Aandeel hoogopgeleiden neemt toe

Foto omschrijving: Leerlingen gaan naar school basisschool een meisje van 7 met haar ipad.

Kennispotentieel

Auteurs: Laura Wielenga-van der Pijl, Francis van der Mooren, Astrid Pleijers

In dit hoofdstuk staat het menselijk kapitaal centraal. Vragen die aan de orde komen, zijn: naar welke soorten onderwijs gaan scholieren? Klopt het dat de Nederlandse bevolking steeds hoger opgeleid is? En hoe staat het met de belangstelling voor de exacte en technische studierichtingen? Deze richtingen zijn namelijk belangrijk voor research en development en het gebruik van ICT. Ook wordt ingegaan op de vraag in welke mate er ook na afronding van de studie nog wordt doorgeleerd in de vorm van ‘leven lang leren’. Ten slotte komt aan de orde in hoeverre studenten studeren in het buitenland.

5.1Onderwijs in Nederland

Onderwijsdeelname neemt toe

Een groter deel van de jongeren blijft onderwijs volgen als zij niet meer leerplichtig zijn, of pakken hun opleiding na een onderbreking weer op. In 2018/’19 volgden in elke leeftijdsgroep vanaf 17 jaar meer jongeren onderwijs dan in 2000/’01 (figuur 5.1.1). Onder 20‑jarigen was de toename het grootst: van hen volgde in 2000/’01 56 procent onderwijs; in 2018/’19 was dat opgelopen naar 70 procent.

Minder vmbo-leerlingen

In het schooljaar 2018/’19 had het vmbo relatief minder leerlingen dan in 2000/’01 (figuur 5.1.2). Op de havo en het vwo is de onderwijsdeelname in deze periode relatief groter geworden. In 2018/’19 volgde 25 procent van de 16‑jarigen een vmbo-opleiding en 43 procent een opleiding voor havo of vwo. In 2000/’01 was dit voor beide onderwijssoorten nog gelijk: 35 procent. Ook het mbo, het hbo en het wo zijn gegroeid. In het hbo en het wo is voor alle leeftijden de deelname toegenomen. Van alle 20- en 21‑jarigen in de bevolking was bijna de helft ingeschreven als hbo- of wo-student in 2018/’19. In 2000/’01 was dat minder dan een derde.

Samenhangend met de deelname aan havo en vwo, is ook het aantal gediplomeerden van deze opleidingen toegenomen sinds 2005/’06. In het schooljaar 2017/’18 behaalden ruim 48 duizend leerlingen hun havo-diploma, terwijl dit er in 2005/’06 nog 38 duizend waren. Dit is een stijging van 27 procent. Het aantal geslaagde vwo’ers nam in deze periode met 20 procent toe, van 29 duizend in 2005/’06, tot ruim 35 duizend in 2017/’18.

Meer cijfers over gediplomeerden in havo en vwo zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Meer diploma’s op havo en vwo met natuurprofiel

In de bovenbouw van de havo en het vwo kunnen leerlingen kiezen uit vier profielen: Natuur en techniek (NT), Natuur en gezondheid (NG), Economie en maatschappij (EM) en Cultuur en maatschappij (CM). Een combinatie van profielen is ook mogelijk.

Steeds meer havo- en vwo-leerlingen hebben sinds het schooljaar 2010/’11 diploma’s behaald met een natuurprofiel, en steeds minder met een maatschappijprofiel. Het natuurprofiel betreft de profielen Natuur & techniek (NT), Natuur & gezondheid (NG) en het combinatieprofiel Natuur & techniek en Natuur & gezondheid (NT én NG). Op de havo steeg het aandeel natuurprofielen van gediplomeerden van 35,7 procent in 2010/’11 naar 42,3 procent in 2017/’18 (figuur 5.1.3). Op het vwo steeg dit aandeel van 54,5 naar 59,8 procent. Van de geslaagde jongens op het vwo had 63,4 procent een natuurprofiel; van de geslaagde meisjes was dit 56,4 procent.

Doordat meer vwo-gediplomeerden kozen voor een combinatie van het profiel NT en het profiel NG, hebben meer leerlingen NT in hun profiel. Het aandeel leerlingen met NT in hun profiel (NT of NT/NG) steeg van 41,3 procent in 2010/’11 naar 44,7 procent in 2017/’18. Daarbij zijn wel verschillen tussen jongens en meisjes zichtbaar. Van de jongens had 51,5 procent NT in hun profiel, van de meisjes 38,6 procent. Het verschil zit vooral bij het ‘zuivere’ NT-profiel, dat werd gekozen door 15,0 procent van de jongens en 3,5 procent van de meisjes. Het combinatieprofiel NT en NG werd door jongens en meisjes op het vwo ongeveer even vaak gekozen (36,5 en 35,1 procent). Meisjes kozen relatief vaker voor NG dan jongens (17,8 tegen 11,9 procent).

Meer cijfers over de profielen van havo- en vwo-gediplomeerden zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Steeds minder mbo-gediplomeerden

Sinds 2013/’14 is een dalende trend zichtbaar in de aantallen mbo-gediplomeerden. In vergelijking met het studiejaar 2005/’06 nam het aantal mbo-gediplomeerden nog wel toe; met ruim 3 procent in 2017/’18. De bevolking nam in die periode met ongeveer 5 procent toe, waardoor het aantal mbo-gediplomeerden relatief achterbleef.

Het mbo kent vier niveaus. Alleen het laagste mbo-niveau, de entreeopleiding, leidt niet op tot een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Op elk niveau daalde het aantal gediplomeerden in de afgelopen jaren, met uitzondering van niveau 4, dat op lange termijn een gestage groei laat zien. In het studiejaar 2016/’17 is een piek zichtbaar in de aantallen gediplomeerden op mbo-niveau 4. Dit komt doordat veel mbo-4 opleidingen zijn omgezet van nominaal 4 jaar naar nominaal 3 jaar studieduur. De eerste lichting behaalde in 2016/’17 een diploma.

In 2017/’18 behaalden ruim 140 duizend mbo’ers een diploma op niveau 2 of hoger. Het domein ‘Zorg en welzijn’ had het grootste aantal gediplomeerden: 38 duizend personen (figuur 5.1.4). In het domein ‘Techniek en procesindustrie’ behaalden 12 duizend mbo’ers een diploma op niveau 2 of hoger; in ‘Informatie en communicatietechnologie’ bedroeg dit aantal bijna 6 duizend in 2017/’18.

Opleidingen in het domein ‘Techniek en procesindustrie’ zijn bijvoorbeeld ‘industriële processen’, ‘elektrotechnische installaties’ en ‘werktuigkundige installaties’ op niveau 2 en 3. Op niveau 4 bevat dat domein onder andere de studies ‘procestechniek’ en ‘middenkader engineering’. Het grootste deel van de gediplomeerden in het domein ‘Techniek en procesindustrie’ haalde een diploma op het derde niveau: de vakopleiding. In 2017/’18 betrof dit ruim vierenhalf duizend personen. Op het vierde niveau slaagden eveneens vierenhalf duizend personen. Het totale aantal gediplomeerden op niveau 2 of hoger in deze technische richting was 4,4 procent lager dan een jaar eerder.

Onder het domein ‘Informatie en communicatietechnologie’ vallen bijvoorbeeld de opleidingen ‘ICT-support’ op niveau 2 en 3 en ‘ICT- en mediabeheer’ en ‘Applicatieontwikkeling’ op niveau 4. Bijna zes op de tien gediplomeerden in dit domein behaalden een diploma op het hoogste mbo-niveau.

Meer cijfers over gediplomeerden in het mbo zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Aantallen hbo- en wo-studenten stijgen door

In het studiejaar 2018/’19 waren 456 duizend studenten ingeschreven in het hbo. In 2008/’09 waren dat er nog 384 duizend (figuur 5.1.5). In deze periode is het aantal hbo-studenten dus gegroeid met 19 procent. Tussen 2008/’09 en 2018/’19 steeg het aantal ingeschreven hbo’ers elk jaar, op kleine dalingen in de studiejaren 2012/’13 en 2015/’16 na. De daling in 2015/’16 komt na een versnelde stijging in de twee jaren daarvoor. Veel jongeren zagen namelijk in 2013/’14 en ook nog in 2014/’15 af van een tussenjaar in bijvoorbeeld het buitenland, omdat ze gebruik wilden maken van de oude studiefinancieringsregeling.

295 duizend WO-studenten Buitenvorm Binnenvorm

Ook het aantal ingeschreven studenten in het wetenschappelijk onderwijs is tussen 2008/’09 en 2018/’19 voortdurend gestegen, op een kleine daling in 2012/’13 na. In het studiejaar 2018/’19 waren er 295 duizend studenten ingeschreven voor een wetenschappelijke opleiding. In het studiejaar 2008/’09 waren dit er nog 221 duizend. Daarmee is het aantal wo-studenten met 34 procent toegenomen. Het grootste deel van de groei komt door personen met een niet-westerse migratieachtergrond; dit kunnen zowel Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond zijn, als internationale studenten uit niet-westerse landen. Tussen 2008/’09 en 2018/’19 nam hun aantal toe van 28 duizend naar 45 duizend, een stijging van 63 procent.

De kleine daling van het aantal hbo- en wo-studenten in 2012/’13 volgde op een studiejaar waarin veel meer studenten hun diploma behaalden dan in de jaren ervoor, waardoor de uitstroom van studenten groot was. Deze ontwikkeling houdt mogelijk verband met aangekondigde (maar uiteindelijk niet uitgevoerde) maatregelen van de overheid om in het hoger onderwijs een zogenaamde ‘langstudeerboete’ in te voeren. Voor veel studenten werd het hierdoor extra aantrekkelijk om hun opleiding snel af te ronden (Van der Heide en Van Miltenburg, 2013; VSNU, 2013).

Ruim 70 duizend hbo-bachelordiploma’s

In het studiejaar 2017/’18 behaalden 70 duizend personen een hbo-bachelordiploma. De richtingen ‘Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’, ‘Gezondheidszorg en welzijn’ en ‘Onderwijs’ waren de grootste studierichtingen in het hbo. Deze drie richtingen omvatten samen 63 procent van alle gediplomeerden in het studiejaar 2017/’18 (figuur 5.1.6).

Voor research en development zijn vooral de hbo-richtingen ‘Techniek, industrie en bouwkunde’, ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ en ‘Informatica’ van belang. In het studiejaar 2017/’18 omvatten deze bètarichtingen samen 12 procent van alle hbo-bachelorgediplomeerden.

In de richting ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ behaalden 5 619 studenten een hbo-bachelordiploma in 2017/’18. In het studiejaar 2015/’16 waren dat er nog 5 410. Dit betekent een toename van 4 procent. Het aantal uitgereikte hbo-bachelordiploma’s in de richting ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ bedroeg 704 in het studiejaar 2015/’16. Twee jaar later was dat aantal met 28 procent gestegen tot 904. In de richting ‘Informatica’ behaalden 1 955 hbo-bachelors hun diploma in 2015/’16. Twee jaar later studeerden 2 224 hbo’ers af. Dit betekent een stijging van 14 procent.

Meer cijfers over gediplomeerden in het hbo zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Het aandeel vrouwen dat een hbo-bachelordiploma behaalde in de bètarichtingen, is klein. In de richting ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ was 21,5 procent van de gediplomeerden in 2017/’18 een vrouw; in de ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ en ‘Informatica’ was dit respectievelijk 47,1 procent en 7,1 procent. In veel andere landen is het percentage vrouwelijke bèta’s in het hoger onderwijs aanzienlijk hoger dan in Nederland. De volgende paragraaf gaat uitgebreider in op dit onderwerp.

Meer hbo-eerstejaars; ook meer bèta’s

Het aantal eerstejaars hbo-studenten is tussen 2015/’16 en 2018/’19 elk jaar toegenomen. In alle studierichtingen is het aantal eerstejaarsstudenten in het studiejaar 2018/’19 hoger dan drie jaar eerder (figuur 5.1.7). Vooral het aantal eerstejaars hbo-studenten in de richting ‘Journalistiek, gedrag en maatschappij’ is flink gegroeid, met 47 procent. Van de bèta-studierichtingen groeide vooral ‘Informatica’. Het aantal studenten nam met bijna een derde toe: van 4 427 in 2015/’16 naar 5 797 in 2018/’19. Het aantal eerstejaars ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ steeg met 7 procent; van 9 102 in 2015/’16 tot 9 753 in 2018/’19. De richting ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ trok 2 procent meer eerstejaars hbo-studenten: van 1 580 in 2015/’16 naar 1 612 in 2018/’19. Als het percentage afhakers ongeveer hetzelfde blijft als in voorgaande jaren, dan zal het aantal hbo-afgestudeerden de komende jaren verder blijven toenemen.

De studierichting ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ blijft relatief klein binnen het hbo; ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ omvat 1,6 procent van het aantal eerstejaars. ‘Informatica’ heeft 5,7 procent en ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ 9,5 procent van de eerstejaars hbo-studenten.

WO: studierichting recht, administratie en handel populair

In het wo studeren de meeste studenten af in de richting ‘Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’ (figuur 5.1.8). Dit geldt voor de bachelors, maar ook voor de masters. In het studiejaar 2017/’18 behaalden 10 045 wo-bachelorstudenten een diploma in ‘Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’. Bij de wo-masters waren dit 13 784 personen. Ook in de richting ‘Journalistiek, gedrag en maatschappij’ studeren veel wo’ers af. Samen omvatten deze richtingen in het studiejaar 2017/’18 53 procent van alle wo-bachelorgediplomeerden. Bij de wo-masters was dit aandeel iets kleiner: 50 procent.

In het studiejaar 2017/’18 omvatten de bètarichtingen ‘Techniek, industrie en bouwkunde’, ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ en ‘Informatica’ samen 21 procent van alle wo-bachelorgediplomeerden. Bij de wo-masters was dit 22 procent. In het wo is het aandeel studenten dat in ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ afstudeert aanzienlijk groter dan in het hbo.

In recente jaren zijn steeds meer wo-studenten geslaagd voor een master in de richting ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’. In het studiejaar 2017/’18 betrof het 4 655 gediplomeerden; in 2015/’16 waren dit er nog 3 898. Het aantal wo-bachelorgediplomeerden in deze richtingen nam toe van 3 473 in 2015/’16 naar 3 835 in 2017/’18. In de ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ slaagden ook ieder jaar meer studenten. In 2017/’18 behaalden 3 887 studenten hun masterdiploma, tegen 3 382 in 2015/’16. Het aantal bachelor-gediplomeerden in deze richting nam tussen 2015/’16 en 2017/’18 toe van 2 385 naar 2 820. In 2017/’18 behaalden 803 studenten een wo-bachelordiploma in de ‘Informatica’, en 1 284 studenten een wo-masterdiploma in deze richting. Dit komt overeen met respectievelijk 2 en 3 procent van alle gediplomeerden in het wo.

In het wo is het aandeel vrouwelijke bètastudenten aanzienlijk groter dan in het hbo. In het studiejaar 2017/’18 was 38 procent van de wo-master-afgestudeerden in een bètarichting een vrouw. Bij de afgestudeerde hbo-bachelors in een bètastudie was het aandeel vrouwen 21 procent. Het gaat hier om de richtingen ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’, ‘Informatica’ en ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ samen.

Meer cijfers over gediplomeerden in het hbo en wo zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Meer eerstejaars in wo; ook meer bèta’s

In het studiejaar 2018/’19 is het totale aantal eerstejaars bachelor-ingeschrevenen in het wo toegenomen ten opzichte van de studiejaren daarvoor. Het aantal wo-afgestudeerden zal daardoor over een aantal jaren ook toenemen, als het uitvalpercentage niet stijgt. Voor alle studierichtingen is in het studiejaar 2018/’19 het aantal eerstejaars wo-bachelor-studenten hoger dan drie jaar eerder (figuur 5.1.9). Ook de bètarichtingen zijn gegroeid. Dit geldt vooral voor ‘Informatica’, dat 52 procent meer eerstejaarsstudenten trok dan drie jaar eerder. Hun aantal steeg van 1 080 eerstejaarsstudenten in 2015/’16 naar 1 640 drie jaar later. De andere bètarichtingen groeiden in dezelfde periode ook. In de ‘Wiskunde, natuurwetenschappen’ nam het aantal eerstejaars bachelors toe van 5 351 in 2015/’16 tot 6 322 in 2018/’19. ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ had 5 490 eerstejaars bachelor-studenten in het studiejaar 2018/’19, tegen 4 342 drie jaar eerder. Als de uitvalpercentages niet stijgen, zal het aantal wo-bachelor-afgestudeerden in deze richtingen de komende jaren dus groeien.

Het aantal eerstejaarsstudenten in bètarichtingen van het wo is toegenomen. Het percentage eerstejaars wo’ers met een bètastudie is echter ongeveer gelijk gebleven. In het studiejaar 2018/’19 was 23,2 procent van alle eerstejaars een student in een bètarichting. Dit aandeel was drie jaar eerder nog 23,8 procent.

5.2Kennis in Nederland

In deze paragraaf komt het onderwijsniveau van Nederlanders aan bod, ook in vergelijking met andere Europeanen. Vervolgens focust de paragraaf op afgestudeerden uit het hoger onderwijs met een bètadiploma, zowel in Nederland als in andere Europese landen. Ten slotte is er aandacht voor ‘leven lang leren’.

Bijna derde 15- tot 75‑jarigen hoogopgeleid

In Nederland is bijna een derde van de 15- tot 75‑jarigen hoogopgeleid (figuur 5.2.1). Dit betekent dat deze personen in het bezit zijn van een hbo- of wo-diploma. Het aandeel hoogopgeleiden neemt al jaren gestaag toe. Tien jaar geleden was dit nog ruim 25 procent. De toename van het onderwijsniveau blijkt ook uit het grotere aandeel hoogopgeleiden onder jongere generaties. Dit geldt nog niet zozeer voor de jongste leeftijdsgroep; ruim drie kwart van hen is scholier of student en gaat hun hoogste onderwijsniveau nog behalen. Maar het geldt wel voor 25- tot 35‑jarigen, waarvan 47 procent hoogopgeleid was in 2018. Dit aandeel is voor oudere generaties kleiner, met 21 procent het kleinst bij de 65- tot 75‑jarigen.

Het aandeel vrouwen en mannen met een hbo- of wo-diploma was in 2018 even groot. Onder jongere generaties zijn er echter meer hoogopgeleide vrouwen dan mannen. Ruim de helft (52 procent) van de vrouwen van 25 tot 35 jaar was in 2018 hoogopgeleid; van de mannen in deze leeftijdscategorie had 42 procent een hbo- of wo-diploma. Ook 35- tot 45‑jarige vrouwen hebben vaker een hbo- of wo-diploma dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Alleen onder de 55- tot 75‑jarigen zijn mannen nog vaker dan vrouwen hoogopgeleid. Door de toename van het aandeel hoogopgeleiden in de afgelopen tien jaren, werd het aandeel laagopgeleiden kleiner; dit liep terug van 34 procent in 2008 naar 28 procent in 2018. Laag­opgeleiden hebben als hoogst behaald onderwijsniveau basisonderwijs, vmbo, onderbouw havo of vwo, of mbo-niveau 1.

Doordat het onderwijsniveau toeneemt, beschikken steeds meer Nederlanders van 15 tot 75 jaar over een startkwalificatie. Dat wil zeggen dat personen minimaal een afgeronde havo- of vwo-opleiding hebben, of een opleiding mbo-niveau 2. In 2018 gold dit voor zeven van de tien Nederlanders van 15 tot 75 jaar. Een startkwalificatie wordt gezien als het minimale niveau voor een duurzame positie op de arbeidsmarkt. Personen met een startkwalificatie hadden dan ook vaker betaald werk dan die zonder startkwalificatie. In 2018 werkte 76 procent van de personen met een startkwalificatie en 49 procent van de personen zonder startkwalificatie.

De arbeidsparticipatie onder mannen is hoger dan onder vrouwen. Dat geldt vooral voor de laag- en middelbaaropgeleiden, onder de hoogopgeleide mannen en vrouwen is de arbeidsparticipatie met respectievelijk 83 en 81 procent bijna gelijk.

Meer cijfers over arbeidsparticipatie en opleidingsniveau zijn opgenomen in deze StatLine-tabel en in deze StatLine-tabel.

Nederland met aandeel en aanwas hoogopgeleiden in de middenmoot

Voor de internationale vergelijking van het aandeel hoogopgeleiden wordt de leeftijds­afbakening 25 tot 65 jaar aangehouden. In 2018 was 38 procent van de Nederlandse bevolking van 25 tot 65 jaar hoogopgeleid (figuur 5.2.2). Nederland staat daarmee in de middenmoot van de landen behorend tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In Japan was het aandeel hoogopgeleiden het grootst; meer dan de helft van de Japanse bevolking had een opleiding aan het hoger onderwijs afgerond. Ook in bijvoorbeeld Finland, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië was het aandeel hoogopgeleiden groter dan in Nederland. In deze landen had meer dan 45 procent van de bevolking een opleiding in het hoger onderwijs afgerond. Het aandeel hoogopgeleiden was in Duitsland (29 procent) kleiner dan in Nederland.

De aanwas van hoogopgeleiden zegt iets over de toekomstige ontwikkeling van het aandeel hoogopgeleiden in de bevolking. De aanwas is het aandeel personen dat voor de eerste keer een diploma in het hoger onderwijs behaald heeft binnen de typische leeftijdsgroep om af te studeren. Als dit aandeel groot is, zijn veel jonge mensen hoogopgeleid. Dat betekent dat het aandeel hoogopgeleiden in de toekomst zal groeien.

In Nederland is de aanwas van hoogopgeleiden groter dan in veel andere landen. De aanwas bedroeg in Nederland 49 procent in 2016. De aanwas nam toe tot net boven het niveau van 2012. Vooral in Australië is de aanwas van hoogopgeleiden groot: 77 procent. Ook Denemarken scoort hoger dan Nederland. Het Verenigd Koninkrijk en Zweden blijven iets achter: respectievelijk 45 en 39 procent. Als een persoon meerdere diploma’s in het hoger onderwijs behaalt, telt alleen het eerste diploma mee in dit cijfer.

Nederland laagste percentage afgestudeerden in bètarichting

In 2017 rondde 17 procent van de afgestudeerden in het Nederlandse hoger onderwijs (ho) een bèta-opleiding af. Nederland heeft hiermee het laagste percentage bèta-afgestudeerden van alle landen in de Europese Unie (EU), op Cyprus na. In de EU als geheel behaalde 26 procent van de afgestudeerden een bètadiploma. In onder andere Oostenrijk, Estland, Zweden en Finland was het percentage bèta-afgestudeerden hoger dan het EU-gemiddelde. Duitsland kende de meeste bèta’s; 36 procent van de afgestudeerde Duitsers in het hoger onderwijs rondde een bèta-opleiding af.

In alle EU-landen studeerden mannen relatief veel vaker af in een bètarichting dan vrouwen. Het betrof gemiddeld 40 procent van de mannelijke afgestudeerden en 15 procent van de vrouwen (figuur 5.2.3). In Nederland lag het percentage voor zowel mannen als vrouwen veel lager. Van de afgestudeerde mannen in Nederland volgde 27 procent een bètastudie; van de vrouwen 9 procent. Dit is vergelijkbaar met de andere landen in de Benelux.

Leven lang leren steeds belangrijker

Een ‘leven lang leren’ wordt steeds belangrijker. De maatschappij verandert constant en nieuwe technologieën zorgen er voor dat de manier van werken ook verandert. Daarom is het belangrijk dat mensen hun vaardigheden blijven ontwikkelen door zich voortdurend bij te scholen. De Nederlandse overheid heeft ‘leven lang leren’ daarom in 2014 tot speerpunt gemaakt (TK, 2014). Meer recent spreekt de overheid van ‘een leven lang ontwikkelen’. En om ervoor te zorgen dat mensen bij een snel veranderende arbeidsmarkt niet buiten de boot vallen, wil de overheid extra maatregelen nemen zodat mensen zich blijven scholen (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2018).

Ook op Europees niveau zien beleidsmakers de noodzaak van ‘leven lang leren’ in. De Europese Commissie heeft de ambitie uitgesproken dat de EU de meest concurrerende en meest dynamische kenniseconomie van de wereld wordt (Europese Commissie, 2010). Een strategisch doel van de EU-samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding is dat een ‘leven lang leren’ en mobiliteit realiteit worden, waarbij onderwijs- en opleidingsstelsels beter op veranderingen inspelen. Om de vooruitgang te meten hebben beleidsmakers diverse concrete doelstellingen vastgesteld. Eén van deze doelstellingen is dat in 2020 in heel Europa 15 procent van de bevolking van 25 tot 65 jaar deelneemt aan enige vorm van opleiding of cursus. Dit kunnen zowel werkgerelateerde als vrijetijdscursussen zijn. De Nederlandse overheid streeft naar een groter aandeel: 20 procent (Ministerie van OCW, 2011; zie ook Hartgers en Pleijers, 2010).

In 2018 volgde 19 procent van de Nederlandse bevolking van 25 tot 65 jaar in de vier weken voorafgaand aan de enquête een opleiding of cursus (figuur 5.2.4). Dat is boven de Europese norm van 15 procent, en ook ruimschoots boven het EU-gemiddelde van 11 procent. In de jaren na 2012 is het percentage Nederlanders dat een opleiding of cursus volgt gestaag toegenomen. Het Nederlandse doel voor 2020 is hiermee echter nog (net) niet bereikt. In de Scandinavische landen volgde 24 tot 29 procent een opleiding of cursus.

Bijna 1 op de 5 volgt een opleiding of cursus

In 2018 nam 19 procent van de 25- tot 65‑jarigen deel aan ‘leven lang leren’ in de vorm van een opleiding of cursus. Onder 25- tot 35‑jarigen was het percentage het hoogst: 29 procent. Personen in hogere leeftijdsgroepen nemen minder vaak deel aan ‘leven lang leren’. Onder 55- tot 65‑jarigen was de deelname 12 procent (figuur 5.2.5). Bij 35‑plussers gaat het voornamelijk om deelname aan niet-formeel onderwijs, zoals bedrijfsopleidingen en cursussen. Bij deelnemers jonger dan 35 jaar gaat het vooral om formeel onderwijs (onderwijs dat door de overheid wordt bekostigd alsmede particulier onderwijs voor zover dit leidt tot een in Nederland erkend diploma). Vrouwen van 35 jaar en ouder namen hieraan wat vaker deel dan mannen. Daarnaast speelt het hoogst behaalde onderwijsniveau een rol. Ruim een kwart van de hoogopgeleiden volgde in 2018 een bedrijfsopleiding of cursus. Bij laagopgeleiden was dit 10 procent. Vooral de deelname onder hoogopgeleide vrouwen is hoog (27 procent).

Beroepsbevolking neemt vaker deel aan opleidingen

Personen die actief zijn op de arbeidsmarkt – werkzame of werkzoekende (werkloze) personen – volgen vaker opleidingen en cursussen dan personen die behoren tot de niet-beroepsbevolking. Deze laatste groep bestaat uit degenen zonder werk, die ook niet zoeken naar werk of hiervoor niet beschikbaar zijn. Van de niet-beroepsbevolking nam 13 procent in 2018 deel aan opleidingen en cursussen (figuur 5.2.6). Onder werkzame personen is deelname aan ‘leven lang leren’ hoger. Ruim een vijfde (21 procent) van hen volgde een cursus of opleiding in 2018. Van de groep werklozen nam 19 procent deel aan een opleiding of cursus. Vrouwen die deel uitmaken van de werkzame of werkloze beroepsbevolking volgen relatief vaker dan mannen een opleiding. Alleen in de niet-beroepsbevolking is het aandeel mannen die een opleiding of cursus volgen hoger.

In de capita selecta bij deze publicatie is een bijdrage opgenomen die dieper ingaat op het onderwerp ‘leven lang leren’ (paragraaf 8.1).

5.3Internationale mobiliteit in het onderwijs

Wereldwijd volgen steeds meer jongeren een groot of klein deel van hun studie in het buitenland. Met een in toenemende mate internationaal georiënteerde arbeidsmarkt is het belangrijk ervaring op te doen in het buitenland. In deze paragraaf wordt in het eerste deel beschreven hoeveel studenten voor een complete bachelor- of masterstudie of promotie­onderzoek naar een ander land gingen, zowel vanuit Nederland naar het buitenland als omgekeerd. Daarna wordt beschreven hoeveel mbo-studenten en studenten uit het hoger onderwijs (ho) een deel van hun opleiding in het buitenland deden en vanuit welke studierichting.

Internationaal mobiele studenten

Nederlandse studenten gaan voor hun studie naar het buitenland en buitenlandse studenten komen naar Nederland om te studeren. Om een beeld te schetsen van het internationale studentenverkeer gebruikt deze paragraaf het begrip ‘internationaal mobiele student’. Dit is iemand die zijn of haar vooropleiding voor het hoger onderwijs in een ander land heeft gedaan dan het land waarin hij of zij studeert. Van veel landen is informatie beschikbaar volgens deze definitie. Daardoor sluiten de Nederlandse cijfers goed aan bij die van andere landen. Het betreft hier alleen studenten die zich voor een complete bachelor- of masterstudie of promotietraject hebben ingeschreven. Studenten die slechts voor een deel van hun opleiding naar het buitenland zijn gegaan, komen in het tweede deel van deze paragraaf aan bod.

Vooral naar België en Engelstalige landen

Voor Nederlanders die in het buitenland gaan studeren, is vooral België aantrekkelijk. In het studiejaar 2016/’17 studeerde ruim 27 procent van de studenten in het hoger onderwijs die naar het buitenland gingen in België (figuur 5.3.1). Het aantal Nederlandse studenten dat naar België gaat, is vanaf het studiejaar 2015/’16 flink toegenomen. De stijging valt samen met de invoering van het leenstelsel in het Nederlandse hoger onderwijs in studiejaar 2015/’16, waardoor een goedkoper land als België nog aantrekkelijker werd (zie kader ‘Studeren in België’). Daarnaast zijn de Engelstalige landen populair. Ruim 30 procent van de Nederlandse studenten in het buitenland studeerde in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten. Duitsland staat op de vierde plaats. Van de Nederlandse studenten die in het buitenland gaan studeren, blijft het overgrote deel binnen Europa.

Studeren in België

In 2016/’17 stonden meer dan 5 duizend Nederlandse studenten ingeschreven voor een bachelor- of masterstudie in België; zij deden hun vooropleiding in Nederland. Dat is veel meer dan in elk ander land. Waarom is België zo populair?

Voor de hand liggende redenen zijn de nabijheid van België en de taal die in Vlaanderen wordt gesproken. Daarnaast is het collegegeld een stuk lager dan in Nederland en is het vrij makkelijk om betaalbare woonruimte (‘kot’) te vinden. Belangrijk voor veel internationaal mobiele studenten uit Nederland is ook dat België geen lotingsysteem heeft zoals in Nederland; soms wel toelatingsexamens. Jongeren die in Nederland zijn uitgeloot voor bijvoorbeeld een studie geneeskunde vinden al jaren de weg naar een Vlaamse universiteit.

Bron:AD-artikel 30 oktober 2018 (‘Dit is waarom veel studenten naar het buitenland gaan’); https://www.wilweg.nl (Nuffic).

In het studiejaar 2016/’17 studeerden 18,5 duizend Nederlanders in het buitenland. In dat studiejaar was het aantal buitenlandse studenten in Nederland ruim 5 keer zo groot als het aantal Nederlandse studenten in het buitenland.

96 duizend buitenlandse studenten in Nederland Buitenvorm Binnenvorm

Veel Duitse studenten in Nederland

In het studiejaar 2016/’17 studeerden ruim 96 duizend internationaal mobiele studenten in Nederland. Een groot deel van hen kwam uit Duitsland: 23,5 procent (figuur 5.3.2). Duitse studenten zijn deels personen die in de grensstreek wonen en dagelijks heen en weer reizen naar een Nederlandse universiteit of hogeschool. Van alle Duitse studenten in Nederland is ongeveer de helft niet ingeschreven als inwoner van Nederland. België had een aanzienlijk kleiner aandeel van 3,2 procent. Van de Belgische studenten in Nederland is iets meer dan de helft niet in Nederland ingeschreven. Ruim 5 procent van alle internationaal mobiele studenten in Nederland kwam uit China.

Buitenlandse studenten vooral in alfa- en gamma-richtingen

Bijna de helft van de internationaal mobiele studenten in Nederland volgde in studiejaar 2016/’17 een studie in de richtingen ‘Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’ of ‘Journalistiek, gedrag en maatschappij’ (figuur 5.3.3). Deze richtingen hadden in Nederland een grotere aantrekkingskracht op internationale studenten dan gemiddeld in de OESO-landen. Het volgen van bètastudies in Nederland was bij internationale studenten minder in trek dan in andere OESO-landen. Vooral de studierichtingen ‘Techniek, industrie en bouwkunde’ en ‘Informatica’ trokken relatief minder internationaal mobiele studenten naar Nederland.

Studiepuntmobiliteit

Studenten in het mbo en het hoger onderwijs worden gestimuleerd om een deel van hun opleiding in het buitenland te volgen. De wereld verandert en wordt steeds internationaler. Door een deel van hun opleiding in het buitenland te volgen, worden studenten daar op voorbereid. In dit kader gaf de Onderwijsraad in 2016 het advies dat ernaar gestreefd wordt dat iedereen het onderwijs ‘internationaal competent’ verlaat (Onderwijsraad, 2016). Voor zowel het mbo als het hoger onderwijs zijn door de EU de volgende doelstellingen voor 2020 geformuleerd:

  • Voor het mbo geldt dat minimaal 6 procent van de 18- tot 35‑jarigen met een mbo-diploma voor hun studie naar het buitenland is geweest. Het gaat daarbij om een periode van minimaal twee weken.
  • Voor het hoger onderwijs geldt dat minimaal 20 procent van de recent gediplomeerden minimaal voor 15 studiepunten (ECTS-studiepunten) of voor minimaal drie maanden naar het buitenland is geweest.noot1

Weinig mbo’ers voor studie naar buitenland

Onder mbo-gediplomeerden is het nog niet heel gangbaar om voor hun studie naar het buitenland te gaan. Van degenen die in het studiejaar 2016/’17 hun diploma behaalden en 18 tot 35 jaar waren, was 8,5 procent voor hun opleiding naar het buitenland geweest. Dat betekent dat Nederland voldoet aan de internationale doelstelling van 6 procent. De meeste mbo’ers gaan voor een stage naar het buitenland (7,8 procentpunten). Naar het buitenland gaan voor een studieonderdeel gebeurt veel minder. Bijna 9 van de 10 mbo’ers die in het buitenland waren geweest voor hun studie, vonden hun tijd in het buitenland belangrijk of zelfs heel belangrijk.

Het zijn vooral studenten met een mbo-niveau 4-diploma die voor hun opleiding naar het buitenland gingen. Van hen is bijna 14 procent voor hun opleiding naar het buitenland geweest. Onder studenten met een diploma op niveau 3 was dat nog geen 6 procent.

Relatief veel mbo’ers Toerisme naar het buitenland

Hoe groot het aandeel studenten is dat over de grens gaat, verschilt sterk per richting. Zo gingen bijna vier op de tien mbo-gediplomeerden in de studierichting ‘Toerisme en vrijetijdsbesteding’ voor hun opleiding naar het buitenland (figuur 5.3.4). Ook degenen die een diploma hebben behaald in de richting ‘Landbouw en veeteelt’ of ‘Tuinbouw’ kozen er relatief vaak voor om voor een stage of studieonderdeel naar het buitenland te gaan. Het ging om respectievelijk 24 en 23 procent van de mbo-gediplomeerden.

Kwart ho-studenten naar het buitenland

Studenten in het hoger onderwijs volgen veel vaker dan mbo’ers een deel van hun opleiding in het buitenland. Van de studenten die in het studiejaar 2017/’18 een diploma in het hoger onderwijs hebben behaald, is bijna een kwart voor hun studie naar het buitenland geweest. Nederland voldoet daarmee aan de internationale doelstelling van 20 procent. Studenten die een universitaire opleiding volgen, gaan meestal naar het buitenland om daar college te volgen, eventueel in combinatie met een stage. Studenten in het hbo gaan vaak alleen voor stage naar het buitenland. Hoewel ze een andere reden hebben om naar het buitenland gaan, is de studiepuntmobiliteit onder hbo- en wo-studenten ongeveer even hoog.

Voor 96 procent van de studenten was het versterken van hun persoonlijke ontwikkeling een reden om naar het buitenland te gaan. Een andere belangrijke motivatie was dat het hen goed leek voor hun loopbaan (83 procent). Voor bijna een kwart van de studenten was het een verplicht onderdeel van hun studie.

Vooral studenten Horeca en Toerisme naar het buitenland

Studenten die de studierichtingen ‘Horeca’ (87 procent) en ‘Toerisme en vrijetijdsbesteding’ (69 procent) volgden, zijn relatief vaak voor hun opleiding in het buitenland geweest (figuur 5.3.5). Ook onder studenten die vreemde talen studeerden, was deze zogenoemde studiepuntmobiliteit relatief hoog (54 procent).

Bijna een derde van degenen die een opleiding in het hoger onderwijs hebben behaald, ging niet naar het buitenland tijdens hun studie, maar heeft dit wel overwogen. Verplichtingen in Nederland en hoge kosten hielden hen daarbij tegen.

Meer informatie over studiepuntmobiliteit in het hoger onderwijs is opgenomen in dit CBS-nieuwsbericht.

5.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Europese Commissie (2010), Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Europese Commissie, Brussel.

Hartgers, M., en A. Pleijers (2010), Een leven lang leren met cursussen en lange opleidingen. Sociaal economische trends, juni 2010.

Heide, K. van der, en T. van Miltenburg (2013) Bachelors wetenschappelijk onderwijs studeren sneller af. CBS-nieuwsbericht.

Ministerie van OCW (2011). Kerncijfers 2006–2010. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2018). Kamerbrief leven lang ontwikkelen. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag.

Onderwijsraad (2016) Internationaliseren met ambitie. Onderwijsraad, Den Haag.

TK (2014). Leven Lang Leren. Brief van Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en werkgelegenheid. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014/2015, 30012, nr. 41.

VSNU (2013). Studietempo bachelorstudenten universiteiten fors hoger, VSNU, Den Haag.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Raymond Kleingeld

Laura Wielenga-van der Pijl

Rik van Roekel

Ron de Heij

Astrid Pleijers

Francis van der Mooren

Overige bijdragen

John Bechholz

Marijke Hartgers

Cor Kragt

Kasper Leufkens

Linda Muller-Geuzinge

Hugo de Bondt

David Gies

Jacqueline van Beuningen

Yuri Boskamp

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij