Capita selecta

5.1Cross-border E‑commerce

Quinten Meertens (CBS)

In de publicatie ICT, Kennis en Economie 2016 (CBS, 2016) is de ontwikkeling van e‑‍commerce beschreven. In dat stuk werd ingegaan op de definitie van e‑commerce en wat het CBS meet op het gebied van e‑commerce. Eén uitgelicht aspect was de online aankopen van consumenten, oftewel business-to-consumer (B2C) e‑‍commerce. Wat hierin nog ontbrak, waren de aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd buiten Nederland. In dit stuk vullen we het destijds gepresenteerde e‑commerce-overzicht aan met een nieuwe statistiek: de aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in andere EU‑landen. De aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in landen buiten de EU worden nog onderzocht en zullen in dit stuk niet worden besproken.

Definitie en afbakening

De nieuwe statistiek naar aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in andere EU-landen beperkt zich tot het meten van de aankoop van goederen. Dit betekent dat de cijfers niet de aankopen van diensten omvatten. Verder moet worden opgemerkt dat alleen aankopen in EU-landen worden gemeten. Aankopen bij webwinkels gevestigd in Europese landen die niet tot de EU behoren, maken geen deel uit van de cijfers. De definitie van e‑commerce is die van de OESO uit 2009, zoals ook genoemd in ICT, Kennis en Economie 2016 (zie Tabel 5.1.1).

5.1.1Definitie van e-commerce volgens de OESO

OECD definition of e‑commerce Guidelines for the interpretation
An e‑commerce transaction is the sale or purchase of goods or services, conducted over computer networks by methods specifically designed for the purpose of receiving or placing of orders. The goods or services are ordered by those methods, but the payment and the ultimate delivery of the goods or services do not have to be conducted online. An e‑commerce transaction can be between enterprises, households, individuals, governments, and other public or private organisations. Include: orders made in web pages, extranet or EDI. The type is defined by the method of making the order.
Exclude: orders made by telephone calls, facsimile, or manually typed e-mail.

Naast de definitie van e‑commerce moet gedefinieerd worden wat beschouwd wordt als een buitenlands bedrijf. Het vestigingsland van een bedrijf moet worden vastgesteld, wat met name van belang is bij multinationale bedrijven. Voor deze statistiek gaat het om de overdracht van de goederen van een buitenlandse eigenaar naar een Nederlandse eigenaar. Dit sluit aan op de definitie van import in de Nationale Rekeningen. Dit betekent dat er niet altijd sprake hoeft te zijn van grensovergang na de aankoop van goederen bij buitenlandse webwinkels. Een voorbeeld hiervan is dat sommige grote buitenlandse webwinkels gebruikmaken van een distributiecentrum in Nederland. Ook de Belastingdienst beschouwt een bedrijf met enkel een distributiecentrum in Nederland als buitenlands bedrijf. Dit is van belang voor de gekozen meetmethode van aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in andere EU-landen.

Methode

Voor het bepalen van de vestigingslocatie van een webwinkel is het Europese systeem voor de belasting van toegevoegde waarde (Europese Commissie, 2006) leidend. Hierin staat genoemd dat afstandsverkopen (verkopen aan consumenten in een ander EU-land) belast moeten worden in het land waar de goederen worden afgenomen. Bedrijven die in een ander EU-land minder dan 100 duizend euro (en in sommige landen 35 duizend euro) omzet uit afstandsverkopen halen, zijn van deze aangifte uitgezonderd. Voor afstandsverkopen typeert het CBS een bedrijf als buitenlands als het bedrijf bij de Belastingdienst als buitenlands bedrijf aangifte doet over afstandsverkopen aan Nederlandse consumenten. Dit is in overeenstemming met de definitie zoals hierboven geschetst. Het CBS controleert vervolgens of deze bedrijven hun gerapporteerde omzet uit e‑commerce hebben behaald. Hiertoe worden internetgegevens ingezet. Bedrijven met een hoge gerapporteerde omzetwaarde worden handmatig onderzocht. Bedrijven met een lage gerapporteerde omzetwaarde worden automatisch onderzocht met behulp van webscraping.

De Belastingdienst staat bedrijven toe om de behaalde omzet in de aangifte van afstandsverkopen direct te corrigeren voor retourzendingen. Voor bedrijven met een hoge gerapporteerde omzetwaarde is geconstateerd dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Een correctie door het CBS voor retourzendingen op de gerapporteerde omzetwaarde uit afstandsverkopen is daarom niet nodig.

De waarneemgrens van 100 duizend euro jaarlijkse omzet uit afstandsverkopen resulteert mogelijk in een onderschatting van de totale waarde van aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in andere EU-landen. Echter, het aantal buitenlandse webwinkels met een jaarlijkse afzet van minder dan 100 duizend euro in Nederland zal gezien de investeringskosten voor het betreden van een buitenlandse markt wellicht gering zijn. Het kan dan beredeneerd worden dat de totale omzet uit afstandsverkopen van deze webwinkels een klein aandeel van het totaal is. Het vermoeden is daarom dat de onderschatting relatief beperkt is. Dit kan echter nog niet onderbouwd worden met feiten. Het CBS voert op dit moment nog geen correctie voor deze onderschatting uit.

De methode voor deze statistiek is in ontwikkeling. Eén keer per jaar zal de methode herzien worden. Het doel hiervan is om de betrouwbaarheid van de cijfers te vergroten. De foutmarge van de cijfers is op dit moment nog ongeveer 5 procent. Bij een herziening van de methode zullen wanneer mogelijk de cijfers ook met terugwerkende kracht herzien worden. Als een herziening van de cijfers met terugwerkende kracht niet mogelijk is, zal een methodebreuk in de cijfers worden aangegeven.

Taal

Buitenlandse webwinkels die actief zijn op de Nederlandse markt, hebben vaak een Nederlandse versie van hun website. Het is voor een Nederlandse consument daarom niet altijd duidelijk dat een webwinkel buitenlands is. Het gevolg is dat meetmethodes gebaseerd op consumentenenquêtering de aankopen zullen onderschatten. Dit kan verschillen verklaren tussen de cijfers van het CBS en cijfers van marktpartijen die cross-border B2C e‑commerce (of grensoverschrijdende internetaankopen door consumenten) in kaart brengen.

Resultaten

In Figuur 5.1.2 zijn de aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in andere EU-landen vanaf 2014 tot en met 2017 per kwartaal gepresenteerd. De cijfers laten een duidelijk seizoenspatroon zien met pieken in het tweede en vierde kwartaal. De foutmarge wordt aangegeven met de zwarte lijnen. De procentuele jaar-op-jaar mutaties, zoals getoond in Figuur 5.1.3, lijken gestaag te dalen. Bovendien toont deze figuur de procentuele jaar-op-jaar mutaties van de e‑commerce-verkopen van Nederlandse detailhandelaren. De verkopen omvatten zowel de verkopen aan Nederlandse als aan buitenlandse consumenten. De populatie omvat niet alleen pure webwinkels, maar ook bedrijven die zowel via online als fysieke kanalen goederen aan consumenten verkopen. In het laatste geval is de omzet uit het online kanaal geïsoleerd om deze cijfers te produceren. Aan Figuur 5.1.3 is te zien dat de ontwikkelingen van de twee reeksen ongeveer gelijk lopen.

In Figuur 5.1.4 wordt getoond hoe de omzet in de online markt onder bedrijven verdeeld is. De figuur laat zien dat de grootste 20 EU-webwinkels ruim de helft van de omzet binnen die groep behalen. Ter vergelijking toont de grafiek hoe de omzet in de Nederlandse detailhandel (zowel online verkopen als fysieke verkopen) onder bedrijven is verdeeld. De grote EU-webwinkels hebben (binnen die groep) een groter marktaandeel dan de Nederlandse detailhandelsbedrijven (binnen hun eigen groep). Je zou kunnen zeggen dat de grootste webwinkels de online markt in de EU domineren. Of er echt sprake is van een monopolie binnen bepaalde goederengroepen, ook wel "winner takes all" genoemd, kan op basis van deze grafiek niet geconcludeerd worden.

Toekomst

Het onderzoek naar aankopen van Nederlandse consumenten bij buitenlandse webwinkels is in 2018 voortgezet. Het CBS verwacht in 2019 voor het eerst over de aankopen van Nederlandse consumenten bij webwinkels gevestigd in landen buiten de EU te publiceren.

5.2Online platformen

Nico Heerschap (CBS), Nicky Pouw en Cybele Atmé (UvA)

Inleiding

Deze paragraaf gaat in op het fenomeen van zogenoemde online platformen, die functioneren als digitale bemiddelaars tussen aanbieders en gebruikers van producten, diensten en/of (digitale) informatie. De rol van sommige van deze online platformen, zoals Google, Amazon, Airbnb en Uber, is economisch en maatschappelijk zo belangrijk geworden, dat er steeds meer aandacht is voor de ontwikkeling van dit sociaaleconomische fenomeen (zie o.a. Heerschap, Pouw en Atmé, 2018). In dit stuk wordt ingegaan op de achtergrond van online platformen, de definitie en afbakening van verschillende typen online platformen, de voordelen en risico’s voor bedrijven en consumenten en de statistische uitdagingen om online platformen in de praktijk te kunnen meten. De inhoud van deze tekst is voor een belangrijk deel gebaseerd op de publicatie ‘Measuring online platforms’ (Heerschap, Pouw en Atmé, 2018).

Omgeving: digitalisering van de samenleving

Een steeds groter deel van het maatschappelijke en economische verkeer verloopt digitaal. Tot voor kort was deze digitalisering niet meer dan een vertaling van wat zich fysiek afspeelde. Zo werd een website van een onderneming bijvoorbeeld gezien als een extra kanaal voor het verkopen van producten of diensten, naast de al bestaande traditionele kanalen. De laatste 5 à 10 jaar lijkt de digitalisering van de samenleving zich echter steeds meer te versnellen. Nieuwe digitale technieken en implementaties komen in steeds kortere tijd tot wasdom en versterken elkaar. Gartner (2014) spreekt hier over ‘the nexus of forces’, waarbij de toenemende verwevenheid van sociale interacties, cloud computing, mobiel, internet of things (IoT) en nieuwe informatie op basis van big data-analyses de belangrijkste aanjagers zijn van de versnelde digitalisering van de samenleving. Zo faciliteert de cloud niet alleen de interacties tussen apparaten, maar ook de verbondenheid van mensen met het internet via onder meer sociale media. Deze toenemende verbondenheid met het internet leidt weer tot het genereren van meer data. Vervolgens kunnen deze data met nieuwe big data-analyses worden geanalyseerd om nieuwe inzichten te verwerven in bijvoorbeeld het gedrag van mensen en bedrijven en onderlinge relaties. Daarmee vervangt de digitalisering niet alleen meer het fysieke, maar transformeert het ook de structuur van de samenleving en de economie zelf. Bestaande traditionele machtsverhoudingen, verdienmodellen en sociale structuren komen daarmee onder druk te staan. Er wordt dan ook steeds meer gesproken over de digitale transformatie van de samenleving (zie o.a. Kepinski en Bakas, 2016; OESO, 2017a en 2017b).

Achtergrond online platformen

Een van de ontwikkelingen die past binnen de hierboven beschreven digitale transformatie van de samenleving, zijn online platformen. Dit is een fenomeen dat vooral de laatste 10 jaar is opgekomen.

Bij online platformen gaat het, globaal genomen, om allerlei vormen van digitale bemiddeling tussen aanbieders en gebruikers van producten, diensten en/of (digitale) informatie. Het online platform biedt een infrastructuur van technologie, standaarden en afspraken op basis waarvan aanbieders en gebruikers elkaar digitaal kunnen ontmoeten en – indien gewenst – producten, diensten en/of (digitale) informatie kunnen uitwisselen. Bekende voorbeelden zijn Airbnb (voor vakantiewoningen) en Uber (voor taxidiensten). Andere voorbeelden zijn onder meer Kickstarter (voor crowdfunding), Helpling (voor schoonmaakdiensten), Blablacar (voor het lenen van auto’s), Peerby (voor het lenen van spullen) en Powerpeer (voor energie). Ook sociale media, zoals Twitter en Facebook, zoekmachines, zoals Google, en sites voor het verkopen van tweedehands goederen, zoals Marktplaats en Amazon, vallen onder het begrip online platformen. Hoewel er bij sommige online platformen wel sprake kan zijn van bepaalde toegangsregels, zijn al deze online platformen in principe open voor ‘iedereen’. Het aanbod van producten, diensten en/of (digitale) informatie via online platformen heeft steeds meer impact op alle aspecten van ons dagelijks leven, zoals het vervoer, de gezondheid, de buurt, de boodschappen, sociale interacties, het huis, de arbeidsrelatie en de vakantie.

5.2.1Mogelijke relaties tussen aanbieders en gebruikers van online platformen

Gebruiker: Consument/Individu Bedrijf Overheid Weten­schap
Aanbieder:
Consument/Individu C2C C2B C2O C2W
Bedrijf B2C B2B B2O B2W
Overheid O2C O2B O2O O2W
Wetenschap W2C W2B W2O W2W

Nieuw in deze digitale wereld van online platformen is dat zowel aan de aanbieders- als gebruikerskant verschillende partijen een rol kunnen spelen. Aanbieders van producten, diensten en/of (digitale) informatie zijn, traditioneel gezien, niet alleen meer bedrijven, maar in toenemende mate ook individuen (consumenten of ‘peers’), overheid en wetenschap. Gebruikers zijn niet alleen meer individuen of consumenten, maar kunnen ook bedrijven, overheid en wetenschap zijn. Hierdoor ontstaan verschillende relatiemodaliteiten, zoals van consument naar consument (C2C), van bedrijf naar consument (B2C), van overheid naar bedrijf (O2B) e.d. (zie Tabel 5.2.1).

Schematische weergave van de structuur en actoren van online platformen. Hierin worden de meerzijdige afhankelijke relaties tussen de groepen aanbieders en gebruikers afgebeeld.

Partijen kunnen ook tegelijkertijd aanbieder en gebruiker zijn van online platformen. Zo kan iemand zijn auto op Marktplaats aanbieden, terwijl hij/zij tegelijkertijd zoekt naar een tweedehands fiets. Tussen de groepen aanbieders en gebruikers is sprake van meerzijdige afhankelijke relaties. (Zie Figuur 5.2.2). Als bemiddelaar produceren en beheren online platformen over het algemeen niet de productiemiddelen in de bedrijfstak waarin zij actief zijn. Dat maakt het voor online platformen makkelijker om in die bedrijfstak te penetreren zonder specifieke kennis van de productiemiddelen. Hun activiteit beperkt zich veelal tot specifieke delen van de waardeketen, zoals het bij elkaar brengen van aanbieders en gebruikers, logistiek en betaaldiensten.

Bij de producten, diensten en/of digitale informatie die via online platformen wordt ‘uitgewisseld’ kan het om van alles gaan. Zo kan het gaan om nieuwe of tweedehands goederen, om diensten zoals het aanbieden van een kamer of een taxirit, crowdfunding of het uitvoeren van een klusje tot het uitwisselen van kennis en informatie via bijvoorbeeld sociale-media platformen.

In de concurrentiestrijd met anderen is het voor een platform in de eerste plaats van belang zoveel mogelijk aanbieders te trekken. Hoe meer aanbieders, hoe aantrekkelijker voor gebruikers. En hoe meer gebruikers, hoe aantrekkelijker het platform wordt voor nog meer aanbieders, enzovoort (zogenoemde indirecte en directe netwerkeffecten).noot1 Veel aanbieders en gebruikers maken het vervolgens aantrekkelijk voor adverteerders om hun advertenties op dat online platform te plaatsen en daarvoor te betalen.

In de tweede plaats is het voor een online platform van belang om zoveel mogelijk interacties te bevorderen tussen aanbieders en gebruikers. Dit moet leiden tot zoveel mogelijk transacties van producten, diensten en/of (digitale) informatie. Zo’n transactie kan gepaard gaan met geld voor de aanbieder en/of het online platform, maar kan ook gratis zijn. Het hoeft ook niet alleen te gaan om het verkopen van goederen en diensten, maar het kan ook gaan om het lenen, delen en ruilen van goederen, diensten en/of (digitale) informatie. In dat geval wordt gesproken over de deeleconomie (‘sharing economy’).

Het online platform dat het spel van deze twee bovengenoemde aspecten het beste beheerst, zal waarschijnlijk sneller groeien dan zijn concurrenten die dit spel minder goed beheersen. Dit kan leiden tot een ‘winner takes all’ situatie, waarbij de verliezers nauwelijks bestaansrecht meer hebben of worden teruggedrongen in nichemarkten.

Schematische weergave van het proces van online platformen. Hierin worden de verschillende rollen en taken van het platform afgebeeld.

De (financiële) bestaansbasis van online platformen kan sterk verschillen. Sommige online platformen zijn ontstaan vanuit een ideëel doel, zoals het ruilen of delen van goederen, diensten en/of (digitale) informatie tegen zo laag mogelijke/geen kosten. Deze online platformen zijn vooral opgekomen tijdens de crisisperiode van een jaar of tien geleden, toen ruilen en delen als een goed alternatief werd gezien voor het kopen van producten en diensten (duurzaamheid). Maar mensen waarderen ook de sociale interactie via een dergelijk platform. Als zo’n online platform groeit, heeft het meer geld nodig en is de kans groot dat het alsnog vercommercialiseert. Andere platformen zijn puur als commerciële onderneming begonnen.

Er zijn verschillende mogelijkheden voor online platformen om inkomsten te genereren. Daarvoor worden vaak nieuwe verdienmodellen gehanteerd. Zo kan een platform aanbieders en gebruikers gratis laten participeren, maar moet een commissie worden betaald op het moment dat er een transactie plaatsvindt. Men kan ook gebruikers en/of aanbieders laten betalen voor de toegang tot (delen van) het platform. Verder kunnen – vooral de grotere – online platformen geld genereren met het aantrekken van adverteerders. Ook kan er sprake zijn van sponsoren en investeerders. En, ten slotte, kunnen online platformen inkomsten genereren door extra diensten aan te bieden, zoals bijvoorbeeld het verzorgen van de logistiek, betaaldiensten en verzekeringen. Hier is dan sprake van verticale integratie, waarbij het online platform zoveel mogelijk activiteiten van de bedrijfskolom bij zichzelf onderbrengt.

Een andere benadering van online platformen wordt onder meer beschreven door Kreijveld (2014). Online platformen worden daar geplaatst in de ontwikkeling waarbij bedrijven streven naar snellere innovatie en meer flexibiliteit. In plaats van te werken binnen de traditionele waardeketen gaan bedrijven in alle fasen van het productieproces wisselende samenwerkingsverbanden aan om zodoende ideeën, kennis en resources met anderen te bundelen en efficiënter te benutten. Dit leidt tot snellere innovatie en meer flexibiliteit (zogenoemde open innovatie). De partners in deze samenwerkingsverbanden kunnen op andere terreinen elkaars concurrent zijn. Partners kunnen, naast andere bedrijven, ook overheid, wetenschap of betrokken consumenten zijn. Hierdoor ontstaan op verschillende plekken in de waardeketen steeds wisselende ecosystemen van partners. Deze nieuwe samenwerkingsverbanden kunnen bestaande machtsblokken in sectoren ondermijnen of bedreigen. In tegenstelling tot de hierboven beschreven open online platformen, gaat het bij deze innovatieplatformen meestal om gesloten platformen. De partners die het online platform beheren, bepalen wie wel en wie niet toegang krijgt.

Een variant op innovatieplatformen, vormen de platformen, die door bijvoorbeeld Apple, Android en Microsoft in het leven zijn geroepen als standaard-infrastructuur waarop bedrijven en individuen nieuwe diensten en producten kunnen ontwikkelen op basis van vooral apps. De openheid van deze ontwikkelplatformen is groter dan bij de gesloten innovatieplatformen. In dat opzicht passen ze beter bij de hierboven beschreven open online platformen met aanbieders en gebruikers.

Afbakening van het begrip online platformen

Door onder meer de grote variëteit en gaande ontwikkelingen is het niet gemakkelijk om online platformen goed te definiëren en af te bakenen. Dat is echter wel nodig als dit fenomeen statistisch gemeten moet worden door bijvoorbeeld het CBS. Er zijn veel termen in omloop, die een overlappende maar toch net iets andere betekenis geven aan het verschijnsel online platformen. Te noemen zijn onder meer de platformeconomie of -samenleving, de deeleconomie of ‘on demand economy’, peer-to-peer netwerken, innovatieplatformen en klusjeseconomie of ‘gig economy’. In deze paragraaf wordt gekeken naar de belangrijkste kenmerken van online platformen en de positie van verschillende typen online platformen ten opzichte van elkaar.

Schematische weergave van verschillende typen online platformen.

Online platformen worden vooral gekenmerkt door:

  • een digitale infrastructuur met basistechnologie, -standaarden en -afspraken: de technologische laag van online platformen;
  • een meerzijdige, meestal open markt, waarbij minimaal drie van elkaar afhankelijke partijen zijn betrokken: (i) de aanbieders die hun producten, diensten en/of (digitale) informatie aanbieden of willen ruilen of delen, (ii) de gebruikers daarvan en (iii) het online platform zelf. Vaak zijn nog andere partijen actief, zoals adverteerders die hun advertenties aan de man willen brengen, en publicisten die content inbrengen. Bij de deeleconomie zijn zowel de aanbieders als de gebruikers over het algemeen individuen of consumenten. Daarbij gaat het om zogenoemde peer-to-peer relaties (C2C of P2P). In toenemende mate is echter sprake van hybride vormen, waarbij, naast individuen of consumenten, ook bedrijven en overheden actief zijn. Denk bijvoorbeeld aan sociale media (zie verder Tabel 5.2.1);
  • het koppelen van aanbieders en gebruikers (bevorderen van interacties). Men kan hier spreken over de sociale laag van online platformen. Het koppelen van aanbieders en gebruikers kan transparant zijn (bijvoorbeeld gestart vanuit de gebruiker) of minder transparant als deze plaatsvindt op basis van algoritmes die vaak als black box functioneren;
  • transacties tussen aanbieders en gebruikers die eventueel voortkomen uit de interacties. Dit is de economische laag van online platformen. Transacties kunnen plaatsvinden op basis van geld, maar kunnen ook gratis zijn. Bij transacties gaat het niet altijd om het verkopen van een product, dienst en/of (digitale) informatie, maar het kan ook gaan om delen, ruilen of verhuren. Bij diensten kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het aanbieden van kleine klusjes en werk (zogenoemde ‘gig economy’);
  • een besturing op basis van informatie die is verkregen van de profielen en het surfgedrag van aanbieders en gebruikers. Deze informatie wordt onder meer gebruikt voor het aantrekken van meer aanbieders en gebruikers, voor het beter koppelen van aanbieders en gebruikers en het daarmee vergroten van de kans op transacties, maar ook voor het dynamisch bepalen van prijzen en voor het koppelen van advertenties aan gebruikers. De verzamelde data is het belangrijkste productiemiddel voor het proces van online platformen: de data-laag van online platformen. Zie verder Figuur 5.2.3;
  • nieuwe verdienmodellen. Hierbij valt te denken aan commissies op basis van transacties of commissies om toegang te krijgen tot bepaalde delen van het platform, maar ook aan het genereren van inkomsten door het aanbieden van extra diensten, zoals logistiek, verzekeringen en betaalfaciliteiten. Ook wordt vaak een belangrijk deel van de inkomsten verkregen door het plaatsen van advertenties of door sponsoring en investeerders. Deze verdienmodellen zijn er vooral op gebaseerd om meer gebruikers en aanbieders te trekken, waarbij bepaalde diensten van online platformen vaak gratis zijn. Ten slotte, wordt ook geld verdiend met het verkopen aan derden van de door aanbieders en gebruikers gegeneerde data.

Andere minder bepalende kenmerken zijn:

  • review- en beoordelingssystemen. Naast het aantal aanbieders en gebruikers, spelen dit soort systemen een rol bij het vertrouwen dat participanten in een online platform hebben. Meestal worden alleen aanbieders beoordeeld, maar soms ook de gebruikers;
  • nieuwe kanalen voor promotie en marketing, met name ook omdat steeds meer mensen aanwezig zijn op online platformen;
  • verticale en horizontale integratie. Online platformen breiden zich, met dezelfde strategie, soms uit naar andere sectoren (horizontale integratie). Daarnaast ondersteunen ze het koppel- en transactieproces met steeds meer nieuwe diensten uit dezelfde bedrijfskolom (verticale integratie).

Zoals gezegd, manifesteren online platformen zich in allerlei verschillende vormen, lopend van puur commerciële platformen tot ideële platformen zonder winstoogmerk, en van platformen gericht op de relatie tussen bedrijven en consumenten tot platformen die geheel gericht zijn op peer-to-peer relaties. Daarom zijn er veel, elkaar vaak overlappende, termen in omloop. Figuur 5.2.5 geeft een beeld van de samenhang van een aantal van deze termen.

Figuur 5.2.5 geeft ten eerste aan dat het gaat om de digitale vorm van het bemiddelen van aanbieders en gebruikers via online platformen: de online platformeconomie of -samenleving. In dit kader kunnen online platformen worden gedefinieerd als ‘meestal een open technologische, sociaal-culturele en economische infrastructuur voor het faciliteren en organiseren van online sociaal en economisch verkeer tussen aanbieders en gebruikers van producten, diensten en/of (digitale) informatie, aangedreven door data, die is gegeneerd door de aanbieders en gebruikers zelf’ (zie o.a. Van Dijck e.a., 2016, p. 11). Daarbij kan het gaan om allerlei verschillende relatiemodaliteiten, zoals B2C, C2C, B2B, C2B enz. (zie Tabel 5.2.1). Onder deze definitie vallen ook de meer gesloten en bedrijfsmatig gerichte platformen, zoals innovatie- en ontwikkelplatformen. Onderdeel van de platformeconomie of -samenleving zijn de peer-to-peer (of C2C) platformen, waarbij de aanbieders en gebruikers vooral individuen of consumenten zijn en in mindere mate bedrijfsmatig opererende eenheden. Al aangegeven is, dat in toenemende mate sprake is van hybride vormen. Deze peer-to-peer platformen omvatten ook platformen die gericht zijn op de verkoop van tweedehandsgoederen (‘recirculation of goods’), sociale media en zoekmachines. Onderdeel van peer-to-peer platformen zijn de online platformen, die vooral gericht zijn op het delen, ruilen en lenen van producten, diensten en/of (digitale) informatie. In dat geval is sprake van de deeleconomie (‘sharing’ of ‘collaborative economy’).

Schematische weergave van de verschillende lagen van online platformen.

Bij de deeleconomie is sprake van een brede en smalle definitie. De brede definitie omvat ook platformen voor klusjes en platformen voor crowdfunding. Online platformen voor kleine klusjes en werk (‘gig economy’) zijn moeilijk te onderscheiden van bijvoorbeeld websites van uitzendbureaus. Belangrijk verschil is dat websites van uitzendbureaus gesloten zijn: het uitzendbureau bepaalt wie toegang heeft tot de website. Dit in tegenstelling tot online platformen, waar men zich als aanbieder kan aanmelden, zolang men aan de eisen van het platform voldoet. Een ander verschil is dat er bij een uitzendbureau veelal sprake is van een arbeidsrelatie, terwijl dat bij een online platform meestal niet het geval is. Dit sluit aan bij een meer algemene trend, waarbij bepaalde typen bedrijven werknemers niet meer vast in dienst hebben, maar inhuren als zzp’er. Daarnaast is er sprake van een deeleconomie in engere zin. Hierbij gaat het alleen om peer-to-peer online platformen, waarbij sprake is van het tijdelijk lenen, ruilen of delen van goederen of diensten, die onderbenut zijn. Er is nooit sprake van een overdracht van eigendom en het ‘goed’ is ook nooit aangeschaft om dit commercieel te verhandelen. Hierbij past bijvoorbeeld de definitie van Office of National Statistics van het Verenigd Koninkrijk: ‘an open socio-economic system of the sharing for profit or non-profit of under-used or idle assets and services by completing peer-to-peer transactions, enabled by online platforms that are organized as intermediaries or communities, allowing parties to benefit from usage outside the primary use of the asset or service’ (2017, p. 3).

Voordelen en risico’s van online platformen voor aanbieders en gebruikers

Voordelen van online platformen

In feite is het fenomeen van bemiddeling tussen aanbieders en gebruikers op allerlei terreinen op zich niet nieuw. Al eeuwen is sprake van bemiddeling, zoals het werven van zeelieden in de 17de eeuw, advertenties in de krant, het prikbord van een winkel of het zoeken naar werk via een uitzendbureau.

Nieuw is de digitale omgeving waarin de bemiddeling nu plaatsvindt. Daarmee neemt onder meer het aanbod en dus de keuze en vergelijkingsmogelijkheden voor de gebruiker, c.q. de consument, enorm toe, wordt de schaal opeens vergroot van lokaal naar globaal en is het veel gemakkelijker voor mensen en bedrijven om met anderen, meestal vreemden, in contact te komen. Doordat gebruikers dus gemakkelijker (wereldwijd) aanbieders kunnen vergelijken (lage transactiekosten), zowel in termen van prijzen als klantbeoordelingen, heeft dit een bevorderend effect op de concurrentie. De gebruiker of consument komt meer centraal te staan dan vroeger. Er vindt een verschuiving plaats van een push- naar een pull-markt. Hierdoor is er een voortdurende druk op de hoogte van de prijzen (lagere prijzen).

Vanuit een maatschappelijk perspectief gezien spelen online platformen een steeds belangrijkere rol bij sociale innovatie, zoals meer mogelijkheden voor sociale interacties via bijvoorbeeld sociale media, het doorbreken van de sociale isolatie, een beter gevoel van veiligheid (buurtplatformen) en meer aandacht voor gezondheid en duurzaamheid. Maar bijvoorbeeld ook het makkelijker vinden van een baan of het opdoen van nieuwe kennis (onderwijs) of kunde (cursussen en vrijwilligerswerk).

Online platformen bieden ook mogelijkheden om de relatie tussen burgers en overheid te versterken en nieuwe ideeën sneller uit te wisselen. Dit draagt bij aan een beter democratisch proces. Ten slotte kunnen online platformen bijdragen aan de mogelijkheid van mensen om tijdelijk producten te gebruiken, die zij zich daarvoor niet konden veroorloven.

Ook gezien vanuit de aanbieders, c.q. de producenten, bieden online platformen economische en maatschappelijke voordelen, waarbij de aanbieders niet alleen bedrijven, maar dus ook individuele personen, wetenschap en overheden kunnen zijn. Online platformen maken het aanbieders mogelijk om hun transactiekosten (bijvoorbeeld voor logistiek en betaalsystemen) laag te houden en daarmee hun producten efficiënter af te zetten (betere inzet van middelen). Via online platformen is het niet alleen voor grote internationale bedrijven, maar juist ook voor kleine bedrijven en individuen mogelijk om direct toegang te krijgen tot de gehele, ook globale, markt (democratisering van de markt). Dit wordt versterkt doordat steeds meer potentiële gebruikers online zijn. Online platformen zorgen ook voor een betere afstemming van vraag en aanbod. Samen met lagere transactiekosten leidt dit tot een hogere productiviteit. Bovendien is er een voortdurende druk op die productiviteit vanuit de grote hoeveelheid aanbieders die actief zijn op online platformen. En ten slotte kunnen online platformen ervoor zorgen dat innovatieve ideeën sneller tussen allerlei partijen worden uitgewisseld en resources beter worden gedeeld. Hierdoor bieden online platformen meer mogelijkheden tot (internationale) samenwerking, hetgeen weer leidt tot snellere innovatie.

Online platformen creëren ook nieuwe banen en nieuwe manieren van werken, die soms beter aansluiten bij bepaalde groepen in de samenleving, bijvoorbeeld gebaseerd op meer flexibiliteit. Ook inwoners van minder ontwikkelde landen kunnen via online platformen direct en sneller toegang krijgen tot delen van de wereldwijde arbeidsmarkt, vooral als het gaat om de productie van digitale producten.

Ongewenste ontwikkelingen van online platformen

Hiermee lijkt het erop dat online platformen voor iedereen, zowel bedrijven en consumenten, als individuen, overheid en wetenschap, alleen maar voordelen opleveren. De opkomst van online platformen brengt echter, in vergelijking met bestaande structuren, ook ontwikkelingen met zich mee die als minder positief worden ervaren en beoordeeld.

Zo moeten gebruikers om toegang te krijgen tot online platformen meestal hun gegevens achterlaten via een profiel. Ook wordt hun surfgedrag op het platform gevolgd. Niet altijd is even duidelijk welke data een online platform nu precies verzamelt en wat men daarmee doet, bijvoorbeeld of deze worden doorverkocht aan derden (zie Facebook en Cambridge Analyticanoot2). Het is voor de gebruiker van een online platform moeilijk om hierop voldoende zicht en greep te krijgen en de eventuele inbreuk op zijn/haar privacy af te wegen tegen de voordelen die het gebruik van zo’n platform met zich meebrengt. De verzamelde data van profielen en surfgedrag behoren tot de kernactiva van online platformen. Deze gegevens worden bijvoorbeeld gebruikt om meer aanbieders en gebruikers naar het platform te lokken en meer interacties tussen aanbieders en gebruikers te stimuleren met meer kans op transacties, die dan weer (economische) waarde voor het online platform genereren. Ook wordt de verzamelde informatie ingezet om gebruikers beter te matchen met advertenties of het dynamisch bepalen van het prijsniveau. De verzamelde data vormen de basis voor geautomatiseerde algoritmes. Ook over de inhoud en inzet van deze algoritmes bij het matchen en transacties blijven online platformen over het algemeen vaag.

Een ander punt betreft de bescherming van de consument. Een vraag is bijvoorbeeld hoe online platformen omgaan met consumentenrechten of voelen zij zich niet verantwoordelijk voor wat derden op hun platform doen? Spelen zij alleen de rol van bemiddelaar? Bestaat er bijvoorbeeld een klachtenregeling en wat als het geleverde product niet aan de eisen voldoet? Gelden dezelfde consumentenrechten nog als het online platform vanuit een ander land actief is? En hoe gaan online platformen om met intellectueel eigendom? Doordat online platformen een relatief nieuw fenomeen zijn, is er nog onvoldoende ‘jurisprudentie’ of aanpassing van bestaande consumentenrechten aan de nieuwe situatie van online platformen.

Online platformen, vooral als het gaat om sociale media, komen ook steeds meer in het nieuws omdat er op allerlei wijze (bijvoorbeeld via zogenoemde bots) nepnieuws wordt verspreid of wordt geprobeerd het (democratische) gedrag van participanten te beïnvloeden. Door het gebruik van algoritmes door online platformen kan dit ook onbewust gebeuren. Om participanten namelijk aan het platform te binden, zullen die onderwerpen naar voren komen waarop hij/zij vaak klikt. Hierdoor wordt voortdurend het beeld dat die persoon al heeft, verder bevestigd (zogenoemde ‘confirmation bias’), terwijl alternatieve ideeën en beelden niet worden gepresenteerd. Dit raakt de kern van de samenleving en de democratie, maar brengt ook de vraag met zich mee welke waarden door online platformen nu precies wel of niet worden versterkt.

De aantrekkingskracht van een online platform is, naast veel aanbieders en gebruikers, vooral gebaseerd op het vertrouwen dat een gebruiker heeft in het platform. Dat vertrouwen is mede gebaseerd op review- en beoordelingssystemen. Onvoldoende duidelijk is nog welke invloed review- en beoordelingssystemen hebben op het gedrag van gebruikers om een online platform wel of niet te gebruiken en in welke mate deze systemen een representatief beeld geven van de daadwerkelijke beoordeling door andere gebruikers. Ook hier kan sprake zijn van nepreviews en bias.

Ten slotte wordt door Frenken (2016) aangegeven dat in de deeleconomie alleen die mensen profiteren van online platformen, die zoiets als een huis, auto of boor bezitten. Mensen die niets bezitten, kunnen in de deeleconomie niet als aanbieders van online platformen profiteren. Ook hier is dus in zekere mate sprake van het Mattheuseffect (zie voetnoot 1).

Niet alleen voor de gebruikers, maar ook voor de aanbieders, c.q. producenten, brengt de ontwikkeling van online platformen niet alleen voordelen maar ook risico’s met zich mee. Zo zorgen online platformen in sommige bedrijfstakken voor veel disruptie in de bestaande, traditionele, structuren en machtsblokken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de bedrijfstak van het aanbod van toeristische accommodaties, hoewel daar nog sprake is van een sterk groeiende markt. Maar ook in bedrijfstakken van kranten en tijdschriften en het vervoer is er sprake van disruptie door de komst van online platformen. Dit wordt vaak niet als positief beoordeeld, omdat bestaande machtsverhoudingen worden verstoord en de werkgelegenheid in die bedrijfstakken onder druk komt te staan. Dat roept vaak een reactie op van oneerlijke concurrentie (‘uneven playing field’). Reeds bestaande bedrijven in de traditionele economie dienen zich namelijk te houden aan allerlei regels over bijvoorbeeld veiligheid, arbeidsvoorwaarden, concurrentiebeding en belastingplicht. Het is niet altijd even duidelijk in welke mate deze regels ook voor online platformen en dan met name voor hun aanbieders gelden. Vaak vormt het omzeilen van deze regels juist onderdeel van de strategie van een online platform. Zij presenteren zich veelal niet als producent in de bedrijfstak, waarin zij actief zijn, maar alleen als bemiddelaar of ICT-bedrijf. Bovendien zijn in veel gevallen de aanbieders niet bedrijven, maar individuele personen. Daarop is moeilijker greep te krijgen (zie bijvoorbeeld Airbnb). Ook het feit dat steeds meer aanbieders vanuit het buitenland opereren, maakt het er niet gemakkelijker op. Dit leidt bijvoorbeeld ook tot zorg bij de overheid over de mogelijkheden om nog op een goede manier belastingen te kunnen heffen en te zorgen voor eerlijke kansen voor alle participanten. Bij dit laatste punt moet een afweging worden gemaakt in hoeverre een kortstondige disruptie in een bedrijfstak opweegt tegen de lange-termijnvoordelen, die online platformen ook met zich mee kunnen brengen (meer keus, lagere prijzen, meer concurrentie e.d.)?

Eén van de voordelen van de opkomst van online platformen zijn de mogelijkheden om innovatie te versnellen. Sommige online platformen hebben in hun bedrijfstak echter zo’n sterke positie verworven dat er weinig ruimte is voor anderen. Doordat deze sterke partijen nieuwkomers vervolgens opkopen, zal dit de innovatiekracht eerder doen afremmen dan toenemen. Bovendien ontstaat een zogenoemd ‘lock in effect’. Vooral aanbieders, maar ook gebruikers zijn bijna verplicht om van dat ene grote online platform gebruik te maken. Overstappen naar een kleiner concurrerend platform is haast geen keuze meer en gaat gepaard met kosten en een kleiner afzetgebied. Het grote online platform kan als monopolist vervolgens zijn voorwaarden in de bedrijfstak dicteren.

Een legitieme vraag van bestaande traditionele bedrijven, is hoe de geproduceerde waarde in een bedrijfstak, na de komst van online platformen, over de verschillende participanten verdeeld wordt. Als door de komst van online platformen de totale productie toeneemt, is er op zich geen direct probleem. Een deel van de totale productiewaarde zal nu in ieder geval worden afgeroomd door de online platformen. Als er sprake is van een internationaal platform, zal een deel daarvan naar het buitenland afvloeien. De vraag is dan welk deel van de geproduceerde waarde overblijft voor bestaande bedrijven. Daarbij is er een verschil of de bestaande bedrijven de belangrijkste aanbieders worden van het online platform of dat er nieuwe, concurrerende aanbieders bijkomen, bijvoorbeeld via particulier aanbod. Zo heeft bijvoorbeeld de introductie van Uber en Lyft in de VS – na de vrijgave van de gereguleerde markt door de gemeente – geleid tot het faillissement van een aanzienlijk deel van bestaande taxibedrijven in San Francisco. Een ander voorbeeld zijn streamingdiensten zoals Spotify en Netflix. Enerzijds hebben deze muziek- en videoplatformen geleid tot meer structurering van de bedrijfstak, na een periode van veel illegale downloads. Anderzijds is het echter de vraag of deze nieuwe situatie voor de artiesten, als de aanbieders, voordelen oplevert. De indruk is dat vooral de grote artiesten veel verdienen, maar dat de rest er minder goed van afkomt.noot3

Online platformen hebben ook effect op de werkgelegenheid en de wijze waarop het werk wordt georganiseerd. Daarbij is sprake van twee verschillende perspectieven. Het ene perspectief legt vooral de nadruk op het feit dat online platformen nieuwe werkgelegenheid creëren, waarvan een deel aansluit bij de wensen van groepen die meer behoefte hebben aan een flexibele inzet. Online platformen maken het ook makkelijker om werk te vinden. In hoeverre online platformen per saldo ook daadwerkelijk meer werkgelegenheid creëren is nog onvoldoende statistisch onderzocht. Een ander perspectief legt de nadruk vooral op de kwaliteit van de werkgelegenheid. Men vindt dat die kwaliteit steeds minder aansluit bij de gestelde eisen over bijvoorbeeld de hoogte van het loon, veiligheid, baanzekerheid en trainingsmogelijkheden. De discussie rond de koeriers van Deliveroo is hiervan een voorbeeld.noot4 Ook is er zorg dat het aanbod zich steeds meer beperkt tot losse taken en in mindere mate tot volledige banen. Doordat voor sommige delen van de werkgelegenheid van online platformen sprake is van een wereldwijde arbeidsmarkt, wordt de druk om minder eisen te stellen aan de kwaliteit van het werk ook steeds groter. Dit zijn vooral zorgen voor de overheid en de vakbonden.

Veel online platformen, met name die in de deeleconomie, zijn gestart met het idee voor een meer duurzame samenleving. Ruilen en delen van goederen en diensten zou moeten leiden tot bijvoorbeeld minder gebruik van natuurlijke bronnen, minder CO2-emissies en minder consumptie van energie. De vraag is echter in hoeverre online platformen hieraan ook daadwerkelijk bijdragen. Onderzoek in San Francisco naar Uber en Lyft toont bijvoorbeeld aan dat er niet minder, maar juist meer auto’s rondrijden dan in de tijd dat het taxivervoer nog gereguleerd was. Dit leidt wel tot voordelen voor de klanten, maar ook tot meer opstoppingen en dus meer luchtvervuiling.noot5 Airbnb is ooit gestart vanuit een sociaal motief, waarbij de beleving samen met de lokale bevolking centraal stond. Onderzoek toont echter aan dat het de huidige gebruikers vooral gaat om de lagere prijs, de locatie en voorzieningen.noot6

Enerzijds brengt de opkomst van online platformen voor alle participanten dus voordelen met zich mee, maar anderzijds is er ook sprake van minder positieve effecten. Doordat het fenomeen nog relatief nieuw is, worstelt de overheid met de vraag of ze moeten ingrijpen en zo ja, op welke wijze men dat dan moet doen. Door te veel en te snel in te grijpen, bestaat de kans dat lopende innovatie wordt afgeremd. Door te weinig en te laat in te grijpen kunnen echter negatieve effecten optreden voor consumenten, bestaande bedrijven en de werkgelegenheid. Het feit dat er sprake is van een internationale ontwikkeling maakt het, zoals gezegd, het er niet makkelijker op. Mogelijkheden voor de overheid om in te grijpen betreffen, naast directe interventie, ook zelf- en co-regulering.

Uitdagingen voor de statistiek

Naar sommige typen online platformen is meer statistisch onderzoek gedaan dan naar anderen. Zo is er veel statistisch onderzoek gedaan naar het gebruik van sociale media (zie o.a. CBS, 2018a). Veel minder statistisch onderzoek is er beschikbaar als het gaat om de groep innovatieve en ontwikkelingsplatformen (zie o.a. CBS, 2018b) en platformen die onderdeel uitmaken van de platformsamenleving en de deeleconomie. Uitzondering daarop vormen het gebruik van de grotere online platformen zoals Airbnb en Uber (zie o.a. CBS, 2018a).

In dit kader zijn verschillende statistische uitdagingen te noemen:

  • Zo is het niet gemakkelijk om in een vragenlijst precies uit te leggen wat bedoeld wordt met online platformen, in welke vorm dan ook. Vaak is daarvoor veel tekst nodig en deze wordt meestal niet goed door de respondent gelezen. Daardoor zijn resultaten niet altijd even betrouwbaar;
  • Online platformen kunnen sterk van elkaar verschillen. Dat maakt het niet gemakkelijk om een eenduidige vragenlijst op te stellen met een aantal standaardvragen. Ook is het niet goed haalbaar om een (lange) lijst met online platformen op te sommen in enquêtes met steeds verschillende vervolgvragen. Dat maakt de vragenlijst ingewikkeld en lang voor de respondent;
  • Enerzijds moeten de te meten indicatoren aansluiten bij de al bestaande (economische) indicatoren, bijvoorbeeld over de omzet of de werkgelegenheid. Alleen dan kan het belang van online platformen in een bredere context worden geplaatst. Anderzijds dient er gezocht te worden naar indicatoren, die specifiek zijn voor online platformen. Zo hoeft bijvoorbeeld het functioneren en het belang van online platformen niet specifiek te relateren aan de omvang van de omzet van het moederbedrijf of de omvang van de werkgelegenheid;
  • In toenemende mate ontstaan allerlei hybride vormen van online platformen. Zo biedt Booking dat is begonnen als B2P-platform, naast hotelkamers ook steeds vaker als P2P-platform private appartementen en kamers aan. Of andersom, waar Airbnb vooral gestart is als P2P-platform, biedt deze ook steeds meer de ruimte aan professionele verhuurders (B2P) om hun accommodaties aan te bieden. Dat maakt het statistisch gezien moeilijk om onderscheid te maken tussen verschillende typen online platformen;
  • Voor traditionele bedrijven geldt dat als er sprake is van economische activiteit van enige omvang, het betreffende bedrijf of de betreffende persoon in Nederland zich dient aan te melden bij de Kamer van Koophandel. De Kamer van Koophandel registreert dit in het Bedrijvenregister en bepaalt samen met het bedrijf of de persoon om welk type economische activiteit (Standaard Bedrijfsindeling; SBI) het gaat. Online platformen zijn echter vaak niet opgenomen in de bedrijfstak waarin zij actief zijn. Online platformen zijn vaak ook niet tot één specifieke economische activiteit te rekenen. Dat maakt het moeilijk om een goed en relatief volledig overzicht te hebben van de populatie van online platformen;
  • Daarnaast is zo dat veel online platformen hun hoofdkwartier in het buitenland hebben en zij geen (pseudo-)vestiging in Nederland hebben. Dat betekent dat hun economische activiteiten op de Nederlandse markt niet altijd even goed zichtbaar zijn in de statistiek, ook niet in die van de internationale handel. Dit terwijl online platformen juist de internationale handel versterken, doordat enerzijds consumenten makkelijker goederen en diensten in het buitenland kunnen bestellen en anderzijds Nederlandse bedrijven hun activiteiten makkelijker naar het buitenland kunnen uitbreiden;
  • Bij online platformen is vaak sprake van horizontale en verticale integratie. Zo heeft bijvoorbeeld Amazon zich ontwikkeld van een webshop voor boeken en muziek, naar een platform dat allerhande (tweedehands) producten verkoopt, waarbij men in al deze bedrijfstakken dezelfde strategie heeft toegepast (horizontale integratie). Ook voegen online platformen steeds meer functionaliteit toe aan hun platformen om interacties en transacties tussen aanbieders en gebruikers te ondersteunen. Daarbij kan het gaan om betaaldiensten, logistiek, verzekeringen e.d. Dan spreekt men van verticale integratie. Deze ontwikkelingen maken het moelijker om online platformen goed te typeren, maar ook om de juiste statistische informatie te verkrijgen, die past in de gehanteerde classificaties.

5.3Radio: van morse-signalen tot DAB‍+

Judit Arends-Tóth en Vinodh Lalta (CBS)

De radio is vandaag de dag niet meer weg te denken uit het dagelijks leven, bijvoorbeeld voor achtergrondmuziek of om naar het nieuws of praatprogramma’s te luisteren. Toch was de radio in eerste instantie hiervoor niet bedoeld: ten tijde van de uitvinding van de radio – rond het einde van de 19e eeuw – werd deze vooral gebruikt voor het draadloos overbrengen van morsesignalen. Pas nadat de elektronenbuis werd uitgevonden in 1906, werd het mogelijk om ook andere soorten signalen – waaronder spraak en muziek – te versturen via radiogolven.

De eerste radio-uitzendingen lieten nog even op zich wachten: in 1914 vond de eerste radio-uitzending in België plaats en in 1919 was Nederland aan de beurt met de radiozender PCGG. In de jaren daarna groeide het nieuwe medium flink in populariteit en schaften veel huishoudens een radiotoestel aan. In eerste instantie ging het nog om vrij grote toestellen, maar deze werden al gauw kleiner en handzamer. Met name de uitvinding van de transistor in de jaren ‘50 was een belangrijke mijlpaal, omdat hierdoor draagbare en draadloze radio’s mogelijk werden. Tot in de jaren ‘60 was de radio het populairste medium in de Nederlandse huishoudens.

Door de opkomst van de televisie kreeg de radio er een geduchte concurrent bij als het gaat om vermaak voor de avonden, maar tot op heden luistert nog altijd een aanzienlijk deel van de mensen naar de radio. De afgelopen 10 jaar luisterde zo’n 12 tot 14 procent van de bevolking van 10 jaar of ouder naar de radio (Figuur 5.3.1). In 2017 luisterde men gemiddeld bijna 200 minuten per dag (NLO, NOM, SKO en Vinex, 2017).

Natuurlijk zijn de manieren waarop mensen naar de radio luisteren, in de loop der jaren flink veranderd. Het is al lang niet meer zo dat hele gezinnen zich ’s avonds rond het radiotoestel in de woonkamer nestelen om samen naar een uitzending te luisteren. Tegenwoordig wordt op diverse manieren naar de radio geluisterd. Hierbij valt natuurlijk te denken aan radiotoestellen in allerlei vormen (o.a. stereo-installatie, autoradio, doucheradio), maar ook luisteren veel mensen naar radio-uitzendingen via internetstreams op de computer of met apps voor de smartphone of tablet. In 2017 luisterde 20 procent van de personen van 13 jaar of ouder via de smartphone naar een live radio-uitzending. Verreweg het populairste toestel om radio te luisteren was de autoradio: 74 procent van de mensen gebruikte deze. Radio-uitzendingen beluisteren via de smartphone is met name populair onder jongeren en neemt af met de leeftijd: zo luisterde 38 procent van de 13- tot 18-jarigen in 2017 via de smartphone naar radio-uitzendingen tegen 4,5 procent van de 65-plussers.

Digitale radio: betere kwaliteit en meer mogelijkheden

Niet alleen de toestellen waarmee naar radio-uitzendingen wordt geluisterd, zijn in de loop der tijd sterk veranderd, maar ook de technologie achter de radio-uitzendingen zelf. Zoals gezegd bestonden de eerste radiosignalen alleen uit morsesignalen. Enkele jaren later kwam hier de AM-radio bij die ook spraak- en muzieksignalen mogelijk maakte, en in de jaren ’20 werd de FM-radio ontwikkeld die een veel betere geluidskwaliteit met zich meebracht dan AM-signalen.

In de jaren ’90 maakte digitale radio voor het eerst zijn entree. Digitale radio biedt voordelen boven het traditionele analoge (FM-)signaal, vergelijkbaar met de voordelen van digitale televisie. Het digitale signaal levert doorgaans een betere geluidskwaliteit op en biedt meer mogelijkheden dan analoge radio: zo kan met het radiosignaal extra informatie worden verstuurd, zoals de titel van een nummer, de naam van de artiest en zelfs een afbeelding van het album. Daarnaast is een voordeel dat de schaarste zoals die bestaat bij FM door de beperkt beschikbare uitzendfrequenties, in veel mindere mate geldt voor digitale radiosignalen.

Er bestaan verschillende manieren om digitaal naar radiozenders te luisteren, bijvoorbeeld online op een computer, smartphone, of tablet, al dan niet via een app (zie ook Hoofdstuk 3 van deze publicatie). Sinds 2004 zenden radiostations in een groot deel van Nederland ook digitale radio via de ether uit, naast de traditionele FM of middengolf. Tot medio 2013 werd in Nederland veelal het T-DAB-signaal gebruikt voor digitale radio via de ether. Sindsdien maken vrijwel alle publieke en commerciële radiozenders met een landelijke etherfrequentie gebruik van het nieuwere DAB+. Om uitzendingen via het DAB+-signaal te kunnen beluisteren, is een speciale ontvanger nodig. Sinds 2013 bestaat een samenwerkingsverband tussen onder andere publieke en commerciële zenders, en het Ministerie van Economische Zaken met als doel DAB+ en digitale radio meer onder de aandacht te brengen (Ministerie van Economische Zaken, 2015).

Bijna 4 op de 10 kennen DAB+

In 2017 had 37 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder weleens van DAB+ gehoord (zie Tabel 5.3.2). Dit aandeel is flink groter dan in 2016, toen 29 procent bekend was met DAB+. In eerdere jaren was digitale radio nog minder bekend.noot7

DAB+ geniet aanzienlijk meer bekendheid onder mannen dan onder vrouwen: in 2017 kende 53 procent van de mannen DAB+, tegen 22 procent van de vrouwen. Daarnaast zijn er verschillen naar opleidingsniveau: onder personen met een middelbare of hogere opleiding was 45 procent bekend met DAB+. Bij personen met alleen lager onderwijs was dat 22 procent.

5.3.2Bekendheid van digitale radio via DAB+1)

2012 2013 2014 2015 2016 2017
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 12 13 17 26 29 37
 
Geslacht
Mannen 17 19 26 37 41 53
Vrouwen 8 7 9 15 17 22
 
Leeftijd
12 tot 25 jaar 9 12 16 21 22 28
25 tot 45 jaar 13 12 20 30 35 47
45 tot 65 jaar 14 14 18 29 32 43
65 tot 75 jaar 14 17 15 24 30 30
75 jaar of ouder 11 11 10 14 13 14
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 10 11 12 19 19 22
Middelbaar onderwijs 12 13 19 30 34 45
Hoger onderwijs 16 16 20 32 37 46

Bron:CBS, ICT-gebruik huishoudens en personen.

1)Tot en met 2014 werd gevraagd naar 'T-DAB' in plaats van 'DAB+'.

DAB+-apparaat in 10 procent van de huishoudens

In 2017 was 10 procent van de Nederlandse huishoudens in het bezit van een DAB+-apparaat (Figuur 5.3.3). Het kan dan gaan om een apparaat in huis, maar ook om een DAB+-radio in de auto. Dit aandeel is hoger dan in de afgelopen jaren. In 2016 en 2015 had 6 procent van de huishoudens een apparaat om digitale radio via de ether te ontvangen. In 2014 was dat 4 procent. In dat jaar is echter alleen gevraagd naar dergelijke apparatuur in huis, en niet naar apparatuur in de auto.

Uitfaseren FM-radio

In verschillende landen zijn er plannen om te stoppen met het gebruik van FM voor radio-uitzending vanwege de invoering van digitale radio in de vorm van DAB+. Noorwegen is daarbij een van de koplopers: in 2017 is in dit land het landelijke FM-netwerk uitgeschakeld en kunnen de nationale zenders alleen nog maar via DAB+ of internet beluisterd worden. Ook andere landen zoals Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk overwegen deze stap binnen enkele jaren, wanneer het gebruik van FM-radio’s tot onder een bepaald peil is gezakt. In Nederland is het beleid – net als in België – andersom en wordt gewacht tot het gebruik van DAB+ een bepaald niveau heeft bereikt: hierbij worden voor ons land percentages genoemd van 50 tot 70 procent.

Volgens cijfers van de organisatie WorldDAB bestrijkt het Nederlandse DAB-netwerk in 2018 (in principe) 95 procent van de bevolking. Uit de CBS-cijfers blijkt echter dat de werkelijke bekendheid en zeker het gebruik van DAB+ nog lang niet in de buurt komt van dit percentage: in 2017 had 37 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder wel eens van DAB+ gehoord (Tabel 5.3.2), en had 10 procent van de huishoudens een ontvanger om naar DAB+ te luisteren (Figuur 5.3.3).

5.4Patenten

Een patent, ook wel octrooi genoemd, is een intellectueel eigendomsrecht waarmee een uitvinding of innovatie van een technisch product of proces kan worden beschermd. Het geeft de eigenaar ervan het wettelijke recht anderen uit te sluiten van productie, gebruik, (aanbieden voor) verkoop of import van de gepatenteerde uitvinding. De bescherming geldt voor de duur van het patent, maximaal twintig jaar, of zo lang de instandhoudingskosten worden betaald.

Patenten kunnen worden toegekend aan bijvoorbeeld ondernemingen, universiteiten, instellingen of particulieren mits de uitvinding voldoet aan de voorwaarden voor patenteerbaarheid. Om voor een patent in aanmerking te komen, moet een uitvinding namelijk nieuw, inventief en ontvankelijk voor industriële toepassing zijn. Een octrooibureau toetst of een uitvinding aan deze criteria voldoet, en wijst de aanvraag toe of af.

Patenten worden veelal gezien als een belangrijke ‘output’ van R&D-activiteiten. Als er veel patenten worden aangevraagd in een land, getuigt dit van een kennisintensieve economie en de daarbij behorende competenties. Indicatoren over patenten worden dan ook vaak gebruikt om een beeld te krijgen van de inventieve prestaties van landen.

Patent-indicatoren

Patenten geven op gedetailleerd niveau inzicht in de inventieve activiteiten van een land. Informatie over patenten is voor veel landen gemakkelijk toegankelijk tegen lage kosten. Er kleven echter ook nadelen aan indicatoren gebaseerd op patenten.

Een eerste nadeel van patent-indicatoren is het vertekende beeld dat zij kunnen schetsen van de inventiviteit van een land. De omvang van bepaalde bedrijfstakken in een land speelt daarbij bijvoorbeeld een belangrijke rol. In sommige bedrijfstakken is het namelijk gebruikelijker om uitvindingen te patenteren dan in andere. Als die bedrijfstakken sterk vertegenwoordigd zijn in een land, levert dit waarschijnlijk ook veel patentaanvragen op.

Daarnaast worden niet alle uitvindingen gepatenteerd. Partijen kunnen er ook voor kiezen om uitvindingen op andere manieren te beschermen, bijvoorbeeld door geheimhouding. Als in een land weinig patenten worden aangevraagd, betekent dat dus niet per se dat R&D-inspanningen daar minder opleveren.

Ten slotte wordt niet ieder patent aangevraagd met als doel er zelf een toepassing voor te realiseren. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld patenten aanvragen puur om te voorkomen dat concurrenten met een vergelijkbaar idee een succesvol product op de markt brengen. Ook zijn er aanvragers die met patenten voornamelijk royalty’s willen ontvangen, en niet beogen om het gepatenteerde idee zelf in productie te nemen. Al deze factoren kunnen ervoor zorgen dat patent-indicatoren het beeld van de inventiviteit in een land vertekenen.

Een ander nadeel van patent-indicatoren is de tijdigheid. Patentaanvragen kennen een geheimhoudingsperiode die doorgaans 18 maanden bedraagt. In sommige gevallen kan deze periode oplopen tot 30 maanden. Pas na het verstrijken van deze periode worden de aanvragen zichtbaar in openbare databases. Mede om die reden zijn de indicatoren in deze paragraaf niet recenter dan 2012. Dit jaartal is aan de indicatoren toegekend op basis van de ‘prioriteitsdatum’. Dit is de datum van de eerste aanvraag voor een patent, waar ook ter wereld. Deze datum ligt het dichtst bij het moment waarop de uitvinding daadwerkelijk is gedaan.

De indicatoren in deze paragraaf betreffen patentaanvragen bij het Europees octrooibureau (EOB). Het EOB is belast met de uitvoering van het Europese octrooiverdrag. In 2018 waren 38 landen lid van het EOB. Een patent dat het EOB toekent, resulteert in een bundel van nationale octrooien. Om het octrooi in een land te laten gelden, moet in sommige landen een vertaling worden ingediend en, voor ieder land afzonderlijk, instandhoudingskosten worden betaald. Met de invoering van het unitair octrooi zou hieraan een einde komen. Met het unitair octrooi wordt met één octrooi gelijke bescherming verkregen in de hele Europese Unie, uitgezonderd Spanje, Polen en Kroatië. Wanneer het unitair octrooi beschikbaar komt, is nog niet precies bekend.noot8

Nederlandse partijen vragen relatief veel patenten aan

In 2012 vroegen Nederlandse partijen (bedrijven, instellingen en particulieren) per miljard euro aan R&D-uitgaven 271 patenten aan bij het Europees octrooibureau. Dit aantal ligt voor Nederland ruim hoger dan het gemiddelde van de Europese Unie, dat 210 bedroeg (Figuur 5.4.1). Duitsland kende met 277 patentaanvragen per miljard euro R&D de meeste aanvragen. Zowel in Duitsland als in Nederland neemt dit verhoudingsgetal al een aantal jaren gestaag af. In 2005 vroegen Duitse en Nederlandse partijen nog respectievelijk 432 en 360 patenten aan per miljard euro R&D.

Uit de Verenigde Staten waren aanzienlijk minder EOB-aanvragen afkomstig dan gemiddeld uit EU-landen. Hier speelt een rol dat Amerikaanse partijen zich voor een patent eerder wenden tot het Amerikaanse octrooibureau (USPTO) ter bescherming van hun thuismarkt dan tot het EOB. Omgekeerd is het ook zo dat partijen in Europese landen structureel meer patenten aanvragen bij het EOB dan bij de USPTO. Aanvragen bij internationale patentbureaus zoals het EOB zijn met name relevant voor uitvindingen die de aanvrager internationaal wil toepassen. Dit is lang niet altijd het geval.

Gemeten naar bevolkingsomvang deed Zweden relatief veel patentaanvragen bij het EOB in 2012. Uit Zweden kwamen 325 aanvragen per miljoen inwoners. Dat is fors meer dan uit Nederland (203). Ook voor Duitsland, Denemarken en Finland was het aantal groter dan voor Nederland. Gemeten naar de bevolkingsomvang staat Nederland lager op de internationale ranglijst dan wanneer gemeten wordt naar de R&D-uitgaven. Dit hangt samen met het feit dat Nederland relatief lage R&D-uitgaven kent. Zweden bijvoorbeeld, geeft juist veel uit aan R&D. Vanuit Ierland (68) en Canada (65) kwamen per miljoen inwoners weinig patentaanvragen binnen bij het EOB. Voor Canada geldt hetzelfde als voor de Verenigde Staten: Europa is niet de thuismarkt.

De statistische bijlage bij deze publicatie bevat een tabel met voorlopige cijfers over het aantal aangevraagde patenten bij het Europees octrooibureau in 2013 en 2014 (Tabel 5.4.1a).

3 op de 10 patentaanvragen ICT-gerelateerd

Van alle patentaanvragen die Nederlandse partijen in 2011 indienden bij het EOB, was 29 procent gerelateerd aan ICT. Zuid-Korea had met 55 procent een aanzienlijk groter aandeel ICT-patentaanvragen. Het gemiddelde van de EU bedroeg 26 procent.

Uit Nederland kwamen relatief veel patentaanvragen op het ICT-deelgebied ‘Overig ICT’. Onder andere halfgeleiders vallen in deze categorie. Uit Nederland kwamen per miljoen inwoners 28 ’overige ICT-patenten’ (Figuur 5.4.2). Alleen in Duitsland en Zweden werden op dit deelgebied meer patenten aangevraagd (beide 30 per miljoen inwoners), maar het EU-gemiddelde (13) was aanzienlijk lager dan het cijfer voor Nederland.

Ook op de deelcategorie ‘computers en kantoormachines’ scoort Nederland bovengemiddeld. Per miljoen inwoners kwamen in 2011 vanuit Nederland 21 aanvragen voor dergelijke patenten, terwijl het EU-gemiddelde 10 was. Maar toch overtroffen Finland (49), Zweden (39), Zuid-Korea (32) en Japan (25) Nederland op dit gebied. Vooral het verschil tussen Nederland en de twee genoemde Scandinavische landen is aanzienlijk. Op de ICT-deelgebieden ‘consumentenelektronica’ en ‘telecommunicatie’ scoort Nederland eveneens hoger dan het EU-gemiddelde: per miljoen inwoners kwamen uit Nederland 5 aanvragen voor consumentenelektronica, tegen 2 gemiddeld in de EU. Voor telecommunicatie ging het om 11 aanvragen per miljoen inwoners uit Nederland en 8 uit de EU. Wat sterk opvalt, is het grote aantal telecom-patentaanvragen vanuit Zweden en Finland: respectievelijk 59 en 51 per miljoen inwoners.

Aantal Nederlandse hightech-patentaanvragen licht gedaald

In 2012 werden vanuit Nederland 42 hightech-patenten per miljoen inwoners aangevraagd bij het EOB (Figuur 5.4.3). Ten opzichte van het jaar ervoor betekent dit een lichte daling. Hightech-patenten hebben bijvoorbeeld betrekking op luchtvaart-, communicatie- en lasertechnologie. Sinds 2004 vertoont het aantal aangevraagde patenten op dit gebied een dalende trend voor Nederland.

Zweden scoorde in 2012 aanzienlijk hoger dan Nederland: 94 hightech-patentaanvragen per miljoen inwoners. Voor Zweden was dit aantal fors hoger dan in 2011 (78). Ook Finse partijen vroegen in 2012 relatief veel hightech-patenten aan (86). Ook voor Finland betekende dit een flinke toename ten opzichte van het jaar ervoor.

Van alle Nederlandse patentaanvragen in 2012 betrof 21 procent een hightech-patentaanvraag. Dat is iets boven het EU-gemiddelde dat 18 procent bedroeg. Voor de Verenigde Staten was het cijfer 30 procent. Ook in Zweden (29 procent), Finland (28 procent), en Japan (27 procent) was het aandeel van hightech-patenten groter dan in Nederland.

21% van Nederlandse patentaanvragen betreft hightech

Buitenvorm Binnenvorm

Nederland relatief sterk op bio- en nanotechnologie

Net als ICT worden ook bio- en nanotechnologie vaak tot de ‘doorbraaktechnologieën’ gerekend (Europees Parlement, 2014). Daarmee wordt bedoeld dat de technologieën allerlei innovaties op gang kunnen helpen in wetenschap, industrie en samenleving. In 2012 kwamen vanuit Nederland relatief veel patentaanvragen op het gebied van nanotechnologie: 1,8 per miljoen inwoners (Figuur 5.4.4). Dat aantal is aanzienlijk groter dan het EU-gemiddelde van 0,6. Ook België en Japan vroegen relatief veel nanotechnologiepatenten aan.

Op het terrein van biotechnologie was Nederland eveneens sterk: samen met Denemarken en Zweden behoorde Nederland tot de voorhoede in 2012. Vanuit Nederland gingen per miljoen inwoners 9,6 patentaanvragen met een biotechnologisch karakter naar het EOB. Het cijfer voor Zweden was 10,4. Denemarken scoorde opvallend veel hoger: 26. Het EU-gemiddelde bedroeg 4,8.

Noten

In de sociologie en economie wordt voor dergelijke situaties ook wel gesproken van het ‘Mattheuseffect’, waarbij de grootste steeds meer krijgt en de kleinste steeds minder.

Cambridge Analytica is een Engels bedrijf waarvan in 2018 bleek dat het via een app tegen de regels in gegevens heeft verkregen van zo’n 90 miljoen Facebook-gebruikers. Deze gegevens zijn onder meer ingezet voor de politieke campagne van Amerikaans presidentskandidaat Donald Trump in 2016.

In de jaren tot en met 2014 werd in het onderzoek gevraagd naar de bekendheid van T-DAB. Vanaf 2015 is in de term DAB+ in de vraagstelling gebruikt.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

C. Atmé

J. Arends-Tóth

J.W.A. van Beuningen

A.J. Dieleman

N.M. Heerschap

H.N. de Heij

R. Kleingeld

V.S. Lalta

G.J.H. Linden

Q.A. Meertens

N.R.M. Pouw

Overige bijdragen

J.B.G. Boskamp

J.J.T. Bechholz

H. de Bondt

D.J. Gies

C.M. Kragt

A.D. Kuipers

A. van Loon

M.H.J. Souren

Eindredactie

V.S. Lalta

G.H. Wassink

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 7 maart 2019

In de tekst behorende bij tabel 2.4.1 is geschreven dat Nederland in 2016 voor 51 miljard euro aan ICT-goederen en -diensten importeerde. Dit moet echter 61 miljard zijn zoals ook in de tabel is vermeld. Deze fout is ook in de samenvatting terecht gekomen. Hierin staat onder het kopje Internationale handel in ICT (2.4) ook dat Nederland in 2016 voor 51 miljard euro aan ICT-goederen en -diensten importeerde. Dit moet 61 miljard euro zijn.