Algemene overzichten

Dit hoofdstuk geeft een algemeen overzicht over hernieuwbare energie. Eerst volgt een overzicht van het totaal aan hernieuwbare energie met alle vormen van energie bij elkaar waarna uitsplitsingen volgen voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en hernieuwbare energie voor vervoer. Daarna komen paragrafen over internationale vergelijkingen, de methode, werkgelegenheid en subsidies.

2.1Hernieuwbare energie totaal

In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is vastgelegd dat 14 procent van het bruto energetisch eindverbruik van energie in 2020 afkomstig moet zijn van hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn is een gezamenlijk besluit van de regeringen van de EU-landen en het Europees Parlement. Het kabinet Rutte II had in het regeerakkoord oorspronkelijk afgesproken om te streven naar 16 procent in 2020 (VVD en PvdA, 2012). In het nationaal Energieakkoord is deze 16 procent opgeschoven naar 2023 (SER, 2013).

Ontwikkelingen

2.1.1Bruto eindverbruik van hernieuwbare energie

1990 1995 2000 2005 2010 2015 2017 2018 2019** 2019**
Eindverbruik van hernieuwbare energie PJ % van totaal hernieuw­baar
Bron-techniekcombinatie
Waterkracht1) 0,3 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,3 0,3 0,3 0,2
Windenergie1) 0,2 1,1 2,7 7,3 16,2 24,9 34,7 36,1 38,8 21,4
wind op land 0,2 1,1 2,7 7,3 13,5 21,2 22,6 23,7 26,7 14,7
wind op zee 2,8 3,7 12,2 12,4 12,0 6,6
Zonne-energie, totaal 0,1 0,2 0,5 0,8 1,2 5,1 9,1 14,5 19,8 10,9
zonnestroom 0,0 0,0 0,0 0,1 0,2 4,0 7,9 13,3 18,6 10,3
zonnewarmte 0,1 0,2 0,5 0,7 1,0 1,1 1,1 1,2 1,2 0,6
Aardwarmte en bodemenergie . 0,0 0,2 0,6 2,5 6,1 7,1 8,1 10,3 5,7
Buitenluchtenergie . 0,0 0,0 0,1 0,5 2,0 3,5 4,7 6,1 3,4
Biomassa totaal 21,2 23,7 31,0 47,9 71,6 78,8 82,0 92,4 106,3 58,5
afvalverbrandingsinstallaties 4,1 4,3 9,1 9,8 14,1 20,7 19,9 16,6 15,7 8,6
bij- en meestoken biomassa in centrales 0,0 0,8 13,1 12,9 1,8 2,3 2,9 8,3 4,6
biomassaketels bedrijven, elektriciteit 0,4 0,4 1,0 1,4 4,4 6,3 9,5 10,6 12,7 7,0
biomassaketels bedrijven, alleen warmte 1,7 1,9 2,2 4,1 5,5 9,0 9,8 11,7 12,4 6,9
biomassa bij huishoudens 12,9 13,3 14,0 15,7 17,1 16,7 16,4 16,4 16,3 9,0
stortgas 0,2 1,3 1,1 0,9 0,7 0,4 0,4 0,3 0,3 0,2
biogas uit rioolwaterzuiverings­installaties 1,4 1,7 1,8 1,7 1,8 1,9 2,0 2,1 2,2 1,2
biogas uit co-vergisting van mest2) 0,0 3,4 4,3 4,1 4,5 5,0 2,8
overig biogas 0,5 0,8 1,0 1,1 2,1 4,2 4,1 4,5 4,9 2,7
vloeibare biotransportbrandstoffen 0,0 0,0 0,0 0,1 9,6 13,3 13,5 22,9 28,4 15,7
 
Energievorm
Elektriciteit 2,9 5,1 10,3 26,8 42,2 47,4 60,0 66,6 78,7 43,4
Warmte 18,9 20,3 24,4 30,2 40,6 57,5 64,1 68,2 76,1 41,9
Vervoer 0,0 0,0 0,0 0,1 9,6 12,4 12,7 21,2 26,7 14,7
Totaal eindverbruik hernieuwbare energie
21,8 25,5 34,7 57,1 92,4 117,3 136,8 156,1 181,5 100,0
Berekening aandeel hernieuwbare energie
Totaal bruto energetisch eindverbruik3) 1 819 2 035 2 140 2 301 2 359 2 070 2 117 2 114 ** 2 094
 
%
Aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik (%) 1,20 1,25 1,62 2,48 3,92 5,67 6,46 7,38 ** 8,67

Bron:CBS

1)Inclusief normalisatieprocedure uit de EU-Richtlijn hernieuwbare energie.

2)Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.

3)Berekend volgens definities uit de EU-Richtlijn hernieuwbare energie.

In 2019 was het aandeel hernieuwbare energie 8,7 procent van het eindverbruik van energie. Dat is ongeveer 14 procent hoger dan het aandeel in 2018 (7,4%). Het verbruik van hernieuwbare energie was in 2019 met 182 petajoule 16 procent hoger dan in 2018. Het verbruik van energie uit biomassa, goed voor 59 procent van het totaal aan hernieuwbare energie, nam met 15 procent toe. Er waren daarnaast flinke stijgingen van energie uit zon (+37%), aardwarmte en bodemenergie (+27%) en buitenlucht (+31%). De groei van windenergie bleef in 2019 beperkt tot 7 procent.

De bijdrage van zonne-energie aan het energieverbruik uit hernieuwbare bronnen is gegroeid naar 11 procent. De ontwikkeling van de elektriciteitsproductie uit zonnepanelen was ook in 2019 met een groei van 40 procent opnieuw fors en net als in vorige jaren geheel te danken aan de groei van het opgestelde vermogen van de zonnepanelen. In tegenstelling tot de elektriciteitsproductie is de warmteproductie met zonnecollectoren ongeveer gelijk gebleven (+2%). Het opgestelde vermogen voor windenergie groeide in 2019 met ongeveer 2 procent naar met 4,5 gigawatt. De elektriciteitsproductie uit wind nam met 7 procent toe.

2.1.2 Aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik van energie (%)
Elektriciteit Warmte Vervoer
'00 0,48 1,14 0
'01 0,55 1,13 0
'02 0,68 1,18 0
'03 0,66 1,17 0,01
'04 0,81 1,22 0,01
'05 1,17 1,31 0
'06 1,24 1,46 0,08
'07 1,17 1,55 0,58
'08 1,45 1,62 0,53
'09 1,76 1,79 0,71
'10 1,79 1,72 0,41
'11 1,97 1,93 0,63
'12 2,04 2,04 0,58
'13 1,94 2,19 0,56
'14 2,1 2,6 0,72
'15 2,29 2,77 0,61
'16 2,59 2,77 0,47
'17 2,83 3,03 0,6
'18 3,15 3,23 1
'19** 3,76 3,64 1,28

Het eindverbruik van energie uit hernieuwbare bronnen gebeurt in de vorm van elektriciteit (43%), warmte (42%) en biobrandstoffen voor vervoer (15%). In recente jaren tot 2015 zat de groei vooral bij hernieuwbare warmte, maar sinds 2015 liet juist ook het verbruik van hernieuwbare elektriciteit een grote toename zien. De groei van het totale vermogen van windmolens en zonnepanelen heeft hier belangrijk aan bijgedragen. Sinds 2018 laat het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer een flinke groei zien. Hier ligt een aanscherping van de wetgeving aan ten grondslag (zie ook 8.11).

Oorspronkelijk werd alleen hernieuwbare elektriciteit fors ondersteund via de Milieukwaliteit elektriciteitsproductie (MEP-regeling) uit 2003 (zie ook 2.8). In 2007 kwam daar de stimulering van biobrandstoffen voor vervoer bij via de zogenaamde bijmengplicht (zie 8.11). In de SDE-regeling uit 2008 konden projecten voor de productie van hernieuwbare warmte ook subsidie krijgen, eerst nog alleen in combinatie met elektriciteitsproductie, maar later ook voor projecten met alleen warmte. Achterliggende reden voor deze veranderingen zijn de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie. Tot en met realisatiejaar 2010 waren er alleen Europese doelstellingen voor hernieuwbare elektriciteit en biobrandstoffen voor vervoer. Vanaf 2010 gaat het vooral om de doelstelling voor het totaal aan hernieuwbare energie. Daarbij is voor een rekenmethode gekozen die hernieuwbare warmte relatief zwaar meetelt (zie ook 2.6), waardoor het stimuleren van hernieuwbare warmte een kosteneffectieve manier is om de doelstelling te halen.

Bij MEP en later SDE gaat het om relatief grote projecten waarvoor subsidie aangevraagd kan worden. Om ook de kleine projecten voor de productie van hernieuwbare warmte te stimuleren is in 2016 Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) van start gegaan (zie ook 2.8).

Methode

De methode voor het bepalen van het eindverbruik van hernieuwbare energie wordt per energiebron beschreven in de hoofdstukken 3 tot en met 8. Voor het totale bruto energetisch eindverbruik tot en met 2018 is gebruik gemaakt van de SHARES-applicatie (Eurostat, 2019). Deze applicatie berekent het bruto eindverbruik van energie op basis van de jaarvragenlijsten over energie die alle lidstaten jaarlijks invullen en opsturen naar Eurostat en IEA. Het nader voorlopige cijfer van de noemer voor 2019 is berekend uit het 2018‑cijfer uit SHARES en de mutatie 2019–2018 van het energetisch eindverbruik uit de voorlopige nationale energiebalans 2019 van het CBS.

2.2Hernieuwbare elektriciteit

Tot en met 2010 was er voor hernieuwbare elektriciteit een aparte doelstelling die voortkwam uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Elektriciteit uit 2001. In de nieuwe EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is er geen aparte doelstelling meer opgenomen voor hernieuwbare elektriciteit. Wel moeten lidstaten rapporteren over het geplande en gerealiseerde aandeel hernieuwbare elektriciteit. In het actieplan voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie gaat Nederland er vanuit dat in 2020 37 procent van de gebruikte elektriciteit uit binnenlandse hernieuwbare bronnen komt (Rijksoverheid, 2010).

De productie van windenergie en waterkracht is afhankelijk van het aanbod van wind en water. Op jaarbasis kunnen er flinke fluctuaties zijn. Deze fluctuaties verminderen het zicht op structurele ontwikkelingen. Om deze fluctuaties uit te filteren, zijn normalisatieprocedures gedefinieerd voor elektriciteit uit windenergie en waterkracht. Tabel 2.2.1 geeft de genormaliseerde cijfers en ook de niet genormaliseerde cijfers.

Daarnaast kan onderscheid gemaakt worden tussen de netto en bruto productie van hernieuwbare elektriciteit. Het verschil zit in het eigen verbruik van de installaties. Windmolens, waterkrachtinstallaties en zonnepanelen hebben een klein, verwaarloosbaar, eigen verbruik. Biomassa-installaties hebben juist een relatief groot eigen verbruik. Vooral afvalverbrandingsinstallaties hebben behoorlijk wat elektriciteit nodig voor onder andere rookgasreiniging. Informatie over het eigen verbruik en de netto productie van installaties op biomassa is te vinden in hoofdstuk 8 en op StatLine.

2.2.1Bruto hernieuwbare elektriciteitsproductie in Nederland

1990 1995 2000 2005 2010 2015 2017 2018 2019**
mln kWh
Wind
Genormaliseerd1) 56 314 744 2 033 4 503 6 917 9 642 10 030 10 774
waarvan
op land 56 314 744 2 033 3 737 5 882 6 267 6 578 7 429
op zee 765 1 035 3 375 3 452 3 345
Niet genormaliseerd 56 317 829 2 067 3 993 7 550 10 569 10 549 11 508
waarvan
op land 56 317 829 2 067 3 315 6 420 6 869 6 918 7 935
op zee 679 1 130 3 700 3 630 3 573
 
Waterkracht
Genormaliseerd1) 85 98 100 100 101 99 94 94 93
Niet genormaliseerd 85 88 142 88 105 93 61 72 74
 
Zonnestroom 0 2 8 35 56 1 109 2 208 3 693 5 170
 
Biomassa
Totaal, inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 668 1 009 2 019 5 279 7 058 5 028 4 729 4 694 5 823
Totaal, exclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 665 998 1 999 5 262 7 043 4 934 4 599 4 555 5 626
 
Afvalverbrandingsinstallaties 539 703 1 272 1 266 1 763 1 997 1 904 2 172 1 919
Meestoken in elektriciteitscentrales 0 4 208 3 449 3 237 514 530 654 1 872
Biomassaketels bedrijven, elektriciteit 34 36 234 253 1 015 1 388 1 242 842 952
Stortgas
inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 19 153 177 148 109 50 36 29 29
exclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 17 142 158 131 93 43 30 23 23
Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties
inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 71 106 111 123 164 206 196 198 209
exclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 71 106 111 123 164 206 196 195 204
Biogas, co-vergisting van mest2)
inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 9 575 553 509 520 522
exclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 9 575 553 509 493 452
Overig biogas
inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 4 7 17 32 196 320 312 279 320
exclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas 4 7 17 32 196 233 189 175 203
 
Totaal hernieuwbaar
Genormaliseerd1)3) 809 1 423 2 871 7 448 11 718 13 152 16 673 18 511 21 860
Niet genormaliseerd 807 1 404 2 979 7 452 11 196 13 685 17 437 18 869 22 378
 
 
Totaal bruto elektriciteitsverbruik 81 098 92 556 108 556 118 222 122 056 119 139 120 750 122 444** 122 222
 
Aandeel hernieuwbaar in bruto elektriciteitsverbruik (%)
Genormaliseerd1)3) 1,0 1,5 2,6 6,3 9,6 11,0 13,8 15,1** 17,9
Niet genormaliseerd 1,0 1,5 2,7 6,3 9,2 11,5 14,4 15,4** 18,3

Bron:CBS

1)Volgens procedure uit EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009

2)Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.

3)Inclusief indirecte elektriciteitsproductie uit groen gas (biogas dat na opwaardering tot aardgaskwaliteit is geïnjecteerd in aardgasnet)

Ontwikkelingen

In 2019 was de bruto genormaliseerde binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit 17,9 procent van het elektriciteitsverbruik. Dat is bijna drie procentpunt meer dan 2018. De omzetting van biomassa in elektriciteit nam met een kwart toe. De productie van hernieuwbare elektriciteit vindt vooral plaats met windmolens; ze zijn goed voor 49 procent van de totale productie. De genormaliseerde productie van de windmolens was in 2019 10 800 mln kWh. Dit komt overeen met 9 procent van het Nederlandse stroomverbruik; een procent meer dan in 2018. De bijdrage van binnenlandse zonnestroom aan de Nederlandse stroomvoorziening is in 2019 opnieuw fors gegroeid en kwam uit op 4 procent. Met de zonnepanelen werd 5 200 mln kWh opgewekt en dat was 40 procent meer dan in 2018.

Certificaten van Garanties van Oorsprong voor groene stroom

Via CertiQ kunnen binnenlandse producenten van hernieuwbare elektriciteit certificaten van Garanties van Oorsprong (GvO’s) krijgen voor hun hernieuwbare stroom. Deze Garantie van Oorsprong is nodig om gebruik te kunnen maken van de subsidies voor groene stroom en om de eindafnemers te garanderen dat de afgenomen groene stroom ook daadwerkelijk groen is. Ook is het mogelijk om Garanties van Oorsprong te importeren.

2.2.2Overzicht van de Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ, exclusief certificaten voor warmtekrachtkoppeling

20052) 2010 2015 2016 2017 2018 2019
mln kWh
Aanmaak uit binnenlandse productie 6 733 10 701 13 052 14 391 15 779 16 302 18 890
Import 9 799 15 987 34 286 37 525 40 112 46 149 47 886
 
Afgeboekt voor levering 14 791 27 450 42 702 48 031 49 363 53 509 52 961
Verlopen certificaten 228 653 1 255 524 669 381 706
Teruggetrokken certificaten1)
Niet-verhandelbare certificaten3) 339 573 810 1 127 1 255 1 364 1 645
Export 26 417 3 491 3 088 4 002 7 619 7 342
 
Voorraad begin van het jaar 3 455 10 886 13 490 12 571 11 717 12 319 11 897
Voorraad mutatie 1 125 -2 406 -919 -854 602 -422 4 121
Vooraad einde van het jaar 4 580 8 480 12 571 11 717 12 319 11 897 16 018

Bron:CertiQ

1)Vanaf 2005 is deze post verdisconteerd met de uitgegeven certificaten.

2)De balans voor 2005 is niet volledig sluitend. Vanwege het geringe verschil (20 mln kWh) is de oorzaak daarvan niet nader onderzocht.

3)Dit zijn certificaten die zijn uitgegeven voor geproduceerde hernieuwbare elektriciteit die door de productieinstallatie zelf direct weer verbruikt is.

De vraag naar groene stroom was in 2019 53 miljard kilowattuur (CertiQ, 2019). Dat zijn de Garanties van Oorsprong die zijn afgeboekt voor levering van groene stroom. De afboeking is 0,5 miljard kWh minder dan in 2018 en komt in 2019 overeen met ongeveer 43 procent van het totale bruto elektriciteitsverbruik. Ter vergelijking: in 2015 was 36 procent groen.

De binnenlandse productie (niet genormaliseerd) van hernieuwbare elektriciteit was met 22 miljard kWh ook in 2019 aanzienlijk kleiner dan de vraag naar groene stroom. Daarom is er een forse import van GvO’s, die al jaren 2,5 tot soms ruim 3 keer hoger is dan de aangemaakte GvO’s uit de binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit.

De meeste geïmporteerde GvOs in 2019 komen uit Spanje (29 procent), Italië (24 procent) en Noorwegen (10 procent) (CertiQ, 2020). De import van GvO’s staat los de fysieke import van stroom. Dat verklaart waarom we ook GvO’s uit IJsland (CertiQ, 2020) konden importeren, een land waarmee ons elektriciteitsnet niet verbonden is.

Internationaal is er waarschijnlijk nog steeds sprake van een overschot aan GvO’s voor groene stroom. Dit is te zien aan het forse aantal verlopen certificaten en het feit dat groene stroom niet, of maar een klein beetje, duurder is dan grijze stroom. De reden voor het overschot is dat in veel andere landen alleen de aanbodzijde van hernieuwbare elektriciteit wordt gestimuleerd, terwijl in Nederland ook de vraagzijde aandacht krijgt via het aanbieden van groene stroom aan eindverbruikers. Dat maakt het enerzijds onzeker of de toename van de vraag naar groene stroom in Nederland heeft geleid tot een toename van de productie van groene stroom, in Nederland of elders in Europa, en niet alleen tot een toename van het aantal bestaande installaties buiten Nederland dat certificaten aanbiedt.

Anderzijds zijn er aanbieders van groene stroom die expliciet benadrukken dat de geleverde stroom in Nederland geproduceerd is en mogelijk hiermee stimuleren dat meer groene stroom daadwerkelijk in Nederland wordt geproduceerd. Om deze claim waar te kunnen maken moeten deze aanbieders certificaten kopen gekoppeld aan in Nederland opgewerkte hernieuwbare elektriciteit en omdat deze schaars is, is de prijs van deze certificaten uit Nederland vaak substantieel (PBL, 2020). Dit geldt met name voor wind op land en zonnestroom. De geschatte waarde is dermate hoog dat de overheid besloten heeft de waarde van de GvO voor wind op land en zonnestroom te gaan verdisconteren in de te verstrekken subsidie (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2020), ondanks dat het lastig is deze waarde precies vast te stellen. De vraag naar groene stroom uit wind en zon uit Nederland zou daarmee kunnen leiden tot lagere subsidies voor zonnestroom en wind op land en/of tot meer SDE projecten indien het totale budget de beperkende factor is.

De aanmaak van certificaten voor GvO’s voor binnenlandse productie van hernieuwbare elektriciteit is niet precies gelijk aan de daadwerkelijke fysieke productie (zie tabel 2.2.1). Het verschil tussen productie en aanmaak certificaten was de laatste jaren maximaal 5 procent, maar wordt groter: in 2019 gegroeid naar ruim 18 procent. Er zijn twee belangrijke redenen voor dit verschil. Ten eerste zit er doorgaans één en soms een paar maanden tussen de fysieke productie en de uitgifte van de GvO’s. Ten tweede, en dit wordt steeds belangrijker, zijn er installaties die wel hernieuwbare elektriciteit maken, maar die geen GvO’s aanvragen. Dit speelt vooral bij zonnestroom.

2.3Hernieuwbare warmte

In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare energie voor vervoer zijn er voor hernieuwbare warmte nooit concrete beleidsdoelstellingen op nationaal of Europees niveau geweest. Voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 zijn landen wel verplicht om te rapporteren over het geplande en gerealiseerde aandeel eindverbruik van energie voor verwarming uit hernieuwbare bronnen. In het bij de EU ingediende actieplan voor hernieuwbare energie geeft Nederland aan dat de regering vooralsnog uitgaat van 9 procent hernieuwbare warmte in 2020 (Rijksoverheid, 2010). In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (Europees Parlement en de Raad, 2018), welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is wel een (indicatieve) doelstelling opgenomen voor het aandeel hernieuwbare energie voor warmte. Dit zou met 1,1 procentpunt per jaar moeten stijgen of 1,3 procentpunt als een land restwarmte mee zou willen tellen.

Ontwikkelingen

Het aandeel hernieuwbare warmte groeit geleidelijk en kwam in 2019 overeen met bijna 7 procent van het totale eindverbruik van energie voor warmte. In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit werd de ontwikkeling van hernieuwbare warmte in het verleden veel minder gestimuleerd door subsidies. De door een wisselend subsidiebeleid veroorzaakte pieken en dalen van het groeitempo, zoals bij hernieuwbare elektriciteit, zijn bij hernieuwbare warmte daardoor niet aanwezig.

Inmiddels is er wel wat veranderd. In de subsidieregeling SDE was er al een bonus voor warmte bij projecten met gelijktijdige productie van elektriciteit en warmte. Vanaf 2012 is er in de SDE+ ook subsidie voor installaties die alleen warmte uit hernieuwbare bronnen produceren en vanaf 2016 is er ISDE voor diverse kleinschalige technieken voor hernieuwbare warmte. Wat meespeelt bij deze verandering is dat hernieuwbare warmte een relatief goedkope bijdrage levert aan het aandeel hernieuwbare energie voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (Lensink et al., 2012) en dat hernieuwbare warmte relatief zwaar meetelt in de rekenmethode voor deze richtlijn (paragraaf 2.6). Doel van de SDE+ is het zo kosteneffectief mogelijk bereiken van de Europese doelstelling van 14 procent hernieuwbare energie in 2020 (Energierapport 2011, Ministerie EL&I, 2011a).

In 2019 was het aandeel hernieuwbare warmte in het totale eindverbruik van energie voor warmte met 6,9 procent iets hoger dan in 2018 (6,1%). Het aandeel steeg omdat de groei van hernieuwbare warmte (+12%) ontstond bij een lichte daling van het totaal verbruik van energie voor warmte. De toename van het verbruik van hernieuwbare warmte was een gevolg van onder andere de flink toegenomen levering van warmte uit de diepe bodem (aardwarmte; +49%), via het gebruik van buitenluchtwarmte (+31%) en met biomassaketels voor warmtekrachtkoppeling bij bedrijven (+23%). Hierbij kwam ook de spectaculaire stijging van de warmteproductie uit de meestook van biomassa door de elektriciteitscentrales (+185%).

2.3.1Eindverbruik voor verwarming uit hernieuwbare energiebronnen

1990 2000 2005 2010 2015 2017 2018 2019**
TJ
Zonnewarmte 100 454 719 994 1 137 1 144 1 156 1 207
Aardwarmte 318 2 448 3 047 3 731 5 564
Bodemenergie 0 156 628 2 183 3 634 4 081 4 383 4 714
Buitenluchtwarmte . 23 81 536 2 019 3 529 4 668 6 095
 
Biomassa, wv. 18 758 23 723 28 800 36 618 48 036 52 313 54 279 58 568
afvalverbrandingsinstallaties 2 203 4 548 5 241 7 708 13 523 13 088 8 768 8 777
meestoken in elektriciteitscentrales 0 15 693 1 267 35 426 533 1 520
biomassaketels voor warmte bedrijven 1 725 2 212 4 106 5 477 8 692 9 823 11 749 12 448
houtkachels huishoudens 12 581 13 757 15 394 16 829 16 473 16 162 16 176 16 008
houtskool 270 270 270 270 270 270 270 270
decentrale wkk met vaste en vl. biomassa 233 188 468 784 1 464 4 990 7 557 9 307
stortgas2) 157 475 351 267 193 208 165 154
biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties 1 142 1 361 1 306 1 258 1 205 1 285 1 353 1 432
biogas, co-vergisting van mest1) 18 1 333 2 300 2 252 2 544 2 838
overig biogas2) 446 897 954 1 424 2 958 2 788 3 232 3 311
vloeibare biotransportbrandstoffen 923 1 022 1 933 2 504
 
Totaal hernieuwbaar 18 858 24 355 30 228 40 649 57 274 64 113 68 218 76 148
 
Totaal eindverbruik voor verwarming 1 083 632 1 212 131 1 270 307 1 311 298 1 104 284 1 128 806 1 113 103 ** 1 099 437
 
Aandeel hernieuwbare warmte (%) 1,7 2,0 2,4 3,1 5,2 5,7 6,1 ** 6,9

Bron:CBS

1)Tot en met 2004 onderdeel van overig biogas.

2)Inclusief indirect eindverbruik van warmte uit groen gas (biogas dat na opwaardering is geïnjecteerd in aardgasnet).

De belangrijkste bron voor hernieuwbare warmte zijn de houtkachels van huishoudens. Impliciete steun van de overheid voor het houtverbruik door huishoudens is de energiebelasting op aardgas en het ontbreken van een energiebelasting op hout. Voor veel huishoudens is geld overigens niet de belangrijkste drijfveer om hout te stoken: sfeer is ook een belangrijke factor. De cijfers hierover zijn herzien op grond van de resultaten van het onderzoek over houtverbruik huishoudens met de zesjaarlijkse Energiemodule van het WoON-onderzoek.

2.4Hernieuwbare energie voor vervoer

De EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 bevat niet alleen een bindende doelstelling voor hernieuwbare energie totaal maar ook een bindende doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer. In 2020 moet het verbruik van hernieuwbare energie voor vervoer 10 procent zijn van het totale verbruik van benzine, diesel, biobrandstoffen en elektriciteit voor vervoer. Om dit doel te bereiken heeft de nationale overheid leveranciers van benzine en diesel verplicht om een (oplopend) aandeel van de geleverde energie uit hernieuwbare bronnen te laten komen (Wet Milieubeheer, onderdeel Hernieuwbare Energie Vervoer). Meestal doen ze dat door het bijmengen van biobrandstoffen in gewone benzine of diesel.

Ontwikkelingen

2.4.1Berekening aandeel hernieuwbaar in eindverbruik van energie voor vervoer volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie

Berekening 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019**
Duurzame vloeibare biobrandstoffen
Op de markt gebracht (TJ) A 12 122 14 091 12 391 9 718 12 461 20 935 25 933
waarvan dubbeltellend (TJ) B 7 474 8 900 6 033 4 965 7 062 14 564 19 387
Op de markt gebracht, inclusief verrekening dubbeltelling (TJ) C=A+B 19 596 22 991 18 424 14 683 19 523 35 499 45 320
 
Duurzame gasvormige biobrandstoffen
Totaal groen gas voor vervoer (administratief plus fysiek) (TJ) D 306 282 179 184 230 308 790
waarvan dubbeltellend (TJ) ‍E 305 280 176 180 226 301 774
Op de markt gebracht, inclusief verrekening dubbeltelling (TJ) F=D+E 611 562 355 365 456 609 1 563
 
Hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer
Totaal verbruik elektriciteit voor vervoer (TJ) G 6 178 5 926 5 553 5 844 5 633 5 821 5 800
Gemiddeld aandeel hernieuwbare elektriciteit in EU (%)1) H 21,7 23,5 25,4 27,5 28,8 29,6 30,8
Rekenfactor voor hernieuwbare elektriciteit in spoorvervoer I 2,5 2,5 2,5 2,5 2,5 2,5 2,5
Verbruik hernieuwbare elektriciteit voor vervoer (TJ) J=G×H/100xI 3 351 3 481 3 523 4 012 4 057 4 307 4 459
 
Hernieuwbare elektriciteit voor wegvervoer
Totaal verbruik elektriciteit voor vervoer (TJ) K 122 252 673 1 246 1 555 1 816 1 800
Gemiddeld aandeel hernieuwbare elektriciteit in EU (%)1) L 21,7 23,5 25,4 27,5 28,8 29,6 30,8
Rekenfactor voor hernieuwbare elektriciteit in wegvervoer M 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0 5,0
Verbruik hernieuwbare elektriciteit voor wegvervoer (TJ) N=KxL/100×M 133 296 855 1 711 2 240 2 688 2 768
 
Berekening aandeel hernieuwbaar vervoer uit EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie
Totaal teller (TJ) O=C+F+J+N 23 690 27 330 23 158 20 770 26 276 43 103 54 110
Noemer (verbruik benzine, diesel, gas en elektriciteit voor vervoer) (TJ)2) P 448 181 420 353 425 819 427 476 439 449 449 459 449 265
Aandeel hernieuwbare energie voor vervoer (%) Q=O/P*100 5,3 6,5 5,4 4,9 6,0 9,6 12,0
 
Verplicht aandeel hernieuwbare energie voor vervoer voor leveranciers van benzine en diesel in Nederland volgens nationale wetgeving3) 5,00 5,50 6,25 7,00 7,75 8,50 12,50

Bron:CBS

1)In overeenstemming met de EU Richtlijn Hernieuwbare Energie gaat het hier om het aandeel hernieuwbare elektriciteit twee jaar voor het referentiejaar. Bron voor data Eurostat (2016).

2)Berekend met voorgeschreven calorische waarden voor benzine en diesel uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Deze wijkt wat of van de calorische waarde die het CBS hanteert in de standaard nationale en internationale energiestatistieken.

3)Berekend op een iets andere wijze, zie tekst.

In 2019 was het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer 12,0 procent en is daarmee 2,5 procentpunt hoger dan in 2018. Daarmee voldoet Nederland dus al ruim aan de verplichting van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie om in 2020 het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer 10 procent te laten zijn. De biotransportbrandstoffen zijn de belangrijkste component van hernieuwbare energie voor vervoer en het verbruik daarvan is in 2019 als in 2018 aanzienlijk gestegen, vooral door aanscherping van de nationale wettelijke regels voor het leveren van hernieuwbare energie voor vervoer. Zie verder ook de methode hieronder en paragraaf 8.11.

Bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer tellen biobrandstoffen uit afval dubbel. Het aandeel dubbeltellende biobrandstoffen is, sinds de introductie van de dubbeltellingsregeling in 2009, tot en met 2012 steeds gestegen, daarna stabiel en de laatste jaren vooral afhankelijk van de verhouding tussen het verbruik van biobenzine en biodiesel. De laatste jaren is bijna alle op de markt gebrachte biodiesel dubbel tellend en bij biobenzine blijft het aandeel dubbel tellend beperkt. Kennelijk is het de laatste jaren makkelijker (en goedkoper) om aan dubbeltellende biodiesel te komen dan aan dubbeltellende biobenzine. Nieuw in 2019 is wel de opkomst van benzinevervanger bionafta uit dubbeltellende grondstoffen (NEa, 2020).

Afgelopen periode zijn er berichten naar buiten gekomen over fraude met biodiesel in de periode 2015/2016. Het CBS heeft daar kennis van genomen. Het kan zijn dat de fraude met biodiesel een effect heeft op CBS-cijfers over duurzame biobrandstoffen geleverd op de Nederlandse markt. Het is echter nu nog niet duidelijk of dat het geval is en hoe groot dit effect zou zijn. Zodra het effect op de Nederlandse markt bekend is, zal het CBS dat op een geschikt moment verwerken in de cijfers.

Ook elektriciteit voor railvervoer levert een substantiële bijdrage, mede doordat gerekend mag worden met het EU-gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit (veel hoger dan het Nederlandse) en sinds kort ook met rekenfactor van 2,5 (zie methode hieronder). Elektriciteit voor wegvervoer levert nog steeds een marginale bijdrage, ondanks de relatief sterke groei van het aantal elektrische voertuigen en de rekenfactor van 5 uit de Richtlijn Hernieuwbare Energie.

Sinds eind 2018 is de wijze waarop biogas voor vervoer meetelt aangepast door Eurostat in samenspraak met DG Energie, als gevolg van een uitspraak van een Europese rechter over de interpretatie van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Het is sindsdien mogelijk om groen gas dat in het binnenland geleverd is aan het gasnet te alloceren naar vervoer voor zover dat gepaard gaat met een fysieke levering van aardgas en een Garantie van Oorsprong waarmee aangetoond kan worden dat het groene gas voldoet aan de duurzaamheidscriteria uit de EU-Richtlijn. In Nederland registreert de NEa hoeveel groen gas op deze wijze wordt gealloceerd naar vervoer in het kader van de verplichting voor bedrijven om hernieuwbare energie voor vervoer te leveren. Groen gas leverde op deze wijze in 2019 ongeveer 1 600 TJ hernieuwbare energie voor vervoer, ongeveer drie procent van het totaal.

Het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de nationale wet- en regelgeving Energie voor Vervoer wordt op een wat andere manier berekend dan het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (zie methodesectie). Daardoor loopt het gerealiseerde aandeel hernieuwbare energie voor vervoer volgens de EU-richtlijn niet gelijk op met het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer volgens de nationale wet- en regelgeving Energie voor Vervoer .

Sinds de aanpassing van de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie in 2015 worden er binnen de dubbeltellende biobrandstoffen twee categorieën onderscheiden: gewone dubbeltellende biobrandstoffen (uit gebruikt frituurvet en dierlijke vetten) en zogenaamde geavanceerde biobrandstoffen (uit een hele lijst milieuvriendelijke grondstoffen). Voor de geavanceerde biobrandstoffen geldt een aparte indicatieve subdoelstelling op Europees niveau (0,5% in 2020). Nederland heeft de keus gemaakt om in nationale wetgeving in 2020 bedrijven te verplichten 1 procentpunt van de verplichting met geavanceerde biobrandstoffen in te vullen. Hiervoor kunnen ook het administratief vergroende leveringen van aardgas aan vervoer meetellen, mits het administratief gekoppelde biogas uit de juiste grondstoffen is gemaakt. Volgens NEa (2020) kwamen de leveringen van geavanceerde biobrandstoffen in 2019 al overeen met 1,9 procent van de totale leveringen aan vervoer.

Methode

Voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie tellen alleen biobrandstoffen mee welke voldoen aan duurzaamheidscriteria uit deze Richtlijn. Het gebruik van duurzame biobrandstoffen is bepaald zoals beschreven in 8.11.

In september 2015 is een aanpassing van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie gepubliceerd (Europees Parlement en de Raad, 2015). Deze aanpassing staat bekend als de ILUC Richtlijn, voortvloeiend uit discussie over de duurzaamheid van het gebruik van biobrandstoffen. In het bijzonder gaat het dan om indirecte effecten op het landgebruik (Indirect Land Use Change, ILUC), waarmee wordt bedoeld dat de teelt van gewassen voor biobrandstoffen ongunstige verschuivingen in het landgebruik kan veroorzaken. Het is heel lastig om dergelijke effecten precies uit te rekenen, maar een meerderheid van de verantwoordelijke politici vond de verschenen studies daarover voldoende overtuigend om het gebruik van biobrandstoffen voor vervoer uit voedselgewassen te beperken tot 7 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer.

Een tweede aanpassing van de Richtlijn is dat er meer aandacht is voor milieutechnische goede biobrandstoffen, die, net als in de oorspronkelijke Richtlijn, dubbel mogen tellen voor het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer (maar niet voor de doelstelling voor het aandeel hernieuwbare energie in het totaal verbruik). De aanpassing betreft vooral het preciezer weergeven welke biobrandstoffen dubbel mogen tellen en het splitsen van deze groep in twee subgroepen: geavanceerde biobrandstoffen en biobrandstoffen uit dierlijk vet en gebruikt frituurvet. Voor het verbruik van biobrandstoffen uit de eerste subgroep geldt een apart indicatief doel van 0,5 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer in 2020. De bepaling van het aandeel dubbeltellende biobrandstoffen in Nederland is beschreven in 8.11 en verandert niet wezenlijk door aanpassing van de Richtlijn.

Een derde aanpassing betreft het extra stimuleren van het verbruik van elektriciteit voor vervoer. De bijdrage van hernieuwbare elektriciteit voor rail- en wegvervoer is bepaald op basis van het totale verbruik van elektriciteit voor rail- en wegvervoer vermenigvuldigd met het EU-aandeel hernieuwbare elektriciteit twee jaar voor het verslagjaar. Deze verschuiving van twee jaar is een bestaande afspraak uit de EU-richtlijn. De richtlijn geeft landen de keus om voor de berekening van het verbruik van hernieuwbare elektriciteit voor vervoer te kiezen uit het aandeel hernieuwbare elektriciteit uit het eigen land of het aandeel hernieuwbare elektriciteit uit de EU. Nederland heeft gekozen voor het EU-aandeel. Dat is namelijk aanmerkelijk hoger. In de oorspronkelijke EU-Richtlijn is afgesproken dat het verbruik van hernieuwbare elektriciteit voor wegvervoer met 2,5 wordt vermenigvuldigd. Deze factor is in de nieuwe Richtlijn verhoogd naar 5. In de aangepaste Richtlijn is ook een vermenigvuldigingsfactor voor elektriciteit voor railvervoer geïntroduceerd. Deze is 2,5. Het aandeel hernieuwbare elektriciteit voor weg- en railvervoer is overgenomen uit de CBS-energiebalans.

Via de wet en regelgeving Energie voor Vervoer uit 2018 (voortbouwend op vergelijkbare wetten met verplichtingen) zijn Nederlandse oliebedrijven verplicht om hernieuwbare energie op de markt te brengen. Deze verplichting geldt voor een oplopend percentage van de in Nederland geleverde benzine en diesel. In 2019 was dat percentage 12,5 en dit loopt op naar 16,4 procent in 2020 (Besluit Energie vervoer uit 2018).

De berekening voor het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer uit de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer (zoals toegepast door NEa) is niet precies hetzelfde als de berekening volgens de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie zoals in tabel 2.4.1, waardoor de resulterende percentages verschillen. De rekenwijze verschilt op de volgende onderdelen:

  • Carry-over: Oliebedrijven hebben de voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de mogelijkheid om het ene jaar meer te doen en het andere jaar minder. De EU-Richtlijn kent deze verschuiving niet en gaat uit van de fysieke leveringen in het verslagjaar. Deze flexibiliteit verlaagt de kosten voor de oliebedrijven.
  • Hernieuwbare elektriciteit voor railvervoer: Elektriciteit voor railvervoer is geen onderdeel van de wet Hernieuwbare Energie Vervoer, maar telt wel mee voor de EU-doelstelling via het EU-gemiddelde aandeel hernieuwbare elektriciteit.
  • Biobrandstoffen voor mobiele werktuigen: Mobiele werktuigen in de bouw en landbouw gebruiken net als veel wegvoertuigen diesel. In deze diesel zit ook biodiesel bijgemengd. Voor de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie valt het gebruik van (bio)diesel voor deze mobiele werktuigen niet onder vervoer en telt deze dus niet mee voor het verplichte aandeel hernieuwbare energie voor vervoer. Voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer tellen de biobrandstoffen geleverd aan mobiele werktuigen wel mee bij het voldoen aan de verplichting.
  • Voor de Richtlijn Hernieuwbare Energie worden biobrandstoffen geteld op het moment dat ze volgens de energiestatistieken fysiek op de Nederlandse markt komen. Dat is het moment dat er accijns wordt afgedragen. Voor de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer konden sinds 2015 biobrandstoffen geteld worden op het moment dat de biobrandstoffen aan een Nederlandse afnemer waren verkocht. Een eventueel daarop volgende export van de biobrandstoffen was voor de wet niet van belang. Met ingang van 2018 is de wetgeving aangepast, onder andere met als doel om ervoor te zorgen dat biodiesel en benzine die tellen voor de verplichting ook fysiek op de Nederlandse markt komen. De verschillen tussen de fysieke leveringen zoals vastgesteld door het CBS en de leveringen die bij de NEa zijn geclaimed voor het voldoen aan de verplichting zijn sinds 2018 veel kleiner dan in de jaren 2015 tot en met 2017.
  • Met ingang van verslagjaar 2018 is het voor bedrijven mogelijk om biobrandstoffen geleverd aan de nationale en internationale scheepvaart mee te laten tellen voor het voldoen aan hun verplichting. In 2019 bestond 8 procent van de geclaimde leveringen bij de NEa uit leveringen aan de scheepvaart (NEa, 2020). Leveringen aan de scheepvaart tellen alleen mee voor de EU-verplichting als deze zijn geleverd aan schepen met vertrek en aankomst in Nederland. Veel schepen varen naar het buitenland en de meeste biobrandstoffen geleverd aan schepen tellen daarom ook niet mee voor het aandeel hernieuwbare energie voor vervoer voor de EU Richtlijn Hernieuwbare Energie en ook niet voor het totaal aandeel hernieuwbare energie.
  • Berekening noemer: in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie gaat het om benzine, diesel en elektriciteit voor wegvervoer en spoor. In de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer gaat het ook om alle belast uitgeslagen benzine en diesel. Het uitsluiten van leveringen aan mobiele machines is door aanpassing van de wet vanaf verslagjaar 2018 niet meer mogelijk.

2.5Internationale vergelijking

Nederland heeft weinig hernieuwbare energie ten opzichte van veel andere Europese landen. In de ranglijst voor het aandeel hernieuwbare energie staat ons land op de laatste plaats. In 2018 komt in Nederland 7,4 procent van alle energie uit hernieuwbare bronnen, bij koploper Zweden is dit 55 procent.

2.5.1. Aandeel hernieuwbare energie in bruto energetisch eindverbruik (aandeel hernieuwbare energie (%))
2018 Doelstelling 2020
Zweden 54,6450599 49
Finland 41,1624101 38
Letland 40,2920835 40
Denemarken 35,7079195 30
Oostenrijk 33,4255787 34
Portugal 30,3217322 31
Estland 29,9956775 25
Kroatië 28,0236775 20
Litouwen 24,447751 23
Roemenië 23,8746634 24
Slovenië 21,1490154 25
Bulgarije 20,52771 16
Griekenland 18,0015953 18
Italië 17,7752213 17
Spanje 17,453438 20
Frankrijk 16,592564 23
Duitsland 16,4813176 18
Tjechië 15,149859 13
Cyprus 13,8823458 13
Hongarije 12,4889133 13
Slowakije 11,8956157 14
Polen 11,2841028 15
Ierland 11,0610185 16
Verenigd Koninkrijk 11,0173902 15
België 9,4234648 13
Luxemburg 9,0590294 11
Malta 7,9781648 10
Nederland 7,3847549 14
EU28 17,9799497 20
Bron: CBS voor Nederland, Eurostat (2019) voor andere landen

Er zijn drie belangrijke redenen waarom Nederland zo laag staat op de Europese ranglijst. Ten eerste hebben we nauwelijks waterkracht door de geringe hoogteverschillen in onze rivieren. Ten tweede wordt er weinig hout verbruikt door huishoudens. In Nederland hebben bijna alle huishoudens een aardgasaansluiting en soms stadsverwarming. In veel andere landen ontbreken deze aansluitingen op het platteland. Hout concurreert in Nederland dus altijd met het makkelijke en goedkope gas of met stadsverwarming. In het buitenland zijn er veel gebieden waar hout alleen concurreert met elektriciteit, kolen of olie. Deze laatste drie energiedragers zijn relatief duur en en/of bewerkelijk. In die gebieden is hout daarom relatief snel aantrekkelijk.

Er is een derde reden waarom het aandeel hernieuwbare energie in Nederland lager is dan in bijvoorbeeld Denemarken, Duitsland of Spanje. In deze landen heeft de overheid ‘nieuwe’ vormen van hernieuwbare energie zoals windenergie of zonnestroom meer gesteund dan in ons land. Dit is een politieke keuze. Direct of indirect kost het stimuleren van deze vormen van hernieuwbare energie geld en in Nederland heeft de politiek dat er niet altijd voor over gehad. Sinds 2014 is hierin wel verandering gekomen met het ‘op stoom komen’ van de SDE+-subsidieregeling en de forse verhogingen van de subsidiebudgetten (zie verder paragraaf 2.8 Subsidies). De ruimere subsidiemogelijkheden waren niet direct zichtbaar in de realisatiecijfers vanaf 2014, omdat vooral voor de grote projecten er veel tijd zit tussen plannen, discussie over de ruimtelijke inpassing, aanvraag en realisatie. De laatste jaren is wel een grote groei zichtbaar voor zonnestroom, gestimuleerd door de subsidies.

Onder andere vanwege de verschillen in natuurlijke omstandigheden heeft niet elk land dezelfde doelstelling van het aandeel hernieuwbare energie in 2020. Gemiddeld genomen streeft de EU naar 20 procent in 2020. Afgesproken is dat sommige landen meer doen dan gemiddeld en andere landen zoals Nederland minder. Het, bindende, doel voor Nederland is 14 procent. In 2018 zaten we daar dus nog bijna 7 procentpunt van af. Geen enkel ander land was zo ver van de doelstelling verwijderd.

2.6Vergelijking methoden voor berekening totaal aandeel hernieuwbare energie

Het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie beschrijft drie methodes om het aandeel hernieuwbare energie uit te rekenen, namelijk de bruto-eindverbruikmethode, de substitutiemethode en de primaire energiemethode.

Bruto-eindverbruikmethode

In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 hebben Europese regeringen en het Europees Parlement gezamenlijk afgesproken om 20 procent van het energetisch eindverbruik van energie in 2020 uit hernieuwbare bronnen te laten komen. Bij de berekeningen van het aandeel hernieuwbare energie wordt gebruik gemaakt van concepten uit de energiebalans. In de richtlijn is het eindverbruik opgebouwd uit drie componenten: elektriciteit, warmte en vervoer.

Voor elektriciteit is het eindverbruik van hernieuwbare energie gelijk gesteld aan de bruto binnenlandse productie. Dit is de productie zonder aftrek van het eigen elektriciteitsverbruik van de elektriciteit producerende installatie.

Voor warmte is het eindverbruik van hernieuwbare energie gelijk aan het finaal verbruik van hernieuwbare energie (bijvoorbeeld de inzet van hout in kachels) plus de verkochte warmte uit hernieuwbare bronnen (bijvoorbeeld de geleverde warmte aan stadsverwarming).

Voor vervoer gaat het om de biobrandstoffen die geleverd zijn op de nationale markt, al dan niet gemengd in gewone benzine en diesel. Leveringen aan vliegtuigen tellen wel mee, leveringen aan internationale scheepvaart niet.

Voor het totale eindverbruik van energie (de noemer) gaat het bij de EU-richtlijn alleen om het eindverbruik van energie in de industrie (exclusief raffinaderijen), de dienstensector, de landbouw, huishoudens en vervoer. Daar komt dan nog een kleine bijdrage van de transportverliezen van elektriciteit en warmte en het eigen verbruik van elektriciteit en warmte voor elektriciteitsproductie bij. Het andere eigen verbruik van de energiesector, zoals de ondervuring bij de raffinaderijen, telt niet mee. Het gaat alleen om het energetisch verbruik van energie. Het niet-energetisch verbruik van energie, bijvoorbeeld olie of biomassa voor het maken van plastics, telt niet mee.

Vloeibare biomassa telt in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie alleen mee als deze voldoet aan de duurzaamheidscriteria uit deze Richtlijn. Voor de gewone energiestatistieken van het CBS, Eurostat en IEA telt alle vloeibare biomassa mee.

Tot slot vindt er een correctie plaats voor landen met een groot aandeel energieverbruik voor vliegverkeer. Voor Nederland resulteert deze correctie voor 2018 in een verlaging van het totale eindverbruik van energie met bijna 2 procent.

Een bijzonder aspect bij de bruto eindverbruikmethode in de richtlijn Hernieuwbare Energie is dat de elektriciteitsproductie uit windenergie en waterkracht wordt genormaliseerd om te corrigeren voor jaren met veel of weinig wind of neerslag. Voor wind is de normalisatieperiode vijf jaar en voor water vijftien jaar.

Substitutiemethode

De substitutiemethode berekent hoeveel verbruik van fossiele energie wordt vermeden door het verbruik van hernieuwbare energie. Deze methode werd sinds de jaren negentig gebruikt voor nationale beleidsdoelstellingen. Het eerste kabinet-Rutte heeft de nationale beleidsdoelstelling voor hernieuwbare energie echter losgelaten en daarmee is het politieke belang van deze methode afgenomen. Maar de methode blijft wel relevant, omdat ze inzicht geeft in het vermeden verbruik van fossiele energie en de vermeden emissie van CO2. Deze effecten zijn belangrijke motieven om het verbruik van hernieuwbare energie te bevorderen.

2.6.1Referentierendementen en CO2 emissiefactor voor elektriciteitsproductie

Rendement CO2-emissiefactor voor
inzet elektriciteitsproductie
% kg/GJ primaire energie
1990 37,4 71,5
1995 37,4 71,1
2000 39,7 71,3
2005 39,9 68,9
2010 42,3 67,4
2011 43,4 67,4
2012 41,9 71,1
2013 42,4 73,6
2014 41,5 73,5
2015 41,4 77,9
2016 42,8 74,6
2017 44,6 73,1
2018 45,4 70,7
2019** 45,4 70,7

Bron:CBS

Uitgangspunten bij de substitutiemethode zijn de productie van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbare nuttige warmte en het verbruik van biobrandstoffen. Daarna wordt bepaald hoeveel fossiele energie nodig geweest zou zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit, warmte of transportbrandstoffen te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van referentietechnologieën die zijn gedefinieerd in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de nader voorlopige cijfers voor 2019 is voor het referentierendement voor elektriciteit uitgegaan van de voorlopige 2018 cijfers (CBS, 2020b).

Vooral voor windenergie is er soms discussie of de gekozen referentie de juiste is. Windenergie is niet constant en niet volledig voorspelbaar. Fluctuaties worden opgevangen door conventionele centrales. Deze moeten daardoor vaker op- en afgeregeld worden, wat ten koste gaat van het rendement. Dit effect is niet zo groot en valt binnen de marge van andere onzekerheden die samenhangen met de gekozen referentie, zoals het niet meenemen van de broeikasgasemissies gerelateerd aan de bouw van windmolens en conventionele energiecentrales, het niet meenemen van de broeikasgasemissies bij de winning en transport van kolen en gas en de effecten van windenergie op beslissingen over de bouw van nieuwe centrales en het uit-gebruik-nemen van oude centrales (Kamerbrief, EZ 2012).

Primaire-energiemethode

De primaire-energiemethode wordt gebruikt in internationale energiestatistieken van het Internationaal Energieagentschap (IEA) en Eurostat. Net als het IEA en Eurostat gebruikt het CBS deze methode in de Energiebalans. Bij de primaire-energiemethode is de eerst meetbare en bruikbare vorm van energie het uitgangspunt. Bij windenergie gaat het om de elektriciteitsproductie. Bij biomassa om de energie-inhoud en niet om de elektriciteit of warmte die uit de biomassa wordt gemaakt. Biomassa komt pas binnen het systeem van de energiestatistieken (als winning) op het moment dat het geschikt en bestemd is voor gebruik als energiedrager. Koolzaad is dus nog geen biomassa, biodiesel wel. Mest nog niet, biogas uit mest wel.

Er is een verschil in het primair verbruik van biomassa volgens de energiebalansen van het CBS, het IEA en Eurostat. In de internationale energiebalansen zijn bijgemengde biobrandstoffen meegenomen als onderdeel van biomassa, in de Energiebalans van het CBS zijn de bijgemengde biobrandstoffen onderdeel van aardolieproducten. Na het bijmengen zijn biobrandstoffen in de Energiebalans dus niet meer als aparte producten herkenbaar. Het bijmengen telt daarom als primair verbruik. In de IEA/Eurostat-balansen is het primair verbruik van biobrandstoffen gelijk aan de leveringen op de binnenlandse markt van bijgemengde en eventueel ook pure biobrandstoffen. Bijgemengde biobrandstoffen worden geïmporteerd en geëxporteerd, waardoor het bijmengen niet gelijk is aan de leveringen op de markt.

Vergelijking tussen methoden

De drie methoden verschillen dus sterk van elkaar. Voor alledrie methoden is wat te zeggen en ze worden ook alledrie gebruikt. Daarom is voor de drie methoden het aandeel hernieuwbare energie uitgerekend.

2.6.2Vergelijking tussen verschillende methodes voor de berekening van aandeel hernieuwbare energie in Nederland, 2019**

Bruto eindverbruik (volgens EU-richtlijn hernieuwbare energie) Vermeden verbruik fossiele primaire energie (substitutiemethode) Verbruik primaire energie
Verbruik hernieuwbare energie (TJ)
Naar Bron/techniek
Waterkracht 335 737 267
Windenergie 38 785 86 793 41 429
Zonnestroom 18 613 40 999 18 613
Zonnewarmte 1176 1 231 1176
Aardwarmte 5 564 5 569 5 564
Bodemwamte 4 714 3 294 4 714
Bodemkoude 1 102
Buitenluchtwarmte 6 095 2 076 6 095
Afvalverbrandingsinstallaties, biogeen afval 15 687 19 266 36 648
Meestoken in centrales 8 261 16 225 16 225
Verbruik van vaste en vloeibare biomassa bij bedrijven voor elektriciteit 12 733 13 490 22 254
Biomassaketels voor warmte bij bedrijven 12 448 11 748 12 831
Houtkachels huishoudens en houtskool verbruik 16 278 11 168 16 278
Stortgas 280 376 531
Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties 2 207 2 115 2 636
Biogas, co-vergisting van mest 4 998 6 028 5 879
Overig biogas 4 926 5 229 6 074
Vloeibare biotransportbrandstoffen 28 437 28 437 28 437
 
Naar energievorm
Elektriciteit 78 697 168 445
Warmte 76 117 60 680
Vervoer 26 723 26 758
 
Totaal hernieuwbaar 181 537 255 883 225 651
 
Berekening aandeel hernieuwbaar in energieverbruik
Totaal primair energieverbruik (PJ) 3 170 3 059
Totaal energetisch eindverbruik van energie (PJ) 2 094
 
Aandeel hernieuwbaar (%) 8,67 8,07 7,38

Bron:CBS

Het resulterende percentage voor het aandeel hernieuwbare energie in 2019 is voor de bruto eindverbruik methode duidelijk hoger. Ook de bijdrage van de verschillende componenten verschilt veel. Zo telt in de substitutiemethode hernieuwbare elektriciteit veel zwaarder mee. Dat komt omdat in de twee andere methoden alleen de geproduceerde elektriciteit telt, terwijl het in de substitutiemethode gaat om de fossiele energie die een gemiddelde centrale nodig zou hebben om dezelfde hoeveelheid elektriciteit te produceren. Dat is twee á tweeënhalf maal zoveel. Daar staat tegenover dat in de substitutiemethode het houtverbruik bij huishoudens veel minder zwaar meetelt, omdat het gemiddeld lage rendement van de houtkachels wordt verdisconteerd. Bij de primaire-energiemethode is afvalverbranding de belangrijkste bron. Dat komt omdat hier de energie-inhoud van het verbrande afval telt en niet de geproduceerde elektriciteit en warmte. Van belang is verder dat de noemer bij de bruto-eindverbruikmethode aanzienlijk kleiner is. Dat komt vooral omdat hierin de omzettingsverliezen bij elektriciteitsproductie en het niet-energetisch verbruik van energie niet zijn meegenomen.

Nadeel van de substitutiemethode is dat deze ingewikkeld is. Voordeel is dat deze de beste benadering geeft van het vermeden verbruik van fossiele energie en vermeden emissies van CO2: belangrijke redenen voor het stimuleren van hernieuwbare energie (Segers, 2008 en Segers, 2010).

2.7Werkgelegenheid

Een belangrijke reden voor het stimuleren van hernieuwbare energie is het vermijden van het verbruik van fossiele energie en de daaraan gekoppelde broeikasgasemissies. Het stimuleren van de economie wordt echter regelmatig genoemd als nevendoel. Ook in Nederland is dit nevendoel belangrijker geworden. Dat heeft als gevolg dat de overheid Green Deals sluit met het bedrijfsleven, in topsectorenbeleid economische en energiedoelen worden gecombineerd en in het Energieakkoord een apart doel is opgenomen over werkgelegenheid. De laatste jaren heeft deze discussie een nieuwe wending gekregen. Door de economisch is er krapte op de arbeidsmarkt ontstaan, ook in sectoren die relevant zijn voor de verduurzaming van de energievoorziening (Panteia, 2018).

Ontwikkelingen

Tabel 2.7.1 geeft een overzicht van de resultaten voor de werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector. Het gaat hierbij om werkgelegenheid gerelateerd aan de exploitatie van hernieuwbare energiesystemen (bijvoorbeeld onderhoud van windmolens) en de bouw van nieuwe systemen (bijvoorbeeld werk in een fabriek die machines maakt voor de productie van zonnepanelen).

2.7.1Werkgelegenheid in de hernieuwbare energiesector (exclusief bioraffinage)

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
voltijdsequivalenten
Wind 3 600 3 900 4 200 4 200 4 900 5 800 4 900 5 100 5 400
Zon 2 800 3 300 4 700 6 200 5 800 7 200 8 100 9 500 16 800
Water, bodem en buitenlucht 2 000 2 100 2 000 2 000 1 900 1 900 2 100 2 200 2 400
Biogas 1 200 1 200 1 200 1 200 1 200 1 200 1 200 1 200 1 200
Overige biomassa 3 100 3 500 2 500 2 400 2 200 2 200 2 100 2 000 2 100
 
Totaal 12 700 14 000 14 600 16 000 16 000 18 300 18 400 20 000 27 900

Bron:CBS

De totale werkgelegenheid voor de productie en exploitatie van hernieuwbare energiesystemen (dus exclusief energiebesparing) bedraagt in 2018 ongeveer 28 duizend voltijdbanen. De belangrijkste technieken voor wat betreft de werkgelegenheid zijn windenergie en zonne-energie. Bij windenergie gaat het voor een groot deel om werk in de offshore sector. Nederlandse bedrijven dragen niet alleen bij aan parken in Nederland, maar ook aan parken in andere landen. Bij zonne-energie gaat het vooral om installatiewerk voor panelen in Nederland en in deze branche neemt de werkgelegenheid het meest toe.

De totale werkgelegenheid in Nederland in 2018 was 7,6 miljoen voltijdsequivalenten (inclusief zelfstandigen). De hernieuwbare energiesector leverde hieraan dus een bijdrage van 0,4 procent.

Methode

Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op cijfers zoals het CBS deze maakt voor de Nationale Energieverkenning (NEV), welke opgevolgd zal worden door de Klimaat en Energieverkenning (KEV). In de NEV en de KEV staan ook andere economische indicatoren dan werkgelegenheid, bijvoorbeeld toegevoegde waarde. In 2018 is de Nationale Energieverkenning niet verschenen, maar voor dit onderdeel vervangen worden door een CBS-publicatie met daarin vergelijkbare informatie over economische indicatoren tot en met het verslagjaar 2017 (CBS, 2018).

Belangrijk aandachtspunt bij vergelijking van de cijfers in de bovengenoemde publicatie met de cijfers die in deze paragraaf staan, is dat in deze paragraaf de scope is beperkt tot die activiteiten die direct te maken hebben met het bouwen, installeren of exploiteren van systemen voor hernieuwbare energie, terwijl in de hierboven genoemde publicatie een brede definitie wordt gehanteerd voor de duurzame energiesector. Daardoor worden hierin ook energiebesparing, elektrisch rijden, smart grids en het gebruik van biomassa voor nieuwe niet-energetische toepassingen (zoals bioplastics) meegenomen.

2.8Subsidies

Onder de huidige marktcondities is hernieuwbare energie in de meeste situaties duurder dan fossiele energie. Om de productie en het verbruik van hernieuwbare energie te stimuleren stelt de overheid subsidies beschikbaar, geeft belastingkortingen en stelt verplichtingen vast voor het gebruik van hernieuwbare energie.

MEP en SDE

De oudste ingrijpende overheidsmaatregel is de MEP-subsidie (Milieukwaliteit elektriciteitsproductie). Voor de MEP konden van halverwege 2003 tot half augustus 2006 aanvragen worden ingediend. Na start van een project is er tien jaar recht op subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. Het bedrag verschilt per technologie. In augustus 2006 is de MEP gesloten voor nieuwe projecten, omdat de kosten uit de hand dreigden te lopen en omdat het beoogde doel (9 procent hernieuwbare elektriciteit in 2010) binnen bereik kwam (Ministerie van Economische Zaken, 2006). Die doelstelling is inderdaad gehaald.

Na 2010 streeft de overheid naar verdere groei van productie en verbruik van hernieuwbare energie. Daarom is de MEP in 2008 opgevolgd door een nieuwe subsidieregeling: de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE ). Belangrijke verschillen met de MEP zijn:

  • De SDE richt zich niet alleen op hernieuwbare elektriciteit, maar ook op groen gas en hernieuwbare warmte.
  • De subsidie is afhankelijk van de marktprijs van gewone stroom of aardgas: hoe hoger de prijs voor gewone stroom of aardgas, hoe kleiner het prijsverschil tussen conventionele en hernieuwbare energie en hoe lager de subsidie.
  • Elk jaar wordt een subsidieplafond vastgesteld. Het is dus geen open-einde-regeling.
  • De regeling wordt elk jaar aangepast. Daarmee speelt de overheid in op nieuwe markt- en beleidsontwikkelingen. Voor ondernemers kunnen deze aanpassingen wel lastig zijn, omdat het plannen van een project vaak meerdere jaren duurt.

Vanaf 2011 heet de regeling SDE+. Belangrijke verschillen ten opzichte van de oorspronkelijke SDE zijn:

  • In de SDE was er voor iedere techniek een apart tarief (subsidie per eenheid geproduceerde energie) en maximumbedrag beschikbaar. In de SDE+ zijn er geen vaste tarieven meer per techniek en ook geen apart subsidiebudget per techniek. De regeling is zo ingericht dat er competitie ontstaat tussen de technieken, waarbij de technieken en de projecten die de minste subsidie nodig hebben eerder aan bod komen. Achterliggend doel is het halen van de Europese doelstelling met zo min mogelijk subsidie.
  • In de SDE was er alleen een stimulans voor hernieuwbare-warmteproductie, indien deze werd gecombineerd met elektriciteitsproductie. In de SDE+ is vanaf 2012 ook plek voor projecten die alleen hernieuwbare warmte produceren.

Tussen het bedenken van de aanvraag en de realisatie van een project zit vaak een paar jaar. Deze tijd is onder andere nodig voor vergunningen, ontwerp, financiering en bouw. Dat verklaart waarom de effecten van veranderingen in de subsidieregelingen pas na enige jaren zichtbaar worden in de meting van nieuwe productie van hernieuwbare energie. Zo is het stopzetten van de MEP in 2006 pas zichtbaar in 2009 door het opdrogen van nieuwe gerealiseerde projecten. 2013 was pas het eerste jaar dat het bijgeplaatst vermogen voor windenergie weer op hetzelfde niveau was als de periode dat er veel molens met MEP-subsidie in gebruik werden genomen (2003–2009). En in 2014 wordt voor het eerst een substantiële groei van de biomassaketels voor warmte bij bedrijven zichtbaar.

2.8.1SDE-budgetplafond1)

miljard euro
2011 1,5
2012 1,7
2013 3,0
2014 3,5
2015 3,5
2016 9,0
2017 12,0
2018 12,0
2019 10,0

Bron:RVO

1)Genoemde bedragen per jaar zijn de som van subsidiebetalingen over de gehele subsidieperiode van de projecten. Uitbetalingen van subsidie vinden plaats op basis van daadwerkelijke energieproductie.

Zoals hierboven vermeld wordt jaarlijks vastgesteld hoeveel budget beschikbaar komt voor de SDE-regeling. De hoogte van dit budget, het budgetplafond, was voor het SDE-jaar 2019 met 10 miljard euro lager dan in 2018 en 2017, maar nog veel hoger dan in de jaren vóór 2016 waarin een maximum van 3,5 miljard euro werd bereikt. De hier genoemde bedragen zijn exclusief die voor ‘wind op zee’; deze techniek heeft een eigen aanvraagprocedure.

In 2019 is 1,2 miljard euro MEP en SDE subsidie uitgekeerd (kasbasis), vooral voor biomassa- en windprojecten. De groei van de uitkeringen is te vinden in de betalingen voor zonnestroomprojecten. De uitkering in 2019 is 9 procent hoger dan in 2018. Het aflopen van de MEP-projecten is goed zichtbaar in de cijfers. In 2019 afgenomen tot 2 miljoen euro.

2.8.2MEP en SDE(+) subsidie

Productie van installaties met subsidie Productie waarover subsidie is ontvangen Totale bruto productie1) Subsidie op transactiebasis Subsidie op kasbasis
2018 20192) 2018 2019** 2018 2019** 2018 20192) 2018 2019
mln kWh mln euro
Waterkracht 1 1 1 1 72 74
Windenergie 6 943 7 930 5 783 6 493 10 549 11 508 551 637 603 582
Zonnestroom 1 065 2 028 956 1 905 3 693 5 159 81 157 83 141
 
TJ
Biomassa elektriciteit en warmte 24 445 29 478 23 896 28 970 . . 289 382 319 347
Aardwarmte 3 735 5 564 3 573 4 804 3 731 5 564 28 42 28 48
Zonnewarmte 11 61 10 60 1 156 1 176 1 1
 
Gas mln m3
Biomassa 96 108 95 108 107 143 41 50 44 59
 
Totaal
MEP 7 1 25 2
SDE 984 1 269 1 051 1 176
Totaal 991 1 269 1 077 1 178

Bron:CBS op basis gegevens van RVO

1)In deze tabel is gekozen voor de productie zonder normalisatie, omdat de subsidie ook wordt uitgekeerd op basis van de productie zonder normalisatie.

2)Het gaat om productiegegevens zoals deze bekend waren bij RVO op peildatum 1 maart 2019. Voor sommige installaties komen de data later beschikbaar. Ontbrekende gegevens zijn niet bijgeschat. Vooral bij warmte leidt dit tot een onderschatting van de gesubsidieerde productie en subsidie op transactiebasis.

2.8.3 Uitbetaalde MEP en SDE(+) subsidies (mln euro)
Wind Biomassa Overig
'03 7 0 0
'04 95 113 0
'05 149 279 1
'06 188 277 7
'07 259 133 8
'08 331 219 7
'09 338 304 7
'10 307 373 11
'11 326 376 12
'12 324 351 19
'13 314 307 27
'14 289 284 28
'15 332 311 32
'16 514 343 46
'17 564 358 74
'18 603 363 111
'19 582 406 190

De subsidiebedragen kunnen op kas- en op transactiebasis berekend worden. Berekeningen op kasbasis geven aan hoeveel geld er in een jaar daadwerkelijk is uitgekeerd. Berekeningen op transactiebasis laten zien hoeveel recht op subsidie is opgebouwd in het betreffende jaar. Dit is het moment van productie van de hernieuwbare energie. Het moment van produceren en het moment van uitbetalen is niet hetzelfde. De MEP wordt achteraf betaald, de SDE werkt met voorschotten.

Een groot deel, maar niet alle productie van hernieuwbare elektriciteit geeft recht op MEP- of SDE-subsidie. Het aandeel zonder subsidie neemt toe. Elektriciteitsproductie zonder subsidie betreft onder andere windmolens waarvan de subsidieduur (maximaal tien jaar voor de MEP) verstreken is of die meer produceren dan de maximaal te subsidiëren hoeveelheid. Ook al lang bestaande (delen van) afvalverbrandingsinstallaties hebben geen recht op MEP- of SDE-subsidie. Zonnepanelen voor kleinverbruikers krijgen via vrijstelling van de hoge energiebelasting op een andere manier steun.

De gegevens uit tabel 2.8.2 zijn afgeleid uit een bestand met subsidiegegevens per project dat het CBS heeft ontvangen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De bedragen op kasbasis komen overeen met gegevens uit de figuur Uitgaven van RVO (2020b).

ISDE

De Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) is aangekondigd in de Warmtevisie in april 2015 (Rijksoverheid, 2015). Deze meerjarige regeling is geopend op 1 januari 2016 en loopt tot en met 31 december 2020. Met de ISDE wil de overheid stimuleren dat Nederlandse huizen en bedrijven minder door gas en meer door duurzame warmte worden verwarmd. Particulieren en zakelijke gebruikers kunnen daarom via de ISDE een tegemoetkoming krijgen bij de aanschaf van zonneboilers, warmtepompen, biomassaketels en pelletkachels. Het budget voor de regeling bedroeg in 2019 160 miljoen euro en was eind november 2019 overtekend. Aanvragen ontvangen na 29 november zijn afgewezen.

In 2020 is het budget weer 100 miljoen, maar de ISDE-regeling is per 1 januari 2020 veranderd. Via de regeling kan alleen nog voor warmtepompen en zonneboilers subsidie worden aangevraagd voor zover deze geplaatst worden in bouwwerken waarvoor de omgevingsvergunning voor 30 juni 2018 is aangevraagd. Voor particulieren is er een overgangsregeling. Voor biomassaketels en pelletkachels is dus geen subsidie meer, net als voor zonnecollectoren en warmtepompen in bestaande woningen (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, 2019). De reden voor deze verandering voor de biomassaketels en de pelletkachels zijn de zorgen met betrekking tot emissies naar de lucht van schadelijke stoffen. Bij het uitsluiten van nieuwe woningen is de reden dat subsidie niet meer nodig is, omdat de toepassing van warmtepompen en zonnewarmtesystemen al gestimuleerd wordt door het afschaffen van aansluitplicht op het aardgasnet.

In 2016, 2017 en 2018 is voor respectievelijk 26, 39 en 53 duizend apparaten een aanvragen gedaan voor subsidie op grond van de ISDE-regeling. In 2019 is het aantal aanvragen bijna verdrievoudigd naar 136 duizend apparaten. In alle jaren zijn warmtepompen het populairst in termen van aantallen, vermogen en aangevraagde subsidie; in 2019 ging het om ruim 100 duizend aanvragen. Deze aantallen volgen uit een analyse van een door RVO aan het CBS geleverd bestand met ISDE-aanvragen.

Overige regelingen

De MEP en de SDE zijn de belangrijkste stimuleringsmaatregelen van de overheid voor hernieuwbare energie. Daarnaast zijn er nog diverse andere maatregelen. Deze worden besproken in de Rapportage Hernieuwbare Energie 2014 (RVO.nl, 2015a).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Maria José Linders

André Meurink

Glenn Muller

Reinoud Segers