzoek ten behoeve van de energietransitie en de mondiale voedselvoorziening is van actueel belang. R&D is daarmee niet uitsluitend een zaak voor de bedrijvensector, maar zeker ook voor overheid en wetenschap.

6.1R&D in Nederland

Om nieuwe kennis en kunde te ontwikkelen, is het van belang te investeren in R&D. Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek naar vernieuwing streeft. Volgens de definitie die statistische bureaus internationaal hanteren, betreft R&D: ‘creatief werk dat op systematische basis wordt verricht ter vergroting van de hoeveelheid kennis, met inbegrip van de kennis van de mens, de cultuur en de samenleving, alsmede het gebruik van deze hoeveelheid kennis voor het ontwerpen van nieuwe toepassingen’ (OESO, 2015). Het kader ‘Definitie van R&D’ toont een praktische uitwerking van deze definitie, zoals het CBS deze hanteert in zijn enquêtes en publicaties. Traditioneel gaat R&D over fundamenteel en toegepast onderzoek naar nieuwe kennis en technologie. Later monden deze kennis en technologie mogelijk uit in concrete nieuwe producten en processen.

Er bestaat een verschil tussen fundamenteel onderzoek en toegepast onderzoek. In fundamenteel onderzoek staat centraal dat een bedrijf of instelling de wetenschappelijke kennis vergroot (‘research’). Kennisinstellingen zoals universiteiten en onderzoeksinstituten richten zich vooral op dit type onderzoek. Bij toegepast onderzoek draait het er om dat bedrijven en instellingen ideeën verder ontwikkelen tot een prototype van nieuwe of sterk verbeterde processen en producten (‘development’). Bedrijven verrichten relatief vaak dit type onderzoek. Voor succesvolle R&D-activiteiten in Nederland is enerzijds de traditionele R&D binnen het eigen bedrijf van belang. Anderzijds zijn externe, gespecialiseerde kennisdiensten essentieel, waarbij partners samenwerken en kennis delen. Voorbeelden van samenwerkings­partners zijn onderzoeksinstituten en ingenieursbureaus.

R&D levert nieuwe kennis op die kan resulteren in innovaties. Dit zijn veelal technologische innovaties: nieuwe producten en processen. Daarnaast kan R&D ook niet-technologische innovaties opleveren. Voorbeelden hiervan zijn nieuwe organisatievormen en marketingmethoden.

Definitie van R&D

In enquêtes vraagt het CBS bedrijven en instellingen naar hun uitgaven en ingezette arbeidsjaren voor R&D. In dit kader beschrijven we welke activiteiten onder R&D-activiteiten vallen.

Kenmerkend voor R&D is dat het onderzoek streeft naar oorspronkelijkheid én vernieuwing. R&D is het creatief, systematisch en planmatig zoeken naar oplossingen voor praktische problemen, bijvoorbeeld productieproblemen. Ook het strategische en het fundamentele onderzoek behoren tot R&D. Hierbij staat voorop dat het bedrijf of de kennisinstelling de achtergrondkennis en de (puur) wetenschappelijke kennis wil vergroten. Dit type onderzoek heeft niet zo zeer tot doel direct economisch voordeel te behalen of problemen op te lossen. Verder omvat R&D activiteiten om ideeën of prototypes verder te ontwikkelen tot bruikbare processen en productierijpe producten.

Belangrijk in dit proces is ook activiteiten te definiëren die geen R&D zijn. De volgende activiteiten betreffen geen R&D:

  • routinematige metingen of controles;
  • marktonderzoeken;
  • scholing en training;
  • werkzaamheden voor octrooien en licenties;
  • ingekochte technologie of geavanceerde (productie)apparatuur operationeel maken;
  • bestaande software herschrijven of klantspecifiek maken;
  • industriële vormgeving, tenzij het doel is systematisch ergonomische verbeteringen aan te brengen.

In deze publicatie vallen onder R&D-uitgaven – tenzij anders vermeld – de uitgaven die bedrijven of instellingen doen aan R&D die het eigen en ingeleende personeel in Nederland verricht. Daarbij kan het bedrijf zelf de R&D financieren, maar het kan ook tegen betaling R&D uitvoeren in opdracht van andere bedrijven of instellingen. R&D-activiteiten van Nederlandse bedrijven die zij uitvoeren in het buitenland, vallen hier dus niet onder. Omgekeerd vallen in Nederland verrichte R&D-activiteiten gefinancierd vanuit het buitenland hier wél onder. R&D-financiering via WBSO-subsidies wordt niet verrekend.noot1 Dit betekent dat uitgaven van een bedrijf aan gesubsidieerd R&D-personeel tellen als R&D-uitgaven, ook al krijgt het bedrijf een deel hiervan (later) via de loonbelasting terug. Door deze aanpak zijn de cijfers over Nederland vergelijkbaar met uitkomsten van andere landen.

Bij R&D gaat het er niet alleen om dat een bedrijf of instelling zelf nieuwe kennis ontwikkelt. Het is ook van belang elders ontwikkelde kennis te benutten, en bestaande informatie uit te wisselen. Daartoe is een goed ontsloten kennisinfrastructuur essentieel. Als bedrijven, overheden en kennisinstellingen veel R&D-activiteiten verrichten en daarbij samenwerken, kan een land beter concurreren. Dit maakt een land ook aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Substantiële R&D-activiteiten in een bedrijfstak of land gaan ook gepaard met hoogwaardige werkgelegenheid.

Deze paragraaf schetst een beeld van de totale R&D-uitgaven en het bijbehorende R&D-personeel in 2017. Aan bod komt welk aandeel de verschillende sectoren hierin hebben en hoe de situatie in Nederland is in internationaal perspectief.

Revisie

Het CBS heeft de R&D-statistiek gereviseerd. Hierdoor zijn de indicatoren voor de jaren 2013–2017 gewijzigd. De revisie is ingegeven door wijzigingen in de internationale richtlijnen voor het samenstellen van de R&D-statistiek (OESO, 2015). De belangrijkste wijzigingen betreffen:

  • Een duidelijke scheiding tussen R&D met ingeleend personeel en volledig uitbestede R&D. R&D uitgevoerd met ingeleend personeel behoort tot de eigen R&D. Dit heeft geresulteerd in een opwaartse bijstelling.
  • Het invoeren van een ondergrens van 0,1 fte alvorens werkzaamheden van een persoon tot R&D mogen worden gerekend. Dit heeft geresulteerd in een neerwaartse bijstelling die echter qua omvang veel kleiner is dan de bijstelling bij het voorgaande punt.
  • De afbakening van de bedrijven- en overheidssector is in lijn gebracht met de internationale richtlijnen voor de nationale rekeningen. Dit heeft geleid tot een toename van de R&D in de bedrijvensector en een evenredige afname van de overheidssector.

Bij de revisie van de statistiek zijn tevens de meest actuele bronnen en methoden ingezet.

Ruim 16 miljard euro aan R&D in Nederland

In 2017 hebben Nederlandse bedrijven en instellingen bijna 16,1 miljard euro uitgegeven aan R&D (tabel 6.1.1). Het Nederlandse bedrijfsleven verrichtte twee derde van alle R&D in Nederland. Instellingen voor hoger onderwijs waren goed voor 28 procent van de totale R&D-uitgaven. Dit zijn de universiteiten, universitaire medische centra en het hoger beroeps­onderwijs. Overheidsinstellingen en private non-profitinstellingen verrichtten in 2017 de resterende 6 procent van de Nederlandse R&D. Bedrijven en instellingen verrichten R&D niet altijd voor zichzelf of voor de eigen sector. Bedrijven doen bijvoorbeeld R&D in opdracht van de overheid, en researchinstellingen en universiteiten verrichten R&D in opdracht van bedrijven (zie ook tabel 6.3.1). Ook bij R&D is er dus, net als bij andere economische activiteiten, sprake van een zekere arbeidsverdeling tussen bedrijven en sectoren.

6.1.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: uitgaven, R&D-intensiteit en arbeidsjaren

2013 2014 2015 2016 2017** 2017**
Mln euro % van totaal
R&D-uitgaven
Totaal 14 240 14 595 14 808 15 235 16 072 100
Bedrijven 9 299 9 444 9 515 10 008 10 654 66
Instellingen2) 848 889 900 923 912 6
Hoger onderwijs en UMC3) 4 092 4 262 4 393 4 304 4 506 28
% van bbp
R&D intensiteit1)
Totaal 2,16 2,17 2,15 2,15 2,18
Bedrijven 1,41 1,41 1,38 1,41 1,44
Instellingen2) 0,13 0,13 0,13 0,13 0,12
Hoger onderwijs en UMC3) 0,62 0,63 0,64 0,61 0,61
1 000 fte % van totaal
R&D-personeel
Totaal 135,5 136,1 139,4 144,5 150,4 100
Bedrijven 95,1 94,6 97,4 102,6 107,4 71
Instellingen2) 8,1 8,3 8,3 8,6 8,6 6
Hoger onderwijs en UMC3) 32,3 33,2 33,6 33,3 34,4 23

Bron:CBS.

1)R&D-intensiteit is de R&D-uitgaven uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) en is voor 2017 nog voorlopig in verband met het voorlopige karakter van het bbp.

2)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

3)Universiteiten, het facultair deel van de Universitaire Medische Centra (UMC's) en het Hoger Beroepsonderwijs (hbo).

**Nader voorlopige cijfers.

Ruim 150 duizend arbeidsjaren aan R&D

In 2017 besteedden Nederlandse bedrijven en instellingen samen ruim 150 duizend arbeidsjaren aan R&D. Ook hier namen de bedrijven het grootste deel voor hun rekening: 71 procent. Het hoger onderwijs was goed voor 23 procent van de R&D-arbeidsjaren. De resterende 6 procent werd gerealiseerd door de overheidsinstellingen en de private non-profitinstellingen.

Per R&D-arbeidsjaar gaf de bedrijvensector 99 duizend euro uit; in het hoger onderwijs was dit 131 duizend euro. De publieke researchinstellingen lagen hier met 106 duizend euro per arbeidsjaar tussenin. De R&D-uitgaven bestaan naast de loonkosten uit de overige exploitatiekosten die aan R&D zijn toe te rekenen, met uitzondering van de afschrijvingen. In plaats van de afschrijvingen behoren de R&D-investeringen tot de R&D-uitgaven. De uitgaven die bedrijven en instellingen doen aan R&D omvatten dus meer dan alleen de loonkosten.

R&D-intensiteit

Tabel 6.1.1 vermeldt ook de zogenaamde R&D-intensiteit. Deze is gedefinieerd als de R&D-uitgaven gedeeld door het bruto binnenlands product (bbp), en drukt zo de omvang van de R&D-uitgaven uit als percentage van de totale economie. Daardoor geeft dit cijfer aan in hoeverre de R&D-uitgaven gelijke tred houden met de economie. Daarnaast zorgt het ervoor dat de R&D-uitgaven van verschillende landen vergelijkbaar zijn.

De R&D-intensiteit is een heldere, bruikbare en feitelijk juiste indicator, maar de achterliggende werkelijkheid is altijd genuanceerder. Door verschillen in sectorstructuur zijn landen niet zonder meer met elkaar te vergelijken. Nederland heeft relatief weinig industriële bedrijven en dat verklaart voor een deel dat Nederland minder uitgeeft aan R&D. De industrie verricht namelijk meestal meer R&D dan de dienstensector, hoewel de dienstverlening ook R&D-activiteiten uitvoert. Het is dus mogelijk dat landen een vergelijkbare R&D-intensiteit hebben voor de industrie en de dienstensector afzonderlijk, maar dat de R&D-intensiteit op nationaal niveau verschilt doordat het ene land veel meer industrie heeft. Dit gegeven speelt mee in de ambitie van Nederlandse beleidsmakers. Zij hebben de doelstelling voor de R&D-uitgaven in Nederland in 2020 vastgesteld op 2,5 procent van het bbp (Ministerie van EL&I, 2011). Daarmee hebben zij de generieke ambitie voor de Europese Unie (EU) genuanceerd voor Nederland. De Europese Commissie (EC) streeft namelijk naar een R&D-intensiteit van drie procent voor de gehele EU in 2020 (Europese Commissie, 2010). Eerder ambieerde de EC voor 2010 ook al een intensiteit van drie procent. Slechts een minderheid van de EU-landen heeft deze doelstelling toen ook werkelijk gehaald.

R&D-intensiteit Nederland licht hoger dan EU-gemiddelde

De R&D-intensiteit in Nederland bedroeg 2,18 procent in 2017 (figuur 6.1.2). Dit is licht hoger dan het gemiddelde van de EU-28, dat uitkwam op 2,06 procent. Het is echter lager dan de R&D-intensiteit van de OESO-landennoot2, dat voor 2017 uitkwam op 2,37 procent. Het cijfer van Nederland is hoger dan dat van Polen, Ierland, Italië, Canada en het Verenigd Koninkrijk. Het is beduidend lager dan de R&D-intensiteit in Zweden, Denemarken, Duitsland en Finland; landen waar Nederland zich regelmatig aan spiegelt. Zuid-Korea spant in 2017 de kroon met 4,55 procent.

Aandeel van bedrijven gemiddeld in Nederland

Gemiddeld genomen is het aandeel van bedrijven in de totale R&D-uitgaven van EU-landen vergelijkbaar met Nederland. In 2017 waren Nederlandse bedrijven goed voor 66 procent van de totale R&D-uitgaven in Nederland (zie tabel 6.1.1); in de EU als geheel lag dit aandeel ook op 66 procent. Bij de OESO-landen wordt gemiddeld meer bijgedragen door bedrijven aan de R&D-uitgaven dan in Nederland en in de EU, namelijk 70 procent.

Het hoger onderwijs in Nederland geeft relatief meer uit dan het hoger onderwijs in de gehele EU, namelijk 28 procent tegen 22 procent. Overheidsinstellingen en private non-profit organisaties geven in Nederland juist relatief minder uit dan in de gehele EU: 6 procent in Nederland en 12 procent in de EU.

Bijdrage bedrijven R&D-intensiteit Nederland hoger dan gemiddeld in EU

De bijdrage van bedrijven aan de R&D-intensiteit in Nederland was in 2017 een fractie hoger dan gemiddeld in de EU, net zoals bij alle sectoren (figuur 6.1.3). Het cijfer voor de bijdrage van bedrijven aan de R&D-intensiteit bedroeg voor Nederland 1,44 procent van het bbp, tegen 1,36 procent voor de EU als geheel. Nederland scoorde ook hier lager dan het gemiddelde van alle OESO-landen, dat uitkwam op 1,67 procent van het bbp. Zowel voor alle sectoren als voor de bedrijven alleen ligt de R&D-intensiteit van Nederland dus hoger dan die van de EU, maar lager dan die van de OESO-landen.

6.2R&D in de bedrijvensector

Deze paragraaf bouwt voort op de vorige paragraaf, waar is geconcludeerd dat het grootste deel van de R&D in Nederland verricht wordt door de bedrijvensector. Binnen de bedrijvensector zijn de verschillen in R&D-uitgaven echter groot.

Meeste R&D in industrie

De industrie neemt in 2017 de helft van de R&D-uitgaven van de bedrijvensector voor haar rekening (tabel 6.2.1). Toch behoort minder dan een kwart van alle bedrijven die R&D verrichten tot de industrie. De gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf zijn in de industrie dan ook vele malen hoger dan in de dienstensector: 1,2 miljoen euro tegen 363 duizend euro. Dit komt deels doordat de R&D in de industrie technischer van aard is en daardoor uitgaven aan apparatuur en laboratoria hoger zijn. Ook in de R&D-uitgaven per arbeidsjaar komt dit tot uiting: deze zijn in de industrie veel hoger dan in de dienstverlening. Er is nog een belangrijke reden voor het grote aandeel van de industrie in de R&D-uitgaven. Vooral in de industrie geven enkele grote multinationals zeer grote bedragen uit aan R&D. Daardoor stuwen zij de gemiddelde R&D-uitgaven per bedrijf in de industrie enorm omhoog. Dit is zichtbaar in de gemiddelde R&D-uitgaven van de bedrijven met 250 of meer werkzame personen; deze bedragen 8,1 miljoen euro per bedrijf. Voor een zeer belangrijk deel zijn dit grote multinationals in de industrie. De R&D-uitgaven binnen de bedrijvensector zijn dan ook zeer scheef verdeeld. De R&D-bedrijven met 250 of meer werkzame personen omvatten slechts 4 procent van alle R&D-bedrijven, terwijl zij samen goed waren voor 63 procent van alle R&D-uitgaven in 2017.

6.2.1R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: bedrijven

2013 2014 2015 2016 2017** 2017**
Aantal % van totaal
R&D bedrijven 19 692 19 877 19 798 20 159 19 517 100
 
Sector
Industrie 4 658 4 494 4 379 4 416 4 313 22
Dienstverlening 12 549 12 899 13 039 13 220 12 547 64
Overig 2 486 2 484 2 380 2 523 2 657 14
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 10 036 10 068 10 249 9 823 8 984 46
10 tot 50 werkzame personen 6 407 6 294 6 184 6 805 6 939 36
50 tot 250 werkzame personen 2 422 2 688 2 533 2 695 2 761 14
250 of meer werkzame personen 827 828 832 836 833 4
Mln euro % van totaal
R&D-uitgaven 9 299 9 444 9 515 10 008 10 654 100
 
Sector
Industrie 4 704 4 789 4 746 5 014 5 377 50
Dienstverlening 4 014 4 057 4 133 4 329 4 551 43
Overig 582 599 636 665 725 7
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 553 605 647 628 607 6
10 tot 50 werkzame personen 905 881 1 014 1 054 1 074 10
50 tot 250 werkzame personen 1 627 1 872 1 792 2 069 2 216 21
250 of meer werkzame personen 6 214 6 086 6 062 6 258 6 757 63
1 000 fte % van totaal
R&D-personeel 95,1 94,6 97,4 102,6 107,4 100
 
Sector
Industrie 39,6 39,0 40,1 42,6 44,9 42
Dienstverlening 48,2 48,4 49,7 52,2 54,2 50
Overig 7,3 7,2 7,6 7,8 8,2 8
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 11,2 10,6 10,5 10,7 9,8 9
10 tot 50 werkzame personen 14,0 13,6 16,9 16,6 17,2 16
50 tot 250 werkzame personen 20,1 22,5 21,3 23,1 25,1 23
250 of meer werkzame personen 49,8 47,9 48,7 52,2 55,3 51

Bron:CBS.

**Nader voorlopige cijfers.

Ook kleine bedrijven dragen bij aan R&D

Een groot deel van de bedrijven die R&D verrichten, zijn kleine bedrijven. Dit komt deels doordat er gewoonweg veel meer kleine dan grote bedrijven zijn. Veel van deze kleine bedrijven zijn actief in de dienstensector en hebben mede daardoor lagere R&D-uitgaven per bedrijf. Zij hebben ook lagere R&D-uitgaven per arbeidsjaar dan grote bedrijven. Van de bedrijven die in 2017 R&D verrichtten, had 82 procent minder dan 50 werkzame personen. Deze bedrijven waren goed voor 16 procent van de totale R&D-uitgaven en 25 procent van het R&D-personeel (uitgedrukt in fte’s) van alle bedrijven.

Ook de groep kleinste bedrijven – bedrijven met minder dan 10 werkzame personen – draagt noemenswaardig bij aan de R&D-uitgaven van de bedrijvensector. Bijna de helft van de bedrijven die aan R&D doen, zit in deze groep. Zij vertegenwoordigen 6 procent van de totale R&D-uitgaven en 9 procent van het totale R&D-personeel van de bedrijvensector.

Grote bedrijven vormen de tegenhanger van kleine bedrijven. Er zijn relatief weinig bedrijven met meer dan 50 werkzame personen, en zij zijn voornamelijk actief in de industrie. Grote bedrijven kenmerken zich door hoge R&D-uitgaven per bedrijf en per arbeidsjaar. Samen zijn zij goed voor 84 procent van de R&D-uitgaven en 74 procent van de R&D-werkgelegenheid in de bedrijvensector.

Een dergelijke scheve verdeling van de R&D-activiteiten binnen de bedrijvensector is niet uniek voor Nederland. Er zijn ook andere, vooral kleine landen waar een beperkt aantal grote multinationals het leeuwendeel van de R&D voor zijn rekening neemt. De R&D in deze landen is dus sterk afhankelijk van een klein aantal bedrijven. Beslissingen van deze bepalende bedrijven over hun R&D hebben immers grote invloed op de totale R&D van de bedrijvensector. Dit maakt een kenniseconomie kwetsbaar. Anderzijds kunnen deze grote bedrijven een positieve invloed hebben op R&D-activiteiten van andere bedrijven, universiteiten en researchinstellingen. De scheve verhouding tussen de R&D in grote en kleine bedrijven heeft dus voor- en nadelen, maar het is hoe dan ook positief dat in Nederland ook kleine bedrijven investeren in R&D.

17% R&D-uitgaven bedrijven door ICT-sector Buitenvorm Binnenvorm

Veel R&D in ICT-dienstensector

Een aparte sector binnen de bedrijvensector is de ICT-sector. In het vervolg van deze paragraaf beschouwen we het belang van R&D binnen de ICT-sector ten opzichte van de totale bedrijvensector. Om hier enig zicht op te krijgen zijn in tabel 6.2.2 de R&D-activiteiten van de ICT-sector weergegeven alsmede het belang hiervan voor de R&D-activiteiten van de totale bedrijvensector zoals weergegeven in tabel 6.2.1.

6.2.2R&D verricht met eigen en ingeleend personeel: ICT-sector

2013 2014 2015 2016 2017** 2017**
Aantal % van totaal
R&D bedrijven 3 310 3 586 3 685 3 962 3 820 20
 
Sector
Industrie 135 147 155 152 144 3
Dienstverlening 3 176 3 436 3 526 3 806 3 667 29
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 1 834 1 996 2 170 2 136 1 947 22
10 tot 50 werkzame personen 1 144 1 198 1 143 1 413 1 447 21
50 tot 250 werkzame personen 259 314 307 348 364 13
250 of meer werkzame personen 73 78 65 64 61 7
Mln euro % van totaal
R&D-uitgaven 1 604 1 648 1 694 1 756 1 802 17
 
Sector
Industrie 224 277 283 290 309 6
Dienstverlening 1 380 1 371 1 411 1 464 1 491 33
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 124 150 165 167 150 25
10 tot 50 werkzame personen 319 301 373 370 370 34
50 tot 250 werkzame personen 252 301 302 377 414 19
250 of meer werkzame personen 910 896 854 841 868 13
1 000 fte % van totaal
R&D-personeel 20,8 20,3 21,6 23,5 24,3 23
 
Sector
Industrie 1,9 2,1 2,3 2,4 2,3 5
Dienstverlening 18,9 18,2 19,3 21,2 21,9 40
 
Bedrijfsomvang
0 tot 10 werkzame personen 2,8 2,8 3,0 3,1 2,8 28
10 tot 50 werkzame personen 4,9 5,1 6,9 6,4 6,7 39
50 tot 250 werkzame personen 3,7 4,5 4,3 4,4 5,4 22
250 of meer werkzame personen 9,4 7,8 7,5 9,6 9,4 17

Bron:CBS.

**Nader voorlopige cijfers.

Voor de gehele bedrijvensector geldt dat 20 procent van alle bedrijven die aan R&D doen ICT-bedrijven betreft. Deze bedrijven zijn goed voor 17 procent van de R&D-uitgaven en 23 procent van het R&D-personeel in de bedrijvensector. Echter, de ICT-bedrijven die aan R&D doen, zijn binnen de dienstverlening van veel groter belang dan binnen de industrie. Bijna 30 procent van de bedrijven in de dienstensector die aan R&D doet, is een ICT-bedrijf. Binnen de totale dienstensector bestaat 33 procent van de R&D-uitgaven uit R&D-uitgaven van de ICT-dienstverlening en 40 procent van het R&D-personeel. Voor de Nederlandse industrie is de bijdrage van de ICT-industrie van veel minder groot belang.

Ook in absolute zin geeft de ICT-dienstverlening meer aan R&D uit dan de ICT-industrie: bijna vijfmaal zoveel. Daarnaast dragen de ICT-bedrijven meer bij aan de R&D-activiteiten van de kleinere bedrijven dan aan de R&D-activiteiten van de grotere bedrijven. Dit komt deels door het feit dat de R&D van de ICT-sector vooral in de dienstverlening van belang is: een sector met meer kleinere bedrijven dan de industrie.

6.3Financiering van R&D

De uitgaven aan R&D verricht met eigen en ingeleend personeel vormen een belangrijke indicator van de R&D-statistieken. Het voorgaande deel van dit hoofdstuk heeft dit gegeven dan ook uitgebreid behandeld. Daarnaast zijn er meer algemene vormen van financiering van R&D. De overheid verstrekt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel de middelen voor onderzoek binnen het hoger onderwijs. Deze paragraaf beschrijft in welke mate verschillende partijen R&D in Nederland financieren.

29% R&D in Nederland gefinancierd door overheid Buitenvorm Binnenvorm

Bedrijven financieren meer dan de helft van R&D in Nederland

In 2017 bedroegen de totale uitgaven voor R&D verricht met eigen en ingeleend personeel in Nederland bijna 16,1 miljard euro. De bedrijvensector financierde 9 miljard hiervan, dat is 56 procent (tabel 6.3.1). Voor het overgrote deel is dit R&D voor het eigen bedrijf, gefinancierd uit middelen van het bedrijf zelf. Het omvat echter ook contractonderzoek van het ene bedrijf voor het andere. De overheid is de tweede grote financier van R&D in Nederland. In 2017 was ruim 4,7 miljard euro afkomstig van de overheid; dat is 29 procent van het totaal. De derde grote financier van R&D in Nederland is het buitenland. In 2017 was 12 procent van de R&D-financiering afkomstig uit andere landen.

Bij de herkomst van middelen zijn de private non-profitinstellingen (PNP’s) apart onderscheiden. Zij hebben zich namelijk ontwikkeld tot hoofdzakelijk financiers van R&D, die zelf steeds minder R&D verrichten. De financiële bijdragen van PNP’s vormen een substantiële geldstroom voor het hoger onderwijs, en dan vooral voor het onderzoek op het terrein van gezondheid.

Per sector is het niet altijd dezelfde financier die van het grootste belang is. Zo is de bedrijvensector met een bijdrage van 81 procent zelf de grootste financier van de R&D die bedrijven uitvoeren. Voor de R&D die overheidsinstellingen en het hoger onderwijs uitvoeren, is de overheid voor beiden met 76 procent de grootste financier.

Het buitenland betaalt voor 13 procent mee aan de R&D van de bedrijvensector en voor 14 procent aan de R&D van de overheidsinstellingen. Maar ook het hoger onderwijs (9 procent) ontvangt een niet te verwaarlozen bijdrage uit het buitenland. Voor de overheidsinstellingen en het hoger onderwijs betreft dit vaak bijdragen van de EU. Bij bedrijven zijn het overwegend financiële stromen binnen multinationals met een moeder- of dochteronderneming in Nederland.

6.3.1Herkomst en bestemming van middelen voor R&D, 2017**

Bestemming middelen
Totaal Bedrijven Instellingen1) Hoger onderwijs Buitenland Nationaal
Mln euro
Herkomst middelen2)
Totaal 16 072 10 654 912 4 506 3 172 17 357
Bedrijven 9 076 8 623 78 376 3 159 12 234
Overheid 4 734 609 692 3 433 14 4 748
Hoger onderwijs 32 24 8 0 0 32
Private non-profitorganisaties 344 55 3 286 0 344
Buitenland 1 887 1 343 132 412
%
Totaal 100 100 100 100 100 100
Bedrijven 56 81 9 8 100 70
Overheid 29 6 76 76 0 27
Hoger onderwijs 0 0 1 0 0 0
Private non-profitorganisaties 2 1 0 6 0 2
Buitenland 12 13 14 9

Bron:CBS.

1)Inclusief private non-profitorganisaties (PNP’s).

2)De tegemoetkoming in de kosten van R&D uit hoofde van de WBSO-regeling wordt in de staat van herkomst en bestemming van middelen niet verdisconteerd.

**Nader voorlopige cijfers.

Bijna 19 procent nationale R&D-middelen naar buitenland

Het voorgaande ging in op de financiering van de R&D die bedrijven en instellingen in Nederland verrichten: de herkomst van de middelen. Een tweede invalshoek is de bestemming van de middelen die bedrijven, instellingen en overheden in Nederland besteden aan R&D.

De meeste middelen die bedrijven vrijmaken voor R&D, besteden zij binnen het eigen bedrijf of bij andere bedrijven. In 2017 was dit ruim 8,6 miljard euro van de ruim 12 miljard euro die bedrijven in totaal uitgaven aan R&D. Het buitenland is een andere belangrijke bestemming van R&D-gelden van de bedrijvensector. In 2017 financierden Nederlandse bedrijven voor bijna 3,2 miljard euro aan R&D in het buitenland; dit was ruim 26 procent van hun totale bestedingen aan R&D. De totale R&D-uitgaven van de bedrijvensector (12 miljard euro) zijn groter dan de middelen die bedrijven beschikbaar stellen voor de financiering van R&D (9 miljard euro). Dat betekent dat de bedrijvensector per saldo R&D van andere sectoren financiert, waaronder het buitenland. Zo besteedde de bedrijvensector in 2017 voor 376 miljoen euro R&D uit aan het hoger onderwijs; omgekeerd ging dat om 24 miljoen euro.

6.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Europese Commissie (2010). Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Europese Commissie, Brussel.

OESO (2015). Frascati Manual 2015; Guidelines for Collecting and Reporting Data on Research and Experimental Development. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.

Noten

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Deze wet regelt een fiscale stimulering van (private) R&D door de loonbelasting van R&D-personeel die een bedrijf moet afdragen te verminderen.

Landen aangesloten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Raymond Kleingeld

Laura Wielenga-van der Pijl

Rik van Roekel

Ron de Heij

Astrid Pleijers

Francis van der Mooren

Overige bijdragen

John Bechholz

Marijke Hartgers

Cor Kragt

Kasper Leufkens

Linda Muller-Geuzinge

Hugo de Bondt

David Gies

Jacqueline van Beuningen

Yuri Boskamp

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij