Biomassa

Biomassa kan vele vormen aannemen, zoals voedsel of papier. In de energiestatistieken wordt biomassa echter alleen meegenomen als het wordt gebruikt als energiedrager. De import van bijvoorbeeld palmolie voor de voedingsindustrie wordt dus niet meegenomen. Biomassa is de belangrijkste bron van hernieuwbare energie en wordt op vele manieren gebruikt. In dit hoofdstuk worden alle technieken systematisch langs gelopen. De bijdrage van biomassa aan het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie was 59 procent in 2019.

8.1Inleiding

De belangrijkste toepassingen, goed voor 70 procent van het biomassaverbruik, zijn: afvalverbrandingsinstallaties (paragraaf 8.2), het gebruik van biomassa door huishoudens (8.6), het gebruik van vloeibare biotransportbrandstoffen (8.11) en het verbruik van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven (8.4). De resterende 30 procent betreft niet alleen het meestoken van biomassa in centrales (8.3) en het verbruik van biomassa voor warmte bij bedrijven (8.5). Ook kan, naast direct verbranden, de biomassa eerst worden omgezet in biogas, wat op stortplaatsen (8.7) gebeurt. Ook natte organische afvalstromen zijn vaak geschikt om te worden omgezet in biogas via vergisting. Dat gebeurt in veel rioolwaterzuiveringsinstallaties (8.8), in afvalwaterzuiveringsinstallaties in de industrie (8.10) en veel biogas wordt gemaakt uit vergisting van mest samen met ander organisch materiaal (co-vergisting van mest) (8.9).

Ontwikkelingen

8.1.1 Biomassaverbruik (PJ)
Afvalverbrandingsinstallaties Bij- en meestoken biomassa in centrales Biomassaketels bedrijven voor elektriciteit Biomassaketels bedrijven voor alleen warmte Biomassa huishoudens Biogas Vloeibare biotransportbrandstoffen
'00 25,512 1,755 3,333 2,212 14,027 5,211 0
'01 24,637 5,408 3,51 2,268 13,938 5,36 0
'02 25,51 9,866 3,114 2,529 13,856 5,562 0
'03 25,059 7,127 3,025 2,836 14,186 5,392 0,134
'04 26,066 14,123 3,094 3,686 14,901 5,285 0,134
'05 26,659 30,522 3,524 4,106 15,664 5,095 0,101
'06 26,616 29,445 3,677 5,501 16,394 5,879 1,766
'07 27,845 15,702 3,981 6,145 16,377 7,153 13,031
'08 30,549 19,692 9,929 6,434 16,522 9,258 12,048
'09 32,441 22,788 13,152 6,512 16,763 10,939 15,606
'10 34,208 28,545 12,725 5,477 17,099 11,984 9,577
'11 37,361 27,855 10,138 5,222 17,414 11,968 13,438
'12 39,794 26,295 12,482 5,344 16,938 12,165 14,017
'13 40,689 15,691 13,436 5,485 17,012 12,777 13,378
'14 40,265 8,173 14,127 7,622 16,898 13,094 15,686
'15 40,77 4,675 16,624 8,827 16,743 13,693 13,439
'16 42,282 4,083 18,075 9,699 16,569 13,453 10,747
'17 40,415 4,883 18,934 9,996 16,432 13,377 13,891
'18 38,657 5,674 18,105 12,303 16,446 13,846 22,993
'19** 36,648 16,225 22,254 12,831 16,278 15,12 28,437

Het primair verbruik van biomassa is vooral vanaf 2003 hard gegroeid en bereikte een piek in 2012. Het ging in eerste instantie vooral om een toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales, gestimuleerd door de MEP-subsidies (zie ook 2.8). Later nam ook het gebruik van biomassa voor het wegverkeer toe door de introductie van de verplichting voor leveranciers van benzine en diesel tot het verbruik daarvan, veelal ingevuld door biobrandstoffen bij te mengen in gewone benzine en diesel. Ook het verbruik van biomassa voor elektriciteitsproductie nam toe. Het gaat hierbij vooral om enkele installaties die afvalhout verbranden en elektriciteit maken. Het verbruik van biomassa door afvalverbrandingsinstallaties en als biogas groeit meer geleidelijk.

Na de piek in 2012 daalde het verbruik van biomassa door het teruglopen van het meestoken van biomassa als gevolg van het aflopen van de subsidie. Echter,in 2018 en 2019 is het totale verbruik van biomassa met respectievelijk 9 procent en 15 procent ten opzichte van het voorgaande jaar flink gestegen. In 2019 is het verbruik van biomassa als vloeibare biotransportbrandstof opnieuw toegenomen en de meestook van biomassa in centrales groeide zelfs spectaculair. Bij het decentrale verbruik in biomassaketels nam het verbruik in ketels voor de productie van elektriciteit eveneens flink toe. De overige technieken laten een kleinere groei zien in het verbruik (0 tot 10 procent) met als uitzondering de afvalverbrandingsinstallaties. Hier daalde het biomassaverbruik met 5 procent.

8.1.2Biomassa

Primair verbruik Bruto energetisch eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie
2017 2018 2019** 2017 2018 2019** 2017 2018 2019**
TJ
Afvalverbrandingsinstallaties 40 415 38 657 36 648 19 941 16 588 15 687 24 813 21 660 19 266
Bij- en meestoken biomassa in centrales 4 883 5 674 16 225 2 335 2 886 8 261 4 883 5 674 16 225
Biomassaketels bedrijven voor elektriciteit 18 934 18 105 22 254 9 461 10 589 12 733 11 577 10 930 13 490
Biomassaketels bedrijven voor alleen warmte 9 996 12 303 12 831 9 823 11 749 12 448 9 233 10 471 11 748
Biomassa huishoudens 16 432 16 446 16 278 16 432 16 446 16 278 10 932 11 115 11 168
Biogas uit stortplaatsen 706 532 532 350 279 280 494 376 376
Biogas rioolwaterzuiverings­installaties 2 410 2 436 2 636 1 991 2 073 2 207 1 769 1 963 2 115
Biogas, co-vergisting van mest 4 821 5 313 5 879 4 084 4 474 4 998 5 338 5 604 6 028
Biogas, overig 5 495 5 374 5 763 4 130 4 469 4 926 4 526 4 710 5 229
Vloeibare biotransport­brandstoffen 13 891 22 993 28 437 13 483 22 868 28 437 13 483 22 868 28 437
 
Totaal 117 984 127 833 147 483 82 030 92 421 106 255 87 048 95 371 114 082

Bron:CBS

Tabel 8.1.2 geeft het verbruik van biomassa op drie manieren: eindverbruik, primair verbruik en vermeden verbruik van fossiele energie. Bij het eindverbruik van energie gaat het om de vorm waarin het aan de eindverbruiker wordt geleverd: elektriciteit, warmte of brandstof. Bij het primair verbruik gaat het om de energie-inhoud van de eerst meetbare vorm van de verbruikte biomassa. Vooral bij elektriciteit is het verschil tussen primair en eindverbruik groot, omdat het omzettingsverlies bij de productie van elektriciteit uit biomassa groot is.

Het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is in de regel lager dan het verbruik van biomassa (8.1.2). Dat betekent dat 1 joule biomassa minder dan 1 joule fossiele energie uitspaart. Dit komt doordat het energetisch rendement van de installaties die biomassa verbruiken relatief laag is ten opzichte van de fossiele referentie. Het sterkst speelt dit bij afvalverbrandingsinstallaties en bij houtkachels in huishoudens. Voor de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is geen complete levenscyclusanalyse (LCA) uitgevoerd (RVO.nl en CBS, 2015), omdat dat ingewikkeld is en omdat er veel gegevens voor nodig zijn. Zeker bij de vloeibare biotransportbrandstoffen zou een complete LCA wel wat nauwkeuriger zijn, omdat het maken van biotransportbrandstoffen uit ruwe plantaardige grondstoffen meer energie kost dan het maken van benzine en diesel uit ruwe aardolie (Edwards et. al, 2007).

Groen gas

Groen gas is biogas dat is opgewerkt tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Soms wordt ook ruw biogas tot groen gas gerekend of biogas dat wordt opgewerkt tot Compressed Natural Gas (CNG) voor verbruik in vervoer. Hier gaat het alleen over groen gas dat geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Directe injectie van ruw biogas in het aardgasnet kan niet, onder andere omdat de verbrandingswaarde van biogas een stuk lager is.

8.1.3Groen gas: biogas, opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet

Productie Aandeel Bruto energetisch eindverbruik
uit stortgas uit RWZI-gas uit mestvergisting uit overig biogas totaal totaal in totaal aardgas-verbruik als elektriciteit als warmte voor vervoer totaal
mln m3 TJ1) % TJ1)
2000 17 17 549 0,04 69 364 0 433
2005 14 14 446 0,03 62 283 0 345
2010 11 11 345 0,02 57 212 0 269
2015 6 . . 74 80 2 523 0,21 364 1 665 2 2 031
 
2016 5 . . 78 83 2 620 0,21 407 1 693 2 2 102
2017 5 . . 93 98 3 100 0,24 468 1 763 230 2 461
2018 4 2 20 80 107 3 375 0,27 500 1 874 308 2 681
2019** 4 4 51 84 142 4 497 0,34 712 2 107 790 3 609

Bron:CBS

1)Onderwaarde.

Op stortplaatsen wordt al jaren groen gas gemaakt. De biogasproductie op stortplaatsen loopt echter terug, omdat er nog maar weinig afval voor lange tijd wordt gestort. Het meeste biogas voor groen gas is afkomstig van andere bronnen zoals vergisters van afvalverwerkingsbedrijven, industrie en landbouw. In de jaren na 2011 zijn er telkens nieuwe projecten bijgekomen met groen gas productie uit overig biogas. Maar in 2018 en vooral 2019 is de productie van groen gas uit mestvergisting toegenomen In 2019 groeit de productie met 33 procent naar 142 miljoen kubieke meter. Dit komt overeen met ruim drie promille van het totale aardgasverbruik in Nederland.

De groei in de productie van groen gas heeft vooral te maken met de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE), die, in tegenstelling tot de voorgaande MEP, ook open staat voor groengasprojecten. In juli 2020 waren nog 46 projecten met een beschikking te realiseren met een gezamenlijk vermogen van 274 megawatt (RVO, 2020a).

Het bruto energetisch eindverbruik van groen gas wordt berekend door uit de Europese energiestatistieken voor Nederland af te leiden welk deel van het primair aardgasverbruik leidt tot bruto energetisch eindverbruik (Eurostat, 2011). Sinds eind 2018 is voor deze verdeling daarnaast mogelijk om onder bepaalde voorwaarden groen gas administratief over te boeken naar de sector vervoer (zie ook paragraaf 2.4). De gebruikte methode is geïmplementeerd in de tool SHARES van Eurostat en zit er op dit moment als volgt uit:

  1. Bepaal hoeveel groen gas dat is ingevoed in het nationale net wordt overgeboekt naar vervoer. In 2019 was dit 18 procent van alle groen gas.
  2. Verdeel de rest van het groen gas over vijf bestemmingen, evenredig met de bestemmingen van aardgas:
    • energetisch eindverbruik voor warmte. Dit is verbruik in warmteketels plus de warmte uit aardgasinzet in warmtekrachtinstallatie
    • energetisch eindverbruik voor elektriciteit. Dit is de productie van elektriciteit uit aardgas
    • energetisch eindverbruik voor vervoer. Dit is de levering van aardgas voor vervoer
    • niet-energetisch eindverbruik , vooral voor de productie van kunstmest
    • transformatieverliezen, vooral voor de productie van elektriciteit al dan niet in combinatie met warmte .

De eerste drie bestemmingen vallen onder het bruto energetisch eindverbruik voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 (Europees Parlement en Raad, 2009). In 2019 telde 80 procent van het groen gasproductie als bruto energetisch eindverbruik, waarvan 47 voor warmte, 16 voor elektriciteit en 18 voor vervoer)

In eerste instantie is het misschien wat tegen intuïtief dat niet alle groen gas meetelt bij het verbruik van hernieuwbare energie. Echter, ook het aardgasverbruik telt ook niet volledig mee bij het bepalen van de noemer voor het berekenen van het aandeel hernieuwbare energie.

Duurzaamheid biomassa

Biomassa telt als bron voor hernieuwbare energie omdat de CO2-emissie die vrijkomt bij het verbruik van biomassa gecompenseerd wordt door CO2-vastlegging bij de groei van planten die weer zorgt voor nieuwe biomassa (kortcyclische CO2). Toch zijn er ook zorgen over de duurzaamheid van het gebruik van biomassa. Het gaat dan vaak over de bescherming van tropische bossen, de CO2-effectiviteit over de hele keten, de lange tijd die er nodig is om nieuwe bomen te laten groeien en effecten op voedselprijzen. In de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie uit 2009 zijn duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa en biogas voor vervoer. Dat heeft tot gevolg dat vanaf 2011 vloeibare biomassa die niet voldoet aan de criteria, niet meetelt voor de realisatie van de doelstelling en ook geen steun mag ontvangen van nationale regeringen via een subsidie, een korting op de accijns of een verplichting. Voor andere vormen van biomassa gelden nog geen duurzaamheidscriteria. In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie, welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is afgesproken om voor installaties op vaste en gasvormig biomassa boven een bepaalde capaciteitsgrens wel duurzaamheidscriteria te gaan hanteren. Op nationaal niveau is besloten om de subsidie voor het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales alleen mee te tellen voor duurzaam gecertificeerde biomassa, al is er wel kritiek op bestaande criteria en certificeringssystemen.

Vanaf 2012 heeft de Nederlandse Emissieautoriteit gecontroleerd of biobrandstoffen voor vervoer die opgevoerd zijn voor de nationale bijmengplicht voldoen aan de duurzaamheidcriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (NEa, 2015). Het CBS heeft gegevens per bedrijf ontvangen van de NEa en vergeleken met eigen gegevens over biobrandstoffen. Daaruit is naar voren gekomen dat nagenoeg alle Nederlandse biobrandstoffen die geleverd zijn voor vervoer in Nederland voldoen aan de duurzaamheidscriteria.

In juni 2019 is de vierde editie van een rapportage gepubliceerd door het Platform Bio-Energie (PBE) in samenwerking met RVO over het verbruik van hout in energie-installaties voor elektriciteit en warmte. Deze rapportage en voorgaande zijn in opvolging gemaakt van de Green Deal Duurzaamheid Vaste Biomassa die in 2015 afliep.

De bedrijven waar de installaties (vanaf 1 megawatt) in gebruik zijn, hebben net als tijdens de Green Deal op vrijwillige basis aan het onderzoek meegewerkt (respons: 84 procent). De deelnemende partijen beogen met de jaarlijkse rapportage bij te dragen aan de gewenste openheid over de omvang, aard, herkomst en duurzaamheidsaspecten van de gebruikte biomassa. Zij hopen daarnaast dat de rapportage het draagvlak voor deze belangrijke vorm van hernieuwbare energie bevordert.

Deze rapportage heeft betrekking op vaste – houtachtige – biomassa die in 2018 direct of indirect is ingezet om elektriciteit en/of warmte op te wekken.

Een interessante uitkomst in de rapportage is dat verreweg de meeste houtige grondstoffen (77% van in totaal bijna 1,7 miljoen ton) afkomstig zijn uit eigen land en de rest voor het grootste deel uit de ons omringende landen. Het gaat om resthout dat vrijkomt bij onderhoud van bos, landschap en gemeentelijk groen, bij timmerfabrieken, uit bouw- en sloopwerkzaamheden en dergelijke. Niet opgenomen in deze rapportage zijn: gasvormige of vloeibare biobrandstoffen, fossiele brandstoffen of andere vaste biomassa (PBE/RVO, 2019).

Tijdens het samenstellen van deze editie van Hernieuwbare energie in Nederland is de rapportage van PBE over verslagjaar 2019 niet beschikbaar gekomen.

Nieuw was dit jaar een aparte rapportage over de aard, herkomst en certificering van biomassa die is meegestookt in kolencentrales (CE, 2020). In tegenstelling tot de eerdere rapportage van PBE en RVO zitten hier andere installaties die houtige biomassa gebruiken dus niet in. Uit de rapportage van CE volgt dat de kolencentrales in 2019 vooral houtpellets meestoken, waarvan ongeveer 80 procent uit Europa kwam en ongeveer 20 procent uit Noord-Amerika. Een klein (maar niet gekwantificeerd) deel kwam uit Nederland.

Aanbod van vaste biomassa

Het binnenlands verbruik van vaste biomassa, in hoofdzaak houtachtige producten uit reststromen, kon de periode 2014 tot en met 2018 geheel voorzien worden vanuit binnenlandse productie. Per saldo was Nederland in deze periode exporteur van vaste biomassa voor energie. In 2013 was dat nog niet het geval toen houtpellets op grote schaal werden geïmporteerd. Met de sterke vermindering van het bij- en meestoken van houtpellets viel de noodzaak voor deze importen vrijwel geheel weg. Voor 2019 zijn nog niet voldoende data beschikbaar om tabel van een update te voorzien, maar de toename van het meestoken lijkt ertoe geleid te hebben dat we voor houtpellets weer een netto-importeur zijn geworden (CE, 2020).

In 2018 bleef het binnenlands verbruik van vaste biomassa met 50 petajoule vrijwel gelijk aan het verbruik in 2017.

8.1.4Balans vaste biomassa voor energie

2013 2014 2015 2016 2017 2018
TJ
Binnenlandse productie
Totaal 49 412 52 462 54 043 54 243 57 091 56 027
Houtpellets 3 836 4 830 4 655 4 471 4 253 4 276
Afvalhout 13 054 14 564 14 488 16 051 15 573 15 894
Hout chips en schoon resthout 5 577 6 142 7 243 7 297 7 436 10 921
Vers hout blokken 13 952 13 856 13 728 13 583 13 468 13 480
Restproducten uit primaire landbouw 3 204 3 045 2 982 3 315 2 848 2 138
Restproducten uit agro-industrie 3 399 3 202 4 018 3 337 3 204 698
Overige niet-houtige biomassa 6 390 6 822 6 930 6 190 10 310 8 620
 
Import
Totaal 12 976 5 759 3 750 4 190 3 112 4 772
Houtpellets 10 706 3 131 0 0 0 2 853
Afvalhout 2 200 2 458 3 420 3 770 1 913 779
Overig 70 169 330 420 1 199 1 140
 
Export
Totaal 10 674 11 672 11 194 10 277 10 226 10 738
Houtpellets 2 397 3 464 3 212 2 772 2 722 3 233
Afvalhout 5 865 5 865 5 459 5 564 5 564 5 564
Overig (niet houtachtig) 2 412 2 343 2 523 1 941 1 941 1 941
 
Binnenlands verbruik
Totaal 51 714 46 549 46 599 48 156 49 977 50 061
Houtpellets 12 145 4 498 1 443 1 699 1 531 3 896
Afvalhout 9 388 11 157 12 449 14 257 11 921 11 108
wv. voor opwekking elektriciteit 6 598 8 386 9 704 11 540 9 227 8 413
wv. bij huishoudens 2 790 2 771 2 746 2 717 2 694 2 696
Hout chips en schoon resthout 5 647 6 310 7 574 7 567 7 953 11 208
Vers hout blokken (huishoudens) 13 952 13 856 13 728 13 583 13 468 13 480
Restproducten uit primaire landbouw 3 204 3 045 2 982 3 315 2 848 2 138
Restproducten uit agro-industrie 3 399 3 202 4 018 3 337 3 204 1 551
Overige niet-houtige biomassa 3 979 4 479 4 406 4 399 9 051 6 679

Bron:CBS

In de volgende paragrafen van deze publicatie wordt nader ingegaan op het verbruik van andere niet-houtachtige biomassa zoals huishoudelijk afval en biogas.

8.2Afvalverbrandingsinstallaties

Afval dat verbrand wordt door afvalverbrandingsinstallaties is op energiebasis voor ongeveer de helft van biogene oorsprong. Daarom telt ongeveer de helft van de energieproductie door afvalverbrandingsinstallaties als hernieuwbare energie. In Nederland zijn er twaalf afvalverbrandingsinstallaties. Deze grote installaties waren in 2019 goed voor 9 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) toont vanaf 2009 tot en met 2017 een duidelijke stijging. Tot en met 2011 had de stijging vooral te maken met het in gebruik nemen van nieuwe installaties, daarna kwam de stijging door nieuwe leidingen voor leveringen van stoom aan nabijgelegen industrie en warm water vooral voor bestaande stadsverwarmingsnetten. Bij veel installaties werd de warmte nog lang niet volledig benut, waardoor de extra warmteleveringen slechts in beperkte mate ten koste gingen van de elektriciteitsproductie. In 2019 is vergeleken met 2018 met het verbranden van afval 5 procent minder energie geproduceerd (70 petajoule). De daling komt voort uit de tijdelijke en gedeeltelijke stillegging van de verbrandingsinstallaties in Amsterdam.

Vanaf 1990 tot en met 2002 is het biogene aandeel van het verbrande afval langzaam gedaald. Dat had te maken met het opkomen van het apart inzamelen van groente-, fruit- en tuinafval. In 2003 kwam aan deze daling een eind en tot en met 2012 steeg de biogene fractie weer om tot 2016 min of meer constant te blijven (rond 55%).Een betere scheiding van het plastic afval speelde daarbij een rol (Agentschap NL, 2013). In 2016 zette weer een daling in van de biogene aandeel naar 52 procent in 2018; dit percentage is overgenomen voor de berekeningen over 2019.

Voor huishoudelijk afval is de import belangrijk. Reden daarvoor is dat de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties de laatste jaren is uitgebreid en dat het binnenlandse aanbod van afval is afgenomen. Om de investering in de dure installaties terug te verdienen is het voor de bedrijven van belang om de installatie zoveel mogelijk te gebruiken. Dankzij de nabijheid van zeehavens is het relatief goedkoop om afval te importeren uit Europese landen waar de capaciteit voor verwerking van afval schaars is.

8.2.1Afvalverbrandingsinstallaties: vermogen, verbrand afval, energiebalans

Verbrand afval Elektriciteit Warmte Fossiele brand­stoffen
massa energie vermogen bruto productie verbruik netto productie productie verbruik
kton TJ MW mln kWh TJ
2000 4 896 49 767 394 2 520 565 1 956 7 129 796
2005 5 454 56 722 429 2 738 609 2 129 9 014 938
2010 6 586 64 543 586 3 376 701 2 675 11 194 950
2015 7 564 74 127 649 3 676 823 2 853 23 157 935
 
2016 7 830 78 300 649 3 790 849 2 941 22 387 956
2017 7 626 76 255 649 3 592 813 2 788 23 522 744
2018 7 434 74 340 800 4 177 807 3 371 14 847 870
2019** 7 048 70 476 800 3 691 820 2 871 14 374 681

Bron:CBS

8.2.2Afvalverbrandingsinstallaties: hernieuwbare fractie en hernieuwbare energie

Afval Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
hernieuwbare fractie inzet biogeen afval bruto hernieuwbare productie netto hernieuwbare productie hernieuwbare productie elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
% TJ mln kWh TJ kton
2000 51 25 512 1 272 987 3 597 4 578 4 548 9 126 12 420 835
2005 47 26 659 1 266 984 4 168 4 557 5 241 9 798 12 793 834
2010 53 34 208 1 763 1 397 5 847 6 348 7 708 14 056 17 436 1 115
2015 55 40 770 1 997 1 550 12 578 7 188 13 523 20 711 26 462 1 783
 
2016 54 42 282 2 005 1 586 11 879 7 218 12 785 20 004 25 680 1 692
2017 53 40 415 1 904 1 478 12 337 6 853 13 088 19 941 24 813 1 601
2018 52 38 657 2 172 1 753 7 720 7 820 8 768 16 588 21 660 1 422
2019** 52 36 648 1 919 1 493 7 475 6 910 8 777 15 687 19 266 1 257

Bron:CBS

Het verschil tussen de bruto en de netto elektriciteitsproductie is bij de AVI’s groter dan bij de andere conversietechnieken. Dit komt vooral doordat de AVI’s veel elektriciteit gebruiken voor rookgasreiniging. Sommige AVI’s gebruiken ook redelijk wat fossiele brandstoffen en warmte voor rookgasreiniging. Het verbruik van fossiele brandstoffen wordt verdisconteerd in de berekening van de productie van hernieuwbare elektriciteit en warmte (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

Methode

Afvalverbrandingsinstallaties zijn verbrandingsinstallaties die geschikt zijn voor gemengde afvalstromen. Installaties die ontwikkeld zijn voor specifieke afvalstromen, zoals de thermische conversie-installatie in Duiven voor papierslib en de afvalhoutverbranders bij Twence in Hengelo, de AVR Rijnmond en de Huisvuilcentrale in Alkmaar, worden niet meegenomen bij de afvalverbrandingsinstallaties. Deze installaties tellen wel mee voor de hernieuwbare energie, maar dan bij de bedrijven die biomassa stoken voor elektriciteit (8.4).

Het elektrisch vermogen is afkomstig uit de CBS-statistiek Productiemiddelen Elektriciteit. De tijdreeks van het verbrande afval afkomstig van Rijkswaterstaat Leefomgeving.

Voor de calorische waarde en de biogene fractie is ook gebruik gemaakt van gegevens die Rijkswaterstaat Leefomgeving jaarlijks maakt voor de IPCC monitoring . Voor 2019 waren er nog geen nieuwe cijfers en zijn de cijfers voor 2018 aangehouden.

De elektriciteits- en warmteproductie van de AVI’s is tot en met het verslagjaar 2016 bepaald op basis van energie-enquêtes van het CBS. Met ingang van het verslagjaar 2017 maakt het CBS hiervoor gebruik van de rapportages die de AVI’s leveren aan Rijkswaterstaat Leefomgeving voor de WAR en de vaststelling van de zogenoemde R1‑status (‘nuttige toepassing’). De eventuele ontbrekende gegevens zijn bijgeschat op basis van milieujaarverslagen. De R1‑status maakt het AVI’s vergunningstechnisch makkelijker om afval uit andere landen te importeren.

Met het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (2015) is bepaald dat warmte benut voor rookgasreiniging meetelt in het bruto eindverbruik, net als elektriciteit. Hoewel het gaat om ‘onverkochte warmte’ is hier sprake van nuttig gebruik van energie in het proces en daarom telt het mee in de totale prestatie van het bedrijf. De hoeveelheden warmte voor rookgasreiniging zijn ook afkomstig uit de R1‑rapportage. Als hernieuwbaar bruto eindverbruik telt de verbrandingswaarde van het biogene deel van de voor dit doel ingezette hoeveelheid afval. Cijfers over de warmte voor rookgasreiniging zijn alleen beschikbaar voor 2014 en daarna. Cijfers over oudere jaren zijn geschat op basis van de leeftijd van de afvalverbrandingsinstallaties en kennis bij Rijkswaterstaat Leefomgeving over belangrijke aanpassingen aan de installaties in het verleden.

Op basis van de vergelijking tussen de milieujaarverslagen, R1‑rapportages en de energie-enquêtes schat het CBS de onnauwkeurigheid in de geleverde energieproductie van de AVI’s op ongeveer 5 procent. De niet verkochte warmte is relatief gezien wat onzekerder, omdat het complex kan zijn om de stromen op een eenduidige manier af te bakenen. Alles bij elkaar genomen ligt de grootste onzekerheid in de hernieuwbare energie uit AVI’s bij de bepaling van de biogene fractie. Deze onzekerheid wordt geschat op 10 procent.

8.3Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Bij het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales gaat het om centrales die kolen gebruiken als hoofdbrandstof. Een gedeelte van deze kolen kan vervangen worden door verschillende soorten biomassa. In 2019 was het meestoken van biomassa verantwoordelijk voor ongeveer 5 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De ontwikkeling van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales verliep in de periode 2003–2012 met horten en stoten. Aanvankelijk zorgden technische aanpassingen van de centrales voor groei maar halverwege de periode zorgde de afbouw van subsidie voor nieuwe installaties weer voor stagnatie. Ná 2007 ontstond weer groei door het uitbreiden van de capaciteit voor meestoken bij centrales die in 2007 ook al biomassa meestookten. Toen kostte biomassa ook meer dan kolen, maar blijkbaar wogen de extra opbrengsten uit subsidie en CO2-rechten op tegen deze extra kosten. De daling sinds 2012 houdt verband met het aflopen van de MEP-subsidie (Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie), die een subsidieduur kende van maximaal 10 jaar. Pas in 2016 en 2017 zijn in het kader van SDE+ weer nieuwe subsidieaanvragen voor het meestoken van biomassa in grote installaties geaccepteerd (RVO, 2020a).

In 2019 werd ruim 16 petajoule aan biomassa meegestookt in de elektriciteitscentrales. Dat was weliswaar 10 petajoule meer (bijna een verdrievoudiging) dan in 2018, maar komt overeen met ongeveer de helft van de biomassa die in 2005 werd ingezet.

8.3.1Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Biomassa Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
inzet bruto­productie netto­productie productie elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 1 755 208 198 15 748 15 763 1 755 166
2005 30 522 3 449 3 310 693 12 416 693 13 109 30 522 2 394
2010 28 545 3 237 3 043 1 267 11 653 1 267 12 920 28 545 2 703
2015 4 833 498 470 35 1 792 35 1 827 4 833 458
 
2016 4 083 442 419 57 1 591 57 1 648 4 083 387
2017 4 883 530 503 426 1 909 426 2 335 4 883 462
2018 5 674 654 608 533 2 353 533 2 886 5 674 537
2019** 16 225 1 872 1 735 1 520 6 741 1 520 8 261 16 225 1 536

Bron:CBS

Methode

De gegevens over de hernieuwbare-elektriciteitsproductie zijn afkomstig uit de administratie achter de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. Daarbij is de hernieuwbare-elektriciteitsproductie berekend door de totale elektriciteitsproductie van een installatie te vermenigvuldigen met het aandeel ‘hernieuwbaar’ van de ingezette brandstoffen (op energetische basis). De impliciete aanname daarbij is dat 1 joule biomassa 1 joule fossiele brandstoffen vervangt. Deze aanname wordt ook gemaakt in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Waarschijnlijk is deze brandstofsubstitutie niet 100 procent, maar enkele procenten lager. Voor de berekening van de subsidietarieven voor het meestoken (MEP-regeling, Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie) werd uitgegaan van 93 procent voor de kolencentrales (De Vries et al., 2005 en Tilburg, et al., 2007).

Voor de inzet van biomassa is gebruik gemaakt van de opgaven van bedrijven uit de CBS-enquêtes. De gegevens uit de administratie van CertiQ en de CBS-enquêtes zijn op individueel niveau met elkaar geconfronteerd. Als controle is daarnaast ook gebruik gemaakt van de milieujaarverslagen. Bij verschillen groter dan 200 TJ inzet biomassa was altijd duidelijk wat de oorzaak was, of is deze achterhaald door het doen van navraag bij de centrales. Afgezien van de onzekerheid in de brandstofsubstitutie wordt de onnauwkeurigheid in de hernieuwbare energie uit het meestoken van biomassa in centrales geschat op 5 procent.

8.4Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven

Het gaat hier om installaties die vaste of vloeibare biomassa verbranden voor de productie van elektriciteit, meestal in combinatie met warmteproductie, uitgezonderd het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales. De belangrijkste groep zijn de vier installaties voor het verbranden van afvalhout in Hengelo, Alkmaar, Rotterdam en Delfzijl. Daarnaast gaat het om het verbranden van diverse afvalstromen zoals kippenmest of papierslib in installaties die speciaal ontworpen zijn voor deze soort biomassa en meerdere kleinschalige installaties die vooral schoon resthout verbranden. Voor deze kleine installaties is vaak warmte het hoofdproduct en elektriciteit het bijproduct.

De ongeveer twintig installaties waren in 2019 goed voor 7 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De jaarlijkse productie van de diverse individuele installaties kan sterk fluctueren door het al dan niet optreden van storingen en de noodzaak tot onderhoud. MEP-subsidie is de belangrijkste subsidieregeling geweest voor het bouwen van installaties in deze categorie. De SDE-subsidieregeling heeft nog niet geleid tot veel grote nieuwe installaties. Wel is er met steun van de SDE een aantal kleinere installaties bijgekomen die vooral warmte leveren. Nieuw is ook dat bestaande installaties met steun van de SDE worden aangepast en (veel) warmte gaan leveren. Belangrijk in 2017 was de aansluiting van de afvalhoutverbrander in Delfzijl op het lokale stoomnet. Sinds 2018 leveren de drie andere grote installaties voor het verbranden van afvalhout (in Alkmaar, Hengelo en Rotterdam) warmte aan stadsverwarming, voor een groot gedeelte in plaats van leveringen van warmte door afvalverbrandingsinstallaties.

8.4.1Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor decentrale elektriciteitsproductie

Locaties‍1‍) Biomassa Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
aantal einde jaar verbruik bruto-productie netto-productie totale productie wv. Verkochte warmte elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 4 3 333 234 216 188 188 843 188 1 031 2 161 151
2005 5 3 524 253 235 468 468 910 468 1 378 2 626 175
2010 18 12 725 1 015 894 784 784 3 653 784 4 436 8 445 559
2015 19 16 988 1 399 1 209 894 572 5 037 1 254 6 291 11 508 875
 
2016 19 18 075 1 465 1 281 1 205 864 5 273 1 476 6 749 11 738 858
2017 19 18 934 1 242 1 050 3 298 2 792 4 471 4 990 9 461 11 577 795
2018 21 18 105 842 687 5 818 4 934 3 033 7 557 10 589 10 930 695
2019** 21 22 254 952 797 7 275 6 453 3 426 9 307 12 733 13 490 853

Bron:CBS

1)Een bedrijf kan gevestigd zijn op meer dan één locatie. Per locatie kan meer dan één installatie aanwezig zijn.

Methode

Voor de elektriciteitsproductie is CertiQ de belangrijkste bron, met informatie uit de winning- en omzettingsenquêtes van het CBS als aanvulling. De laatste tijd komt ook voor meer installaties de warmteproductie via CertiQ beschikbaar. Als verdere aanvulling en controle is gebruik gemaakt van milieujaarverslagen en informatie van RVO over de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA). De onzekerheid in de hernieuwbare energie uit de decentrale biomassaverbranding voor elektriciteit wordt geschat op ongeveer 10 procent.

8.5Stoken van biomassa voor warmte bij bedrijven

Biomassa kan in vaste en vloeibare vorm (afvalhout, slachtafval, papierslib) verstookt worden in ketels en kachels voor warmteproductie. Zo heeft de houtverwerkende industrie al jaren houtketels waarin de bedrijven hun eigen afvalhout stoken. Sinds 2006 hebben ook steeds meer bedrijven uit de intensieve veehouderij houtketels voor het verwarmen van stallen. In de meeste gevallen wordt de warmte door de producent zelf verbruikt, maar de laatste jaren worden biomassa warmteketels ook voor stadsverwarming gebruikt. Er is ook een aantal biomassaketels voor stadsverwarming die naast warmte ook wat elektriciteit leveren. Deze installaties tellen mee bij “Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven” (paragraaf 8.4).

Het stoken van biomassa voor warmte draagt in 2019 voor ruim 7 procent bij aan het totale verbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

In 2019 groeide de inzet van biomassa met 4 procent en de warmteproductie met 12 procent; in 2018 was dat respectievelijk 23 procent en 13 procent. De toegenomen inzet van hout (verbranden in houtketels) laat zich voor een belangrijk deel verklaren door de eveneens toegenomen capaciteit (+23%).

Steeds meer warmte wordt geproduceerd, vooral door energiebedrijven, voor gebruik door derden. Bijvoorbeeld voor stadverwarming. De inzet van biomassa voor die ‘verkochte warmte’ steeg in 2019 met bijna 80 procent naar 2,6 petajoule.

8.5.1Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor warmte bij bedrijven

Installaties/
ketels
Inzet van biomassa Warmte-productie Bruto eind­verbruik Effect
aantal einde jaar totaal voor verkochte warmte voor zelf verbruikte warmte totaal wv. verkochte warmte vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ kton
Totaal
2000 . 2 212 0 2 212 1 724 0 2 212 1 916 109
2005 . 4 106 0 4 106 3 448 0 4 106 3 831 218
2010 . 5 477 0 5 477 4 568 0 5 477 5 076 287
2015 2 977 9 164 868 8 296 7 771 738 9 034 8 634 488
 
2016 3 347 9 699 1 342 8 357 8 163 1 151 9 508 9 070 512
2017 3 871 9 997 1 196 8 800 8 310 1 023 9 823 9 233 523
2018 4 472 12 303 1 476 10 827 9 424 1 265 11 749 10 471 593
2019** 4 816 12 831 2 619 10 212 10 574 2 236 12 448 11 748 665
 
Hout
2016 3 334 6 169 . . 5 244 . 5 999 5 827 329
2017 3 860 6 521 . . 5 543 . 6 358 6 159 349
2018 4 461 7 674 . . 6 523 . 7 486 7 247 410
2019** 4 805 9 422 . . 8 008 . 9 061 8 898 504
 
Overige vaste en vloeibare biomassa
2016 13 3 529 . . 2 919 . 3 509 3 243 183
2017 11 3 476 . . 2 767 . 3 465 3 074 174
2018 11 4 629 . . 2 901 . 4 263 3 223 182
2019** 11 3 409 . . 2 565 . 3 387 2 850 161

Bron:CBS

8.5.2Opgesteld thermisch vermogen (MW) van houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar sector

Houtindustrie Meubelindustrie Bouw Handel Landbouw Energiebedrijven Overig Totaal
2006 147 65 10 46 63 0 3 333
2007 151 66 11 46 96 0 9 379
2008 151 64 11 44 115 0 14 400
2009 151 64 11 44 128 0 21 419
 
2010 142 61 12 36 137 0 27 414
2011 140 58 12 37 147 0 31 425
2012 132 56 14 40 157 4 37 440
2013 125 51 13 33 181 12 41 457
2014 131 44 13 26 187 58 49 509
 
2015 125 37 16 24 202 62 64 531
2016 111 34 17 26 225 62 76 552
2017 93 25 20 24 280 62 82 586
2018 87 21 20 22 354 90 87 682
2019** 76 19 21 24 412 199 87 838

Bron:CBS

8.5.3Opgesteld aantal en vermogen houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar vermogensklasse

Aantal Vermogen
≤ 0,1 MW > 0,1 t/m 0,5 MW > 0,5 t/m 1,0 MW > 1 MW totaal ≤ 0,1 MW > 0,1 t/m 0,5 MW > 0,5 t/m 1,0 MW > 1 MW totaal
MW
2006 833 216 59 92 1 200 48 64 43 178 333
2007 1 182 259 69 95 1 605 69 74 49 186 379
2008 1 404 304 74 92 1 874 80 86 53 181 400
2009 1 536 341 76 92 2 045 87 93 55 185 419
 
2010 1 700 356 74 87 2 217 95 94 53 171 414
2011 1 869 383 73 85 2 410 104 101 52 169 425
2012 1 998 432 74 82 2 586 111 113 53 163 440
2013 2 111 501 80 77 2 769 117 127 57 156 457
2014 2 184 525 83 76 2 868 121 132 60 196 509
 
2015 2 230 568 94 74 2 966 124 143 69 195 531
2016 2 547 614 102 71 3 334 137 153 75 187 552
2017 2 919 774 102 65 3 860 154 183 75 174 586
2018 3 335 963 98 65 4 461 178 221 72 211 682
2019** 3 587 1 041 102 75 4 805 187 237 76 338 838

Bron:CBS

8.5.4Houtketels voor warmte bij bedrijven naar provincie, 2019**

Aantal Vermogen
MW
Groningen 187 17
Friesland 548 60
Drenthe 240 23
Overijssel 676 103
Flevoland 67 32
Gelderland 1 007 150
Utrecht 103 56
Noord-Holland 225 108
Zuid-Holland 332 86
Zeeland 57 24
Noord-Brabant 936 108
Limburg 427 72
 
Totaal 4 805 838

Bron:CBS

Sinds 2012 komen de grotere ketels (vanaf 500 kW) voor SDE-subsidie in aanmerking. Dat heeft geleid tot een toename van de grotere ketels (groter dan 1 MW). Sinds 2016 kunnen particulieren en bedrijven voor klein zakelijk gebruik met subsidie uit de ISDE-regeling een biomassaketel (of pelletkachel) met een vermogen tot en met 500 kW aanschaffen. Met name de zakelijke markt is geïnteresseerd in biomassaketels. De aanvragen nemen jaarlijks toe; het totale vermogen van de aangevraagde ketels stijgt van 165 megawatt in 2017 naar 255 megawatt in 2019. De daadwerkelijke installatie van de biomassaketels komt met enige vertraging op de aanvraag, maar kan ook geheel uitblijven. Medio 2020 blijkt uit RVO data dat 141 megawatt aan vermogen is gerealiseerd en dat is vrijwel evenveel als in 2018. De populariteit van de houtketels met ISDE subsidie komt terug in de groei van het opgesteld vermogen van houtketels kleiner dan 500 kW (tabel 8.5.3). De ISDE-regeling geldt niet meer voor aanvragen in 2020; voor zakelijk gebruik (bedrijven) is de regeling per 1 januari 2020 geheel gestopt maar voor particulieren geldt een overgangsregeling.

De meeste houtketels staan in Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel. Dit zijn grote provincies met intensieve veehouderij en hout- en meubelindustrie, de sectoren waar de meeste houtketels staan. Noord-Holland staat ook hoog in de lijst wegens de grote installatie van de stadverwarming in Purmerend.

Methode

De informatie over de warmteproductie en het brandstofverbruik van de ketels en kachels op brandstoffen anders dan hout komt uit overheidsregistraties zoals een subsidieregeling of milieujaarverslag dan wel uit directe waarneming (bij de grotere installaties) door het CBS.

De gegevens over de aantallen en het vermogen van houtkachels voor warmte bij bedrijven zijn gebaseerd op inventarisaties onder de leveranciers van houtketels en houtkachels groter dan 18 kW met peiljaren 1991 (Sulilatu, 1992), 1997 (Sulilatu, 1998) en vanaf 2004 door het CBS. Voor ontbrekende jaren is geïnterpoleerd. Voor deze inventarisatie stuurt het CBS elk jaar een vragenlijst naar de leveranciers.

De warmteproductie van ketels tot 500 kW is berekend uit het vermogen op basis van 3 000 vollasturen bij landbouwbedrijven en 1 500 vollasturen bij bedrijven in de overige sectoren (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2015). Voor de inzet van biomassa is uitgegaan van de warmteproductie en de rendementen zoals beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de nieuwe ketels van 500 kW en groter wordt sinds de start van de SDE+-regeling de warmteproductie overgenomen uit de registratie van de SDE-regeling.

De uitsplitsing naar sector is gebaseerd op opgaven van de leveranciers van ketels en kachels. Ook de uitsplitsing naar provincie is gebaseerd op opgaven per installatie van de leveranciers van de ketels en kachels voor installaties groter dan 100 kW. Voor ketels en kachels kleiner dan 100 kW heeft het CBS geen gegevens per installatie. De meeste kleinere ketels en kachels staan echter bij landbouwbedrijven. Het CBS heeft daarom tot en met 2018 de meest recente gegevens uit de Landbouwtelling over het aantal bedrijven met een houtketel of -kachels gebruikt om de kleinere ketels en kachels over de provincies te verdelen. Met ingang van 2019 is deze methode vervangen door de provincieverdeling te baseren op de gemeenten van vestiging van de bedrijven die via de ISDE 2016–2018 een aanvraag voor een biomassaketel hebben gedaan. Daarnaast is ook de vragenlijst die aan de leveranciers is verstuurd zodanig aangepast dat het verstrekken van informatie over sector en locatie (provincie) is vereenvoudigd.

Door de non-respons op de CBS-vragenlijst, de onzekerheid over het aantal vollasturen van de houtketels en de timing van het uit gebruik nemen, bevatten de cijfers over de houtketels bij bedrijven een behoorlijke onzekerheid. Deze onzekerheid neemt echter iets af door de groei van het aandeel warmteproductie die volgt uit de data die overgenomen wordt uit de SDE-registratie. Al met al schat het CBS schat de onzekerheid op 30 procent.

8.6Stoken van biomassa door huishoudens

Ongeveer een miljoen huishoudens hebben een houtgestookte installatie. Meestal worden deze installaties niet als hoofdverwarming gebruikt, maar bij elkaar wordt er toch een aanzienlijke hoeveelheid hout verstookt. Voor het eindverbruik van hernieuwbare energie telt de hoeveelheid verstookt hout en dit kwam in 2019 overeen met 9 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland.

Daarnaast verbruiken veel Nederlandse huishoudens af en toe wat houtskool op de barbecue. Dit telt ook als verbruik van hernieuwbare energie. Het gaat om een kwart procent van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.6.1Biomassa bij huishoudens

Aantal in gebruik Inzet biomassa Warmte-productie Bruto eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie Vermeden emissie CO2
1 000 kton TJ kton
Totaal
2000 942 1 021 14 027 6 364 14 027 6 699 380
2005 948 1 141 15 664 8 082 15 664 8 507 483
2010 981 1 246 17 099 9 822 17 099 10 339 585
2015 996 1 217 16 743 10 305 16 743 10 847 613
 
2016 993 1 203 16 569 10 330 16 569 10 874 614
2017 991 1 189 16 432 10 386 16 432 10 932 619
2018 988 1 184 16 446 10 560 16 446 11 115 629
2019** 985 1 165 16 278 10 609 16 278 11 168 632
 
Openhaarden
2016 320 165 2 247 225 2 247 237 13
2017 310 160 2 174 217 2 174 229 13
2018 299 155 2 103 210 2 103 221 13
2019** 289 148 2 008 201 2 008 211 12
 
Inzethaarden
2016 184 199 2 701 1 669 2 701 1 757 99
2017 184 188 2 562 1 632 2 562 1 717 97
2018 184 178 2 421 1 588 2 421 1 672 95
2019** 185 167 2 266 1 533 2 266 1 613 91
 
Houtkachels
2016 471 812 11 040 8 172 11 040 8 603 486
2017 466 800 10 875 8 068 10 875 8 493 481
2018 461 8.6.1 10 713 7 963 10 713 8 382 474
2019** 455 766 10 421 7 760 10 421 8 168 462
 
Pelletkachels
2016 18 18 310 264 310 278 16
2017 31 32 551 468 551 493 28
2018 44 54 939 798 939 840 48
2019** 57 76 1 313 1 116 1 313 1 175 67
 
Houtskool (elk jaar)
2000–2019** 9 270 . 270 . .

Bron:CBS en TNO

Binnen de huishoudelijke houtkachels worden vier soorten onderscheiden: open haarden, inzethaarden,vrijstaande kachels en pelletkachels. De laatste twee groepen worden veel vaker gebruikt en hebben een hoger rendement dan open haarden. Het aantal openhaarden daalt en het aantal inzethaarden blijft min of meer stabiel. Mogelijk door de concurrentie van de toegenomen verkopen van pelletkachels (met ISDE-subsidie) daalt het aantal houtkachels. Het totale verbruik van hout door huishoudens is de laatste jaren ongeveer constant en was in 2019 goed voor 9 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

Methode

De gegevens voor de aantallen in gebruik zijnde huishoudelijke houtkachels, het houtverbruik en het rendement zijn afkomstig van TNO. TNO stelt deze gegevens samen voor de nationale emissiejaarrapportage. TNO baseert zich op steekproefonderzoeken naar het houtverbruik onder huishoudens waarvan de laatste beschreven is door Middelkoop en Segers (2019). Ontbrekende gegevens worden aangevuld met een parkmodel van de houtkachels, verkoopcijfers en expertschattingen van rendementen en levensduur van kachels (Jansen, 2016).

De verschillen met een schatting van het houtverbruik via de aanbodzijde zijn groot (Segers, 2013). Zowel de bepaling van het houtverbruik via de aanbodzijde (schatting van de opbrengst van brandhout uit bos, landschap, stedelijk groen en afval) als via de vraagzijde (enquête onder huishoudens) kent veel onzekerheden. Het CBS schat de onzekerheid in het houtverbruik op 30 procent (Middelkoop en Segers, 2019).

De schatting van het houtskoolverbruik is gebaseerd op expertkennis van buiten het CBS. De database van het CBS-Budgetonderzoek bevat ook gegevens over het houtskoolverbruik. Door de beperkte waarneemperiode is het aantal waarnemingen van houtskoolaankopen klein en zit er veel statistische ruis in de uitkomsten. Gemiddeld gaven huishoudens in de periode 2003–2010 1,50 euro per jaar uit aan houtskool. Met een gemiddelde prijs van 1,65 euro per kg en 7 miljoen huishoudens komt dat neer op 6,4 miljoen kg per jaar voor heel Nederland. Dat komt dus redelijk in de buurt van de 9 miljoen kg waar het CBS nu vanuit gaat. Het CBS schat de onzekerheid in het houtskoolverbruik op 50 procent.

Het vermeden verbruik van primaire energie door het gebruik van houtskool is nihil (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

8.7Stortgas

Stortgas is biogas uit stortplaatsen. Het meeste afgevangen stortgas wordt omgezet in elektriciteit. Op vijf stortplaatsen wordt stortgas omgezet in een gas met eigenschappen die sterk lijken op die van aardgas. Dit groen gas wordt vervolgens in het aardgasnet geïnjecteerd. Daarnaast wordt er nog een beetje stortgas direct voor warmtetoepassingen gebruikt. In 2019 leverde het stortgas ongeveer 0,2 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit stortgas is over haar hoogtepunt heen. De afname wordt veroorzaakt doordat steeds minder afval gestort wordt en het afval dat reeds gestort is steeds minder gas produceert (Rijkwaterstaat, 2015). De laatste tien jaar wordt er jaarlijks steeds tussen 5 en 10 procent minder stortgas geproduceerd. In deze trend zou een verandering kunnen komen omdat de hoeveelheden gestort afval sinds 2014 licht toenemen (Rijkswaterstaat, 2018). Echter, het is daarmee niet zeker dat hieruit ook meer biogas gewonnen gaat worden. In 2018 is de winning van stortgas afgenomen naar ruim 500 terajoule. Voor 2019 zijn nog geen uitkomsten beschikbaar en zijn de winningscijfers van 2018 overgenomen.

8.7.1Stortgas

Biogas Elektri­citeit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor elektriciteits-productie omzetting in aardgas = productie aardgas1) finaal verbruik bruto-productie productie uit warmte-kracht-koppeling elektriciteit2) warmte2) vervoer2) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 2 313 1 697 549 67 158 44 638 475 . 1 113 2 000 135
2005 1 909 1 463 446 0 131 68 533 351 . 884 1 623 107
2010 1 538 1 193 345 0 93 55 392 267 . 659 1 142 74
2015 815 550 186 79 43 0 180 193 13 386 610 43
 
2016 677 466 146 65 34 0 144 153 10 307 475 33
2017 706 430 157 118 30 0 131 208 12 350 494 33
2018 532 312 127 93 23 0 103 165 12 279 376 24
2019** 532 312 127 93 23 0 104 154 22 280 376 24

Bron:CBS

1)Inclusief beperkte hoeveelheid extern geleverd ruw stortgas.

2)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Methode

Tot en met 1996 komen de gegevens uit de energie-enquêtes van het CBS. Vanaf het jaar 1997 zijn de gegevens afkomstig uit de stortgasenquête in het kader van de Werkgroep Afvalregistratie (Rijkswaterstaat, 2015). Tot en met het verslagjaar 2004 werd deze enquête uitgevoerd door de Vereniging Afvalbedrijven, vanaf 2005 door Rijkswaterstaat Leefomgeving (voorheen Agentschap NL). In deze enquête worden energiegegevens van alle stortplaatsen gevraagd.

Voor de nader voorlopige cijfers van 2019 waren de gegevens uit de Werkgroep Afvalregistratie (WAR) nog niet beschikbaar. Daarom is voor de elektriciteitsproductie en voor de aardgasproductie 2019 gebruik gemaakt van data uit 2018. In eerdere jaren werd informatie van CertiQ en Vertogas gebruikt voor een wat nauwkeuriger voorlopig cijfer, maar gezien het minder wordende belang van energie uit stortgas is dat nu niet meer gedaan.

De respons op de WAR-enquête is de laatste jaren (bijna) 100 procent. Eventuele ontbrekende gegevens zijn geschat op basis van de wel bekende gegevens. Het bruto eindverbruik van het in aardgas omgezette stortgas is berekend zoals beschreven in 8.1. De onzekerheid in het bruto eindverbruik van energie uit stortgas schat het CBS op 10 procent.

8.8Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties

Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) komt vrij door het vergisten van het uit het zuiveringsproces geproduceerde zuiveringsslib. Slibgisting wordt vooral bij de grotere RWZI’s toegepast. Er zijn ongeveer 330 RWZI’s in Nederland en bij circa 70 RWZI’s wordt biogas gewonnen en nuttig gebruikt. Biogas uit RWZI’s draagt in 2019 ruim 1 procent bij aan het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie met behulp van biogas uit RWZI’s was ongeveer stabiel tot en met 2010 maar nam daarna langzaam maar gestaag toe tot 2015. In 2016 neemt de winning van biogas weer meer toe en is in 2017 en 2018 op dit niveau (2,4 petajoule) blijven staan. In 2019 groeit de winning van biogas opnieuw en komt uit op 2,6 petajoule.

8.8.1Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties

Biogas Elektri­citeit Warmte uit warmte-kracht­installaties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­kracht­installaties omzetting in aardgas = productie aardgas finaal verbruik bruto-productie bruto-productie elektri­citeit1) warmte1) vervoer1) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ TJ kton
2000 1 925 1 345 579 111 553 398 1 361 1 760 1 467 97
2005 1 946 1 575 370 123 649 444 1 306 1 750 1 461 96
2010 2 101 1 926 175 164 758 590 1 258 1 848 1 508 100
2015 2 316 2 177 . 140 206 713 743 1 205 . 1 948 1 940 146
 
2016 2 410 2 257 . 167 208 832 749 1 311 . 2 059 2 015 144
2017 2 410 2 135 . 220 196 742 706 1 285 . 1 991 1 769 125
2018 2 436 2 077 75 275 195 741 714 1 353 7 2 073 1 963 132
2019** 2 636 2 133 126 377 204 689 753 1 432 22 2 207 2 115 142

Bron:CBS

Methode

De gegevens zijn afkomstig uit de CBS-enquête Zuivering van Afvalwater. De respons op deze enquête is 100 procent. Vanaf het verslagjaar 2011 is het energiegedeelte van deze enquête gecombineerd met de uitvraag voor de Meerjarenafspraken Energiebesparing. De grootste onzekerheid zit in de warmte; deze warmte wordt vaak niet gemeten maar geschat.

Vanaf verslagjaar 2004 is voor het eerst gevraagd om de warmte uit te splitsen naar gebruiksdoel. Het blijkt dat een groot deel van de warmte wordt gebruikt om het productieproces van het biogas op temperatuur te houden. Deze warmte telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Vóór 2004 is niet bekend welk deel van de geproduceerde warmte uit de warmtekrachtinstallaties is gebruikt voor de gisting. Aangenomen is dat de verdeling over gisting en andere processen voor 2004 gelijk is aan de verdeling daarna.

Het bruto eindverbruik voor warmte van RWZI-biogas bestaat uit het finaal verbruik van het biogas (warmteketels) plus een bijdrage die gerelateerd is aan de warmte uit warmtekrachtinstallaties op RWZI-biogas. De warmte uit warmtekrachtinstallaties wordt niet verkocht maar zelf verbruikt en komt daardoor niet direct in de internationale energiestatistieken. Maar wel indirect omdat de inzet van biogas voor die zelf verbruikte warmte als finaal verbruik wordt toegerekend aan de warmteproductie. Voor dit toerekenen is het nodig om de inzet van biogas voor de warmtekrachtinstallaties te verdelen over de geproduceerde elektriciteit en warmte. Het CBS maakt deze verdeling op basis van de productie van elektriciteit en warmte in joules volgens de suggestie in de handleiding voor energiestatistieken (IEA/Eurostat, 2004).

Bij een zestal RWZI’s wordt het biogas omgezet in aardgas. Vanwege de geringe hoeveelheid, mogelijke vertrouwelijkheid van de gegevens en eenvoud werd deze aardgasproductie tot en met 2017 geteld als finaal verbruik van biogas.

De onnauwkeurigheid van de hernieuwbare energie uit biogas van RWZI’s wordt geschat op 10 procent.

8.9Biogas, co-vergisting van mest

Co-vergisting van mest omvat de productie van biogas uit het vergisten van mest, samen met andere plantaardige materialen. Gemakshalve wordt co-vergisting van mest ook aangeduid als mestvergisting. Monovergisting van mest komt ook in kleine hoeveelheden voor en telt het CBS mee bij de co-vergisting. Co-vergisting van mest leverde in 2019 ongeveer 3 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De groei van de productie van hernieuwbare energie uit co-vergisting van mest vlakt af vanaf 2009. Vanaf 2011 daalt de productie van biogas uit de co-vergisting van mest. Na een lichte stijging van de productie van biogas in 2015 volgden weer lichte dalingen in 2016 en 2017. In 2018 stijgt de productie van biogas met 9 procent en is daarmee weer terug op het niveau van 2015. De stijging in 2018 is deels wat kunstmatig, omdat voor het eerst groen gas uit co-vergisting van mest is meegenomen. In eerdere jaren was er ook productie van groen gas uit co-vergisting van mest, maar werd dat om redenen van vertrouwelijkheid geteld bij overig biogas (paragraaf 8.10). In 2019 neemt de winning van biogas ten opzichte van 2018 verder toe; met 11 procent naar 5,9 petajoule. Opmerkelijk daarbij is dat de productie van groen gas uit dit biogas ruim verdubbelt naar 1,6 petajoule.

De afname van de groei vanaf 2009 had in eerste instantie te maken met het ontbreken van een subsidieregeling voor nieuwe installaties na het stopzetten van de MEP-subsidieregeling in augustus 2006. De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE) die de MEP opvolgde in 2008 heeft nog niet geleid tot veel nieuwe productie. Mogelijk speelt hierbij mee dat co-vergisting van mest het moeilijk heeft door de hoge prijzen van de co-substraten en de lage prijzen voor elektriciteit (Peene et al., 2011 en Van den Boom en Van der Elst, 2013). Een ontwikkeling die zich doorgezet heeft, is de toename van de warmteproductie. Dit gaat vooral om extra warmtebenutting – bijvoorbeeld voor het drogen van het vergistingsresidu – op bestaande installaties waarvoor vanaf 2012 SDE-subsidie verkregen kan worden.

8.9.1Co-vergisting van mest

Aantal locaties Biogas Elektriciteit Warmte uit warmte­kracht­installaties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­kracht­insta­lla­ties omzet­ting in aardgas = productie aardgas vermo­gen1) bruto-productie bruto-productie elektri­citeit2) warmte2) vervoer2) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ MW mln kWh TJ kton
2005 17 85 85 8 9 8 32 18 50 80 5
2010 91 5 445 5 445 98 575 671 2 069 1 333 3 402 4 990 331
2015 97 5 241 5 241 . 135 553 1 557 1 992 2 300 . 4 291 5 910 428
 
2016 100 4 966 4 966 . 122 524 1 636 1 887 2 306 . 4 194 5 642 392
2017 94 4 821 4 821 . 114 509 1 606 1 832 2 252 . 4 084 5 338 364
2018 89 5 313 4 675 638 102 493 1 566 1 871 2 544 58 4 474 5 604 371
2019** 89 5 879 4 280 1 599 98 452 1 550 1 880 2 838 281 4 998 6 028 397

Bron:CBS

1)Aan het einde van het verslagjaar.

2)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Methode

De bruto elektriciteitsproductie van de mestvergisters is bepaald aan de hand van gegevens uit de administratie van de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. De productie van biogas is geschat op basis van de elektriciteitsproductie en een standaard bruto elektrisch rendement van 38 procent. Het eigen verbruik van elektriciteit is bepaald met behulp van de biogasproductie en kengetallen uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie.

De warmteproductie bestaat uit drie componenten:

  • eigen verbruik van warmte voor het op temperatuur houden van de vergister
  • niet gesubsidieerde warmteproductie voor toepassingen buiten de vergister
  • gesubsidieerde warmteproductie

Het eigen verbruik van warmte is bepaald op basis van een kengetal uit het Protocol: 0,04 joule warmte voor de productie van 1 joule biogas. Het verbruik van warmte voor de gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel voor het bruto eindverbruik. De niet gesubsidieerde warmteproductie is afkomstig van een aanvullende enquête van het CBS onder de landbouwbedrijven in het kader van de meststatistiek tot en met 2011,voor 2013 en 2014. Voor 2012, 2015 en 2016 is aangenomen dat de niet-gesubsidieerde warmteproductie gelijk is aan het voorafgaande jaar en beperkt is tot enkele procenten van het totaal. Na het verslagjaar 2016 is deze warmteproductie om praktische redenen en de geringe omvang niet meer meegenomen in de uitkomsten.

De gesubsidieerde warmteproductie is afgeleid uit gegevens van CertiQ.

Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) wordt de warmte uit warmtekrachtkoppelingsinstallaties (wkk) op biogas uit co-vergisting van mest meestal niet verkocht maar zelf gebruikt. Niet verkochte wkk-warmte komt niet direct terug in internationale energiestatistieken, wat de berekening van het bruto eindverbruik voor verwarming compliceert. In paragraaf 8.8 over de RWZI’s wordt daar uitgebreider op ingegaan.

De certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de subsidie, die weer een noodzakelijke voorwaarde is voor het rendabel exploiteren van mestvergisters. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de administratie van CertiQ een nagenoeg volledig beeld geeft van de elektriciteitsproductie door biogasinstallaties op landbouwbedrijven. De onzekerheid in de bruto elektriciteitsproductie wordt daarom geschat op maximaal 5 procent. De onzekerheid in de warmteproductie is iets groter, omdat de warmte voor de gisting geschat wordt met een kengetal. Het CBS schat de totale onzekerheid in het bruto eindverbruik van co-vergisting van mest op 5 á 10 procent.

8.10Overig biogas

Overig biogas omvat vanaf de jaren negentig biogas uit afvalwater dat gewonnen en gebruikt wordt in de voedingsmiddelenindustrie. Daar wordt via anaerobe afvalwaterzuivering biogas gewonnen dat wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit en/of proceswarmte. Later zijn daar andere natte biomassastromen bijgekomen, zoals groente- fruit- en tuinafval of afval uit de voedingsmiddelenindustrie. Het gaat momenteel om projecten op ongeveer 40 locaties die in 2019 goed zijn voor bijna 3 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.10.1Overig biogas

Biogas Elektri­citeit Warmte uit warmte­kracht­installaties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­kracht­installaties omzetting in aardgas = productie aardgas finaal verbruik bruto-productie bruto-productie elektri­citeit1) warmte1) vervoer totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 974 274 700 17 155 61 897 957 928 54
2005 1 155 405 750 32 116 114 954 1 068 1 046 62
2010 2 900 2 243 657 196 523 707 1 424 2 131 2 593 163
2015 5 320 2 501 2 337 482 233 633 1 153 2 958 166 4 277 4 615 309
 
2016 5 286 2 371 2 475 539 227 488 1 174 2 667 174 4 016 4 526 296
2017 5 495 1 974 2 943 579 189 411 1 123 2 788 218 4 130 4 526 292
2018 5 374 2 082 2 535 957 175 662 1 005 3 232 231 4 469 4 710 295
2019** 5 763 2 327 2 646 1 101 203 753 1 151 3 311 465 4 926 5 229 332

Bron:CBS

1)Inclusief elektriciteit of warmte toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

De productie van hernieuwbare energie uit overig biogas neemt, met een uitschieter in 2015, gestaag toe; in 2019 neemt het energetisch eindverbruik toe met 10 procent. De toename tot en met 2010 betreft vooral nieuwe projecten waarbij elektriciteit wordt gemaakt uit biogas. Het opstarten was toen relatief aantrekkelijk vanwege de ondersteuning via de MEP-regeling.

Vanaf 2011 wordt steeds meer overig biogas ingezet voor de productie van aardgas, ook wel groen gas genoemd. De productie van groen gas wordt ondersteund door de SDE–subsidieregeling. Eind 2019 werd op ongeveer 20 locaties groen gas gemaakt uit overig biogas. De productie van groen gas uit overig biogas nam in 2019 toe met slechts 4 procent. Groen gas blijft hiermee wel de belangrijkste bestemming van het biogas maar, net als in 2018, werd relatief meer biogas ingezet voor de productie van warmte en elektriciteit in de warmtekrachtinstallaties. De mogelijkheid om hier via de SDE+ subsidie voor te krijgen zou een rol gespeeld kunnen hebben.

Methode

Voor biogas in de industrie berust de waarneming op de reguliere CBS-enquêtes voor de winning, omzetting en het gebruik van energie. Non-respons wordt bijgeschat op basis van historische gegevens.

Van veel nieuwere projecten, vaak buiten de industrie, is de elektriciteitsproductie bekend bij CertiQ en de groengasproductie bij Vertogas. Het CBS ontvangt deze productiegegevens van CertiQ en Vertogas en gebruikt de gegevens als basis om de benodigde gegevens uit te rekenen zonder directe waarneming. De winning van biogas wordt berekend via een geschat rendement van de elektriciteitsproductie en de groengasproductie. De warmteproductie voor deze nieuwere projecten is vaak beperkt tot de warmte die nodig is om de gisting aan de gang te houden en kan geschat worden als een vaste fractie van de productie van biogas (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie). Andere informatiebronnen voor de warmte zijn gegevens uit de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA), overheidsmilieujaarverslagen, internet en soms belt het CBS bedrijven met productie van biogas.

De warmte voor gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van primaire fossiele energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt de nuttig gebruikte warmte uit warmtekrachtinstallaties op biogas meestal niet verkocht maar zelf gebruikt.

Het zwakste punt in de waarneming is de schatting van de warmteproductie, omdat warmte vaak niet wordt verkocht en daarom ook vaak niet wordt gemeten. Het CBS schat de onzekerheid in de hernieuwbare energie uit overig biogas op 10 procent.

8.11Vloeibare biotransportbrandstoffen

Biobrandstoffen voor het wegverkeer zijn duurder dan de op aardolie gebaseerde brandstoffen. Om het verbruik van biobrandstoffen te stimuleren heeft de overheid de leveranciers van benzine en diesel vanaf 2007 verplicht om deze te leveren.

De meeste biobrandstoffen kunnen in pure vorm niet in gewone motoren van wegvoertuigen gebruikt worden. Motoren van bestaande wegvoertuigen draaien wel op met biobrandstoffen bijgemengde benzine en diesel, zolang de bijmengpercentages niet te groot worden. De meeste biobrandstoffen worden daarom in bijgemengde vorm op de markt gebracht.

Het overheidsbeleid voor biobrandstoffen wordt sterk beïnvloed door Europese richtlijnen. Eerst was er de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Brandstoffen in het vervoer uit 2003 (Europees Parlement en de Raad, 2003). In deze richtlijn hebben lidstaten een niet bindende afspraak gemaakt om het aandeel biobrandstoffen op te laten lopen van 2 procent in 2005 tot 5,75 procent in 2010. De richtlijn was aanleiding voor het Besluit Biobrandstoffen (Staatsblad, 2006), dat leveranciers verplichtte om biobrandstoffen te leveren.

Later kwam er discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen. Als voordelen van biobrandstoffen worden genoemd: de reductie van broeikasgasemissies en de verminderde afhankelijkheid van de steeds schaarser wordende fossiele olie, die regelmatig afkomstig is uit landen waarmee de politieke relatie als instabiel wordt ervaren. Als nadeel van biobrandstoffen wordt vaak genoemd dat reductie van broeikasgasemissies maar zeer beperkt is, soms zelfs nihil, als alle, vaak indirecte, effecten worden meegenomen (Europese Commissie, 2012), ook al is het lastig om de indirecte effecten te berekenen. Ook kunnen biobrandstoffen concurreren met voedsel, wat daardoor duurder kan worden. Tot slot kunnen natuurgebieden bedreigd worden door een toename van de teelt van biobrandstoffen.

In de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie uit 2009 is bindend afgesproken dat in 2020 10 procent van alle energie voor vervoer uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. Hernieuwbare elektriciteit voor vervoer telt daarbij ook mee (zie paragraaf 2.4). Biobrandstoffen voor vervoer zijn de belangrijkste component voor deze vervoersdoelstelling en de verwachting is dat dit voorlopig zo blijft (Rijksoverheid, 2010). Als gevolg van de discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen zijn in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa. Deze criteria moeten waarborgen dat bij de productie van de gebruikte vloeibare biomassa mensen, natuur en milieu voldoende worden beschermd. In 2015 is de Richtlijn aangepast en is afgesproken dat het verbruik van biobrandstoffen uit voedselgewassen beperkt wordt tot 7 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer. Zie ook paragraaf 2.4.

In de afgelopen jaren liep de verplichting voor oliebedrijven tot het leveren van biobrandstoffen langzaam op van 4 procent in 2010 tot en met 8,5 procent in 2018 (Besluit Hernieuwbare Energie Vervoer 2015, Staatsblad, 2014), geleidelijk oplopend naar 16,4 procent in 2020 (Besluit Energie Vervoer Staatsblad, 2018). Bedrijven moeten aantonen dat de door hen geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Dat doen ze door gebruik te maken van certificeringssystemen. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) controleert of bedrijven voldoende gecertificeerde biobrandstoffen op de markt hebben gebracht.

Biobrandstoffen uit afval en houtachtige materialen worden als extra duurzaam gezien. Om het gebruik van deze biobrandstoffen extra te stimuleren mogen deze dubbel geteld worden voor de transportdoelstelling uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Voor de overall doelstelling voor hernieuwbare energie geldt deze dubbeltelling niet. Voor de nationale bijmengplicht geldt een dubbeltelling vanaf het verslagjaar 2009 (Staatscourant, 2009)

In 2019 was de bijdrage van biobrandstoffen voor het wegverkeer aan het totaal bruto eindverbruik van hernieuwbare energie 16 procent.

Ontwikkelingen

8.11.1 Verbruik duurzame vloeibare biotransportbrandstoffen (PJ)
Dubbel tellend Enkel tellend
'05 . 0,1
'06 . 1,8
'07 . 13
'08 . 12
'09 3,2 12,4
'10 3,6 6
'11 7 6,5
'12 7,4 5,2
'13 7,5 4,6
'14 8,9 5,2
'15 6 6,4
'16 5 4,8
'17 7,1 5,4
'18 14,6 6,4
'19** 19,4 6,5

Het fysieke verbruik van duurzame vloeibare biobrandstoffen is in 2019 gestegen van 23 naar 28 petajoule. Zowel het verbruik van biobenzine als van biodiesel nam toe, respectievelijk met 16 procent en met 28 procent. Bij biodiesel wordt grotendeels gebruik gemaakt van dubbeltellende biobrandstoffen, bij biobenzine voor het grootste deel van enkeltellende, al was in 2019 een opvallende toename te zien van de hoeveelheid dubbeltellende biobenzine.

Het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer loopt niet gelijk op met de verplichting, onder andere omdat de bedrijven de mogelijkheid hebben om het ene jaar extra hernieuwbare energie op de markt te brengen en deze extra inspanning administratief mee te nemen naar een volgend jaar. Daarnaast bood voor de jaren 2015 tot en met 2017 de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de bedrijven de mogelijkheid om biobrandstoffen te tellen voor de verplichting op een moment dat nog niet zeker was dat ze daadwerkelijk fysiek op de Nederlandse markt zouden komen (het telmoment van het CBS). Met ingang van het verslagjaar 2018 is wet- en regelgeving aangescherpt en zijn de verschillen tussen de bij NEa getelde biobrandstoffen en de door het CBS getelde biobrandstoffen veel kleiner geworden.

Vanaf verslagjaar 2018 is het voor oliebedrijven mogelijk om biobrandstoffen geleverd aan schepen mee te tellen voor de verplichting om hernieuwbare energie voor vervoer te leveren. Als gevolg daarvan worden sinds 2018 ook biobrandstoffen geleverd aan schepen. De meeste van deze schepen varen naar het buitenland en als gevolg daarvan tellen deze leveringen als bunkers, een soort export, en niet bij het verbruik. In 2019 werd in de gebunkerde scheepsbrandstoffen ongeveer 2 PJ biodiesel bijgemengd. In totaal werd er in 2019 ongeveer 450 PJ aan scheepsbrandstoffen geleverd voor bunkers.

8.11.2Duurzame1) vloeibare biotransportbrandstoffen, afleveringen op binnenlandse gebruikersmarkt

Afleveringen, totaal = Bruto energetisch eindverbruik2)
zonder verrekening dubbeltelling
Afleveringen, dubbeltellend3)
zonder verrekening dubbeltelling
Effect
mobiele werktuigen (telt als warmte) weg- en railverkeer+binnenvaart (telt als vervoer) totaal weg- en railverkeer+binnenvaart (telt als vervoer) vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ kton
Totaal
2010 0 9 577 9 577 3 574 9 577 518
2011 0 13 438 13 438 6 958 13 438 786
2012 826 12 527 13 353 7 368 13 353 839
2013 802 12 122 12 924 7 474 12 924 850
2014 1 011 14 091 15 102 8 900 15 102 997
2015 923 12 391 13 314 6 033 13 314 845
2016 718 9 718 10 435 4 965 10 435 693
2017 1 022 12 461 13 483 7 062 13 483 935
2018 1 933 20 935 22 868 14 564 22 868 1 604
2019** 2 504 25 933 28 437 19 387 28 437 2 083
 
Biobenzine
2010 0 5 614 5 614 162 5 614 .
2011 0 6 231 6 231 . 6 231 .
2012 0 5 211 5 211 509 5 211 .
2013 0 5 210 5 210 852 5 210 286
2014 0 5 379 5 379 430 5 379 300
2015 0 5 949 5 949 97 5 949 323
2016 0 4 752 4 752 57 4 752 257
2017 0 5 399 5 399 0 5 399 314
2018 0 7 146 7 146 813 7 146 415
2019** 0 8 321 8 321 3165 8 321 530
 
Biodiesel
2010 0 3 963 3 963 3 412 3 963 .
2011 0 7 207 7 207 . 7 207 .
2012 826 7 316 8 142 7 634 8 142 .
2013 802 6 912 7 714 7 390 7 714 565
2014 1 011 8 712 9 723 9 452 9 723 697
2015 923 6 442 7 365 6 788 7 365 522
2016 718 4 966 5 683 5 617 5 683 436
2017 1 022 7 062 8 084 8 084 8 084 620
2018 1 933 13 788 15 722 15 680 15 722 1 189
2019** 2 504 17 612 20 116 18 528 20 116 1 553

Bron:CBS

1)Vanaf 2011 afgeleid uit opgaven van oliebedrijven aan NEa. In de jaren daarvoor was er nog geen verplichting tot het gebruik van systemen voor certificatie van de duurzaamheid van biomassa. In Europees verband is afgesproken om tot en met 2010 alle vloeibare biomassa als duurzaam te tellen.

2)Volgens de berekening van de doelstelling voor hernieuwbare energie totaal uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009, dus zonder dubbeltelling.

3)Dubbeltellend voor de verplichting uit de wet Hernieuwbare Energie Vervoer en de doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009.

8.11.3Vloeibare biotransportbrandstoffen1), balans

Productie­capaciteit Aanbod Verbruik Bijmenging
totaal productie netto invoer voorraad­mutatie
puur en bijgemengd
bunkers2)
puur en bijgemengd
totaal
puur en bijgemengd puur bijgemengd
TJ
Totaal
2010 . 9 577 . . . 940 2 585 . 9 577 8 637 .
2015 . 13 439 . . . −2 074 498 . 13 439 15 513 .
2016 . 10 747 . . . −1 492 −684 . 10 747 12 239 .
2017 . 13 891 . . . −2 944 −4 039 . 13 891 16 835 .
2018 . 22 993 . . . −2 336 −6 697 698 22 993 26 027 .
2019* . 28 437 . . . −4 705 146 1 982 28 437 35 124 .
 
Biobenzine
2010 . 5 614 . . . 1 010 199 5 614 4 604 .
2015 . 5 950 . . . −280 57 5 950 6 230 .
2016 . 5 049 . . . −444 −438 5 049 5 493 .
2017 . 5 399 . . . −683 −190 5 399 6 082 .
2018 . 7 146 . . . −456 254 7 146 7 603 .
2019* . 8 321 . . . −1 416 4 8 321 9 737 .
 
Biodiesel
2010 48 322 13 891 14 134 −12 557 −12 487 −70 2 386 . 3 963 4 033
2015 80 512 7 488 60 273 −53 226 −51 431 −1 795 442 . 7 488 9 283
2016 71 299 5 698 54 094 −48 150 −47 102 −1 047 −246 . 5 698 6 745
2017 76 146 8 493 71 373 −59 031 −56 770 −2 261 −3 849 . 8 493 10 754
2018 77 034 15 846 68 043 −44 547 −42 667 −1 880 −6 952 698 15 846 18 424
2019* 81 349 20 116 72 832 −50 876 −47 586 −3 289 142 1 982 20 116 25 387

Bron:CBS

1)Het gaat in deze tabel om alle biobrandstoffen, ongeacht of ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Dit in tegenstelling tot tabel 8.11.2 waar het alleen gaat om duurzame biobrandstoffen.

2)Dit zijn leveringen aan schepen die naar het buitenland varen en telt mee als een soort export en niet bij het verbruik.

In 2019 was de Nederlandse productie van biodiesel bijna 73 petajoule. Dat is veel meer dan het binnenlands verbruik (20 petajoule). Een groot deel van de geproduceerde biodiesel gaat dan ook naar het buitenland.

De productiecapaciteit van de biodieselfabrieken is in 2019, ten opzichte van 2018, toegenomen en kwam uit op 81 petajoule (+4 petajoule ten opzichte van 2018). Hiermee komt de bezettingsgraad van de installaties voor biodiesel uit op 90 procent.

In Nederland wordt ook biobenzine geproduceerd. Het gaat om bio-ethanol, bio-methanol en bionafta. Ook voor biobenzine geldt in 2013 dat de productie veel groter is dan het verbruik. Er zijn niet zoveel fabrieken voor de productie van biobenzine. Daarom zijn de uitkomsten over de productie voor veel jaren vertrouwelijk.

Methode

De cijfers over de productie van biobrandstoffen zijn afgeleid uit een enquête van het CBS. De respons op deze enquête was bijna 100 procent. Voor de energie-inhoud is gebruik gemaakt van de standaardwaarden uit de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie.

De waarneming voor de handel, bijmenging en het verbruik van biobrandstoffen is gebaseerd op een combinatie van gegevens uit:

  • de biobrandstoffenrapportages die oliebedrijven inleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
  • de aardoliestatistiek van het CBS.

In het kader van de bijmengplicht leveren oliebedrijven jaarlijks een rapportage aan de overheid over de hoeveelheid voor de markt geclaimde duurzame biobrandstoffen per locatie, inclusief de aard en oorsprong van de grondstoffen van de geleverde biobrandstoffen. Het CBS heeft per bedrijf de fysieke gegevens uit deze rapportages ontvangen van de NEa.

Voor de CBS-oliestatistiek vullen alle belangrijke spelers op de oliemarkt (raffinaderijen, petrochemische industrie, handelaren en opslagbedrijven) elke maand een formulier in, met per olieproduct een complete balans. Bio-ETBE, bio-MTBE, biobenzine en biodiesel worden apart onderscheiden. De respons op deze enquête was 100 procent voor de bedrijven die relevant zijn voor biobrandstoffen. Er is echter wel een onzekerheid in de resultaten voor de balans van pure biobrandstoffen door het gebrek aan kwaliteit en volledigheid van de respons bij sommige bedrijven en doordat niet alle bedrijven die biobrandstoffen opslaan in de populatie zitten.

Veel bedrijven hebben moeite met het beantwoorden van de vraag over de aanvoer en aflevering van bijgemengde biobrandstoffen. Om de administratieve lasten te beperken, staat het CBS toe dat deze vraag niet maandelijks wordt ingevuld. In plaats daarvan ontvangen de relevante bedrijven een extra vragenlijst waarin deze informatie op jaarbasis wordt uitgevraagd. Daarbij kunnen bedrijven ook aan de informatievraag van het CBS voldoen door het geven van een toelichting op gegevens die het bedrijf al aan de NEa heeft verstrekt. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat de informatie van de NEa voldoende compleet is wat betreft de fysieke stromen van biobrandstoffen voor binnen- en buitenland.

Voor sommige bedrijven is het ook lastig om op jaarbasis uit hun administratie de fysieke bestemming van de biodiesel en biobenzine na het bijmengen af te leiden. Daarom heeft het CBS nader overlegd met deze bedrijven en is de fysieke bestemming van de bijgemengde biobrandstoffen nauwkeuriger bepaald door extra informatie uit de logistieke keten (depots van bijmenging en transport via boot of truck) mee te nemen.

De informatie van de NEa over biobrandstoffen is in principe betrouwbaar en voor het CBS altijd een cruciale bron. Door definitieverschillen tussen de Energiestatistieken en de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer moet CBS soms een vertaalslag maken, vaak op basis van extra informatie van de bedrijven. Deze vertaalslag kent echter wel een onzekerheid en daardoor is in de jaren met weinig definitieverschillen de onzekerheid in de CBS-cijfers relatief klein. Met ingang van verslagjaar 2018 is de wet- en regelgeving aangepast met het gevolg dat het verschil tussen belaste leveringen tussen CBS en NEa een stuk kleiner is geworden. Nieuw aandachtspunt zijn wel de leveringen van biobrandstoffen aan schepen (zie paragraaf 2.4).

De oliestatistiek van het CBS richt zich op fysieke stromen en voorraden. Echter, voorraden van bijgemengde biobrandstoffen worden slechts door een enkel bedrijf gerapporteerd, omdat het lastig is om gegevens over bijgemengde biobrandstoffen af te leiden uit de bedrijfsadministratie. Daarom neemt het CBS aan dat de veranderingen in de fysieke voorraden van bijgemengde biobrandstoffen nihil zijn en dat de bijgemengde biobrandstoffen direct worden geëxporteerd of geleverd op de binnenlandse markt.

De eigen waarneming van het CBS bevat geen informatie over de duurzaamheid van de gebruikte biobrandstoffen, de dubbeltelling van biobrandstoffen en de vermeden emissies van broeikasgassen. Echter, door het combineren van informatie uit de rapportages aan de NEa met fysieke afzetcijfers kan het CBS toch deze informatie afleiden.

De onzekerheid in de cijfers over de (fysiek) op de markt gebrachte biobrandstoffen zit vooral in de bestemming van de biobrandstoffen nadat ze door de bedrijven zijn geclaimd voor de Nederlandse markt bij de NEa. Komen deze op de binnenlandse markt, of worden ze uiteindelijk geëxporteerd? Het CBS schat de onzekerheid in de cijfers over de op de Nederlandse markt gebrachte biobrandstoffen op ongeveer 5 procent voor verslagjaar 2019.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Maria José Linders

André Meurink

Glenn Muller

Reinoud Segers