Bijna iedereen online

Foto omschrijving: Ouder stel zit op de bank achter laptop en smartphone.

ICT-gebruik van huishoudens en personen

Auteur: Judit Arends-Tóth

Informatie zoeken op internet, sociale media gebruiken, internetbankieren en online shoppen; internet is niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar internet en ICT gebruikt anno 2018.

3.1ICT-voorzieningen en internetgebruik

Internet, mobiele telefoons en computers spelen een belangrijke rol in het dagelijks leven van Nederlanders. Veel mensen gebruiken internet niet alleen thuis of op het werk, maar vrijwel overal. Dankzij de goede kwaliteit van de Nederlandse ICT-infrastructuur en smartphones met snelle internetverbindingen kunnen mensen vrijwel altijd online zijn. Het CBS doet jaarlijks onderzoek naar het ICT-gebruik van Nederlandse huishoudens en personen. Deze paragraaf beschrijft eerst de ICT-voorzieningen die aanwezig zijn in huishoudens. Daarna komt aan bod hoe personen internet gebruiken.

Enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’

Om informatie te verkrijgen over hoe huishoudens en personen ICT en internet gebruiken, voert het CBS sinds 2005 jaarlijks de enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ uit. Ieder jaar doen rond 5 duizend mensen mee aan dit onderzoek.

De onderzoekspopulatie bestaat uit alle inwoners van Nederland in de leeftijd van 12 jaar of ouder. De tekst in dit hoofdstuk spreekt vaak over ‘Nederlanders’, waar het eigenlijk gaat om inwoners van Nederland, ongeacht hun nationaliteit. Hier is voor gekozen om de tekst gemakkelijker leesbaar te maken.

De lidstaten van de Europese Unie zijn overeengekomen dat zij het ICT-onderzoek geharmoniseerd uitvoeren: alle landen gebruiken (in principe) dezelfde vragen en dezelfde definities. Het Europese onderzoek gaat over de bevolking van 16 tot 75 jaar. Het CBS werkt dus met een uitgebreidere populatie voor Nederland, namelijk inwoners vanaf 12 jaar. Daardoor kunnen de Nederlandse cijfers in internationale vergelijkingen iets afwijken van de cijfers die het CBS publiceert.

Van 2005 tot en met 2013 verliep het onderzoek uitsluitend telefonisch. Vanaf 2014 vraagt het CBS in eerste instantie of mensen via internet een vragenlijst willen invullen. Bij mensen die geen gehoor geven aan deze uitnodiging, neemt het CBS de vragenlijst indien mogelijk alsnog telefonisch af. Details over deze methodewijziging en de gevolgen ervan op de uitkomsten van het onderzoek zijn te vinden in het rapport ‘Trendbreuk analyse ICT 2014‘ (Van Beuningen en Linden, 2015).

Internet thuis vanzelfsprekend

Internet is niet meer weg te denken uit de Nederlandse huishoudens. In 2018 had 95 procent van de huishoudens toegang tot internet. Het betrof 7,5 miljoen huishoudens. Het aandeel huishoudens met internettoegang groeit niet meer sterk. In 2016 had 92 procent van de huishoudens toegang tot internet, in 2017 ging het om 95 procent. In 2012 was dat 88 procent.

Van alle huishoudens in 2018 had 5 procent thuis géén toegang tot internet. De ruime meerderheid van deze huishoudens omvat ten minste één persoon die ouder is dan 75 jaar.

Nederland Europees koploper met internet thuis

Nederland behoort tot de kopgroep van Europese landen met de meeste huishoudens met toegang tot internet. Volgens de Europese onderzoeksmethode had 98 procent van de Nederlandse huishoudens thuis internet in 2018 (figuur 3.1.1). Andere landen in Europa waar het overgrote deel van huishoudens internettoegang heeft, zijn het Verenigd Koninkrijk (95 procent), Duitsland en Finland (beide 94 procent). Het aandeel huishoudens met internet thuis is in veel Zuid- en, met name, Oost-Europese landen aanzienlijk kleiner. Vooral de Oost-Europese landen maakten de laatste jaren een inhaalslag. Zo had 72 procent van de huishoudens in Bulgarije in 2018 een internetaansluiting, terwijl dit in 2012 nog 51 procent was. In 2018 had gemiddeld 89 procent van de huishoudens in de EU een internetaansluiting. In 2012 was dat nog 76 procent.

Vrijwel alle Nederlandse huishoudens hebben thuis een breedbandverbinding (97 procent). Nederland stond daarmee in 2018 bovenaan de Europese ranglijst. Gemiddeld had 86 procent van de Europese huishoudens een breedbandverbinding. Griekenland en Bulgarije scoorden met 76 procent en 71 procent het laagst.

Cijfers over breedbandverbindingen in huishoudens voor meer Europese landen zijn te vinden in deze Eurostat-tabel.

Smartphone meest gebruikte apparaat in huishoudens

In 2018 waren smartphones en laptops de meest gebruikte apparaten in huishoudens om mee te internetten. Smartphones waren aanwezig in 87 procent van de huishoudens en laptops bij 78 procent (figuur 3.1.2). Smartphones hebben de laatste jaren veel terrein gewonnen. In 2012 beschikte nog maar 50 procent van de huishoudens over een of meer smartphones. Tablets worden ook vaak gebruikt om online te gaan: in 2018 had 63 procent van de huishoudens een tabletnoot1, terwijl dat in 2013 nog 39 procent was. In 2018 werden vooral vaker tv’s met settopbox of smart tv’s gebruikt om online te gaan dan in eerdere jaren. In bijna de helft van alle huishoudens werd verbinding met het internet gemaakt via een dergelijk apparaat. Het gebruik van desktops om te internetten nam af: in 2012 gebruikte 64 procent van de huishoudens een desktop om te internetten; in 2018 was dat afgenomen tot 50 procent.

Het voorgaande deel van deze paragraaf liet zien dat Nederlandse huishoudens in ruime mate beschikken over ICT-voorzieningen. Het vervolg van deze paragraaf beschrijft hoe personen internet gebruiken.

86 procent dagelijks online

In 2018 was 86 procent van de Nederlanders vanaf 12 jaar dagelijks of vrijwel dagelijks online (figuur 3.1.3). In 2012 was dat nog 76 procent. Vooral personen van 18 tot 45 jaar en hoog­opgeleiden gebruikten het internet dagelijks. Van de personen in deze groepen was meer dan 95 procent elke dag online. In 2012 lag het rond 90 procent. Het dagelijks internetgebruik van 65‑plussers neemt toe. Inmiddels gaat meer dan 70 procent van de personen van 65 tot 75 jaar dagelijks het web op, tegen 52 procent in 2012. Van de 75‑plussers ging 45 procent dagelijks online in 2018, terwijl dat in 2012 nog 16 procent was.

Meer informatie over dagelijks internetgebruik naar hoogst behaalde onderwijsniveau is opgenomen in deze StatLine-tabel.

86% gaat dagelijks het web op

Nederland is met Denemarken en het Verenigd Koninkrijk koploper in het dagelijks gebruiken van het internet. Volgens de Europese methode gebruikte 9 op de 10 Nederlanders (van 16 tot 75 jaar) dagelijks het internet. Het EU-gemiddelde bedroeg 76 procent.

Cijfers over dagelijks internetgebruik voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

6 procent nooit online

In 2018 was 6 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder (ongeveer 886 duizend mensen) nog nooit online geweest (figuur 3.1.4). In 2012 was dat 10 procent. Bijna de helft van de Nederlanders die nooit internette, was 75 jaar of ouder. Deze groep is wel kleiner geworden. In 2018 gaf een derde van hen aan nog nooit internet te hebben gebruikt, terwijl dat in 2012 voor twee derde van de 75‑plussers gold. Ook bij Nederlanders tussen de 65 en 75 jaar is het aandeel dat nog nooit gebruik heeft gemaakt van het internet in 2018 lager dan in 2012 (respectievelijk 10 tegen 43 procent). Van de 45 tot 65‑jarigen was 4 procent nog nooit online geweest in 2018. Personen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar maken bijna allemaal gebruik van het internet.

Onder de 75‑plussers zijn het vaker vrouwen dan mannen die geen internet gebruiken. In 2018 was 41 procent van de vrouwen en 20 procent van de mannen van 75 jaar of ouder nog nooit online geweest. Ook in de andere leeftijdscategorieën zijn het vooral vrouwen die niet actief zijn op internet. Laagopgeleide 75‑plussers behoorden vaker bij de niet-internetters (44 procent) dan hoogopgeleide leeftijdsgenoten (11 procent). In de overige leeftijdscategorieën zijn het vooral de laagopgeleide Nederlanders die niet op het web surften.

Meer informatie over personen die nooit online waren, is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Vooral internetten via smartphones in trek

Steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten voor internettoegang op andere plekken dan thuis of op het werk. In 2018 gebruikte 82 procent mobiel internet, terwijl dat in 2012 nog 51 procent was. Vooral de smartphone wordt veel gebruikt voor mobiel internet. In 2018 gebruikte 79 procent een smartphone om mobiel te internetten, tegen 40 procent in 2012. De laptop werd door een derde van de Nederlanders gebruikt voor mobiele internettoegang in 2018. Ook mobiel internetten via tablets is populairder geworden: waar 16 procent van de Nederlanders in 2012 een tablet gebruikte om mobiel te internetten, is dit in 2018 gestegen tot 27 procent.

Meer informatie over mobiele apparaten voor internettoegang is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Tot 45 jaar: 94 procent gebruikt mobiel internet

Vooral in de leeftijdsgroep van 12 tot 45 jaar gebruiken veel mensen een mobiele internet­verbinding (tabel 3.1.5). In 2018 gebruikte 94 procent van 12 tot 25- jarigen en 25 tot 45‑jarigen mobiel internet.noot2 Van de 45- tot 65‑jarigen gebruikte ruim vier van de vijf mobiel internet (84 procent). Voor 65‑plussers was het cijfer aanzienlijk lager. In alle leeftijdsgroepen waren smartphones het meest in trek.

Het percentage personen dat mobiel internet gebruikte, is het hoogst onder degenen die hoger onderwijs hebben genoten: 93 procent. Onder personen met lager onderwijs was het aandeel 68 procent. Mannen gebruikten iets vaker mobiele apparatuur dan vrouwen.

3.1.5Gebruik van mobiel internet, naar persoonskenmerken, 20181)

Totaal2) Smartphone Laptop Tablet Overige apparatuur
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 82 79 32 27 9
 
Geslacht
Man 84 82 37 29 11
Vrouw 80 78 28 25 7
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 68 65 22 18 6
Middelbaar onderwijs 87 85 32 26 9
Hoger onderwijs 93 90 46 37 12
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 94 93 50 24 11
25 tot 45 jaar 94 94 42 31 13
45 tot 65 jaar 84 83 28 29 8
65 tot 75 jaar 62 55 16 24 3
75 jaar of ouder 35 27 7 15 2

Bron:CBS.

1)Gebruik van mobiele apparatuur, niet thuis of op het werk.

2)Via één of meerdere typen apparaten.

Nederland internationaal voorop met mobiel internet

In 2018 scoorden Denemarken, Zweden (beide 88 procent) en Nederland (86 procent) het hoogste in Europa als het gaat om internetgebruik met mobiele apparaten, zoals een laptop, tablet of smartphone buitenshuis of buiten het werk. Het aandeel mobiele internetgebruikers was in Nederland flink groter dan het EU-gemiddelde van 69 procent. Zowel voor Zweden, Denemarken als Nederland gold dat inwoners veelal de smartphone gebruikten om buiten het huis of werk te internetten. In 2018 surfte 86 procent van de Zweden en 84 procent van de Denen en Nederlanders op internet met een smartphone. Deze landen liepen daarmee voorop in de EU, waar gemiddeld 67 procent van de burgers gebruikmaakte van een smartphone om te internetten. Het smartphonegebruik buitenshuis of buiten het werk was het laagst in Italië (39 procent).

Cijfers over het internetgebruik met mobiele apparaten voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

Vier op de tien kennen DAB+

In 2018 had 41 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder weleens van DAB+ gehoord (tabel 3.1.6). Dit aandeel is flink groter dan in 2016, toen 29 procent bekend was met DAB+. In eerdere jaren genoot digitale radio nog minder bekendheid.

3.1.6Bekendheid van digitale radio via DAB+

Heeft wel eens van DAB+1) gehoord
2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 12 13 17 26 29 37 41
 
Geslacht
Mannen 17 19 26 37 41 53 55
Vrouwen 8 7 9 15 17 22 28
 
Leeftijd
12 tot 25 jaar 9 12 16 21 22 28 32
25 tot 45 jaar 13 12 20 30 35 47 48
45 tot 65 jaar 14 14 18 29 32 43 48
65 tot 75 jaar 14 17 15 24 30 30 39
75 jaar of ouder 11 11 10 14 13 14 19
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 10 11 12 19 19 22 26
Middelbaar onderwijs 12 13 19 30 34 45 46
Hoger onderwijs 16 16 20 32 37 46 53

Bron:CBS.

1)Tot en met 2014 werd gevraagd naar ‘T-DAB’ in plaats van ‘DAB+’.

DAB+ geniet aanzienlijk meer bekendheid onder mannen dan onder vrouwen: 55 procent van de mannen kende DAB+, tegen 28 procent van de vrouwen in 2018. Daarnaast zijn er verschillen naar opleidingsniveau: onder personen met een middelbare of hogere opleiding was ongeveer de helft bekend met DAB+; bij personen met alleen lager onderwijs was dat 26 procent.

Digitale radio: betere kwaliteit en meer mogelijkheden

Digitale radio biedt voordelen boven het traditionele analoge (FM-)signaal, vergelijkbaar met de voordelen van digitale televisie. Het digitale signaal levert doorgaans een betere geluidskwaliteit op en biedt meer mogelijkheden dan analoge radio. Er bestaan verschillende manieren om digitaal naar radiozenders te luisteren, bijvoorbeeld online op een computer, smartphone, of tablet, al dan niet via een app. Sinds 2004 zenden radiostations in een groot deel van Nederland ook digitale radio via de ether uit, naast de traditionele FM of middengolf. Tot medio 2013 werd in Nederland veelal het T-DAB-signaal gebruikt voor digitale radio via de ether. Sindsdien maken vrijwel alle publieke en commerciële radiozenders met een landelijke etherfrequentie gebruik van het nieuwere DAB+. Om uitzendingen via het DAB+-signaal te kunnen beluisteren, is een specifieke ontvanger nodig. Sinds 2013 bestaat een samenwerkingsverband tussen onder andere publieke en commerciële zenders, en het Ministerie van Economische Zaken met als doel DAB+ en digitale radio meer onder de aandacht te brengen.

DAB+-apparaat in 12 procent van de huishoudens

In 2018 was 12 procent van de Nederlandse huishoudens in het bezit van een DAB+- apparaat. Het kan dan gaan om een apparaat in huis, maar ook om een DAB+-radio in de auto. Dit aandeel is twee keer zo groot als in 2016, toen het DAB+-apparaat bezit 6 procent bedroeg. In 2014 bedroeg het aandeel nog 4 procent. In dat jaar is echter alleen gevraagd naar dergelijke apparatuur in huis, en niet naar apparatuur in de auto.

Meer informatie over DAB+ is opgenomen in deze CBS-maatwerktabel.

3.2Communiceren via internet

Internet wordt veel gebruikt voor communicatie. Dit kan via het versturen van berichten via e-mail of sociale media. Ook bellen via internet is in opkomst. Deze paragraaf beschrijft hoe personen internet gebruiken bij het onderhouden van contacten.

E-mail en WhatsApp populaire vormen van online communicatie

E-mailen is net als in eerdere jaren de meest voorkomende internetactiviteit om online te communiceren. In 2018 gebruikte 88 procent van de Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar internet om te e-mailen (tabel 3.2.1). Dit aandeel is ten opzichte van 2012 licht gegroeid: in dat jaar was het 84 procent. Steeds meer mensen zijn actief op sociale media.noot3 In 2012 gebruikte nog 62 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder een of meerdere vormen van sociale media. Dit aandeel is toegenomen naar 85 procent in 2018. Vooral directe uitwisseling van tekstberichten wordt vaak gebruikt: 8 op de 10 Nederlanders van 12 jaar of ouder wisselden in 2018 berichten uit via een dienst als WhatsApp.

3.2.1Communiceren via internet

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
% van personen vanaf 12 jaar
E-mailen 84 85 85 85 85 88 88
Telefoneren via internet 23 28 31 31 35 43 55
Sociale media gebruik 62 66 74 77 80 85 85
Direct messaging, zoals WhatsApp 30 33 63 68 75 80 81

Bron:CBS.

Nederlanders gebruiken het internet steeds vaker om te bellen. Het aandeel personen van 12 jaar of ouder dat telefoneert via internet steeg van 23 naar 55 procent tussen 2012 en 2018. Met name de laatste jaren steeg het percentage personen dat belde via internet: in 2016 bedroeg het nog 35 procent.

Vooral jongeren bellen via internet

Vooral jongeren bellen via internet: van de 12- tot 25‑jarigen belde 77 procent in 2018 via internet, van de 75‑plussers was dit 22 procent (figuur 3.2.2). Dat was in 2012 nog respectievelijk 34 en 4 procent. Hoogopgeleiden bellen vaker via internet dan laagopgeleiden: 65 tegen 46 procent. Dit verschil wordt overigens niet verklaard door het feit dat hoog­opgeleiden vaker een smartphone hebben of gemiddeld jonger zijn dan laagopgeleiden. Internetbellen steeg onder alle onderwijsniveaus. Mannen en vrouwen bellen even vaak via internet.

85 procent gebruikt sociale media

In 2018 gebruikte 85 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder een of meerdere vormen van sociale media (tabel 3.2.3) Dit aandeel is gelijk aan dat van 2017. In 2012 gebruikte nog 62 procent sociale media. Het zijn vooral jongeren die sociale media gebruiken, maar de laatste jaren maken ook meer ouderen er gebruik van. Vooral onder 65- tot 75‑jarigen is het gebruik van sociale media de laatste jaren sterk toegenomen: in 2018 was 68 procent van hen actief op sociale media, terwijl dit in 2012 nog slechts 24 procent was. Onder de 75‑plussers gebruikt inmiddels 4 op de 10 (een vorm van) sociale media. In 2017 was dit nog 35 procent. Dit is de enige leeftijdsgroep van wie een minderheid op sociale media actief is.

3.2.3Gebruik van sociale media, 2018

Totaal sociale media Berichten plaatsen op chatsite of online discussieforum Weblogs lezen of zelf bijhouden Sociale netwerken
Totaal sociale netwerken Berichten uitwisselen via instant messaging (zoals WhatsApp) Professioneel netwerk (zoals LinkedIn) Ander sociaal netwerk (zoals Facebook of Twitter)
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 85 25 22 84 81 31 62
 
Geslacht
Man 86 29 24 85 81 36 60
Vrouw 84 21 20 84 81 26 65
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 73 22 14 73 69 9 57
Middelbaar onderwijs 90 26 22 89 87 29 68
Hoger onderwijs 94 26 32 93 91 57 63
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 95 36 26 95 94 24 87
25 tot 45 jaar 96 31 36 96 94 51 78
45 tot 65 jaar 89 23 17 88 85 33 58
65 tot 75 jaar 68 14 10 66 60 10 34
75 jaar of ouder 40 5 5 39 32 1 19

Bron:CBS.

84% van Nederlandse bevolking gebruikt sociale netwerken Buitenvorm Binnenvorm

Sociale netwerken populair

In 2018 nam 84 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder deel aan een sociaal netwerk zoals WhatsApp, Facebook en Twitter. Het aandeel is gelijk aan dat van 2017. In 2012 bedroeg dit 57 procent en tussen 2014 en 2016 was dit aandeel boven de 70 procent. Sociale netwerken worden vooral door 12- tot 45‑jarigen gebruikt: meer dan 9 op de 10 personen tussen 12 en 45 jaar oud nam er aan deel. Onder 75‑plussers gold dat voor bijna 4 op de 10. In 2018 namen laagopgeleiden (73 procent) minder vaak deel aan een sociaal netwerk dan hoogopgeleiden (93 procent). Van de personen waarvan het hoogst genoten onderwijsniveau middelbaar onderwijs betrof, nam 89 procent deel aan een sociaal netwerk. Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen in het totale gebruik van sociale netwerken.

WhatsApp (direct messaging) vaakst gebruikt

Van de sociale netwerken wordt WhatsApp (of gelijksoortige diensten) het vaakst gebruikt: ruim 8 op de 10 Nederlanders vanaf 12 jaar wisselden in 2018 op deze manier berichten uit (figuur 3.2.4). Het gebruik van direct messaging is de laatste jaren fors toegenomen. In 2015 werd het gebruikt door 68 procent van de personen van 12 jaar of ouder; in 2012 door 30 procent. Het aandeel ouderen dat direct messaging gebruikt nam verder toe: onder 75‑plussers zelfs van 15 procent naar 32 procent in twee jaar. Er is geen verschil in het gebruik van direct messaging tussen mannen en vrouwen. Dit beeld komt overeen met de eerdere jaren.

Daarna zijn vooral sociale netwerken zoals Facebook of Twitter populair: 62 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder gebruikte in 2018 zo’n sociaal netwerk. Dit aandeel bedroeg een jaar eerder 63 procent. Ook het gebruik van sociale netwerken onder ouderen is de laatste jaren relatief sterk gestegen. In 2018 gebruikte 34 procent van de 65- tot 75‑jarigen deze netwerken, terwijl dit in 2012 nog 12 procent was. Onder de 75‑plussers nam het aandeel toe van 2 procent in 2012 naar 19 procent in 2018. Vrouwen zijn vaker actief dan mannen op sociale netwerken zoals Facebook, Instagram of Twitter.

De negatieve media-aandacht rond sociale netwerken in 2018, zoals de berichtgeving over verspreiding van nepnieuws en het verkopen van gegevens aan commerciële partijen, heeft het gebruik ervan niet of nauwelijks doen afnemen.

Gebruik sociale netwerken 2018

Bijna een derde is actief via professioneel netwerk

In 2018 was 31 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder actief via professionele sociale netwerken zoals LinkedIn. Dit betekent dat het aandeel gebruikers van professionele netwerken kleiner was dan dat van de netwerken voor privédoeleinden. Het gebruik van professionele netwerken is wel gestegen in de voorbije jaren. In 2012 maakte 19 procent van de Nederlanders vanaf 12 jaar ervan gebruik. Mannen nemen vaker dan vrouwen deel aan professionele sociale netwerken.

Vooral de twintigers, dertigers en veertigers zijn de laatste jaren meer gebruik gaan maken van professionele netwerken zoals LinkedIn. Personen tussen de 25 en 40 jaar gebruikten professionele netwerken het meest. Dit was zowel in 2012 als in 2018 het geval. De stijging in gebruik is minder sterk onder de 20‑minners en 50‑plussers. Hierdoor zijn de verschillen tussen de middenleeftijden enerzijds en de jongeren en ouderen anderzijds, groter geworden.

Meer informatie over het gebruik van sociale media is opgenomen in deze StatLine-tabel.

3.3Informatie zoeken en vermaak

Internet is voor velen een belangrijke bron van informatie en vermaak. Deze paragraaf beschrijft welk soort informatie wordt gezocht, gaat in op het gebruik van overheidswebsites en online televisiekijken.

Ruim vier op de vijf zoekt informatie over goederen en diensten

In 2018 zocht 84 procent van de personen vanaf 12 jaar online informatie over goederen of diensten (tabel 3.3.1). Tevens wordt online vaak nieuws gelezen: in 2018 deed 66 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder dit. In 2012 was dit de helft. Het zijn vooral 25- tot 65‑jarigen die online nieuwsberichten, kranten of nieuwsbladen lazen of downloadden; 12- tot 25‑jarigen en 65‑plussers deden dat minder vaak.

3.3.1Informatie zoeken en vermaak via internet

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
% van personen vanaf 12 jaar
Informatie zoeken over goederen en diensten 76 77 80 79 79 83 84
Informatie zoeken over gezondheid 49 52 56 57 58 66 67
Kranten, nieuwsbladen downloaden of lezen 50 50 52 50 64 70 66
Kijken naar televisie 39 42 46 45 45 60 56
Spelletjes, afbeeldingen of muziek downloaden/spelen 54 58 58 57 57 65 64

Bron:CBS.

Vaker online op zoek naar gezondheidsinformatie

Nederlanders zoeken steeds vaker informatie over gezondheid en leefstijl op internet. In 2018 was twee derde van de Nederlanders van 12 jaar of ouder online op zoek naar informatie over ziekten, voeding of beweging (figuur 3.3.2). In 2012 was dit nog niet de helft. Het percentage vrouwen dat op internet op zoek was naar dit soort informatie was hoger (71 procent) dan het percentage mannen (63 procent).

Het zijn vooral 25- tot 45‑jarigen die online zoeken naar informatie over gezondheid; 80 procent van de personen in deze leeftijdsgroep had dit in 2018 gedaan. Van de Nederlanders in de leeftijdscategorieën van 45 tot 65 jaar en 65 tot 75 jaar had respectievelijk 70 procent en 62 procent online informatie gezocht over gezondheid. Van de jongeren van 12 tot 25 jaar deed 59 procent dit; van de 75‑plussers 39 procent. Het aandeel hoogopgeleide Nederlanders dat op internet gezondheidsinformatie zocht (81 procent) is groter dan het aandeel middelbaar­opgeleiden (73 procent). Onder middelbaaropgeleiden was dat weer groter dan onder laagopgeleiden (49 procent).

Nederlanders voorop in Europa met online gezondheidsinformatie zoeken

Nederland heeft van alle EU-28 landen het hoogste percentage mensen van 16 tot 75 jaar dat informatie opzoekt over gezondheid op internet. Volgens de Europese methode had 72 procent van de Nederlanders van deze leeftijd dat gedaan in 2018. Het gemiddelde van de Europese Unie was 52 procent (figuur 3.3.3).

Kwart maakt afspraak online

Een kwart van de Nederlanders van 12 jaar of ouder maakte in 2018 gebruik van het internet om een afspraak te maken met een huisarts of medisch specialist. In 2012 was dit 10 procent. Het zijn vooral Nederlanders van 25 tot 45 jaar die dat doen (33 procent). In de leeftijds­categorieën van 45 tot 65 jaar en 65 jaar of ouder maakte respectievelijk 26 procent en 18 procent van de Nederlanders online een afspraak. Van de jongeren van 12 tot 25 jaar deed 20 procent dit.

Het percentage hoogopgeleiden (34) dat online actief is om afspraken te maken is groter dan het percentage laagopgeleiden (16). Middelbaaropgeleiden zaten hier met 26 procent weer tussenin. Er is op dit punt geen verschil tussen mannen en vrouwen.

Meer informatie over online afspraken maken met zorgdienstverleners is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Nederland staat op de vijfde plaats in Europa als het gaat om online afspraken maken. In 2018 had 27 procent van de Nederlanders een afspraak online gemaakt met bijvoorbeeld een specialist van een ziekenhuis of een gezondheidscentrum. Het EU-gemiddelde lag op 17 procent. In Finland was dit aandeel het grootst (44 procent), gevolgd door Denemarken (41 procent).

Cijfers over het gebruik van internet om afspraken met zorgdienstverleners te maken voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

Overheidswebsites: vooral om informatie te zoeken

In 2018 maakte 76 procent van de Nederlanders gebruik van een overheidswebsite (tabel 3.3.4). Hieronder vallen zowel websites van overheidsinstanties als websites van andere publieke organisaties, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen. In 2017 lag dat aandeel op 73 procent. Nederlanders waren op deze sites vooral op zoek naar informatie: 71 procent zocht in 2018 informatie op een website van de overheid. Verder downloadde 50 procent documenten, en 54 procent stuurde documenten via internet terug. Meer mensen raadpleegden websites van overheidsinstanties dan die van andere publieke instanties.

3.3.4Gebruik van overheidswebsites, 20181)

Totaal2) Overheidsinstanties Andere publieke instanties
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 76 70 59
Informatie zoeken 71 64 54
Documenten downloaden 50 45 31
Documenten terugsturen 54 47 32

Bron:CBS.

1)In de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek.

2)Overheidswebsites omvatten zowel websites van overheidsinstanties (zoals voor burgerzaken, sociale voorzieningen of officiële documenten) als die van andere publieke instanties (zoals waterleveranciers, gezondheids- of onderwijsinstellingen).

Overheidswebsites werden het vaakst gebruikt door 25- tot 45‑jarigen; 88 procent van de personen in deze leeftijdsgroep had dit in 2018 gedaan (figuur 3.3.5). Hoogopgeleiden gebruikten overheidswebsites vaker dan middelbaar- of laagopgeleiden: 92 procent van de hoogopgeleiden bezocht dergelijke sites, terwijl dat onder laagopgeleiden 53 procent was. Mannen hebben vaker via internet contact met overheidsinstanties en andere publieke instanties dan vrouwen: 79 procent van de mannen maakte gebruik van een overheidswebsite tegenover 73 procent van de vrouwen.

Steeds vaker televisie via internet

Het online televisiekijken heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Meer dan de helft (56 procent) van de Nederlanders van 12 jaar of ouder keek in 2018 televisie via internet (figuur 3.3.6). In 2012 was dat nog 39 procent. Televisiekijken via internet is even populair onder 12- tot 25‑jarigen als onder 25- tot 45‑jarigen. Van de mensen in deze leeftijds­categorieën keek respectievelijk 65 en 66 procent in 2018 televisie via internet, van de 75‑plussers was dit 22 procent. Mannen keken vaker internet-tv dan vrouwen.

Bijna drie kwart van de personen vanaf 12 jaar (72 procent) keek naar filmpjes of video’s via een video sharing service als YouTube. Iets meer dan de helft (51 procent) keek on demand films, series of programma’s via diensten zoals Netflix of Videoland. Van de 12‑ tot 25‑jarigen zag iets meer dan drie kwart films of series on demand. Ook video’s of filmpjes kijken via een video sharing service is populair bij jongeren: 92 procent van deze groep deed dat.

3.4Diensten op internet: cloud-computing en internetbankieren

Internetbankieren is gemeengoed onder Nederlanders. Ook wordt steeds vaker gebruik­gemaakt van cloud-computing. Deze paragraaf beschrijft in welke mate deze diensten worden gebruikt.

45 procent gebruikt cloud-computing

In 2018 maakte 45 procent van alle Nederlanders van 12 jaar of ouder gebruik van cloud-computing. In 2014 was dit nog niet een derde (tabel 3.4.1). Deze ontwikkeling hangt samen met de opkomst van smartphones en tablets die tegenwoordig vaak automatisch back-ups maken van bijvoorbeeld foto’s of andere bestanden van de gebruiker. Het percentage jongeren dat gebruikmaakt van cloud-computing is ruim drie keer zo hoog als het percentage ouderen. Het aandeel hoogopgeleiden (58 procent) dat gebruikmaakt van cloud-diensten is bijna twee keer zo groot als van laagopgeleiden (32 procent). Van de mannen maakte 49 procent van cloud-computing gebruik tegen 41 procent van de vrouwen.

3.4.1Gebruik van cloud-computing, naar persoonskenmerken1)

2014 2015 2016 2017 2018
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 31 33 40 46 45
 
Geslacht
Man 34 37 44 48 49
Vrouw 28 30 36 43 41
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 19 22 27 33 32
Middelbaar onderwijs 31 34 42 47 47
Hoger onderwijs 45 48 54 60 58
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 44 46 55 63 64
25 tot 45 jaar 43 45 52 59 58
45 tot 65 jaar 26 29 35 42 40
65 tot 75 jaar 16 17 23 24 23
75 jaar of ouder 4 8 9 12 11

Bron:CBS.

1)Bestanden opgeslagen op internet in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek.

Cloud-computing

Cloud-computing is een dienst om bestanden en informatie via internet op te slaan en te delen. Vanaf 2014 zijn in de enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ enkele vragen opgenomen over cloud-computing. Hieronder vallen diensten die gebruikers de mogelijkheid bieden om bestanden op te slaan op internet: in de ‘cloud’. Deze bestanden komen dan terecht op servers van bedrijven die deze diensten aanbieden. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van programma’s zoals Dropbox, Apple iCloud, Google Drive of Microsoft OneDrive. Het gaat daarbij in eerste instantie om het opslaan, maar het is ook mogelijk om deze bestanden vanuit de cloud met anderen te delen.

Vooral foto’s in de cloud

Bijna negen op de tien cloudgebruikers (88 procent) gebruikt de cloud voor de opslag van foto’s (figuur 3.4.2). Ook voor opslag van tekst, spreadsheets en presentaties wordt de cloud vaak benut (61 procent). Muziek, video’s of films, en e-books of e-magazines worden duidelijk minder vaak in de cloud opgeslagen.

Internetbankieren onverminderd populair

In 2018 internetbankierde 83 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder (figuur 3.4.3). In 2012 deed 72 procent dat. Bijna alle personen tussen de 25 en 45 jaar maken gebruik van internetbankieren: 95 procent van hen deed online bankzaken in 2018. Van de 75‑plussers internetbankierde de helft. Mannen (85 procent) deden vaker aan internetbankieren dan vrouwen (81 procent). Hoog- en middelbaaropgeleiden (respectievelijk 95 en 91 procent) maken vaker gebruik van internetbankieren dan laagopgeleiden (63 procent).

Nederland koploper met internetbankieren

Nederland heeft, samen met Denemarken en Finland, het hoogste percentage mensen van 16 tot 75 jaar dat internetbankiert. In 2018 deed 89 procent van de Nederlanders, Denen en Finnen zijn bankzaken online (figuur 3.4.4). Het EU-gemiddelde was 54 procent. In Roemenië en Bulgarije is internetbankieren minder ingeburgerd.

3.5Online winkelen

Het aandeel Nederlanders dat online aankopen (e-shoppen) doet, is verder gestegen. In 2018 kocht 78 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder iets via internet, een jaar eerder was dat 76 procent. Deze paragraaf gaat specifiek in op dit onderwerp.

Online winkelen

Onder online winkelen vallen aankopen via een internetbrowser of een app. Producten die via SMS, MMS of e-mail zijn gekocht, tellen niet mee als online aankopen.

Het onderzoek ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ gebruikt voor het onderwerp online winkelen verschillende referentieperiodes. Zo bestaat er een onderscheid tussen:

  • recente e-shoppers: mensen die in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek online aankopen hebben gedaan, en
  • minder recente e-shoppers: mensen die alleen meer dan drie maanden voor het onderzoek online aankopen hebben gedaan.

Dit onderscheid is bijvoorbeeld gemaakt in figuur 3.5.1. Daarnaast zijn bij sommige vragen in het onderzoek de afgelopen twaalf maanden als referentieperiode gebruikt. In alle gevallen is de gehanteerde referentieperiode bij de betreffende cijfers genoemd.

Toename recente e-shoppers

De groei van het aantal Nederlanders dat online winkelt komt mede doordat het aantal recente e-shoppers de laatste jaren sterk is toegenomen, van 46 procent in 2012 naar 64 procent in 2018 (figuur 3.5.1). Recente e-shoppers hebben in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek online aankopen gedaan (zie kader ‘Online winkelen’). Van de 11,5 miljoen online shoppers in 2018 deden 9,4 miljoen in de afgelopen drie maanden een aankoop online.

11,5 miljoen Nederlanders winkelden in 2018 online Buitenvorm Binnenvorm

Veel e-shoppers in Nederland

Nederland kent relatief meer e-shoppers dan veel andere EU-landen. In Nederland winkelde 80 procent van de 16- tot 75‑jarigen in 2018 online; het EU-gemiddelde bedroeg 60 procent. In onder andere Denemarken (84 procent) en het Verenigd Koninkrijk (83 procent) is online winkelen populairder dan in Nederland.

Cijfers over e-shoppen voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

E-shoppen populair onder 25- tot 45‑jarigen

Vooral 25- tot 45‑jarigen kopen graag via internet: in 2018 kocht 94 procent van hen online goederen of diensten (figuur 3.5.2). In 2012 bedroeg het aandeel al 83 procent. Onder 12- tot 25‑jarigen groeide het aandeel e-shoppers niet erg sterk meer. De groei concentreerde zich in de groepen boven de 45 jaar. Het aandeel online kopers is het sterkst gestegen bij de 75‑plussers, van 10 procent in 2012 naar 29 procent in 2018. Ook personen van 45 tot 75 jaar hebben sinds 2012 duidelijk meer aankopen via internet gedaan. Van de 45- tot 65‑jarigen kocht 83 procent online in 2018, tegen 64 procent in 2012. Voor 65- tot 75‑jarigen gold dat 36 procent in 2012 online aankopen deed, in 2018 was dat gestegen naar 56 procent.

Tussen hoog- en laagopgeleiden bestaan grote verschillen wat betreft online winkelen. Van de hoogopgeleiden winkelde 93 procent online in 2018. Onder laagopgeleiden bedroeg dit aandeel 58 procent. Mannen zijn actievere e-shoppers dan vrouwen. In 2018 winkelde 80 procent van de mannen online. Bij vrouwen was het aandeel 75 procent.

Kleding en sportartikelen het vaakst online aangeschaft

In 2018 kochten online shoppers het vaakst kleding of sportartikelen (56 procent), reizen en vakanties (50 procent), kaartjes voor evenementen (46 procent) en huishoudelijke goederen en apparaten (38 procent). De grootste groei is te zien in de categorieën kleding of sportartikelen en huishoudelijke goederen en apparaten (figuur 3.5.3). In 2012 kocht achtereenvolgens nog 31 en 16 procent deze producten via internet.

Van alle goederen en diensten die online aangeschaft worden, is de verkoop van films en muziek het minst gestegen. 15 procent kocht dit soort artikelen in 2012 online, in 2018 was dat 16 procent.

Vooral aankopen binnen Nederland

Van de personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek online iets hebben aangeschaft, kocht de overgrote meerderheid goederen en diensten bij Nederlandse webwinkels: 93 procent. Twee vijfde kocht (ook) goederen of diensten uit andere EU-landen. Dit was in 2017 34 procent. 31 procent kocht producten (ook) uit andere delen van de wereld.

Frequentie en waarde online aankopen stijgen ook

Niet alleen het aandeel Nederlanders dat online aankopen doet is toegenomen, ook de frequentie en waarde van aankopen neemt toe. Een kwart kocht drie, vier of vijf keer iets online in de afgelopen drie maanden voorafgaand aan het onderzoek, 10 procent deed dit zes tot tien keer en 9 procent kocht vaker dan tien keer iets online.

Naast de frequentie van de online aankopen neemt ook het aankoopbedrag toe. Het bedrag dat in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek aan online aankopen is besteed, ligt vaak tussen 100 en 500 euro. Een kwart van de Nederlanders deed gedurende die periode aankopen in die prijsklasse. In 2012 was dat 19 procent. In 2018 heeft 6 procent van de Nederlanders voor duizend euro of meer online aangeschaft. In 2012 was dat 3 procent (figuur 3.5.4).

3.6Gegevensbescherming op smartphone

De laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaat over veiligheidsaspecten van smartphones. Onder andere de wijze waarop gegevens op smartphones worden beschermd en of bestanden zijn kwijtgeraakt door virussen komt aan bod.

Meeste Nederlanders beschermen gegevens op smartphone

In 2018 gebruikte 87 procent van de Nederlandse bevolking (16 tot 75 jaar) een smartphone. Nederland deelt daarmee met Denemarken de koppositie in Europa als het gaat om het gebruik van een smartphone. Veel Nederlandse smartphonegebruikers nemen maatregelen vanwege zorgen om de veiligheid en privacy, 68 procent heeft bij het installeren of gebruik van een app de toegang tot persoonlijke gegevens zoals locatie, foto’s of een lijst met contactpersonen geweigerd (figuur 3.6.1). Nederland behoorde tot de top-vijf-landen in de Europese Unie waar inwoners de toegang tot persoonlijke gegevens beperken of weigeren op smartphones. Koploper is Frankrijk, waar 77 procent van de smartphonegebruikers hun gegevens beschermde. Ook Duitsland (75 procent), Zweden en Luxemburg (beide 70 procent) scoorden hoog. Het EU-gemiddelde bedroeg 58 procent.

Bijna een vijfde (17 procent) van de Nederlanders beschermde hun gegevens niet. 12 procent wist niet dat het weigeren of blokkeren van toegang mogelijk was. Nederland staat ook in de top-vijf-landen van de Europese Unie van wie het hoogste aandeel van de bevolking niet weet dat gegevensbescherming op de smartphone mogelijk is. Het EU-gemiddelde was 7 procent. Van de Nederlanders met een smartphone gebruikte 3 procent geen apps.

Jongeren en hoogopgeleiden nemen vaker maatregelen

Het zijn vooral jongeren (16 tot 35 jaar) die de toegang tot persoonlijke gegevens blokkeren. Ouderen zijn, vaker dan jongeren, niet bekend met deze mogelijkheid (figuur 3.6.2). Het aandeel hoogopgeleiden dat maatregelen nam (77 procent) is groter dan het aandeel middelbaaropgeleiden (67 procent). Onder middelbaaropgeleiden was dat weer groter dan onder laagopgeleiden (57 procent). Mannen en vrouwen (69 procent en 68 procent) beschermen hun persoonlijke gegevens even vaak. Het aandeel van de bevolking dat niet wist dat de toegang tot gegevens, locaties of foto’s geweigerd kan worden, was groter onder laagopgeleiden (16 procent) dan onder middelbaar- en hoogopgeleiden (respectievelijk 12 en 9 procent).

Relatief weinig Nederlanders bestanden kwijt door virus

Drie procent van de smartphonegebruikers is documenten, foto’s of andere gegevens kwijtgeraakt door een virus of andere vijandige software in 2018. Nederland staat daarmee met onder andere het Verenigd Koninkrijk (2 procent) en Finland (3 procent) onderaan de ranglijst van landen in de Europese Unie. Het EU-gemiddelde bedroeg 5 procent. Inwoners uit Hongarije en Malta (beide 13 procent) raakten het vaakst bestanden kwijt door een virus. Het betrof vooral 25- tot 35‑jarigen.

Cijfers over smartphonegebruikers die door virussen documenten e.d. zijn kwijtgeraakt voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

3.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Beuningen, J. van, en G. Linden (2015). Trendbreuk analyse ICT.

Noten

De categorie tablet is voor het eerst in 2013 uitgevraagd.

Mobiel internet: gebruik van mobiele apparaten op andere plekken dan thuis of op het werk.

Onder sociale media worden direct messaging zoals WhatsApp, sociale netwerken zoals Facebook, online discussiefora, weblogs en professionele netwerken zoals LinkedIn verstaan.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Raymond Kleingeld

Laura Wielenga-van der Pijl

Rik van Roekel

Ron de Heij

Astrid Pleijers

Francis van der Mooren

Overige bijdragen

John Bechholz

Marijke Hartgers

Cor Kragt

Kasper Leufkens

Linda Muller-Geuzinge

Hugo de Bondt

David Gies

Jacqueline van Beuningen

Yuri Boskamp

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij