Biomassa

Biomassa kan vele vormen aannemen, zoals voedsel of papier. In de energiestatistieken wordt biomassa echter alleen meegenomen als het wordt gebruikt als energiedrager. De import van bijvoorbeeld palmolie voor de voedingsindustrie wordt dus niet meegenomen. Biomassa is de belangrijkste bron van hernieuwbare energie en wordt op vele manieren gebruikt. In dit hoofdstuk worden alle technieken systematisch langs gelopen. Door onzekerheden rondom de duurzaamheid van de biomassa is er geen eenduidig percentage over de bijdrage van deze bron aan het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie in 2021 volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Voorlopig ligt de bijdrage tussen de 45 en 51 procent.

8.1Inleiding

De belangrijkste toepassingen, goed voor drie kwart van het biomassaverbruik, zijn: afvalverbrandingsinstallaties (paragraaf 8.2), meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales (paragraaf 8.3), het gebruik van vloeibare biotransportbrandstoffen (8.11) en het verbruik van biomassa in WKK-installaties (8.4). De resterende 25 procent betreft niet alleen het gebruik van biomassa door huishoudens (8.6) en het verbruik van biomassa voor (uitsluitend) warmte bij bedrijven (8.5). Ook kan, naast direct verbranden, de biomassa eerst worden omgezet in biogas, wat op stortplaatsen (8.7) gebeurt. Ook natte organische afvalstromen zijn vaak geschikt om te worden omgezet in biogas via vergisting. Dat gebeurt in veel rioolwaterzuiveringsinstallaties (8.8), in afvalwaterzuiveringsinstallaties in de industrie (8.10) en veel biogas wordt gemaakt uit vergisting van mest samen met ander organisch materiaal (co-vergisting van mest) (8.9).

Ontwikkelingen

8.1.1 Biomassaverbruik (PJ)
Afvalverbrandingsinstallaties Bij- en meestoken biomassa in centrales Biomassaketels bedrijven, WKK Biomassaketels bedrijven voor alleen warmte Biomassa huishoudens Biogas Vloeibare biotransportbrandstoffen
00 25,512 1,755 3,333 2,212 14,027 5,211 0
01 24,637 5,408 3,51 2,268 13,938 5,36 0
02 25,51 9,866 3,114 2,529 13,856 5,562 0
03 25,059 7,127 3,025 2,836 14,186 5,392 0,134
04 26,066 14,123 3,094 3,686 14,901 5,285 0,134
05 26,659 30,522 3,524 4,106 15,664 5,095 0,101
06 26,616 29,445 3,677 5,501 16,394 5,879 1,766
07 27,845 15,702 3,981 6,145 16,377 7,153 13,031
08 30,549 19,692 9,929 6,434 16,522 9,258 12,048
09 32,441 22,788 13,152 6,512 16,763 10,939 15,606
'10 34,208 28,545 12,725 5,477 17,099 11,984 9,577
'11 37,361 27,855 10,138 5,222 17,414 11,968 13,438
'12 39,794 26,295 12,482 5,344 16,938 12,165 14,017
13 40,689 15,691 13,436 5,485 17,012 12,777 13,378
14 40,265 8,173 14,127 7,622 16,898 13,094 15,686
15 40,77 4,675 16,624 8,827 16,743 13,693 13,439
16 42,282 4,083 18,075 9,699 16,569 13,453 10,747
17 40,415 4,883 18,934 9,996 16,432 13,377 13,891
18 38,657 5,674 18,524 12,037 16,446 13,846 22,993
19 38,48 15,525 22,156 12,999 16,278 15,157 28,437
20 38,845 40,359 24,062 15,117 16,168 17,183 24,329
21** 39,934 56,488 25,946 16,762 16,189 17,557 27,739
**Nader voorlopige cijfers

Het primair verbruik van biomassa is vooral vanaf 2003 hard gegroeid en bereikte een piek in 2012. Het ging in eerste instantie vooral om een toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales, gestimuleerd door de MEP-subsidies (zie ook 2.8). Later nam ook het gebruik van biomassa voor het wegverkeer toe door de introductie van de verplichting voor leveranciers van benzine en diesel tot het verbruik daarvan, veelal ingevuld door biobrandstoffen bij te mengen in gewone benzine en diesel. Ook het verbruik van biomassa voor elektriciteitsproductie nam toe. Het gaat hierbij vooral om enkele installaties die afvalhout verbranden en elektriciteit maken. Het verbruik van biomassa door afvalverbrandingsinstallaties en als biogas groeit meer geleidelijk.

Na de piek in 2012 daalde het verbruik van biomassa door het teruglopen van het meestoken van biomassa als gevolg van het aflopen van de subsidie. Echter, vanaf 2018 is er weer groei te zien in het totale verbruik van biomassa doordat de subsidie op meestoken terugkeerde. In 2021 is deze groei wederom grotendeels te danken aan de toename in de meestook van biomassa in centrales. Na een dipje in 2020 laat het verbruik van vloeibare biotransportbrandstoffen een groei van 14 procent zien. Ook nam het verbruik biomassa voor warmte bij bedrijven toe met 11 procent ten opzichte van een jaar eerder. De overige technieken laten een kleinere groei zien in het verbruik (0 tot 10 procent).

8.1.2Biomassa verbruik
Bruto energetisch eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie
2020** 2021** incl. onzekere biomassa 2021** excl. onzekere biomassa 2020** 2021**
TJ
Afvalverbrandingsinstallaties 17 018 18 263 18 263 21 447 22 623
Bij- en meestoken biomassa in centrales 19 687 27 601 13 124 40 359 .
Totaal biomassa huishoudens 16 168 16 188 16 188 11 215 11 389
Biomassaketels bedrijven, WKK 14 592 15 202 9 800 14 243 .
Biomassaketels bedrijven, alleen warmte 14 163 15 715 13 211 13 697 .
Biogas uit stortplaatsen 263 268 268 322 .
Biogas rioolwaterzuiveringsinstallaties 2 498 2 504 2 504 2 329 .
Biogas, co-vergisting van mest 6 101 6 794 3 840 7 070 .
Overig biogas 5 622 5 435 3 072 5 774 .
Vloeibare biotransportbrandstof, totaal 24 328 27 738 27 738 24 328 27 739
Totaal 120 440 135 707 108 008 140 784 .

Bron:CBS

1)Inclusief of exclusief onzekere biomassa volgens EU-Richtlijn 2018 (RED II).

**Nader voorlopige cijfers

Tabel 8.1.2 geeft het verbruik van biomassa op twee manieren: eindverbruik en vermeden verbruik van fossiele energie. In grafiek 8.1.1 wordt het primaire verbruik weergegeven. Bij het eindverbruik van energie gaat het om de vorm waarin het aan de eindverbruiker wordt geleverd: elektriciteit, warmte of brandstof. Bij het primair verbruik gaat het om de energie-inhoud van de eerst meetbare vorm van de verbruikte biomassa. Vooral bij elektriciteit is het verschil tussen primair en eindverbruik groot, omdat het omzettingsverlies bij de productie van elektriciteit uit biomassa groot is.

Halverwege 2021 is de RED II in gebruik genomen, waarin aangescherpte duurzaamheidscriteria zijn opgenomen voor de biomassa die in bepaalde installaties gebruikt wordt. Dit zorgt voor een onzekerheidsbandbreedte voor het bruto energetische eindverbruik van biomassa. In tabel 8.1.2 is daarom het bruto energetisch eindverbruik van de verschillende biomassa-vormen exclusief en inclusief dit onzekere deel weergegeven. De aangescherpte duurzaamheidscriteria voor biomassa zijn niet van toepassing voor:

  • Installaties die (biogeen) huishoudelijk afval gebruiken (afvalverbrandingsinstallaties)
  • Installaties die vaste biomassa gebruiken en een thermisch ingangs vermogen onder de 20 MW hebben (alle houtkachels bij huishoudens zijn hierdoor uitgezonderd en een groot deel van de houtketels bij bedrijven).
  • Installaties op biogas met een thermisch ingangs vermogen onder de 2 MW
  • Vloeibare biotransportbrandstoffen (deze moeten aan andere duurzaamheidscriteria voldoen)

Het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is in de regel lager dan het primair verbruik van biomassa (8.1.1 en 8.1.2). Dat betekent dat 1 joule biomassa minder dan 1 joule fossiele energie uitspaart. Dit komt doordat het energetisch rendement van de installaties die biomassa verbruiken relatief laag is ten opzichte van de fossiele referentie. Het sterkst speelt dit bij afvalverbrandingsinstallaties en bij houtkachels in huishoudens. Omdat het bruto eindverbruik de basis is voor de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie kan deze in de gevallen waar er een onzekerheid is niet worden berekend. Voor de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is geen complete levenscyclusanalyse (LCA) uitgevoerd (RVO en CBS, 2022), omdat dat ingewikkeld is en omdat er veel gegevens voor nodig zijn.

Groen gas

Groen gas is biogas dat is opgewerkt tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Soms wordt ook ruw biogas tot groen gas gerekend of biogas dat wordt opgewerkt tot Compressed Natural Gas (CNG) voor verbruik in vervoer. Hier gaat het alleen over groen gas dat geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Directe injectie van ruw biogas in het aardgasnet kan niet, onder andere omdat de verbrandingswaarde van biogas een stuk lager is.

8.1.3 Groen gasproductie uit biogas (Miljoen kubieke meter)
Biogas uit stortplaatsen Biogas rioolwaterzuiveringsinstallaties Biogas, co-vergisting van mest Overig biogas
00 17,35 0 0 0
01 15,23 0 0 0
02 13,08 0 0 0
03 9,98 0 0 0
04 13,78 0 0 0
05 14,09 0 0 0
06 14,06 0 0 0
07 13,18 0 0 0
08 12,51 0 0 0
09 12,23 0 0 0
10 10,9 0 0 0
11 9,98 0 0 7,2
12 7,8 0 0 19,84
13 5,47 0 0 41,71
14 7,3 0 0 54,38
15 5,88 0 0 73,84
16 4,61 0 0 78,2
17 4,96 0 0 92,99
18 4,01 2,37 20,16 80,09
19 4,55 3,57 50,52 83,6
20 4,96 9,13 86,54 100,41
21** 4,48 18,5 112,29 89,79
**Nader voorlopige cijfers

Op stortplaatsen wordt al jaren groen gas gemaakt. De biogasproductie op stortplaatsen loopt echter terug, omdat er nog maar weinig afval voor lange tijd wordt gestort. Het meeste biogas voor groen gas is afkomstig van andere bronnen zoals vergisters van afvalverwerkingsbedrijven, industrie en landbouw. In de jaren na 2011 zijn er telkens nieuwe projecten bijgekomen met groen gas productie uit overig biogas. In de laatste jaren neemt ook de productie van groen gas uit mestvergisting toe. In 2021 groeide de totale productie van groen gas met 12 procent naar 225 miljoen kubieke meter. Dit komt overeen met iets meer dan vijf promille van het totale aardgasverbruik in Nederland.

De groei in de productie van groen gas heeft vooral te maken met de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE(+)(+)), die, in tegenstelling tot de voorgaande MEP, ook open staat voor groengasprojecten. Eind 2021 waren er 72 projecten met een beschikking in gebruik met een gezamenlijk vermogen van 375 megawatt (RVO, 2022a). Ook de mogelijkheid om groen gas mee te laten tellen voor het voldoen aan de verplichting voor hernieuwbare energie voor vervoer, in plaats van SDE-subsidie, is een stimulans voor de productie. In 2021 werd 1,7 PJ voor dat doel ingezet.

Het bruto energetisch eindverbruik van groen gas wordt berekend door uit de Europese energiestatistieken voor Nederland af te leiden welk deel van het primair aardgasverbruik leidt tot bruto energetisch eindverbruik (Eurostat, 2011). Sinds eind 2018 is voor deze verdeling daarnaast mogelijk om onder bepaalde voorwaarden groen gas administratief over te boeken naar de sector vervoer (zie ook paragraaf 2.4). De gebruikte methode is geïmplementeerd in de tool SHARES van Eurostat en zit er op dit moment als volgt uit:

  1. Bepaal hoeveel groen gas dat is ingevoed in het nationale net wordt overgeboekt naar vervoer. In 2021 was dit 25 procent van alle groen gas.
  2. Verdeel de rest van het groen gas over vijf bestemmingen, evenredig met de bestemmingen van aardgas:
    • energetisch eindverbruik voor warmte. Dit is verbruik in warmteketels plus de warmte uit aardgasinzet in warmtekrachtinstallatie
    • energetisch eindverbruik voor elektriciteit. Dit is de productie van elektriciteit uit aardgas
    • energetisch eindverbruik voor vervoer. Dit is de levering van aardgas voor vervoer
    • niet-energetisch eindverbruik , vooral voor de productie van kunstmest
    • transformatieverliezen, vooral voor de productie van elektriciteit al dan niet in combinatie met warmte.

De eerste drie bestemmingen vallen onder het bruto energetisch eindverbruik voor de RED I uit 2009 (Europees Parlement en Raad, 2009). In 2021 telde 83 procent van het groen gasproductie als bruto energetisch eindverbruik, waarvan 46 voor warmte, 12 voor elektriciteit en 25 voor vervoer. Op moment van schrijven van deze publicatie is het niet duidelijk hoe de nieuwe duurzaamheidscriteria zullen worden toegepast op het bruto eindverbruik van groen gas. Bij de genoemde getallen is verondersteld dat alle geproduceerde groen gas aan de duurzaamheidscriteria voldoet.

In eerste instantie is het misschien wat tegen intuïtief dat niet alle groen gas meetelt bij het verbruik van hernieuwbare energie. Echter, het aardgasverbruik telt ook niet volledig mee bij het bepalen van de noemer voor het berekenen van het aandeel hernieuwbare energie.

Duurzaamheid biomassa

Biomassa telt als bron voor hernieuwbare energie omdat de CO2‑emissie die vrijkomt bij het verbruik van biomassa gecompenseerd wordt door CO2‑vastlegging bij de groei van planten die weer zorgt voor nieuwe biomassa (kortcyclische CO2). Toch zijn er ook zorgen over de duurzaamheid van het gebruik van biomassa. Het gaat dan vaak over de bescherming van tropische bossen, de CO2‑effectiviteit over de hele keten, de lange tijd die er nodig is om nieuwe bomen te laten groeien en effecten op voedselprijzen. In de RED I uit 2009 zijn duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa en biogas voor vervoer. Dat heeft tot gevolg dat vanaf 2011 vloeibare biomassa die niet voldoet aan de criteria, niet meetelt voor de realisatie van de doelstelling en ook geen steun mag ontvangen van nationale regeringen via een subsidie, een korting op de accijns of een verplichting.

In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED II), welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is afgesproken om voor installaties op vaste en gasvormig biomassa boven een bepaalde capaciteitsgrens wel duurzaamheidscriteria te gaan hanteren. Bij het schrijven van deze publicatie was er nog onduidelijkheid over overgangsregels voor bestaande installaties en voor groen gas. Dat heeft tot gevolg dat er een onzekerheid is in de cijfers voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare energie (het bruto eindverbruik) zoals ook beschreven in hoofdstuk 2 van deze publicatie en in Aandeel hernieuwbare energie daalt ondanks stijging zon- en windenergie (cbs.nl)).

Vanaf 2012 heeft de Nederlandse Emissieautoriteit gecontroleerd of biobrandstoffen voor vervoer die opgevoerd zijn voor de nationale bijmengplicht voldoen aan de duurzaamheidcriteria uit de RED (NEa, 2015). Het CBS heeft gegevens per bedrijf ontvangen van de NEa en vergeleken met eigen gegevens over biobrandstoffen. Daaruit is naar voren gekomen dat nagenoeg alle Nederlandse biobrandstoffen die geleverd zijn voor vervoer in Nederland voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Voor vloeibare biomassa in stationaire installaties geldt al meerdere jaren dat ze alleen SDE subsidie kunnen krijgen als ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Bij de uitvoering van deze subsidieregeling controleert RVO of de gebruikte biomassa adequaat is gecertificeerd en CBS ontvangt van RVO informatie over de hoeveelheid hernieuwbare energie met gecertificeerde biomassa.

In juni 2022 is de laatste editie van een rapportage gepubliceerd door het Platform Bio-Energie (PBE) in samenwerking met RVO over het verbruik van hout in energie-installaties voor elektriciteit en warmte. Deze rapportage en voorgaande zijn in opvolging gemaakt van de Green Deal Duurzaamheid Vaste Biomassa die in 2015 afliep.

De bedrijven waar de installaties (vanaf 1 megawatt) in gebruik zijn, hebben net als tijdens de Green Deal op vrijwillige basis aan het onderzoek meegewerkt (respons: 68 procent). De deelnemende partijen beogen met de jaarlijkse rapportage bij te dragen aan de gewenste openheid over de omvang, aard, herkomst en duurzaamheidsaspecten van de gebruikte biomassa. Zij hopen daarnaast dat de rapportage het draagvlak voor deze vorm van hernieuwbare energie bevordert. Deze rapportage heeft betrekking op vaste – houtachtige – biomassa die in 2021 direct of indirect is ingezet om elektriciteit en/of warmte op te wekken.

Uit het rapport blijkt het grootste aandeel houtige biomassa (36% van in totaal 5,2 miljoen ton) afkomstig is uit eigen land. 28 procent komt uit Noord-Oost Europa (Baltische staten, Rusland of Wit-Rusland). Duitsland en België zijn verantwoordelijk voor 8% van de ingevoerde biomassa. Het overgebleven deel (ruim een kwart) komt uit Noord-Amerika. Vrijwel alle gebruikte houtige biomassa bestaat uit resthout dat vrijkomt bij onderhoud van bos, landschap en gemeentelijk groen, bij timmerfabrieken, uit bouw- en sloopwerkzaamheden en dergelijke. Niet opgenomen in deze rapportage zijn: gasvormige of vloeibare biobrandstoffen, fossiele brandstoffen of andere vaste biomassa (PBE/RVO, 2022).

Ook weer voor 2021 was er een aparte rapportage over de aard, herkomst en certificering van biomassa die is meegestookt in kolencentrales (CE, 2022). In tegenstelling tot de rapportage van PBE en RVO worden andere installaties die houtige biomassa gebruiken hier niet meegenomen. Uit de rapportage van CE volgt dat de kolencentrales in 2021 vooral houtpellets meestoken, waarvan ongeveer de helft uit Noord-Amerika kwam en ongeveer 32 procent uit EU-landen. De overige 21 procent is afkomstig uit Europese landen die niet tot de EU behoren (inclusief Rusland). In 2021 bestond 92,6 massaprocent van de meegestookte biomassa uit biogene rest- en afvalstromen (categorie 5), 6,4% uit houtige biomassa uit bosbeheereenheden kleiner dan 500 hectare (categorie 2) en 1,1 procent uit houtige biomassa uit bosbeheereenheden groter dan 500 hectare (Categorie 1).

Op nationaal niveau is discussie over de wenselijkheid van biomassa de laatste jaren geïntensifieerd, wat heeft geresulteerd in een SER advies over biomassa (SER, 2020), waarin de SER de overheid adviseert om het verbruik biomassa voor warmte met lage temperaturen (verwarming van gebouwen) af te bouwen en de regering is voornemens dit advies over te nemen (EZK, 2022). Lastig is wel dat alternatieven voor biomassa voor het halen van de (internationaal afgesproken) duurzaamheidsdoelen een stuk duurder zijn en dat de opschaling daarvan nog veel onzekerheden kent (PBL, 2020b). Vanwege de verontreinigende emissies heef de overheid de ISDE subsidie (voor kleinere systemen bij woningen en bedrijven) met ingang van aanvragen al met ingang 2020 stopgezet (Staatscourant, 2019).

Aanbod van vaste biomassa

Het binnenlands verbruik van vaste biomassa, in hoofdzaak houtachtige producten uit reststromen, kon in de periode 2014 tot en met 2018 geheel voorzien worden vanuit binnenlandse productie. Per saldo was Nederland in deze periode exporteur van vaste biomassa voor energie. In 2013 was dat niet het geval toen houtpellets op grote schaal werden geïmporteerd, voornamelijk voor de bij- en meestook in elektriciteitscentrales.

Vanaf 2019 is Nederland weer netto-importeur van houtpellets geworden. In 2020 groeide het binnenlands verbruik van vaste biomassa naar 94 petajoule, dat is 45 procent meer dan in 2019. Met name het verbruik van houtpellets nam toe door de toename in meestook van biomassa bij centrales. Voor een verdere uitsplitsing van de vaste biomassa zie Balans vaste biomassa voor energie, 2013–2020 (cbs.nl). Voor 2021 zijn nog niet voldoende data beschikbaar om de tabel van een update te voorzien, hoewel op basis van de data van CE (2022) het aannemelijk lijkt dat de invoer van houtpellets wederom is toegenomen in 2021.

In de volgende paragrafen van deze publicatie wordt nader ingegaan op het verbruik van andere niet-houtachtige biomassa zoals huishoudelijk afval en biogas.

8.2Afvalverbrandingsinstallaties

Afval dat verbrand wordt door afvalverbrandingsinstallaties is op energiebasis voor ongeveer de helft van biogene oorsprong. Daarom telt ongeveer de helft van de energieproductie door afvalverbrandingsinstallaties als hernieuwbare energie. In Nederland zijn er twaalf afvalverbrandingsinstallaties. Deze grote installaties waren in 2021 goed voor 7 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.2.1 Verbrand huishoudelijk afval (TJ)
Hernieuwbaar huishoudelijk afval Niet-hernieuwbaar huishoudelijk afval
1990 13205 9635
1991 12929 9621
1992 12915 9621
1993 14528 11346
1994 13667 11283
1995 15450 13204
1996 19559 17641
1997 22981 21073
1998 24465 22790
1999 25417 24167
2000 25512 24255
2001 24637 24459
2002 25510 26063
2003 25059 28259
2004 26066 29393
2005 26659 30063
2006 26616 28834
2007 27845 30165
2008 30549 31797
2009 32441 31168
2010 34208 30335
2011 37360 31827
2012 39794 31266
2013 40689 33291
2014 40265 34301
2015 40770 33357
2016 42282 36018
2017 40415 35840
2018 38657 35683
2019 38480 34124
2020 38845 33090
2021** 39934 34018
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) toont vanaf 2009 tot en met 2017 een duidelijke stijging. Tot en met 2011 had de stijging vooral te maken met het in gebruik nemen van nieuwe installaties, daarna kwam de stijging door nieuwe leidingen voor leveringen van stoom aan nabijgelegen industrie en warm water vooral voor bestaande stadsverwarmingsnetten. Bij veel installaties werd de warmte nog lang niet volledig benut, waardoor de extra warmteleveringen slechts in beperkte mate ten koste gingen van de elektriciteitsproductie. In 2021 is er bijna 74 petajoule afval verbrand, iets meer dan in 2020.

Vanaf 1990 tot en met 2002 is het biogene aandeel van het verbrande afval langzaam gedaald. Dat had te maken met het opkomen van het apart inzamelen van groente-, fruit- en tuinafval. In 2003 kwam aan deze daling een eind en tot en met 2012 steeg de biogene fractie weer om tot 2016 min of meer constant te blijven (rond 55%). Een betere scheiding van het plastic afval speelde daarbij een rol (Agentschap NL, 2013). In 2020 was het aandeel 54 procent; dit percentage is overgenomen voor de berekeningen over 2021.

Voor huishoudelijk afval is de import belangrijk. Reden daarvoor is dat de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties de laatste jaren is uitgebreid en dat het binnenlandse aanbod van afval is afgenomen. Om de investering in de dure installaties terug te verdienen is het voor de bedrijven van belang om de installatie zoveel mogelijk te gebruiken. Dankzij de nabijheid van zeehavens is het relatief goedkoop om afval te importeren uit Europese landen waar de capaciteit voor verwerking van afval schaars is. Per 1 januari 2020 is een importheffing op buitenlands afval ingevoerd als onderdeel van het Urgenda-pakket om CO2‑uitstoot in Nederland te beperken. De Vereniging Afvalbedrijven heeft in 2019 een onderzoek laten uitvoeren dat aantoonde dat de importheffing geen CO2‑besparing oplevert in Nederland (PwC, 2019). Een onderzoek van TNO ondersteunt dit: de gevolgen van het storten van het niet-geïmporteerde afval in het land van herkomst leiden op Europees niveau tot meer CO2‑uitstoot (TNO, 2020a). Afvalbedrijven voorspelden ook dat het economisch onaantrekkelijk zou worden om afval te importeren door de nieuwe heffing (Vereniging Afvalbedrijven, 2019).Tot zo ver is dit nog niet terug te zien in de cijfers over 2020 en 2021. De cijfers over 2021 zijn nog voorlopig.

8.2.2Afvalverbrandingsinstallaties: vermogen, energiebalans
Elektriciteit Warmte Fossiele brandstoffen
vermogen bruto productie verbruik netto productie productie verbruik
MW mln kWh mln kWh mln kWh TJ TJ
1990 196 933 134 799 3 325 0
2000 394 2 520 565 1 956 7 129 796
2010 586 3 376 701 2 675 11 194 950
2015 649 3 676 823 2 853 23 157 935
2019 778 3 928 812 3 116 15 201 703
2020** 780 4 061 766 3 296 14 874 677
2021** 780 3 973 795 3 178 17 644 685

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers

8.2.3Afvalverbrandingsinstallaties: hernieuwbare fractie en hernieuwbare energie
Bruto energetisch eindverbruik Effect
elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1990 1 942 2 203 4 145 6 453 432
2000 4 578 4 548 9 126 12 420 835
2010 6 348 7 708 14 056 17 436 1 115
2015 7 188 13 523 20 711 26 462 1 783
2019 7 493 9 154 16 647 20 806 1 271
2020** 7 895 9 122 17 018 21 447 1 214
2021** 7 723 10 539 18 263 22 623 1 280

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Afvalverbrandingsinstallaties; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Het verschil tussen de bruto en de netto elektriciteitsproductie is bij de AVI’s groter dan bij de andere conversietechnieken (StatLine – Afvalverbrandingsinstallaties; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)). Dit komt vooral doordat de AVI’s veel elektriciteit gebruiken voor rookgasreiniging. Sommige AVI’s gebruiken ook redelijk wat fossiele brandstoffen en warmte voor rookgasreiniging. Het verbruik van fossiele brandstoffen wordt verdisconteerd in de berekening van de productie van hernieuwbare elektriciteit en warmte (RVO en CBS, 2022).

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.1 Afvalverbrandingsinstallaties uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

Afvalverbrandingsinstallaties zijn verbrandingsinstallaties die geschikt zijn voor gemengde afvalstromen. Installaties die ontwikkeld zijn voor specifieke afvalstromen, zoals de thermische conversie-installatie in Duiven voor papierslib en de afvalhoutverbranders bij Twence in Hengelo, de AVR Rijnmond en de Huisvuilcentrale in Alkmaar, worden niet meegenomen bij de afvalverbrandingsinstallaties. Deze installaties tellen wel mee voor de hernieuwbare energie, maar dan bij de bedrijven die biomassa stoken voor elektriciteit (8.4).

De belangrijkste bron voor het bepalen van de (hernieuwbare) energieproductie uit afvalverbranding zijn rapportages die de AVI’s leveren aan Rijkswaterstaat Leefomgeving voor de WAR en de vaststelling van de R1‑status (‘nuttige toepassing’). De eventuele ontbrekende gegevens zijn bijgeschat op basis van milieujaarverslagen.

Op basis van de vergelijking tussen de milieujaarverslagen en de R1‑rapportages schat het CBS de onnauwkeurigheid in de geleverde energieproductie van de AVI’s op ongeveer 5 procent. De niet verkochte warmte is relatief gezien wat onzekerder, omdat het complex kan zijn om de stromen op een eenduidige manier af te bakenen. Alles bij elkaar genomen ligt de grootste onzekerheid in de hernieuwbare energie uit AVI’s bij de bepaling van de biogene fractie. Deze onzekerheid wordt geschat op 10 procent.

8.3Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Bij het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales gaat het om centrales die kolen gebruiken als hoofdbrandstof. Een gedeelte van deze kolen kan vervangen worden door verschillende soorten biomassa. Omdat alle installaties waarin biomassa wordt meegestookt een vermogen boven de grens van 20 MW uit de RED II hebben telt de inzet van biomassa na juni 2021 wellicht niet mee voor het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie. Door deze onzekerheid ligt de bijdrage van meestoken van biomassa in 2021 tussen de 5–10 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.3.1 Inzet biomassa bij- en meestoken centrales (TJ)
Bij- en meestoken biomassa in centrales
1995 33
1996 376
1997 357
1998 906
1999 1403
2000 1755
2001 5408
2002 9866
2003 7127
2004 14123
2005 30522
2006 29445
2007 15702
2008 19692
2009 22788
2010 28545
2011 27855
2012 26295
2013 15691
2014 8173
2015 4675
2016 4083
2017 4883
2018 5674
2019 15525
2020 40359
2021** 56488
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

De ontwikkeling van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales verliep in de periode 2003–2012 met horten en stoten. Aanvankelijk zorgden technische aanpassingen van de centrales voor groei, maar halverwege de periode zorgde de afbouw van de MEP-subsidie voor stagnatie. Tussen 2013 en 2015 waren er geen subsidieregelingen die het meestoken van biomassa bij kolencentrales aantrekkelijk maakten.

In 2016 en 2017 zijn in het kader van SDE+ weer nieuwe subsidieaanvragen voor het meestoken van biomassa in grote installaties geaccepteerd (RVO, 2022a). Sindsdien is er een duidelijke groei te zien. In 2021 werd ruim 56 petajoule aan biomassa meegestookt in de elektriciteitscentrales. Dat was 40 procent meer dan in 2020 en ook de grootste hoeveelheid meegestookte biomassa sinds deze techniek wordt toegepast. Desondanks daalde het aandeel biomassa in kolencentrales van 39 procent in 2020 naar 32 procent in 2021, omdat de kolencentrales veel meer werden ingezet. (Meer elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, minder uit fossiele bronnen (cbs.nl))

8.3.2Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales
Bruto energetisch eindverbruik Effect
elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1995 15 1 16 33 3
2000 748 15 763 1 755 166
2010 11 653 1 267 12 920 28 545 2 703
2015 1 849 35 1 884 4 675 443
2019 6 715 1 210 7 925 15 525 1 470
2020** 17 144 2 542 19 687 40 359 3 822
2021** volgens RED1) 11 197 1 927 13 124 . .
2021** onzeker volgens RED1) 13 070 1 407 14 477 . .

Bron:CBS

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.

1)Renewable Energy Directive (RED II)/EU-Richtlijn uit 2018

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Meestoken in centrales; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.5 Bij- en meestook van biomassa in elektriciteitscentrales uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

Voor de inzet van biomassa is gebruik gemaakt van de opgaven van bedrijven uit de CBS-enquêtes. De gegevens uit de administratie van CertiQ en de CBS-enquêtes zijn op individueel niveau met elkaar geconfronteerd. De onnauwkeurigheid in de hernieuwbare energie uit het meestoken van biomassa in centrales wordt geschat op 5 procent.

8.4Stoken van biomassa voor elektriciteit en warmte (WKK) bij bedrijven

Het gaat hier om installaties die vaste of vloeibare biomassa verbranden voor de productie van elektriciteit, meestal in combinatie met warmteproductie, uitgezonderd het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales. De belangrijkste groep zijn de vier installaties voor het verbranden van afvalhout in Hengelo, Alkmaar, Rotterdam en Delfzijl. Daarnaast gaat het om het verbranden van diverse afvalstromen zoals kippenmest of papierslib in installaties die speciaal ontworpen zijn voor deze soort biomassa en meerdere kleinschalige installaties die vooral schoon resthout verbranden. Voor deze kleine installaties is vaak warmte het hoofdproduct en elektriciteit het bijproduct.

De ongeveer dertig installaties waren in 2021 goed voor 4–6 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie. De onzekerheid rondom toepassing van duurzaamheidscriteria voor biomassa zorgt voor de bandbreedte; de installaties die de vermogensgrens van 20 MW overschrijven zijn in de tweede helft van 2021 niet meegenomen bij de lage variant.

8.4.1 Inzet biomassa voor elektriciteit en warmte bij bedrijven (TJ)
Biomassaketels bedrijven, WKK
00 3333
01 3510
02 3114
03 3025
04 3094
05 3524
06 3677
07 3981
08 9929
09 13152
10 12725
11 10138
12 12482
13 13436
14 14127
15 16624
16 18075
17 18934
18 18524
19 22156
20 24062
21** 25946
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

De jaarlijkse productie van individuele installaties kan sterk fluctueren door het al dan niet optreden van storingen en de noodzaak tot onderhoud. De biomassa verbruikt in deze installaties kent een stabiele groei sinds 2011. MEP-subsidie is de belangrijkste subsidieregeling geweest voor het bouwen van installaties in deze categorie. De SDE-subsidieregeling heeft nog niet geleid tot veel grote nieuwe installaties. Wel is er met steun van de SDE een aantal kleinere installaties bijgekomen die vooral warmte leveren. Nieuw is ook dat bestaande installaties met steun van de SDE worden aangepast en (veel) warmte gaan leveren. Belangrijk in 2017 was de aansluiting van de afvalhoutverbrander in Delfzijl op het lokale stoomnet. Sinds 2018 leveren de drie andere grote installaties voor het verbranden van afvalhout (in Alkmaar, Hengelo en Rotterdam) warmte aan stadsverwarming, voor een gedeelte in plaats van leveringen van warmte door afvalverbrandingsinstallaties.

8.4.2Stoken van biomassa in WKK-installaties bij bedrijven
Aantal installaties Bruto energetisch eindverbruik Effect
aantal einde jaar elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1990 . 124 233 357 574 37
2000 4 843 188 1 031 2 166 151
2010 18 3 653 784 4 436 8 481 562
2015 19 4 995 1 464 6 459 11 909 900
2019 33 3 500 10 600 14 100 14 059 842
2020** 33 3 679 10 913 14 592 14 243 805
2021** volgens RED1) . 1 936 7 864 9 800 . .
2021** onzeker volgens RED1) . 1 809 3 592 5 401 . .

Bron:CBS

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.

1)Renewable Energy Directive (RED II)/EU-Richtlijn uit 2018

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - biomassaketels bedrijven, WKK; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.4 Decentrale elektriciteitsproductie uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

Voor de elektriciteits- en warmteproductie is CertiQ de belangrijkste bron, met informatie uit de winning- en omzettingsenquêtes van het CBS als aanvulling. Als verdere aanvulling en controle is gebruik gemaakt van milieujaarverslagen. De onzekerheid in de hernieuwbare energie uit de decentrale biomassaverbranding voor elektriciteit wordt geschat op ongeveer 10 procent.

8.5Stoken van biomassa voor warmte bij bedrijven

Biomassa kan in vaste en vloeibare vorm (afvalhout, slachtafval, papierslib) verstookt worden in ketels en kachels voor warmteproductie. Zo heeft de houtverwerkende industrie al jaren houtketels waarin de bedrijven hun eigen afvalhout stoken. Sinds 2006 hebben ook steeds meer bedrijven uit de intensieve veehouderij houtketels voor het verwarmen van stallen. In de meeste gevallen wordt de warmte door de producent zelf verbruikt, maar de laatste jaren worden biomassa warmteketels ook voor stadsverwarming gebruikt. Er is ook een aantal biomassaketels voor stadsverwarming die naast warmte ook wat elektriciteit leveren. Deze installaties tellen mee bij ‘Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven’ (paragraaf 8.4).

Het stoken van biomassa voor warmte draagt in 2021 voor 5–6 procent bij aan het totale verbruik van hernieuwbare energie.

8.5.1 Inzet vaste en vloeibare biomassa voor warmte bij bedrijven (TJ)
Hout Overige vaste en vloeibare biomassa
00 1850 362
01 1834 434
02 1817 711
03 1803 1033
04 1787 1899
05 2001 2104
06 2555 2946
07 3048 3097
08 3294 3140
09 3487 3024
10 3499 1979
11 3637 1585
12 3793 1551
13 4050 1436
14 4670 2952
15 5246 3581
16 6169 3529
17 6521 3476
18 7408 4629
19 9170 4001
20 11244 3872
21** 12618 4446
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

In 2021 groeide de inzet van biomassa met 13 procent en de warmteproductie met 19 procent; in 2020 was dat respectievelijk 15 procent en 10 procent.

Steeds meer warmte wordt geproduceerd, vooral door energiebedrijven, voor gebruik door derden. Bijvoorbeeld voor stadverwarming. De inzet van biomassa voor die ‘verkochte warmte’ steeg in 2021 met 26 procent naar 5 petajoule.

8.5.2Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor warmte bij bedrijven
Warmte-productie Bruto eindverbruik Effect
totaal wv. verkochte warmte totaal bruto eindverbruik vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
Totaal
1990 1 208 0 1 725 1 342 76
2000 1 724 0 2 212 1 916 109
2010 4 568 0 5 477 5 076 287
2015 7 771 784 8 692 8 634 488
2019 10 724 2 345 12 567 11 916 674
2020** 11 751 3 964 14 163 13 697 773
2021** 14 038 4 985 . . .
2021** volgens RED1) . . 13 211 . .
2021** onzeker volgens RED1) . . 2 504 . .
Hout
2019 7 795 . 8 868 8 498 481
2020** 9 558 . 10 746 9 859 558
2021** 10 691 . . . .
Overige vaste en vloeibare biomassa
2019 3 076 . 3 858 3 418 193
2020** 2 991 . 3 407 3 198 181
2021** 3 348 . . . .

Bron:CBS

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.

1)Renewable Energy Directive (RED II)/EU-Richtlijn uit 2018

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - biomassaketels bedrijve, warmte; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

8.5.3 Warmteproductie van houtketels voor warmte bij bedrijven naar sector (TJ)
Houtindustrie Meubelindustrie Bouw Handel Landbouw Energiebedrijf Overig
2010 722 305 59 177 1506 0 194
2011 727 295 60 184 1620 0 193
2012 685 288 75 202 1723 19 211
2013 650 257 69 163 1988 65 231
2014 820 221 69 125 2066 356 264
2015 781 188 84 117 2133 732 346
2016 854 168 91 136 2374 961 524
2017 489 129 106 128 2983 920 644
2018 426 107 114 122 3755 1075 699
2019 431 98 133 139 4487 1714 793
2020 425 88 144 162 4986 2823 929
2021** 374 68 146 168 5365 3642 928
**Nader voorlopige cijfers
8.5.4Opgesteld thermisch vermogen en warmteproductie van houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar sector
2005 2010 2015 2019 2020** 2021**
Thermisch vermogen MW
Houtindustrie 131 134 121 77 73 63
Meubelindustrie 61 56 35 18 16 12
Bouw 9 11 16 25 26 27
Handel 43 33 22 25 30 31
Landbouw 23 139 205 428 518 478
Energiebedrijf 0 0 62 135 213 224
Overig 18 36 62 115 138 138
Totaal 284 409 522 823 1 015 973
Warmteproductie TJ
Houtindustrie 705 722 781 431 425 374
Meubelindustrie 331 305 188 98 88 68
Bouw 48 59 84 133 144 146
Handel 230 177 117 139 162 168
Landbouw 244 1 506 2 133 4 487 4 986 5 365
Energiebedrijf 0 0 732 1 714 2 823 3 642
Overig 98 194 346 793 929 928
Totaal 1 655 2 964 4 381 7 795 9 558 10 691

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers

8.5.5Opgesteld aantal en vermogen houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar vermogensklasse
≤0,1 MW >0,1 t/m 0,5 MW >0,5 t/m 1,0 MW >1 MW Totaal
Aantal
2005 425 140 53 89 707
2010 1 671 347 73 87 2 178
2015 2 186 545 93 74 2 898
2019 3 589 1 312 140 71 5 112
2020** 3 650 1 523 143 79 5 395
2021** 3 277 1 486 135 75 4 973
Vermogen MW
2005 24 48 38 174 284
2010 94 92 52 171 409
2015 121 138 68 195 522
2019 187 284 103 249 823
2020** 188 333 105 390 1 015
2021** 165 327 98 383 973

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers

8.5.6Houtketels voor warmte bij bedrijven naar provincie, 2021**
Vermogen Warmteproductie
MW TJ
Groningen 182 18 136
Friesland 539 74 534
Drenthe 241 27 219
Overijssel 608 97 1024
Flevoland 67 104 1360
Gelderland 888 109 852
Utrecht 370 122 2082
Noord-Holland 356 140 1897
Zuid-Holland 403 42 297
Zeeland 74 28 383
Noord-Brabant 837 139 1167
Limburg 409 74 739
Totaal 4 974 973 10 691

Bron:CBS

**Nader voorlopige cijfers

Sinds 2012 komen de grotere ketels (vanaf 500 kW) in aanmerking voor SDE-subsidie. Dat heeft geleid tot een toename van de grotere ketels (groter dan 1 MW). Van 2016 tot 2020 konden particulieren en bedrijven voor klein zakelijk gebruik met subsidie uit de ISDE-regeling een biomassaketel (of pelletkachel) met een vermogen tot en met 500 kW aanschaffen. Met name de zakelijke markt was geïnteresseerd in biomassaketels, de aanvragen namen tot 2019 jaarlijks toe. De ISDE-regeling is gestopt voor aanvragen in 2020; voor zakelijk gebruik (bedrijven) is de regeling per 1 januari 2020 geheel gestopt maar voor particulieren was er een overgangsregeling. Hier is toen ook gebruik van gemaakt: het totale vermogen van de aangevraagde ketels was bijna 17 megawatt in 2020 en volledig bestemd voor woningen. Eind 2021 was het opgestelde vermogen van de biomassaketels iets lager dan eind 2020, een mogelijk gevolg van het stopzetten van de subsidie. De toename van de warmteproductie in 2021 wordt verklaard doordat er gedurende 2020 meerdere grote installaties zijn geplaatst in de landbouw en bij de energiebedrijven (zie tabel 8.5.4). Deze hebben heel 2021 kunnen bijdragen aan de warmteproductie.

In paragraaf 8.1 is aandacht voor de ontwikkelingen op het gebied van de discussie over de wenselijkheid van de toepassing van biomassa als energiedrager.

De meeste houtketels staan in Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel. Dit zijn grote provincies met intensieve veehouderij, de sector met de meeste houtketels. De laatste jaren groeit het vermogen van de energiebedrijven; de provincie Noord-Holland heeft het hoogste vermogen wegens de grote installatie van de stadverwarming in Purmerend.

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.3 Warmteketels bij bedrijven voor vaste en vloeibare biomassa uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

De informatie over de warmteproductie en het brandstofverbruik van de ketels en kachels op brandstoffen anders dan hout komt uit overheidsregistraties zoals een subsidieregeling of milieujaarverslag dan wel uit directe waarneming (bij de grotere installaties) door het CBS.

De gegevens over de aantallen en het vermogen van houtkachels voor warmte bij bedrijven zijn gebaseerd op inventarisaties onder de leveranciers van houtketels en houtkachels groter dan 18 kW. Voor deze inventarisatie stuurt het CBS elk jaar een vragenlijst naar de leveranciers.

De uitsplitsing naar sector is gebaseerd op opgaven van de leveranciers van ketels en kachels. Ook de uitsplitsing naar provincie is gebaseerd op opgaven per installatie van de leveranciers van de ketels en kachels voor installaties groter dan 100 kW. Voor ketels en kachels kleiner dan 100 kW heeft het CBS geen gegevens per installatie. Voor deze ketels is de verdeling gebaseerd op de gemeenten van vestiging van de bedrijven die via de ISDE 2016–2019 een aanvraag voor een biomassaketel hebben gedaan.

Door de non-respons op de CBS-vragenlijst, de onzekerheid over het aantal vollasturen van de houtketels en de timing van het uit gebruik nemen, bevatten de cijfers over de houtketels bij bedrijven een behoorlijke onzekerheid. Deze onzekerheid neemt echter iets af door de groei van het aandeel warmteproductie die volgt uit de data die overgenomen wordt uit de SDE-registratie. Al met al schat het CBS schat de onzekerheid op 30 procent.

8.6Stoken van biomassa door huishoudens

Ongeveer een miljoen huishoudens hebben een houtgestookte installatie. Meestal worden deze installaties niet als hoofdverwarming gebruikt, maar bij elkaar wordt er toch een aanzienlijke hoeveelheid hout verstookt. Voor het eindverbruik van hernieuwbare energie telt de hoeveelheid verstookt hout en dit kwam in 2021 overeen met 6 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland.

Daarnaast verbruiken veel Nederlandse huishoudens af en toe wat houtskool op de barbecue. Dit telt ook als verbruik van hernieuwbare energie. Het gaat om een tiende procent van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.6.1 Inzet biomassa bij huishoudens (TJ)
Openhaarden Inzethaarden Houtkachels Pelletkachels Houtskoolverbruik
00 3165 5171 5421 0 270
01 3127 5088 5453 0 270
02 3090 4998 5498 0 270
03 3050 4894 5972 0 270
04 3011 4785 6835 0 270
05 2972 4672 7750 0 270
06 2952 4483 8689 0 270
07 2938 4295 8875 0 270
08 2856 4214 9182 0 270
09 2777 4154 9563 0 270
10 2700 4115 10013 0 270
11 2624 4080 10439 0 270
12 2549 3357 10763 0 270
13 2472 3157 11113 0 270
14 2397 3002 11120 109 270
15 2322 2849 11092 211 270
16 2247 2701 11040 310 270
17 2174 2562 10875 551 270
18 2103 2421 10713 939 270
19 2008 2266 10421 1313 270
20 1917 2242 10060 1679 270
21** 1845 2239 9780 2054 270
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

8.6.2Biomassa bij huishoudens
Aantal in gebruik Warmte-productie Bruto eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie Vermeden emissie CO2
x 1 000 TJ TJ TJ kton
Totaal
1990 899 4 647 12 851 5 094 289
2000 942 5 929 14 027 6 699 380
2010 981 9 598 17 099 10 339 585
2015 996 10 253 16 743 10 847 613
2019 986 10 627 16 278 11 168 632
2020 983 10 683 16 168 11 215 633
2021** 980 10 820 16 189 11 389 642
Openhaarden
2019 289 201 2 008 211 12
2020 280 192 1 917 202 11
2021** 270 184 1 845 194 11
Inzethaarden
2019 185 1 521 2 266 1 613 91
2020 185 1 529 2 242 1 617 91
2021** 185 1 549 2 239 1 631 92
Houtkachels
2019 455 7 789 10 421 8 168 462
2020 448 7 535 10 060 7 894 445
2021** 451 7 340 9 780 7 726 436
Pelletkachels
2019 57 1 116 1 313 1 175 67
2020 70 1 427 1 679 1 503 85
2021** 74 1 746 2 054 1 838 104
Houtskool (elk jaar)
2000-2021** . 270 . .

Bron:CBS en TNO

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers

Binnen de huishoudelijke houtkachels worden vier soorten onderscheiden: open haarden, inzethaarden, vrijstaande kachels en pelletkachels. De laatste twee groepen worden veel vaker gebruikt en hebben een hoger rendement dan open haarden. Het aantal openhaarden daalt en het aantal inzethaarden blijft min of meer stabiel. Mogelijk door de concurrentie van de toegenomen verkopen van pelletkachels (met ISDE-subsidie tot 2020) daalt het aantal houtkachels. Het totale verbruik van hout door huishoudens is de laatste jaren ongeveer constant.

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.2 Houtkachels bij huishoudens uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

De gegevens voor de aantallen in gebruik zijnde huishoudelijke houtkachels, het houtverbruik en het rendement zijn afkomstig van een model van TNO wat geijkt is met data van CBS uit de energiemodule van WoON-onderzoek (Middelkoop en Segers, 2019).

De verschillen met een schatting van het houtverbruik via de aanbodzijde zijn groot. Zowel de bepaling van het houtverbruik via de aanbodzijde (schatting van de opbrengst van brandhout uit bos, landschap, stedelijk groen en afval) als via de vraagzijde (enquête onder huishoudens) kent veel onzekerheden. Het CBS schat de onzekerheid in het houtverbruik op 30 procent (Middelkoop en Segers, 2019).

De schatting van het houtskoolverbruik is gebaseerd op expertkennis van buiten het CBS. De database van het CBS-Budgetonderzoek bevat ook gegevens over het houtskoolverbruik. Door de beperkte waarneemperiode is het aantal waarnemingen van houtskoolaankopen klein en zit er veel statistische ruis in de uitkomsten. Het CBS schat de onzekerheid in het houtskoolverbruik op 50 procent.

8.7Stortgas

Stortgas is biogas uit stortplaatsen. Het meeste afgevangen stortgas wordt omgezet in elektriciteit. Op vijf stortplaatsen wordt stortgas omgezet in een gas met eigenschappen die sterk lijken op die van aardgas. Dit groen gas wordt vervolgens in het aardgasnet geïnjecteerd. Daarnaast wordt er nog een beetje stortgas direct voor warmtetoepassingen gebruikt. In 2021 leverde het stortgas ongeveer 0,1 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.7.1 Inzet biogas uit stortgas (TJ)
Voor omzetting in elektriciteit/warmte Voor toevoeging aan het aardgasnet Finaal verbruik
1990 221 101 70
1991 392 171 118
1992 512 486 336
1993 895 462 319
1994 1348 407 281
1995 1563 399 276
1996 1777 392 270
1997 1628 376 133
1998 1648 425 147
1999 1669 513 124
2000 1697 549 67
2001 1775 482 46
2002 2037 414 44
2003 1915 316 26
2004 1605 436 0
2005 1463 446 0
2006 1480 445 0
2007 1492 417 0
2008 1462 396 0
2009 1254 387 0
2010 1193 345 0
2011 1048 316 0
2012 916 247 88
2013 789 173 118
2014 637 231 86
2015 550 186 79
2016 466 146 65
2017 430 157 118
2018 312 127 93
2019 188 144 105
2020 172 157 88
2021** 172 157 88
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit stortgas is over haar hoogtepunt heen. De afname wordt veroorzaakt doordat steeds minder afval gestort wordt en het afval dat reeds gestort is steeds minder gas produceert (Rijkwaterstaat, 2015). Sinds 2014 neemt de hoeveelheid gestort afval licht toe (Rijkswaterstaat, 2018). Echter, het is daarmee niet zeker dat hieruit ook meer biogas gewonnen gaat worden. In 2020 is de winning van stortgas afgenomen naar rond de 400 terajoule. Voor 2021 zijn de cijfers nog niet compleet (alleen de cijfers over groen gasproductie zijn bekend, zie figuur 8.1.3) en zijn de cijfers van 2020 overgenomen.

In 2021 zijn er aangescherpte duurzaamheidscriteria in gebruik genomen vanuit de RED II voor installaties boven de 2 MW die biogas gebruiken. Omdat de meeste installaties die biogas uit stortgas verbruiken onder deze grens zitten kon het bruto energetisch eindverbruik zonder problemen worden berekend voor 2021

8.7.2Stortgas
Bruto energetisch eindverbruik Effect
elektriciteit1) warmte1) vervoer1) vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1990 70 157 . 337 22
2000 638 475 . 2 000 135
2010 392 267 . 1 142 74
2015 180 193 13 610 43
2019 99 171 25 368 22
2020** 74 154 35 322 19
2021** 69 160 39 . .

Bron:CBS

1)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is.

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Stortgas; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.6 Biogas uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

Tot en met 1996 komen de gegevens uit de energie-enquêtes van het CBS. Vanaf het jaar 1997 zijn de gegevens afkomstig uit de stortgasenquête in het kader van de Werkgroep Afvalregistratie (Rijkswaterstaat, 2015). Tot en met het verslagjaar 2004 werd deze enquête uitgevoerd door de Vereniging Afvalbedrijven, vanaf 2005 door Rijkswaterstaat Leefomgeving. In deze enquête worden energiegegevens van alle stortplaatsen gevraagd.

De respons op de WAR-enquête is de laatste jaren (bijna) 100 procent. Eventuele ontbrekende gegevens zijn geschat op basis van de wel bekende gegevens. Het bruto eindverbruik van het in aardgas omgezette stortgas is berekend zoals beschreven in 8.1. De onzekerheid in het bruto eindverbruik van energie uit stortgas schat het CBS op 10 procent.

8.8Biogas uit rioolwater­zuiverings­installaties

Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) komt vrij door het vergisten van het uit het zuiveringsproces geproduceerde zuiveringsslib. Slibgisting wordt vooral bij de grotere RWZI’s toegepast. Er zijn ongeveer 330 RWZI’s in Nederland en bij circa 70 RWZI’s wordt biogas gewonnen en nuttig gebruikt. Biogas uit RWZI’s draagt in 2021 ongeveer 1 procent bij aan het eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.8.1 Inzet biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (TJ)
Voor omzetting in elektriciteit/warmte Voor toevoeging aan het aardgasnet Finaal verbruik
1990 891 0 625
1991 1051 0 649
1992 1117 0 492
1993 1194 0 633
1994 1226 0 601
1995 1326 0 508
1996 1258 0 569
1997 1315 0 589
1998 1244 0 553
1999 1331 0 559
2000 1345 0 579
2001 1537 0 530
2002 1674 0 399
2003 1560 0 446
2004 1627 0 407
2005 1575 0 370
2006 1725 0 285
2007 1813 0 185
2008 1818 0 227
2009 1828 0 219
2010 1926 0 175
2011 1995 0 162
2012 2083 0 139
2013 2233 0 188
2014 2205 0 154
2015 2177 0 140
2016 2257 0 167
2017 2135 0 220
2018 2077 75 275
2019 2121 113 331
2020 2175 289 434
2021** 2175 289 434
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie met behulp van biogas uit RWZI’s was ongeveer stabiel tot en met 2010 maar nam daarna langzaam maar gestaag toe tot 2015. In de laatste vier jaar blijft het geleidelijk groeien. In 2020 komt de winning van biogas uit RWZI’s uit op 2,9 petajoule. Voor 2021 zijn de cijfers nog niet compleet (alleen de cijfers over groen gasproductie zijn bekend, zie figuur 8.1.3) en zijn de cijfers van 2020 overgenomen.

In 2021 zijn er aangescherpte duurzaamheidscriteria in gebruik genomen vanuit de RED II voor installaties boven de 2 MW die biogas gebruiken. Omdat de meeste installaties die biogas uit RWZI’s verbruiken onder deze grens zitten kon het bruto energetisch eindverbruik zonder problemen worden berekend voor 2021.

8.8.2Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties
Bruto energetisch eindverbruik Effect
elektriciteit1) warmte1) vervoer1) vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1990 254 1 142 1 026 68
2000 398 1 361 1 467 97
2010 590 1 258 1 508 100
2015 743 1 205 1 940 146
2019 745 1 421 19 2 031 126
2020** 783 1 649 65 2 329 133
2021** 773 1 658 72 . .

Bron:CBS

1)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Biogas uit riolwaterzuiveringsinstallaties; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.6 Biogas uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

De gegevens zijn afkomstig uit de CBS-enquête Zuivering van Afvalwater. De respons op deze enquête is 100 procent. Vanaf het verslagjaar 2011 is het energiegedeelte van deze enquête gecombineerd met de uitvraag voor de Meerjarenafspraken Energiebesparing in samenwerking met Unie van Waterschappen, RVO en Arcadis. De grootste onzekerheid zit in de warmte; deze warmte wordt vaak niet gemeten maar geschat.

Vanaf verslagjaar 2004 is voor het eerst gevraagd om de warmte uit te splitsen naar gebruiksdoel. Het blijkt dat een groot deel van de warmte wordt gebruikt om het productieproces van het biogas op temperatuur te houden. Deze warmte telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik.

Bij tien RWZI’s wordt het biogas omgezet in aardgas. Vanwege de geringe hoeveelheid, mogelijke vertrouwelijkheid van de gegevens en eenvoud werd deze aardgasproductie tot en met 2017 geteld als finaal verbruik van biogas.

De onnauwkeurigheid van de hernieuwbare energie uit biogas van RWZI’s wordt geschat op 10 procent.

8.9Biogas, co- en monovergisting van mest

Co- en monovergisting van mest omvat de productie van biogas uit het vergisten van mest, al dan niet samen met andere plantaardige materialen. Gemakshalve wordt co- en monovergisting van mest ook aangeduid als mestvergisting. Monovergisting van mest komt in kleine hoeveelheden voor, in 2021 was 7 procent van de energieproductie uit mestvergisting afkomstig uit een monovergister (inclusief vergisting met 95%-mestgehalte). Co- en monovergisting van mest leverde in 2021 ongeveer 3 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.9.1 Inzet biogas uit co- en monovergisting van mest (TJ)
Voor omzetting in elektriciteit/warmte Voor toevoeging aan het aardgasnet
2005 85 0
2006 561 0
2007 1772 0
2008 3505 0
2009 5002 0
2010 5445 0
2011 5326 0
2012 5214 0
2013 4977 0
2014 4972 0
2015 5241 0
2016 4966 0
2017 4821 0
2018 4675 638
2019 4462 1599
2020 4237 2739
2021** 4114 3554
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

Na een snelle opkomst van de mestvergisting onder invloed van de MEP-subsidie in de jaren tot en met 2008 vlakte de groei of trad er zelfs een daling op mede door de hoge prijzen van de co-substraten (Peene et al., 2011 en van den Boom en van der Elst, 2013). Daarna groeide het eindverbruik doordat, onder invloed van de aangepaste subsidieregels, er steeds meer warmte geproduceerd door de WKK-installaties. Vanaf 2018 is er voor het sinds lange tijd weer een duidelijke groei van de totale winning en verbruik van biogas uit mestvergisting. Dat hangt vooral samen met de toename van de productie van groen gas. In 2021 werd 46 procent van het biogas uit mest daarvoor ingezet.

In 2021 zijn er aangescherpte duurzaamheidscriteria in gebruik genomen vanuit de RED II voor installaties boven de 2 MW die biogas gebruiken. Omdat de implementatie hiervan nog onzeker is is voor de voorlopige cijfers van 2021 aangenomen dat de helft van het eindverbruik van biogas uit mest voor elektriciteit en warmte mogelijk niet mee mag tellen. Biogas voor vervoer valt onder al lang bestaande certificering qua duurzaamheid volgens de RED en wordt gecontroleerd door de NEa. Dit telt daarom zeker volledig mee.

8.9.2Co- en monovergisting van mest
Aantal locaties Elektriciteit Bruto energetisch eindverbruik Effect
vermogen1) elektriciteit2) warmte2) vervoer2) vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
MW TJ TJ TJ TJ kton
2005 17 5 32 18 80 5
2010 92 98 2 069 1 333 4 990 331
2015 97 133 1 992 2 300 . 5 910 428
2019 95 100 1 947 2 835 277 5 995 371
2020** 95 104 2 032 3 444 623 7 070 412
2021** volgens RED3) . . 996 1 957 886 . .
2021** onzeker volgens RED3) . . 996 1 957 0 . .

Bron:CBS

1)Aan het einde van het verslagjaar.

2)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

3)Renewable Energy Directive (RED II)/EU-Richtlijn uit 2018

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Co-en monovergisting van mest; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.6 Biogas uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

De bruto elektriciteitsproductie van de mestvergisters is bepaald aan de hand van gegevens uit de administratie van de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ.

De certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ of groen gas van Vertogas zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de subsidie of claim voor de verplichting hernieuwbare energie voor vervoer, die weer een noodzakelijke voorwaarde is voor het rendabel exploiteren van mestvergisters. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de administratie van CertiQ en Vertogas samen een nagenoeg volledig beeld geeft van de elektriciteits- en groen gasproductie door biogasinstallaties op landbouwbedrijven. De onzekerheid in de bruto elektriciteits- en groen gasproductie wordt daarom geschat op maximaal 5 procent. De onzekerheid in de warmteproductie is iets groter, omdat de warmte voor de gisting geschat wordt met een kengetal. Het CBS schat de totale onzekerheid in het bruto eindverbruik van co-vergisting van mest op 5 á 10 procent.

8.10Overig biogas

Overig biogas omvat vanaf de jaren negentig biogas uit afvalwater dat gewonnen en gebruikt wordt in de voedingsmiddelenindustrie. Daar wordt via anaerobe afvalwaterzuivering biogas gewonnen dat wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit en/of proceswarmte. Later zijn daar andere natte biomassastromen bijgekomen, zoals groente- fruit- en tuinafval of afval uit de voedingsmiddelenindustrie. Het gaat momenteel om projecten op ongeveer 40 locaties die in 2021 goed zijn voor bijna 2 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

8.10.1 Inzet overig biogas (TJ)
Voor omzetting in elektriciteit/warmte Voor toevoeging aan het aardgasnet Finaal verbruik
1990 45 0 423
1991 57 0 506
1992 78 0 538
1993 102 0 538
1994 81 0 665
1995 129 0 697
1996 177 0 722
1997 134 0 823
1998 154 0 745
1999 235 0 703
2000 274 0 700
2001 272 0 717
2002 336 0 658
2003 391 0 738
2004 327 0 884
2005 405 0 750
2006 573 0 809
2007 795 0 680
2008 1253 0 597
2009 1569 0 679
2010 2243 0 657
2011 2440 228 453
2012 2270 628 580
2013 2331 1320 648
2014 2550 1721 537
2015 2501 2337 482
2016 2371 2475 539
2017 1974 2943 579
2018 2082 2535 957
2019 2322 2646 1125
2020 2297 3178 1416
2021** 2307 2842 1426
**Nader voorlopige cijfers

Ontwikkelingen

8.10.2Overig biogas
Bruto energetisch eindverbruik Effect
elektriciteit1) warmte1) vervoer vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ kton
1990 15 446 0 432 25
2000 61 897 0 928 54
2010 707 1 424 0 2 593 163
2015 1 153 2 958 166 4 615 310
2019 1 139 3 348 459 5 241 319
2020** 1 223 3 675 723 5 774 340
2021** volgens RED2) 540 1 823 709 . .
2021** onzeker volgens RED2) 540 1 823 0 . .

Bron:CBS

1)Inclusief elektriciteit of warmte toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

2)Renewable Energy Directive (RED II)/EU-Richtlijn uit 2018

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers

StatLine - Overig biogas; energieproductie uit biomassa (cbs.nl)

De productie van hernieuwbare energie uit overig biogas nam, met een uitschieter in 2015, gestaag toe; in 2021 nam de inzet van overig biogas af met 5 procent. Dit kwam door een lagere inzet voor de productie van groen gas. De toename tot en met 2010 betreft vooral nieuwe projecten waarbij elektriciteit wordt gemaakt uit biogas. Het opstarten was toen relatief aantrekkelijk vanwege de ondersteuning via de MEP-regeling.

Vanaf 2011 wordt steeds meer overig biogas ingezet voor de productie van aardgas, ook wel groen gas genoemd. De productie van groen gas wordt ondersteund door de SDE–subsidieregeling en de mogelijkheid om groen gas mee te laten voor het voldoen aan de verplichting hernieuwbare energie voor vervoer. Eind 2021 werd op ongeveer 20 locaties groen gas gemaakt uit overig biogas. De productie van groen gas uit overig biogas nam in 2021 af met 11 procent. Groen gas blijft wel de belangrijkste bestemming van het biogas. De inzet van het biogas voor de productie van warmte en elektriciteit via warmtekrachtinstallaties bleef in 2021 nagenoeg gelijk aan 2020.

In 2021 zijn er aangescherpte duurzaamheidscriteria in gebruik genomen vanuit de RED II voor installaties boven de 2 MW die biogas gebruiken. Omdat de implementatie hiervan nog onzeker is is voor de voorlopige cijfers van 2021 aangenomen dat de helft van het eindverbruik van overig biogas voor elektriciteit en warmte mogelijk niet mee mag tellen. Omdat het biogas verbruikt voor vervoer groen gas betreft en dit via andere duurzaamheidscriteria wordt getoetst is dit wel volledig meegenomen.

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.6 Biogas uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

Voor biogas in de industrie berust de waarneming deels op de reguliere CBS-enquêtes voor de winning, omzetting en het gebruik van energie. Non-respons wordt bijgeschat op basis van historische gegevens.

Van veel nieuwere projecten, vaak buiten de industrie, is de elektriciteitsproductie bekend bij CertiQ en de groengasproductie bij Vertogas. Het CBS ontvangt deze productiegegevens van CertiQ en Vertogas en gebruikt de gegevens als basis om de benodigde gegevens uit te rekenen zonder directe waarneming.

Het zwakste punt in de waarneming is de schatting van de warmteproductie, omdat warmte vaak niet wordt verkocht en daarom ook vaak niet wordt gemeten. Het CBS schat de onzekerheid in de hernieuwbare energie uit overig biogas op 10 procent.

8.11Vloeibare biotransportbrandstoffen

Biobrandstoffen voor het wegverkeer zijn duurder dan de op aardolie gebaseerde brandstoffen. Om het verbruik van biobrandstoffen te stimuleren heeft de overheid de leveranciers van benzine en diesel vanaf 2007 verplicht om deze te leveren. Leveranciers kunnen ook (deels) aan deze verplichting voldoen door aardgas voor vervoer te administratief te vergroenen met groen gas certificaten uit Nederland mits over dit productie van dit groene gas geen subsidie wordt verstrekt.

De meeste biobrandstoffen kunnen in pure vorm niet in gewone motoren van wegvoertuigen gebruikt worden. Motoren van bestaande wegvoertuigen draaien wel op met biobrandstoffen bijgemengde benzine en diesel, zolang de bijmengpercentages niet te groot worden. De meeste biobrandstoffen worden daarom in bijgemengde vorm op de markt gebracht.

Het overheidsbeleid voor biobrandstoffen wordt sterk beïnvloed door Europese richtlijnen. Eerst was er de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Brandstoffen in het vervoer uit 2003 (Europees Parlement en de Raad, 2003). In deze richtlijn hebben lidstaten een niet bindende afspraak gemaakt om het aandeel biobrandstoffen op te laten lopen van 2 procent in 2005 tot 5,75 procent in 2010. De richtlijn was aanleiding voor het Besluit Biobrandstoffen (Staatsblad, 2006), dat leveranciers verplichtte om biobrandstoffen te leveren.

Later kwam er discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen. Als voordelen van biobrandstoffen worden genoemd: de reductie van broeikasgasemissies en de verminderde afhankelijkheid van de steeds schaarser wordende fossiele olie, die regelmatig afkomstig is uit landen waarmee de politieke relatie als instabiel wordt ervaren. Als nadeel van biobrandstoffen wordt vaak genoemd dat reductie van broeikasgasemissies maar zeer beperkt is, soms zelfs nihil, als alle, vaak indirecte, effecten worden meegenomen (Europese Commissie, 2012), ook al is het lastig om de indirecte effecten te berekenen. Ook kunnen biobrandstoffen concurreren met voedsel, wat daardoor duurder kan worden. Tot slot kunnen natuurgebieden bedreigd worden door een toename van de teelt van biobrandstoffen.

In de RED I uit 2009 was bindend afgesproken dat in 2020 10 procent van alle energie voor vervoer uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. Hernieuwbare elektriciteit voor vervoer telt daarbij ook mee (zie paragraaf 2.4). Biobrandstoffen voor vervoer zijn de belangrijkste component voor deze vervoersdoelstelling en de verwachting is dat dit voorlopig zo blijft (Rijksoverheid, 2010). Als gevolg van de discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen zijn in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa. Deze criteria moeten waarborgen dat bij de productie van de gebruikte vloeibare biomassa mensen, natuur en milieu voldoende worden beschermd. In 2015 is de Richtlijn aangepast en is afgesproken dat het verbruik van biobrandstoffen uit voedselgewassen beperkt wordt tot 7 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer. Zie ook paragraaf 2.4. Vanaf verslagjaar 2021 geldt de vernieuwde EU Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED II), waarin is opgenomen dat dit aandeel moet oplopen tot 14 procent 2030 volgens een indicatief traject dat lidstaten zelf moeten vaststellen (artikel 25, RED II). De definitie van het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer in RED II is wel anders dan in RED I, zie ook paragraaf 2.4.

In de afgelopen jaren liep de verplichting voor oliebedrijven tot het leveren van biobrandstoffen langzaam op van 4 procent in 2010 tot en met 8,5 procent in 2018 (Besluit Hernieuwbare Energie Vervoer 2015, Staatsblad, 2014), geleidelijk oplopend naar 16,4 procent in 2020 (Besluit Energie Vervoer Staatsblad, 2018). Voor 2021 is dit percentage verder opgelopen naar 17,5 procent (NEa, 2022).

Bedrijven moeten aantonen dat de door hen geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria uit de RED. Dat doen ze door gebruik te maken van certificeringssystemen. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) controleert of bedrijven voldoende gecertificeerde biobrandstoffen op de markt hebben gebracht.

Biobrandstoffen uit afval en houtachtige materialen worden als extra duurzaam gezien. Om het gebruik van deze biobrandstoffen extra te stimuleren mogen deze dubbel geteld worden voor de transportdoelstelling uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Voor de overall doelstelling voor hernieuwbare energie geldt deze dubbeltelling niet. Voor de nationale bijmengplicht geldt een dubbeltelling vanaf het verslagjaar 2009 (Staatscourant, 2009)

In 2021 was de bijdrage van biobrandstoffen voor het wegverkeer aan het totaal bruto eindverbruik van hernieuwbare energie 10 procent.

Ontwikkelingen

8.11.1 Verbruik duurzame vloeibare biotransportbrandstoffen voor vervoer (PJ)
Dubbel tellend Enkel tellend
05 0 0,1
06 0 1,8
07 0 13
08 0 12
09 3,2 12,4
10 3,6 6
11 7 6,5
12 7,4 5,2
13 7,5 4,6
14 8,9 5,2
15 6 6,4
16 5 4,8
17 7,1 5,4
18 14,6 6,4
19 20,2 5,6
20 15,3 6,8
21** 19,7 5,3
**Nader voorlopige cijfers

Het fysieke verbruik van duurzame vloeibare biobrandstoffen is in 2021 gestegen van 24 naar 28 petajoule. Het verbruik van biobenzine bleef ongeveer gelijk aan 2020 en dat van biodiesel nam toe met 21 procent. Bij biodiesel wordt grotendeels gebruik gemaakt van dubbeltellende biobrandstoffen, bij biobenzine voor het grootste deel van enkeltellende. De NEa publiceert jaarlijks een rapport met veel informatie over de herkomst en aard van de biobrandstoffen die meetellen voor de nationale verplichting (NEa, 2022).

Het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer loopt niet gelijk op met de verplichting, onder andere omdat de bedrijven de mogelijkheid hebben om het ene jaar extra hernieuwbare energie op de markt te brengen en deze extra inspanning administratief mee te nemen naar een volgend jaar. Daarnaast bood voor de jaren 2015 tot en met 2017 de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de bedrijven de mogelijkheid om biobrandstoffen te tellen voor de verplichting op een moment dat nog niet zeker was dat ze daadwerkelijk fysiek op de Nederlandse markt zouden komen (het telmoment van het CBS). Met ingang van het verslagjaar 2018 is wet- en regelgeving aangescherpt en zijn de verschillen tussen de bij NEa getelde biobrandstoffen en de door het CBS getelde biobrandstoffen veel kleiner geworden.

Vanaf verslagjaar 2018 is het voor oliebedrijven mogelijk om biobrandstoffen geleverd aan schepen mee te tellen voor de verplichting om hernieuwbare energie voor vervoer te leveren. Als gevolg daarvan worden sinds 2018 ook biobrandstoffen geleverd aan schepen. De meeste van deze schepen varen naar het buitenland en als gevolg daarvan tellen deze leveringen als bunkers, een soort export, en niet bij het verbruik. De hoeveelheid bijgemengde biodiesel in bunkerbrandstoffen is enorm gestegen in 2020, van 2 naar bijna 10 petajoule.

8.11.2Duurzame1) vloeibare biotransportbrandstoffen, afleveringen op binnenlandse gebruikersmarkt
Afleveringen, totaal = Bruto energetisch eindverbruik2), zonder verrekening dubbeltelling Afleveringen, dubbeltellend3), zonder verrekening dubbeltelling Effect
Mobiele werktuigen (telt als warmte) Weg- en railverkeer+binnenvaart (telt als vervoer) Totaal Weg- en railverkeer+binnenvaart (telt als vervoer) Vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ TJ TJ TJ TJ kton
Totaal
2010 9 577 9 577 3 574 9 577 518
2015 923 12 392 13 315 6 033 13 315 845
2016 718 9 718 10 435 4 965 10 435 693
2017 1 022 12 461 13 483 7 062 13 483 935
2018 1 933 20 935 22 868 14 564 22 868 1 604
2019 2 608 25 828 28 437 20 244 28 437 2 083
2020 2 211 22 117 24 328 15 263 24 328 1 742
2021 2 741 24 997 27 738 19 666 27 739 2 204
Biobenzine
2010 5 614 5 614 . 5 614 .
2015 5 950 5 950 . 5 950 323
2016 4 752 4 752 . 4 752 257
2017 5 399 5 399 . 5 399 314
2018 7 146 7 146 . 7 146 415
2019 8 320 8 320 . 8 321 530
2020 9 480 9 480 . 9 481 592
2021 9 765 9 765 . 9 766 720
Biodiesel
2010 3 963 3 963 . 3 963 .
2015 923 6 442 7 365 . 7 365 522
2016 718 4 966 5 683 . 5 683 436
2017 1 022 7 062 8 084 . 8 084 620
2018 1 933 13 788 15 722 . 15 722 1 189
2019 2 608 17 507 20 116 . 20 116 1 553
2020 2 211 12 636 14 847 . 14 847 1 150
2021 2 741 15 231 17 973 . 17 973 1 484

Bron:CBS

1)Vanaf 2011 afgeleid uit opgaven van oliebedrijven aan NEa. In de jaren daarvoor was er nog geen verplichting tot het gebruik van systemen voor certificatie van de duurzaamheid van biomassa. In Europees verband is afgesproken om tot en met 2010 alle vloeibare biomassa als duurzaam te tellen.

2)Volgens de berekening van de doelstelling voor hernieuwbare energie totaal uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009, dus zonder dubbeltelling.

3)Dubbeltellend voor de verplichting uit de wet Hernieuwbare Energie Vervoer en de doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009.

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers.

8.11.3Vloeibare biotransportbrandstoffen1), balans
Productiecapaciteit Aanbod Verbruik Bijmenging
Totaal Productie Netto invoer, puur en bijgemengd Netto invoer, puur Netto invoer, bijgemengd Voorraadmutatie, puur en bijgemengd Bunkers2, puur en bijgemengd Totaal
TJ
Totaal
2010 . 9 577 . . . 940 2 585 . 9 577 8 637
2015 . 13 439 . . . –2 074 498 . 13 439 15 513
2016 . 10 747 . . . –1 492 –684 . 10 747 12 239
2017 . 13 891 . . . –2 944 –4 039 . 13 891 16 835
2018 . 22 993 . . . –2 336 –6 697 698 22 993 26 027
2019 . 28 437 . . . –4 705 146 1 982 28 437 35 124
2020 . 24 329 . . . –10 544 2 042 9 894 24 329 44 778
2021** . 27 739 . . . –4 672 4 726 6 954 27 739 39 365
Biobenzine
2010 . 5 614 . . . 1 010 199 5 614 4 604
2015 . 5 950 . . . –280 57 5 950 6 230
2016 . 5 049 . . . –444 –438 5 049 5 493
2017 . 5 399 . . . –683 –190 5 399 6 082
2018 . 7 146 . . . –456 254 7 146 7 603
2019 . 8 321 . . . –1 416 4 8 321 9 737
2020 . 9 481 . . –2 746 –1 747 9 481 12 227
2021** 9 766 . . –2 102 834 9 766 11 868
Biodiesel
2010 48 322 13 891 14 134 –12 557 –12 487 –70 2 386 . 3 963 4 033
2015 80 512 7 488 60 273 –53 226 –51 431 –1 795 442 . 7 488 9 283
2016 71 299 5 698 54 094 –48 150 –47 102 –1 047 –246 . 5 698 6 745
2017 76 146 8 493 71 373 –59 031 –56 770 –2 261 –3 849 . 8 493 10 754
2018 77 034 15 846 68 043 –44 547 –42 667 –1 880 –6 952 698 15 846 18 424
2019 81 349 20 116 72 832 –50 876 –47 586 –3 289 142 1 982 20 116 25 387
2020 80 930 14 848 73 301 –52 347 –44 539 –7 808 3 789 9 894 14 848 32 551
2021** 86 903 17 973 76 033 –47 213 –44 643 –2 570 3 892 6 954 17 973 27 497

Bron:CBS

1)Het gaat in deze tabel om alle biobrandstoffen, ongeacht of ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Dit in tegenstelling tot tabel 8.11.2 waar het alleen gaat om duurzame biobrandstoffen.

2)Dit zijn leveringen aan schepen die naar het buitenland varen en telt mee als een soort export en niet bij het verbruik.

Een punt (.) betekent dat een cijfer onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim is. Niets (blanco) geeft aan dat een cijfer op logische gronden niet kan voorkomen.

**Nader voorlopige cijfers

In 2021 was de Nederlandse productie van biodiesel ruim 76 petajoule. Dat is veel meer dan het binnenlands verbruik (18 petajoule) en de hoeveelheid in Nederland gebunkerde biobrandstoffen (7 petajoule). Een groot deel van de geproduceerde biodiesel gaat dan ook naar het buitenland.

De productiecapaciteit van de biodieselfabrieken is in 2021, gestegen naar ruim 86 petajoule. Hiermee komt de bezettingsgraad van de installaties voor biodiesel uit op 88 procent.

In Nederland wordt ook biobenzine geproduceerd. Het gaat om bio-ethanol, bio-methanol en bionafta. Er zijn niet zoveel fabrieken voor de productie van biobenzine. Daarom zijn de uitkomsten over de productie vertrouwelijk.

Methode

Zie voor een omschrijving van de methode inclusief rekenvoorbeelden 4.6.7 Vloeibare biotransportbrandstoffen uit Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (RVO en CBS, 2022).

De cijfers over de productie van biobrandstoffen zijn afgeleid uit een enquête van het CBS. De respons op deze enquête was bijna 100 procent. Voor de energie-inhoud is gebruik gemaakt van de standaardwaarden uit de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie.

De waarneming voor de handel, bijmenging en het verbruik van biobrandstoffen is gebaseerd op een combinatie van gegevens uit:

  • de biobrandstoffenrapportages die oliebedrijven inleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
  • de aardoliestatistiek van het CBS.

In het kader van de bijmengplicht leveren oliebedrijven jaarlijks een rapportage aan de overheid over de hoeveelheid voor de markt geclaimde duurzame biobrandstoffen per locatie, inclusief de aard en oorsprong van de grondstoffen van de geleverde biobrandstoffen. Het CBS heeft per bedrijf de fysieke gegevens uit deze rapportages ontvangen van de NEa.

Voor de CBS-oliestatistiek vullen alle belangrijke spelers op de oliemarkt (raffinaderijen, petrochemische industrie, handelaren en opslagbedrijven) elke maand een formulier in, met per olieproduct een complete balans. Bio-ETBE, bio-MTBE, biobenzine en biodiesel worden apart onderscheiden. De respons op deze enquête was 100 procent voor de bedrijven die relevant zijn voor biobrandstoffen. Er is echter wel een onzekerheid in de resultaten voor de balans van pure biobrandstoffen door het gebrek aan kwaliteit en volledigheid van de respons bij sommige bedrijven en doordat niet alle bedrijven die biobrandstoffen opslaan in de populatie zitten.

Veel bedrijven hebben moeite met het beantwoorden van de vraag over de aanvoer en aflevering van bijgemengde biobrandstoffen. Om de administratieve lasten te beperken, staat het CBS toe dat deze vraag niet maandelijks wordt ingevuld. In plaats daarvan ontvangen de relevante bedrijven een extra vragenlijst waarin deze informatie op jaarbasis wordt uitgevraagd. Daarbij kunnen bedrijven ook aan de informatievraag van het CBS voldoen door het geven van een toelichting op gegevens die het bedrijf al aan de NEa heeft verstrekt. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat de informatie van de NEa voldoende compleet is wat betreft de fysieke stromen van biobrandstoffen voor binnen- en buitenland.

De informatie van de NEa over biobrandstoffen is in principe betrouwbaar en voor het CBS altijd een cruciale bron. Door definitieverschillen tussen de Energiestatistieken en de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer moet CBS soms een vertaalslag maken, vaak op basis van extra informatie van de bedrijven. Deze vertaalslag kent echter wel een onzekerheid en daardoor is in de jaren met weinig definitieverschillen de onzekerheid in de CBS-cijfers relatief klein. Met ingang van verslagjaar 2018 is de wet- en regelgeving aangepast met het gevolg dat het verschil tussen belaste leveringen tussen CBS en NEa een stuk kleiner is geworden.

De oliestatistiek van het CBS richt zich op fysieke stromen en voorraden. Echter, voorraden van bijgemengde biobrandstoffen worden slechts door een enkel bedrijf gerapporteerd, omdat het lastig is om gegevens over bijgemengde biobrandstoffen af te leiden uit de bedrijfsadministratie. Daarom neemt het CBS aan dat de veranderingen in de fysieke voorraden van bijgemengde biobrandstoffen nihil zijn en dat de bijgemengde biobrandstoffen direct worden geëxporteerd of geleverd op de binnenlandse markt.

De eigen waarneming van het CBS bevat geen informatie over de duurzaamheid van de gebruikte biobrandstoffen, de dubbeltelling van biobrandstoffen en de vermeden emissies van broeikasgassen. Echter, door het combineren van informatie uit de rapportages aan de NEa met fysieke afzetcijfers kan het CBS toch deze informatie afleiden.

De onzekerheid in de cijfers over de (fysiek) op de markt gebrachte biobrandstoffen zit vooral in de bestemming van de biobrandstoffen nadat ze door de bedrijven zijn geclaimd voor de Nederlandse markt bij de NEa. Komen deze op de binnenlandse markt, of worden ze uiteindelijk geëxporteerd? Het CBS schat de onzekerheid in de cijfers over de op de Nederlandse markt gebrachte biobrandstoffen op ongeveer 5 procent voor verslagjaar 2021.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.