Biomassa

Biomassa kan vele vormen aannemen, zoals voedsel of papier. In de energiestatistieken wordt biomassa echter alleen meegenomen als het wordt gebruikt als energiedrager. De import van bijvoorbeeld palmolie voor de voedingsindustrie wordt dus niet meegenomen. Biomassa is de belangrijkste bron van hernieuwbare energie en wordt op vele manieren gebruikt. In dit hoofdstuk worden alle technieken systematisch langs gelopen. De bijdrage van biomassa aan het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie was 61 procent in 2018.

8.1Inleiding

De belangrijkste toepassingen, goed voor drie kwart van het biomassaverbruik, zijn: afvalverbrandingsinstallaties (paragraaf 8.2), het gebruik van biomassa door huishoudens (8.6), het gebruik van vloeibare biotransportbrandstoffen (8.11) en het verbruik van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven (8.4). Het resterende kwart betreft niet alleen het meestoken van biomassa in centrales (8.3) en het verbruik van biomassa voor warmte bij bedrijven (8.5). Ook kan, naast direct verbranden, de biomassa eerst worden omgezet in biogas, wat op stortplaatsen (8.7) gebeurt. Ook natte organische afvalstromen zijn vaak geschikt om te worden omgezet in biogas via vergisting. Dat gebeurt in veel rioolwaterzuiveringsinstallaties (8.8), in afvalwaterzuiveringsinstallaties in de industrie (8.10) en veel biogas wordt gemaakt uit vergisting van mest samen met ander organisch materiaal (co-vergisting van mest) (8.9).

Ontwikkelingen

Het primair verbruik van biomassa is vooral vanaf 2003 hard gegroeid en bereikte een piek in 2012. Het ging in eerste instantie vooral om een toename van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales, gestimuleerd door de MEP-subsidies (zie ook 2.8). Later nam ook het gebruik van biomassa voor het wegverkeer toe door de introductie van de verplichting voor leveranciers van benzine en diesel tot het verbruik daarvan, veelal ingevuld door biobrandstoffen bij te mengen in gewone benzine en diesel. Ook het verbruik van biomassa voor elektriciteitsproductie nam toe. Het gaat hierbij vooral om enkele installaties die afvalhout verbranden en elektriciteit maken. Het verbruik van biomassa door afvalverbrandingsinstallaties en als biogas groeit meer geleidelijk.

8.1.2Biomassa

Primair verbruik Bruto energetisch eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie
2016 2017 2018** 2016 2017 2018** 2016 2017 2018**
TJ
Afvalverbrandingsinstallaties 42 282 40 415 40 356 20 004 19 941 16 907 25 680 24 813 22 331
Bij- en meestoken biomassa in centrales 4 083 4 883 6 858 1 648 2 335 3 094 4 083 4 883 6 858
Biomassaketels bedrijven voor elektriciteit 18 075 18 934 17 496 6 749 9 461 9 959 11 738 11 577 10 904
Biomassaketels bedrijven voor alleen warmte 9 699 9 902 11 482 9 508 9 728 11 272 9 070 9 200 10 681
Biomassa huishoudens 19 036 19 465 19 949 19 036 19 465 19 949 12 480 12 894 13 341
Biogas uit stortplaatsen 677 706 706 304 350 354 475 494 494
Biogas rioolwaterzuiveringsinstallaties 2 425 2 410 2 436 2 059 1 991 2 056 2 015 1 769 1 890
Biogas, co-vergisting van mest 4 966 4 821 5 279 4 194 4 084 4 493 5 642 5 338 5 092
Biogas, overig 5 286 5 495 5 361 3 980 4 130 4 456 4 526 4 526 4 690
Vloeibare biotransportbrandstoffen 10 747 13 891 22 934 10 435 13 483 22 809 10 435 13 483 22 809
 
Totaal 117 276 120 923 132 857 77 917 84 967 95 349 86 146 88 976 99 089

Bron:CBS.

Na de piek in 2012 daalde het verbruik van biomassa door het teruglopen van het meestoken van biomassa als gevolg van het aflopen van de subsidie. Echter,in 2018 is het totale verbruik van biomassa met 10 procent gestegen ten opzichte van 2017 en was zelfs weer hoger dan in 2012. Het verbruik van biomassa als vloeibare biotransportbrandstof nam sterk toe en ook de meestook van biomassa in centrales groeide wat. Bij het decentrale verbruik in biomassaketels nam het verbruik in ketels voor de productie van elektriciteit af maar in ketels voor de productie van warmte nam deze toe. De overige technieken laten in absolute zin kleine veranderingen zien in het verbruik.

Tabel 8.1.2 geeft het verbruik van biomassa op drie manieren: eindverbruik, primair verbruik en vermeden verbruik van fossiele energie. Bij het eindverbruik van energie gaat het om de vorm waarin het aan de eindverbruiker wordt geleverd: elektriciteit, warmte of brandstof. Bij het primair verbruik gaat het om de energie-inhoud van de eerst meetbare vorm van de verbruikte biomassa. Vooral bij elektriciteit is het verschil tussen primair en eindverbruik groot, omdat het omzettingsverlies bij de productie van elektriciteit uit biomassa groot is.

Het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is in de regel lager dan het verbruik van biomassa (8.1.2). Dat betekent dat 1 joule biomassa minder dan 1 joule fossiele energie uitspaart. Dit komt doordat het energetisch rendement van de installaties die biomassa verbruiken relatief laag is ten opzichte van de fossiele referentie. Het sterkst speelt dit bij afvalverbrandingsinstallaties en bij houtkachels in huishoudens. Voor de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie is geen complete levenscyclusanalyse (LCA) uitgevoerd (RVO.nl en CBS, 2015), omdat dat ingewikkeld is en omdat er veel gegevens voor nodig zijn. Zeker bij de vloeibare biotransportbrandstoffen zou een complete LCA wel wat nauwkeuriger zijn, omdat het maken van biotransportbrandstoffen uit ruwe plantaardige grondstoffen meer energie kost dan het maken van benzine en diesel uit ruwe aardolie (Edwards et. al, 2007).

Groen gas

Groen gas is biogas dat is opgewerkt tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Soms wordt ook ruw biogas tot groen gas gerekend of biogas dat wordt opgewerkt tot Compressed Natural Gas (CNG) voor verbruik in vervoer. Hier gaat het alleen over groen gas dat geïnjecteerd wordt in het aardgasnet. Directe injectie van ruw biogas in het aardgasnet kan niet, onder andere omdat de verbrandingswaarde van biogas een stuk lager is.

8.1.3Groen gas: biogas, opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet

Productie Aandeel Bruto energetisch eindverbruik
uit stortgas uit RWZI‑gas uit mest­vergisting uit overig biogas totaal totaal in totaal aardgas­verbruik als elektriciteit als warmte voor vervoer totaal
mln m3 TJ1) % TJ1)
2000 17 17 549 0,04 69 364 0 433
2005 14 14 446 0,03 62 283 0 345
2010 11 11 345 0,02 57 212 0 269
2015 6 . . 74 80 2 523 0,21 364 1 665 2 2 031
 
2016 5 . . 78 83 2 620 0,21 407 1 693 2 2 102
2017** 5 . . 93 98 3 100 0,24 468 1 763 230 2 461
2018** 5 2 20 80 107 3 400 0,27 501 2 007 276 2 785

Bron:CBS.

1)Onderwaarde

Op stortplaatsen wordt al jaren groen gas gemaakt. De biogasproductie op stortplaatsen loopt echter terug, omdat er nog maar weinig afval voor lange tijd wordt gestort. Het meeste biogas voor groen gas is afkomstig van andere bronnen zoals vergisters van afvalverwerkingsbedrijven, industrie en landbouw. De afgelopen jaren zijn er telkens nieuwe projecten bijgekomen met groen gas uit overig biogas en sinds 2011 stijgt de groengasproductie gestaag. In 2018 groeit de productie met 9 procent naar 107 miljoen kubieke meter. Dit komt overeen met ongeveer drie promille van het totale aardgasverbruik in Nederland.

De groei in de productie van groen gas heeft vooral te maken met de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE), die, in tegenstelling tot de voorgaande MEP, ook open staat voor groengasprojecten. In augustus 2019 waren nog 40 projecten met een beschikking te realiseren met een gezamenlijk vermogen van 236 megawatt (RVO, 2019a).

Het bruto energetisch eindverbruik van groen gas wordt berekend door uit de Europese energiestatistieken voor Nederland af te leiden welk deel van het primair aardgasverbruik leidt tot bruto energetisch eindverbruik (Eurostat, 2011). Sinds eind 2018 is voor deze verdeling daarnaast mogelijk om onder bepaalde voorwaarden groen gas administratief over te boeken naar de sector vervoer (zie ook paragraaf 2.4). De gebruikte methode is geïmplementeerd in de tool SHARES van Eurostat en zit er op dit moment als volgt uit:

  1. Bepaal hoeveel groen gas dat is ingevoed in het nationale net wordt overgeboekt naar vervoer. In 2018 was dit 9 procent van alle groen gas.
  2. Verdeel de rest van het groen gas over vijf bestemmingen, evenredig met de bestemmingen van aardgas:
    • energetisch eindverbruik voor warmte (gemiddeld 63 procent de laatste 10 jaar). Dit is verbruik in warmteketels plus de warmte uit aardgasinzet in warmtekrachtinstallatie
    • energetisch eindverbruik voor elektriciteit (gemiddeld 15 procent in de laatste 10 jaar). Dit is de productie van elektriciteit uit aardgas
    • energetisch eindverbruik voor vervoer (minder dan 0,1 procent). Dit is de levering van aardgas voor vervoer
    • niet-energetisch eindverbruik (gemiddeld 6 procent de laatste 10 jaar), vooral voor de productie van kunstmest
    • transformatieverliezen, vooral voor de productie van elektriciteit al dan niet in combinatie met warmte (gemiddeld 16 procent de laatste 10 jaar).

De eerste drie bestemmingen vallen onder het bruto energetisch eindverbruik voor de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 (Europees Parlement en Raad, 2009). Gemiddeld telde de afgelopen vijf jaar 82 procent van het groen gasproductie als bruto energetisch eindverbruik.

In eerste instantie is het misschien wat tegen intuïtief dat niet alle groen gas meetelt bij het verbruik van hernieuwbare energie. Echter, ook het aardgasverbruik telt ook niet volledig mee bij het bepalen van de noemer voor het berekenen van het aandeel hernieuwbare energie.

Duurzaamheid biomassa

Biomassa telt als bron voor hernieuwbare energie omdat de CO2‑emissie die vrijkomt bij het verbruik van biomassa gecompenseerd wordt door CO2‑vastlegging bij de groei van planten die weer zorgt voor nieuwe biomassa (kortcyclische CO2). Toch zijn er ook zorgen over de duurzaamheid van het gebruik van biomassa. Het gaat dan vaak over de bescherming van tropische bossen, de CO2‑effectiviteit over de hele keten, de lange tijd die er nodig is om nieuwe bomen te laten groeien en effecten op voedselprijzen. In de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie uit 2009 zijn duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa en biogas voor vervoer. Dat heeft tot gevolg dat vanaf 2011 vloeibare biomassa die niet voldoet aan de criteria, niet meetelt voor de realisatie van de doelstelling en ook geen steun mag ontvangen van nationale regeringen via een subsidie, een korting op de accijns of een verplichting. Voor andere vormen van biomassa gelden nog geen duurzaamheidscriteria. In de nieuwe EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie, welke zich richt op de periode 2021 tot en met 2030, is afgesproken om voor installaties op vaste en gasvormig biomassa boven een bepaalde capaciteitsgrens wel duurzaamheidscriteria te gaan hanteren. Op nationaal niveau is besloten om de subsidie voor het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales alleen mee te tellen voor duurzaam gecertificeerde biomassa, al is er wel kritiek op bestaande criteria en certificeringssystemen.

Vanaf 2012 heeft de Nederlandse Emissieautoriteit gecontroleerd of biobrandstoffen voor vervoer die opgevoerd zijn voor de nationale bijmengplicht voldoen aan de duurzaamheidcriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (NEa, 2015). Het CBS heeft gegevens per bedrijf ontvangen van de NEa en vergeleken met eigen gegevens over biobrandstoffen. Daaruit is naar voren gekomen dat nagenoeg alle Nederlandse biobrandstoffen die geleverd zijn voor vervoer in Nederland voldoen aan de duurzaamheidscriteria.

In juni 2019 is de vierde editie van een rapportage gepubliceerd door het Platform Bio-Energie (PBE) in samenwerking met RVO over het verbruik van hout in energie-installaties voor elektriciteit en warmte. Deze rapportage en voorgaande zijn in opvolging gemaakt van de Green Deal Duurzaamheid Vaste Biomassa die in 2015 afliep.

De bedrijven waar de installaties (vanaf 1 megawatt) in gebruik zijn, hebben net als tijdens de Green Deal op vrijwillige basis aan het onderzoek meegewerkt (respons: 84 procent). De deelnemende partijen beogen met de jaarlijkse rapportage bij te dragen aan de gewenste open­heid over de omvang, aard, herkomst en duurzaamheidsaspecten van de gebruikte biomassa. Zij hopen daarnaast dat de rapportage het draagvlak voor deze belangrijke vorm van hernieuwbare ener­gie bevordert.

Deze rapportage heeft betrekking op vaste – houtachtige – biomassa die in 2018 direct of indirect is ingezet om elektriciteit en/of warmte op te wekken.

Een interessante uitkomst in de rapportage is dat verreweg de meeste houtige grondstoffen (77% van in totaal bijna 1,7 miljoen ton) afkomstig zijn uit eigen land en de rest voor het grootste deel uit de ons omringende landen. Het gaat om resthout dat vrijkomt bij onderhoud van bos, landschap en gemeentelijk groen, bij timmer­fabrieken, uit bouw- en sloopwerkzaamheden en dergelijke. Niet opgenomen in deze rapportage zijn: gasvormige of vloeibare biobrandstoffen, fossiele brandstoffen of andere vaste biomassa (PBE/RVO, 2019).

Aanbod van vaste biomassa

Het binnenlands verbruik van vaste biomassa, in hoofdzaak houtachtige producten uit reststromen, kan geheel voorzien worden vanuit binnenlandse productie. Per saldo is Nederland sinds 2014 zelfs exporteur. In 2013 was dat nog niet het geval toen houtpellets op grote schaal werden geïmporteerd. Met de sterke vermindering van het bij- en meestoken van houtpellets viel de noodzaak voor deze importen vrijwel geheel weg.

In 2017 nam het binnenlands verbruik van vaste biomassa toe met 5 procent naar bijna 53 petajoule. Het gestegen verbruik van afvalhout droeg het meest bij aan deze toename.

In de volgende paragrafen van deze publicatie wordt nader ingegaan op het verbruik van andere niet-houtachtige biomassa zoals huishoudelijk afval en biogas.

8.1.4Balans vaste biomassa voor energie

2013 2014 2015 2016 2017
TJ
Binnenlandse productie
Totaal 50 311 53 945 56 797 56 710 60 029
Houtpellets 3 836 4 830 4 655 4 471 4 253
Afvalhout 13 203 14 811 15 060 16 462 16 060
Hout chips en schoon resthout 5 577 6 142 7 383 7 297 7 394
Vers hout blokken 14 700 15 092 15 307 15 639 15 996
Restproducten uit primaire landbouw 3 204 3 045 3 103 3 315 2 841
Restproducten uit agro-industrie 3 399 3 202 4 181 3 337 3 196
Overige niet-houtige biomassa 6 390 6 822 7 109 6 190 10 289
 
Import
Totaal 12 976 5 759 3 750 4 190 3 112
Houtpellets 10 706 3 131 0 0 0
Afvalhout 2 200 2 458 3 420 3 770 1 913
Overig 70 169 330 420 1 199
 
Export
Totaal 10 674 11 672 11 194 10 277 10 226
Houtpellets 2 397 3 464 3 212 2 772 2 722
Afvalhout 5 865 5 865 5 459 5 564 5 564
Overig (niet houtachtig) 2 412 2 343 2 523 1 941 1 941
 
Binnenlands verbruik
Totaal 52 613 48 032 49 353 50 623 52 915
Houtpellets 12 145 4 498 1 443 1 699 1 531
Afvalhout 9 538 11 405 13 021 14 668 12 409
wv. voor opwekking elektriciteit 6 598 8 386 9 959 11 540 9 209
wv. bij huishoudens 2 940 3 018 3 061 3 128 3 199
Hout chips en schoon resthout 5 647 6 310 7 713 7 567 7 912
Vers hout blokken (huishoudens) 14 700 15 092 15 307 15 639 15 996
Restproducten uit primaire landbouw 3 204 3 045 3 103 3 315 2 841
Restproducten uit agro-industrie 3 399 3 202 4 181 3 337 3 196
Overige niet-houtige biomassa 3 979 4 479 4 586 4 249 8 349

Bron:CBS.

8.2Afvalverbrandingsinstallaties

Afval dat verbrand wordt door afvalverbrandingsinstallaties is op energiebasis voor ongeveer de helft van biogene oorsprong. Daarom telt ongeveer de helft van de energieproductie door afvalverbrandingsinstallaties als hernieuwbare energie. In Nederland zijn er twaalf afvalverbrandingsinstallaties. Deze grote installaties waren in 2018 goed voor 11 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) toont vanaf 2009 tot en met 2017 een duidelijke stijging. Tot en met 2011 had de stijging vooral te maken met het in gebruik nemen van nieuwe installaties, daarna kwam de stijging door nieuwe leidingen voor leveringen van stoom aan nabijgelegen industrie en warm water vooral voor bestaande stadsverwarmingsnetten. Bij veel installaties werd de warmte nog lang niet volledig benut, waardoor de extra warmteleveringen slechts in beperkte mate ten koste gingen van de elektriciteitsproductie. In 2018 is vergeleken met 2017 met het verbranden van afval vrijwel evenveel energie geproduceerd (76 terajoule). Dit wel met het verschil dat in tegenstelling tot 2017 in 2018 de productie meer op elektriciteit en minder op warmte gericht was. Deze verschuiving is voor een belangrijk deel te danken aan de situatie bij de afvalverbrander in Moerdijk welke stopte met de levering van stoom aan de naast gelegen elektriciteitscentrale en in plaats daarvan zelf een grote stoomturbine heeft gekocht voor het maken van veel meer elektriciteit. Bij enkele andere afvalverbrandingsinstallaties werd de levering van warmte aan de stadsverwarming overgenomen door warmtekrachtinstallaties op afvalhout (zie ook 8.4).

Vanaf 1990 tot en met 2002 is het biogene aandeel van het verbrande afval langzaam gedaald. Dat had te maken met het opkomen van het apart inzamelen van groente-, fruit- en tuinafval. In 2003 kwam aan deze daling een eind en tot en met 2012 steeg de biogene fractie weer om sindsdien min of meer constant te blijven (rond 55%). Een betere scheiding van het plastic afval speelde daarbij een rol (Agentschap NL, 2013).

Voor huishoudelijk afval is de import belangrijk. Reden daarvoor is dat de capaciteit van de afvalverbrandingsinstallaties de laatste jaren is uitgebreid en dat het binnenlandse aanbod van afval is afgenomen. Om de investering in de dure installaties terug te verdienen is het voor de bedrijven van belang om de installatie zoveel mogelijk te gebruiken. Dankzij de nabijheid van zeehavens is het relatief goedkoop om afval te importeren uit Europese landen waar de capaciteit voor verwerking van afval schaars is.

8.2.1Afvalverbrandingsinstallaties: vermogen, verbrand afval, energiebalans

Verbrand afval Elektriciteit Warmte Fossiele brandstoffen
massa energie vermogen bruto productie verbruik netto productie productie verbruik
kton TJ MW mln kWh TJ
2000 4 896 49 767 394 2 520 565 1 956 7 129 796
2005 5 454 56 722 429 2 738 609 2 129 9 014 938
2010 6 586 64 543 586 3 376 701 2 675 11 194 950
2015 7 564 74 127 649 3 676 823 2 853 23 157 935
 
2016 7 830 78 300 649 3 790 849 2 941 22 387 956
2017 7 626 76 255 649 3 592 813 2 788 23 522 609
2018** 7 614 76 144 649 4 177 817 3 371 15 113 353

Bron:CBS.

8.2.2Afvalverbrandingsinstallaties: hernieuwbare fractie en hernieuwbare energie

Afval Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
hernieuw­bare fractie inzet biogeen afval bruto her­nieuwbare productie netto her­nieuwbare productie her­nieuwbare productie elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
% TJ mln kWh TJ kton
2000 51 25 512 1 272 987 3 597 4 578 4 548 9 126 12 420 835
2005 47 26 659 1 266 984 4 168 4 557 5 241 9 798 12 793 834
2010 53 34 208 1 763 1 397 5 847 6 348 7 708 14 056 17 436 1 115
2015 55 40 770 1 997 1 550 12 578 7 188 13 523 20 711 26 462 1 783
 
2016 54 42 282 2 005 1 586 11 879 7 218 12 785 20 004 25 680 1 692
2017 53 40 415 1 904 1 478 12 337 6 853 13 088 19 941 24 813 1 601
2018** 53 40 356 2 214 1 786 7 869 7 970 8 936 16 907 22 331 1 502

Bron:CBS

Het verschil tussen de bruto en de netto elektriciteitsproductie is bij de AVI’s groter dan bij de andere conversietechnieken. Dit komt vooral doordat de AVI’s veel elektriciteit gebruiken voor rookgasreiniging. Sommige AVI’s gebruiken ook redelijk wat fossiele brandstoffen en warmte voor rookgasreiniging. Het verbruik van fossiele brandstoffen wordt verdisconteerd in de berekening van de productie van hernieuwbare elektriciteit en warmte (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

Methode

Afvalverbrandingsinstallaties zijn verbrandingsinstallaties die geschikt zijn voor gemengde afvalstromen. Installaties die ontwikkeld zijn voor specifieke afvalstromen, zoals de thermische conversie-installatie in Duiven voor papierslib en de afvalhoutverbranders bij Twence in Hengelo, de AVR Rijnmond en de Huisvuilcentrale in Alkmaar, worden niet meegenomen bij de afvalverbrandingsinstallaties. Deze installaties tellen wel mee voor de hernieuwbare energie, maar dan bij de bedrijven die biomassa stoken voor elektriciteit (8.4).

Het elektrisch vermogen is afkomstig uit de CBS-statistiek Productiemiddelen Elektriciteit. De tijdreeks van het verbrande afval afkomstig van Rijkswaterstaat Leefomgeving.

Voor de calorische waarde en de biogene fractie is ook gebruik gemaakt van gegevens die Rijkswaterstaat Leefomgeving jaarlijks maakt voor de IPCC monitoring . Voor 2018 waren er nog geen nieuwe cijfers en zijn de cijfers voor 2017 aangehouden.

De elektriciteits- en warmteproductie van de AVI’s is tot en met het verslagjaar 2016 bepaald op basis van energie-enquêtes van het CBS. Met ingang van het verslagjaar 2017 maakt het CBS hiervoor gebruik van de rapportages die de AVI’s leveren aan Rijkswaterstaat Leefomgeving voor de WAR en de vaststelling van de zogenoemde R1‑status (‘nuttige toepassing’). De eventuele ontbrekende gegevens zijn bijgeschat op basis van milieujaarverslagen. De R1‑status maakt het AVI’s vergunningstechnisch makkelijker om afval uit andere landen te importeren.

Met het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie (2015) is bepaald dat warmte benut voor rookgasreiniging meetelt in het bruto eindverbruik, net als elektriciteit. Hoewel het gaat om ‘onverkochte warmte’ is hier sprake van nuttig gebruik van energie in het proces en daarom telt het mee in de totale prestatie van het bedrijf. De hoeveelheden warmte voor rookgasreiniging zijn ook afkomstig uit de R1‑rapportage. Als hernieuwbaar bruto eindverbruik telt de verbrandingswaarde van het biogene deel van de voor dit doel ingezette hoeveelheid afval. Cijfers over de warmte voor rookgasreiniging zijn alleen beschikbaar voor 2014 en daarna. Cijfers over oudere jaren zijn geschat op basis van de leeftijd van de afvalverbrandingsinstallaties en kennis bij Rijkswaterstaat Leefomgeving over belangrijke aanpassingen aan de installaties in het verleden.

Op basis van de vergelijking tussen de milieujaarverslagen, R1‑rapportages en de energie-enquêtes schat het CBS de onnauwkeurigheid in de geleverde energieproductie van de AVI’s op ongeveer 5 procent. De niet verkochte warmte is relatief gezien wat onzekerder, omdat het complex kan zijn om de stromen op een eenduidige manier af te bakenen. Alles bij elkaar genomen ligt de grootste onzekerheid in de hernieuwbare energie uit AVI’s bij de bepaling van de biogene fractie. Deze onzekerheid wordt geschat op 10 procent.

8.3Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Bij het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales gaat het om centrales die kolen gebruiken als hoofdbrandstof. Een gedeelte van deze kolen kan vervangen worden door verschillende soorten biomassa. In 2018 was het meestoken van biomassa verantwoordelijk voor ongeveer 2 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De ontwikkeling van het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales verliep in de periode 2003–2012 met horten en stoten. Aanvankelijk zorgden technische aanpassingen van de centrales voor groei maar halverwege de periode zorgde de afbouw van subsidie voor nieuwe installaties weer voor stagnatie. Ná 2007 ontstond weer groei door het uitbreiden van de capaciteit voor meestoken bij centrales die in 2007 ook al biomassa meestookten. Toen kostte biomassa ook meer dan kolen, maar blijkbaar wogen de extra opbrengsten uit subsidie en CO2‑rechten op tegen deze extra kosten. De daling sinds 2012 houdt verband met het aflopen van de MEP-subsidie (Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie), die een subsidieduur kende van maximaal 10 jaar. Pas in 2016 en 2017 zijn in het kader van SDE+ weer nieuwe subsidieaanvragen voor het meestoken van biomassa in grote installaties geaccepteerd (RVO, 2019a).

In 2018 werd bijna 7 petajoule aan biomassa meegestookt in de elektriciteitscentrales. Dat was weliswaar 40 procent meer dan in 2017 maar komt overeen met ongeveer een vijfde van de biomassa die in 2005 werd ingezet.

8.3.1Meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales

Biomassa Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
inzet bruto­productie netto­productie productie elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik fos­siele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 1 755 208 198 15 748 15 763 1 755 166
2005 30 522 3 449 3 310 693 12 416 693 13 109 30 522 2 394
2010 28 545 3 237 3 043 1 267 11 653 1 267 12 920 28 545 2 703
2015 4 833 498 470 35 1 792 35 1 827 4 833 458
 
2016 4 083 442 419 57 1 591 57 1 648 4 083 387
2017 4 883 530 503 426 1 909 426 2 335 4 883 462
2018** 6 858 734 681 451 2 643 451 3 094 6 858 649

Bron:CBS.

Methode

De gegevens over de hernieuwbare-elektriciteitsproductie zijn afkomstig uit de administratie achter de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. Daarbij is de hernieuwbare-elektriciteitsproductie berekend door de totale elektriciteitsproductie van een installatie te vermenigvuldigen met het aandeel ‘hernieuwbaar’ van de ingezette brandstoffen (op energetische basis). De impliciete aanname daarbij is dat 1 joule biomassa 1 joule fossiele brandstoffen vervangt. Deze aanname wordt ook gemaakt in de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Waarschijnlijk is deze brandstofsubstitutie niet 100 procent, maar enkele procenten lager. Voor de berekening van de subsidietarieven voor het meestoken (MEP-regeling, Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie) werd uitgegaan van 93 procent voor de kolencentrales (De Vries et al., 2005 en Tilburg, et al., 2007).

Voor de inzet van biomassa is gebruik gemaakt van de opgaven van bedrijven uit de CBS-enquêtes. De gegevens uit de administratie van CertiQ en de CBS-enquêtes zijn op individueel niveau met elkaar geconfronteerd. Als controle is daarnaast ook gebruik gemaakt van de milieujaarverslagen. Bij verschillen groter dan 200 TJ inzet biomassa was altijd duidelijk wat de oorzaak was, of is deze achterhaald door het doen van navraag bij de centrales. Afgezien van de onzekerheid in de brandstofsubstitutie wordt de onnauwkeurigheid in de hernieuwbare energie uit het meestoken van biomassa in centrales geschat op 5 procent.

8.4Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven

Het gaat hier om installaties die vaste of vloeibare biomassa verbranden voor de productie van elektriciteit, al dan niet in combinatie met warmteproductie, uitgezonderd het meestoken van biomassa in elektriciteitscentrales. De belangrijkste groep zijn de vier installaties voor het verbranden van afvalhout in Hengelo, Alkmaar, Rotterdam en Delfzijl. Daarnaast gaat het om het verbranden van diverse afvalstromen zoals kippenmest of papierslib in installaties die speciaal ontworpen zijn voor deze soort biomassa en meerdere kleinschalige installaties die vooral schoon resthout verbranden. Voor deze kleine installaties is vaak warmte het hoofdproduct en elektriciteit het bijproduct.

De ongeveer twintig installaties waren in 2018 goed voor 6 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De jaarlijkse productie van de diverse individuele installaties kan sterk fluctueren door het al dan niet optreden van storingen en de noodzaak tot onderhoud. MEP-subsidie is de belangrijkste subsidieregeling geweest voor het bouwen van installaties in deze categorie. De SDE-subsidieregeling heeft nog niet geleid tot veel grote nieuwe installaties. Wel is er met steun van de SDE een aantal kleinere installaties bijgekomen die vooral warmte leveren. Nieuw is ook dat bestaande installaties met steun van de SDE worden aangepast en (veel) warmte gaan leveren. Belangrijk in 2017 was de aansluiting van de afvalhoutverbrander in Delfzijl op het lokale stoomnet. Sinds 2018 leveren de drie andere grote installaties voor het verbranden van afvalhout (in Alkmaar, Hengelo en Rotterdam) warmte aan stadsverwarming, voor een groot gedeelte in plaats van leveringen van warmte door afvalverbrandingsinstallaties.

8.4.1Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor decentrale elektriciteitsproductie

Locaties1) Biomassa Elektriciteit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
aantal einde jaar verbruik bruto-productie netto-productie totale productie wv. verkochte warmte elektriciteit warmte totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 4 3 333 234 216 188 188 843 188 1 031 2 161 151
2005 5 3 524 253 235 468 468 910 468 1 378 2 626 175
2010 18 12 725 1 015 894 784 784 3 653 784 4 436 8 445 559
2015 19 16 988 1 399 1 209 894 572 5 037 1 254 6 291 11 508 875
 
2016 19 18 075 1 465 1 281 1 205 864 5 273 1 476 6 749 11 738 858
2017 19 18 934 1 242 1 050 3 298 2 792 4 471 4 990 9 461 11 577 795
2018** 21 17 496 845 691 5 305 4 792 3 041 6 918 9 959 10 904 709

Bron:CBS.

1)Een bedrijf kan gevestigd zijn op meer dan één locatie. Per locatie kan meer dan één installatie aanwezig zijn.

Methode

Voor de elektriciteitsproductie is CertiQ de belangrijkste bron, met informatie uit de winning- en omzettingsenquêtes van het CBS als aanvulling. De laatste tijd komt ook voor meer installaties de warmteproductie via CertiQ beschikbaar. Als verdere aanvulling en controle is gebruik gemaakt van milieujaarverslagen en informatie van RVO over de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA). De onzekerheid in de hernieuwbare energie uit de decentrale biomassaverbranding voor elektriciteit wordt geschat op ongeveer 10 procent.

8.5Stoken van biomassa voor warmte bij bedrijven

Biomassa kan in vaste en vloeibare vorm (afvalhout, slachtafval, papierslib) verstookt worden in ketels en kachels voor warmteproductie. Zo heeft de houtverwerkende industrie al jaren houtketels waarin de bedrijven hun eigen afvalhout stoken. Sinds 2006 hebben ook steeds meer bedrijven uit de intensieve veehouderij houtketels voor het verwarmen van stallen. In de meeste gevallen wordt de warmte door de producent zelf verbruikt, maar de laatste jaren worden biomassa warmteketels ook voor stadsverwarming gebruikt. Er is ook een aantal biomassaketels voor stadsverwarming die naast warmte ook wat elektriciteit leveren. Deze installaties tellen mee bij “Stoken van biomassa voor elektriciteit bij bedrijven” (paragraaf 8.4).

Het stoken van biomassa voor warmte draagt voor ruim 7 procent bij aan het totale verbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

In 2018 groeide de inzet van biomassa en daarmee de warmteproductie met 16 procent; in 2017 was dat nog maar ongeveer 2 procent. De groei in 2018 kwam voort uit zowel de toegenomen inzet van hout (+17%) als de toegenomen inzet van andere biomassa dan hout zoals slachtafval en papierslib (+15%).

8.5.1Stoken van vaste en vloeibare biomassa voor warmte bij bedrijven

Installaties/ketels Inzet van biomassa Warmte-productie Bruto eind­verbruik Effect
aantal einde jaar totaal voor verkochte warmte voor zelf verbruikte warmte totaal wv. verkochte warmte vermeden verbruik fossiele pri­maire energie vermeden emissie CO2
TJ kton
Totaal
2000 . 2 212 0 2 212 1 724 0 2 212 1 916 109
2005 . 4 106 0 4 106 3 448 0 4 106 3 831 218
2010 . 5 477 0 5 477 4 568 0 5 477 5 076 287
2015 2 977 9 164 868 8 296 7 771 738 9 034 8 634 488
 
2016 3 347 9 699 1 342 8 357 8 163 1 151 9 508 9 070 512
2017 3 790 9 902 1 196 8 706 8 280 1 022 9 728 9 200 521
2018** 4 249 11 482 1 469 10 013 9 613 1 259 11 272 10 681 605
 
Hout
2016 3 334 6 169 . . 5 244 . 5 999 5 827 329
2017 3 779 6 486 . . 5 513 . 6 322 6 125 347
2018** 4 238 7 571 . . 6 436 . 7 383 7 151 405
 
Overige vaste en vloeibare biomassa
2016 13 3 529 . . 2 919 . 3 509 3 243 183
2017 11 3 416 . . 2 767 . 3 406 3 074 174
2018** 11 3 910 . . 3 177 . 3 889 3 530 200

Bron:CBS.

De toegenomen inzet van hout (verbranden in houtketels) laat zich voor een belangrijk deel verklaren door de eveneens toegenomen capaciteit (+13%).

8.5.2Opgesteld thermisch vermogen (MW) van houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar sector

Houtindustrie Meubel­industrie Bouw Handel Landbouw Energie­bedrijven Overig Totaal
2006 147 65 10 46 63 0 3 333
2007 151 66 11 46 96 0 9 379
2008 151 64 11 44 115 0 14 400
2009 151 64 11 44 128 0 21 419
 
2010 142 61 12 36 137 0 27 414
2011 140 58 12 37 147 0 31 425
2012 132 56 14 40 157 4 37 440
2013 125 51 13 33 181 12 41 457
2014 131 44 13 26 187 58 49 509
 
2015 125 37 16 24 202 62 64 531
2016 111 34 17 26 225 62 76 552
2017 108 25 19 24 267 62 80 585
2018** 101 20 17 21 334 90 79 663

Bron:CBS.

8.5.3Opgesteld aantal en vermogen houtketels voor warmte bij bedrijven uitgesplitst naar vermogensklasse

Aantal Vermogen
≤ 0,1 MW > 0,1 t/m 0,5 MW > 0,5 t/m 1,0 MW > 1 MW Totaal ≤ 0,1 MW > 0,1 t/m 0,5 MW > 0,5 t/m 1,0 MW > 1 MW Totaal
MW
2006 833 216 59 92 1 200 48 64 43 178 333
2007 1 182 259 69 95 1 605 69 74 49 186 379
2008 1 404 304 74 92 1 874 80 86 53 181 400
2009 1 536 341 76 92 2 045 87 93 55 185 419
 
2010 1 700 356 74 87 2 217 95 94 53 171 414
2011 1 869 383 73 85 2 410 104 101 52 169 425
2012 1 998 432 74 82 2 586 111 113 53 163 440
2013 2 111 501 80 77 2 769 117 127 57 156 457
2014 2 184 525 83 76 2 868 121 132 60 196 509
 
2015 2 230 568 94 74 2 966 124 143 69 195 531
2016 2 547 614 102 71 3 334 137 153 75 187 552
2017 2 893 717 103 66 3 779 150 170 76 189 585
2018** 3 193 880 99 66 4 238 162 202 73 226 663

Bron:CBS.

8.5.4Houtketels en -kachels voor warmte bij bedrijven naar provincie, 2018**

Aantal Vermogen
MW
Groningen 189 18
Friesland 355 49
Drenthe 223 21
Overijssel 650 87
Flevoland 70 33
Gelderland 1 260 141
Utrecht 158 13
Noord-Holland 108 81
Zuid-Holland 239 59
Zeeland 68 13
Noord-Brabant 708 101
Limburg 211 48
 
Totaal 4 238 663

Bron:CBS.

Sinds enkele jaren komen de grotere ketels (vanaf 500 kW) voor SDE-subsidie in aanmerking. Dat heeft geleid tot een toename van de grotere ketels (groter dan 1 MW). Sinds 2016 kunnen particulieren en bedrijven voor klein zakelijk gebruik met subsidie uit de ISDE-regeling een biomassaketel (of pelletkachel) met een vermogen tot en met 500 kW aanschaffen. Vooral biomassaketels blijken in trek bij de zakelijke markt met de rond de 150 megawatt aan aanvragen in 2017 en 2018 blijkens een analyse van het CBS op de RVO data. Het is nog niet helemaal duidelijk welk deel daarvan wanneer is of wordt geïnstalleerd (zie ook paragraaf 2.8). De populariteit van de houtketels met ISDE subsidie komt terug in de groei van het opgesteld vermogen van houtketels kleiner dan 500 kW (tabel 8.5.3).

De meeste houtketels staan in Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel. Dit zijn grote provincies met intensieve veehouderij en hout- en meubelindustrie, de sectoren waar de meeste houtketels staan. Noord-Holland staat ook hoog in de lijst wegens de grote installatie van de stadverwarming in Purmerend.

Methode

De informatie over de warmteproductie en het brandstofverbruik van de ketels en kachels op brandstoffen anders dan hout komt uit overheidsregistraties zoals een subsidieregeling of milieujaarverslag dan wel uit directe waarneming (bij de grotere installaties) door het CBS.

De gegevens over de aantallen en het vermogen van houtkachels voor warmte bij bedrijven zijn gebaseerd op inventarisaties onder de leveranciers van houtketels en houtkachels groter dan 18 kW met peiljaren 1991 (Sulilatu, 1992), 1997 (Sulilatu, 1998) en vanaf 2004 door het CBS. Voor ontbrekende jaren is geïnterpoleerd. Voor deze inventarisatie stuurt het CBS elk jaar een vragenlijst naar de leveranciers.

De warmteproductie van ketels tot 500 kW is berekend uit het vermogen op basis van 3 000 vollasturen bij landbouwbedrijven en 1 500 vollasturen bij bedrijven in de overige sectoren (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie 2015). Voor de inzet van biomassa is uitgegaan van de warmteproductie en de rendementen zoals beschreven in het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie. Voor de nieuwe ketels van 500 kW en groter wordt sinds de start van de SDE+-regeling de warmteproductie overgenomen uit de registratie van de SDE-regeling.

De uitsplitsing naar sector is gebaseerd op opgaven van de leveranciers van ketels en kachels. Ook de uitsplitsing naar provincie is gebaseerd op opgaven per installatie van de leveranciers van de ketels en kachels voor installaties groter dan 100 kW. Voor ketels en kachels kleiner dan 100 kW heeft het CBS geen gegevens per installatie. De meeste kleinere ketels en kachels staan echter bij landbouwbedrijven. Het CBS heeft daarom de meest recente gegevens uit de Landbouwtelling over het aantal bedrijven met een houtketel of -kachels gebruikt om de kleinere ketels en kachels over de provincies te verdelen.

Door de non-respons op de CBS-vragenlijst, de onzekerheid over het aantal vollasturen van de houtketels en de timing van het uit gebruik nemen, bevatten de cijfers over de houtketels bij bedrijven een behoorlijke onzekerheid. Deze onzekerheid neemt echter iets af door de groei van het aandeel warmteproductie die volgt uit de data die overgenomen wordt uit de SDE-registratie. Al met al schat het CBS schat de onzekerheid op 30 procent.

8.6Stoken van biomassa door huishoudens

Ongeveer een miljoen huishoudens hebben een houtgestookte installatie. Meestal worden deze installaties niet als hoofdverwarming gebruikt, maar bij elkaar wordt er toch een aanzienlijke hoeveelheid hout verstookt. Voor het eindverbruik van hernieuwbare energie telt de hoeveelheid verstookt hout en dit kwam in 2018 overeen met 13 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland.

Daarnaast verbruiken veel Nederlandse huishoudens af en toe wat houtskool op de barbecue. Dit telt ook als verbruik van hernieuwbare energie. Het gaat om een kwart procent van het totale eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.6.1Biomassa bij huishoudens

Aantal in gebruik Inzet biomassa Warmte-productie Bruto eindverbruik Vermeden verbruik van fossiele primaire energie Vermeden emissie CO2
1 000 kton TJ kton
Totaal
2000 971 1 052 14 457 6 559 14 457 6 905 392
2005 959 1 175 16 127 8 446 16 127 8 890 505
2010 960 1 249 17 129 9 852 17 129 10 370 587
2015 1 020 1 360 18 638 11 483 18 638 12 087 687
 
2016 1 034 1 389 19 036 11 856 19 036 12 480 705
2017 1 051 1 420 19 465 12 249 19 465 12 894 730
2018** 1 069 1 456 19 949 12 674 19 949 13 341 755
 
Openhaarden
2016 370 185 2 516 252 2 516 265 15
2017 370 185 2 516 252 2 516 265 15
2018** 370 185 2 516 252 2 516 265 15
 
Inzethaarden
2016 135 214 2 909 1 668 2 909 1 755 99
2017 128 203 2 768 1 603 2 768 1 687 95
2018** 122 194 2 638 1 543 2 638 1 625 92
 
Vrijstaande kachels
2016 530 981 13 341 9 937 13 341 10 460 591
2017 552 1 023 13 911 10 395 13 911 10 942 619
2018** 577 1 068 14 525 10 879 14 525 11 452 648
 
Houtskool (elk jaar)
2000−2018** 9 270 . 270 . .

Bron:CBS en TNO.

Binnen de huishoudelijke houtkachels kunnen drie soorten worden onderscheiden: open haarden, inzethaarden en vrijstaande kachels (waaronder pelletkachels). De laatste twee groepen worden veel vaker gebruikt en hebben een hoger rendement dan open haarden. Het aantal openhaarden en inzethaarden daalt, terwijl het aantal vrijstaande kachels stijgt. De sterke toename van het aantal vrijstaande kachels en het intensieve gebruik van deze kachels verklaren de groei van het totale houtverbruik.

Methode

De gegevens voor de aantallen in gebruik zijnde huishoudelijke houtkachels, het houtverbruik en het rendement zijn afkomstig van TNO. TNO stelt deze gegevens samen voor de nationale emissiejaarrapportage. TNO baseert zich op steekproefonderzoeken naar het houtverbruik onder huishoudens waarvan de laatste beschreven is door Segers (2013). Ontbrekende gegevens worden aangevuld met een parkmodel van de houtkachels, verkoopcijfers en expertschattingen van rendementen en levensduur van kachels (Jansen, 2016).

De verschillen met een schatting van het houtverbruik via de aanbodzijde zijn groot (Segers, 2013). Zowel de bepaling van het houtverbruik via de aanbodzijde (schatting van de opbrengst van brandhout uit bos, landschap, stedelijk groen en afval) als via de vraagzijde (enquête onder huishoudens) kent veel onzekerheden. Het CBS schat de onzekerheid in het houtverbruik op 35 procent (Segers, 2013).

De hierboven beschreven methode houdt geen rekening met de opkomst van vrijstaande houtkachels die met houtpellets gestookt worden. In het parkmodel van TNO worden alleen kachels meegenomen die gestookt worden met stukhout. Het model schat de aantallen kachels ongeacht het bestaan van pelletkachels en houdt daarmee ook geen rekening met een eventuele substitutie door pelletkachels. Uit informatie afgeleid uit data van RVO blijkt dat in het kader van ISDE in 2017 en 2018 ruim 10 duizend pelletkachels door particulieren zijn aangeschaft. Het is aannemelijk dat de ISDE-pelletkachels de aanschaf van de traditionele houtkachel hebben vervangen; de mate waarin dat is gebeurd is echter onbekend. De vertekening in de uitkomsten die hierdoor kan zijn ontstaan, laat zich moeilijk berekenen omdat te veel informatie ontbreekt. Het CBS neemt aan dat gezien de aantallen de vertekening per saldo te verwaarlozen is, zeker ook in het licht van de grote onzekerheid in het houtverbruik door huishoudens.

In 2018 heeft er een nieuwe WoON-onderzoek plaats gevonden waarin via een steekproef aan huishoudens is gevraagd of ze een houtgestookte installatie hebben en hoe vaak ze deze gebruiken. Resultaten uit dit onderzoek zullen door CBS en TNO verwerkt worden in de cijfers over het houtverbruik van huishoudens, maar waren niet tijdig genoeg om mee te nemen in de nader voorlopige cijfers over hernieuwbare energie juni welke het uitgangspunt zijn voor deze publicatie.

De schatting van het houtskoolverbruik is gebaseerd op expertkennis van buiten het CBS. De database van het CBS-Budgetonderzoek bevat ook gegevens over het houtskoolverbruik. Door de beperkte waarneemperiode is het aantal waarnemingen van houtskoolaankopen klein en zit er veel statistische ruis in de uitkomsten. Gemiddeld gaven huishoudens in de periode 2003–2010 1,50 euro per jaar uit aan houtskool. Met een gemiddelde prijs van 1,65 euro per kg en 7 miljoen huishoudens komt dat neer op 6,4 miljoen kg per jaar voor heel Nederland. Dat komt dus redelijk in de buurt van de 9 miljoen kg waar het CBS nu vanuit gaat. Het CBS schat de onzekerheid in het houtskoolverbruik op 50 procent.

Het vermeden verbruik van primaire energie door het gebruik van houtskool is nihil (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie).

8.7Stortgas

Stortgas is biogas uit stortplaatsen. Het meeste afgevangen stortgas wordt omgezet in elektriciteit. Op een viertal stortplaatsen wordt stortgas omgezet in een gas met eigenschappen die sterk lijken op die van aardgas. Dit groen gas wordt vervolgens in het aardgasnet geïnjecteerd. Daarnaast wordt er nog een beetje stortgas direct voor warmtetoepassingen gebruikt. In 2018 leverde het stortgas ongeveer 0,2 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie uit stortgas is over haar hoogtepunt heen. De afname wordt veroorzaakt doordat steeds minder afval gestort wordt en het afval dat reeds gestort is steeds minder gas produceert (Rijkwaterstaat, 2015). De laatste tien jaar wordt er jaarlijks steeds tussen 5 en 10 procent minder stortgas geproduceerd. In deze trend zou een verandering kunnen komen omdat de hoeveelheden gestort afval sinds 2014 licht toenemen (Rijkswaterstaat, 2018). Echter, het is daarmee niet zeker dat hieruit ook meer biogas gewonnen gaat worden. In 2017 is de winning van stortgas licht toegenomen. Voor 2018 zijn nog geen uitkomsten beschikbaar en zijn de winningscijfers van 2017 overgenomen.

8.7.1Stortgas

Biogas Elektri­citeit Warmte Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor elektrici­teits­productie omzetting in aardgas = productie aardgas finaal verbruik bruto-productie productie uit warmte-kracht-koppeling elektri­citeit2) warmte2) vervoer2) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 2 313 1 697 549 67 158 44 638 475 . 1 113 2 000 135
2005 1 909 1 463 446 0 131 68 534 351 . 884 1 623 107
2010 1 538 1 193 345 0 93 55 391 267 . 659 1 142 74
2015 815 550 186 79 43 0 181 202 . 383 610 43
 
2016 677 466 146 65 34 0 145 159 . 304 475 33
2017 706 430 157 118 30 0 131 208 12 350 494 33
2018** 706 430 157 118 30 0 130 211 13 354 494 33

Bron:CBS.

1)Inclusief beperkte hoeveelheid extern geleverd ruw stortgas

2)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Methode

Tot en met 1996 komen de gegevens uit de energie-enquêtes van het CBS. Vanaf het jaar 1997 zijn de gegevens afkomstig uit de stortgasenquête in het kader van de Werkgroep Afvalregistratie (Rijkswaterstaat, 2015). Tot en met het verslagjaar 2004 werd deze enquête uitgevoerd door de Vereniging Afvalbedrijven, vanaf 2005 door Rijkswaterstaat Leefomgeving (voorheen Agentschap NL). In deze enquête worden energiegegevens van alle stortplaatsen gevraagd.

Voor de nader voorlopige cijfers van 2018 waren de gegevens uit de Werkgroep Afvalregistratie (WAR) nog niet beschikbaar. Daarom is voor de elektriciteitsproductie en voor de aardgasproductie 2018 gebruik gemaakt van data uit 2017. In eerdere jaren werd informatie van CertiQ en Vertogas gebruikt voor een wat nauwkeuriger voorlopig cijfer, maar gezien het minder wordende belang van energie uit stortgas is dat nu niet meer gedaan.

De respons op de WAR-enquête is de laatste jaren (bijna) 100 procent. Eventuele ontbrekende gegevens zijn geschat op basis van de wel bekende gegevens. Het bruto eindverbruik van het in aardgas omgezette stortgas is berekend zoals beschreven in 8.1. De onzekerheid in het bruto eindverbruik van energie uit stortgas schat het CBS op 10 procent.

8.8Biogas uit rioolwater­zuiveringsinstallaties

Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) komt vrij door het vergisten van het uit het zuiveringsproces geproduceerde zuiveringsslib. Slibgisting wordt vooral bij de grotere RWZI’s toegepast. Er zijn ongeveer 350 RWZI’s in Nederland en bij circa 80 RWZI’s wordt biogas gewonnen en nuttig gebruikt. Biogas uit RWZI’s draagt in 2018 ruim 1 procent bij aan het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De productie van hernieuwbare energie met behulp van biogas uit RWZI’s was ongeveer stabiel tot en met 2010 maar nam daarna langzaam maar gestaag toe tot 2015. In 2016 neemt de winning van biogas weer meer toe en is in 2017 en 2018 op dit niveau (2,4 terajoule) blijven staan.

8.8.1Biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties

Biogas Elektrici­teit Warmte uit warmte-krachtin­stallaties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­krachtin­stal­laties omzetting in aardgas = productie aardgas finaal verbruik bruto-productie bruto-productie elektrici­teit1) warmte1) vervoer1) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 1 925 1 345 579 111 553 398 1 361 1 760 1 467 97
2005 1 946 1 575 370 123 649 444 1 306 1 750 1 461 96
2010 2 101 1 926 175 164 758 590 1 258 1 848 1 508 100
2015 2 316 2 177 . 140 206 713 743 1 205 . 1 948 1 940 146
 
2016 2 410 2 257 . 167 208 832 749 1 311 . 2 059 2 015 144
2017 2 410 2 135 . 220 196 742 706 1 285 . 1 991 1 769 125
2018** 2 436 2 051 75 275 193 731 705 1 345 6 2 056 1 890 131

Bron:CBS.

1)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Methode

De gegevens zijn afkomstig uit de CBS-enquête Zuivering van Afvalwater. De respons op deze enquête is 100 procent. Vanaf het verslagjaar 2011 is het energiegedeelte van deze enquête gecombineerd met de uitvraag voor de Meerjarenafspraken Energiebesparing. De grootste onzekerheid zit in de warmte; deze warmte wordt vaak niet gemeten maar geschat.

Vanaf verslagjaar 2004 is voor het eerst gevraagd om de warmte uit te splitsen naar gebruiksdoel. Het blijkt dat een groot deel van de warmte wordt gebruikt om het productieproces van het biogas op temperatuur te houden. Deze warmte telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Vóór 2004 is niet bekend welk deel van de geproduceerde warmte uit de warmtekrachtinstallaties is gebruikt voor de gisting. Aangenomen is dat de verdeling over gisting en andere processen voor 2004 gelijk is aan de verdeling daarna.

Het bruto eindverbruik voor warmte van RWZI-biogas bestaat uit het finaal verbruik van het biogas (warmteketels) plus een bijdrage die gerelateerd is aan de warmte uit warmtekrachtinstallaties op RWZI-biogas. De warmte uit warmtekrachtinstallaties wordt niet verkocht maar zelf verbruikt en komt daardoor niet direct in de internationale energiestatistieken. Maar wel indirect omdat de inzet van biogas voor die zelf verbruikte warmte als finaal verbruik wordt toegerekend aan de warmteproductie. Voor dit toerekenen is het nodig om de inzet van biogas voor de warmtekrachtinstallaties te verdelen over de geproduceerde elektriciteit en warmte. Het CBS maakt deze verdeling op basis van de productie van elektriciteit en warmte in joules volgens de suggestie in de handleiding voor energiestatistieken (IEA/Eurostat, 2004).

Bij enkele RWZI’s wordt het biogas omgezet in aardgas. Vanwege de geringe hoeveelheid, mogelijke vertrouwelijkheid van de gegevens en eenvoud werd deze aardgasproductie tot en met 2017 geteld als finaal verbruik van biogas.

De onnauwkeurigheid van de hernieuwbare energie uit biogas van RWZI’s wordt geschat op 10 procent.

8.9Biogas, co-vergisting van mest

Co-vergisting van mest omvat de productie van biogas uit het vergisten van mest, samen met andere plantaardige materialen. Gemakshalve wordt co-vergisting van mest ook aangeduid als mestvergisting. Monovergisting van mest komt ook in kleine hoeveelheden ook voor en telt het CBS mee bij de co-vergisting. Co-vergisting van mest leverde in 2018 ongeveer 3 procent van het eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

De groei van de productie van hernieuwbare energie uit co-vergisting van mest vlakt af vanaf 2009. Vanaf 2011 daalt de productie van biogas uit de co-vergisting van mest. Na een lichte stijging van de productie van biogas in 2015 volgden weer lichte dalingen in 2016 en 2017. In 2018 stijgt de productie van biogas met 9 procent en is daarmee weer teug op het niveau van 2015. De stijging in het laatste jaar is deels wat kunstmatig, omdat nu voor het eerst groen gas uit co-vergisting van mest is meegenomen. In eerdere jaren was er ook productie van groen gas uit co-vergisting van mest, maar werd dat om redenen van vertrouwelijkheid geteld bij overig biogas (paragraaf 8.10).

De afname van de groei vanaf 2009 had in eerste instantie te maken met het ontbreken van een subsidieregeling voor nieuwe installaties na het stopzetten van de MEP-subsidieregeling in augustus 2006. De Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE) die de MEP opvolgde in 2008 heeft nog niet geleid tot veel nieuwe productie. Mogelijk speelt hierbij mee dat co-vergisting van mest het moeilijk heeft door de hoge prijzen van de co-substraten en de lage prijzen voor elektriciteit (Peene et al., 2011 en Van den Boom en Van der Elst, 2013). Een ontwikkeling die zich doorgezet heeft, is de toename van de warmteproductie. Dit gaat vooral om extra warmtebenutting – bijvoorbeeld voor het drogen van het vergistingsresidu – op bestaande installaties waarvoor vanaf 2012 SDE-subsidie verkregen kan worden.

8.9.1Co-vergisting van mest

Aantal locaties Biogas Elektriciteit Warmte uit warmte­kracht­instal­laties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­krachtin­stallaties omzetting in aardgas = productie aardgas ver­mogen1) bruto-productie bruto-productie elektrici­teit2) warmte2) vervoer2) totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ MW mln kWh TJ kton
2005 17 85 85 5 9 8 32 18 50 80 5
2010 92 5 445 5 445 98 575 671 2 069 1 333 3 402 4 990 331
2015 97 5 241 5 241 . 133 553 1 557 1 992 2 300 . 4 291 5 910 428
 
2016 95 4 966 4 966 . 119 524 1 636 1 887 2 306 . 4 194 5 642 392
2017 93 4 821 4 821 . 120 509 1 606 1 832 2 252 . 4 084 5 338 364
2018** 91 5 279 4 641 638 118 490 1 599 1 858 2 584 52 4 493 5 092 348

Bron:CBS.

1)Aan het einde van het verslagjaar.

2)Inclusief elektriciteit, warmte of vervoer toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

Huidige mestvergisters draaien (nog) niet op de volledige capaciteit. Het gemiddeld aantal vollasturen is in 2018 licht gedaald en kwam uit op 4,1 duizend. Dat is de helft van het theoretisch maximum en veel lager dan de 8 duizend uur die ECN en KEMA gebruiken voor het doorrekenen van de maximum redelijke subsidietarieven (Lensink, 2013). Het lage aantal vollasturen heeft te maken met de hoge prijzen voor hoogcalorische co-substraten (Peene et al., 2011 en Van den Boom en Van der Elst, 2013), waardoor deze minder gebruikt zijn. Laagcalorische stromen leveren minder biogas op per ton. Daar komt bij dat de veranderingen in het menu van de co-vergisters leidt tot toename van de risico’s op verstoring van het biologisch proces.

Sinds 2011 neemt de hoeveelheid natte biomassa die vergist wordt toe. In 2017 is de hoeveelheid toegenomen tot ongeveer 2,7 miljard kg (een lichte daling ten opzichte van 2016) en bestond voor twee derde uit mest. De totale mestproductie in Nederland was bijna 78 miljard kg. Ongeveer 2 procent daarvan ging dus in 2017 de vergisters in. De calorische waarde van de verschillende soorten voedingsstoffen voor de co-vergisters van mest verschilt aanzienlijk. De calorische waarde van mest is relatief laag. Op energiebasis is het aandeel van de mest dus veel lager (ongeveer een kwart) dan op massabasis (ruim 60 procent).

Maïs was een belangrijk co-product dat tot en met 2011 volop werd meevergist. Na 2011 werd maïs daarvoor te duur en werden meer andere producten aan de mest toegevoegd. Het gaat dan om resten uit de voedingsmiddelenindustrie, de handel in levensmiddelen, diervoederindustrie of de primaire landbouw.

8.9.2Herkomst en samenstelling input co-vergisting van mest

2008 2009 2010 2011 2013 2014 2015 2016 2017
Nat gewicht mld kilo
Primaire landbouw
mest 0,91 0,80 1,38 1,35 1,50 1,51 1,73 1,84 1,86
maïs 0,21 0,26 0,36 0,18 0,03 0,04 0,03 0,03 0,02
overige producten 0,03 0,03 0,04 0,06 0,10 0,15 0,10 0,05 0,09
totaal 1,14 1,08 1,78 1,59 1,64 1,70 1,86 1,92 1,98
 
Agro-industrie 0,10 0,14 0,54 0,40 0,36 0,37 0,39 0,47 0,27
 
Overig 0,17 0,29 0,23 0,29 0,36 0,29 0,32 0,40 0,40
 
Totaal 1,42 1,52 2,55 2,27 2,36 2,36 2,57 2,79 2,65
 
Energie TJ op bovenwaarde
Primaire landbouw
mest 1 235 1 037 1 896 1 685 2 112 2 243 2 511 2 635 2 640
maïs 1 262 1 570 2 259 1 053 210 228 155 150 141
overige producten 151 151 208 245 330 545 363 195 320
totaal 2 647 2 758 4 363 2 983 2 652 3 016 3 028 2 980 3 101
 
Agro-industrie 1 251 1 479 4 353 2 950 2 991 2 490 2 945 5 201 2 955
 
Overig 2 276 3 925 2 557 3 151 2 949 2 693 2 139 2 438 2 216
 
Totaal 6 174 8 162 11 273 9 084 8 592 8 199 8 113 10 619 8 272

Bron:CBS, CertiQ (2017) en OWS (2010).

Het vergisten van mest zonder co-producten heet mono-vergisten en komt in Nederland weinig voor. De installaties zijn door de hoge kosten en het lage rendement moeilijk rendabel te houden. Op initiatief van het zuivelbedrijf FrieslandCampina en gesteund door het ministerie van Economische Zaken is in juli 2017 een tender opengesteld waarop bedrijven kunnen inschrijven om financiële steun voor de productie van biogas en/of elektriciteit te verkrijgen. Ook bestaande installaties kunnen meedingen in de tender. (RVO.nl, 2017) Uit de SDE- data van RVO blijkt dat in augustus 2019 in totaal 116 inschrijvingen zijn geaccepteerd waarvan 8 zijn gerealiseerd (RVO, 2019a).

Methode

De bruto elektriciteitsproductie van de mestvergisters is bepaald aan de hand van gegevens uit de administratie van de certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ. De productie van biogas is geschat op basis van de elektriciteitsproductie en een standaard bruto elektrisch rendement van 38 procent. Het eigen verbruik van elektriciteit is bepaald met behulp van de biogasproductie en kengetallen uit het Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie.

De warmteproductie bestaat uit drie componenten:

  • eigen verbruik van warmte voor het op temperatuur houden van de vergister
  • niet gesubsidieerde warmteproductie voor toepassingen buiten de vergister
  • gesubsidieerde warmteproductie

Het eigen verbruik van warmte is bepaald op basis van een kengetal uit het Protocol: 0,04 joule warmte voor de productie van 1 joule biogas. Het verbruik van warmte voor de gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van fossiele primaire energie, maar wel voor het bruto eindverbruik. De niet gesubsidieerde warmteproductie is afkomstig van een aanvullende enquête van het CBS onder de landbouwbedrijven in het kader van de meststatistiek tot en met 2011,voor 2013 en 2014. Voor 2012, 2015 en 2016 is aangenomen dat de niet-gesubsidieerde warmteproductie gelijk is aan het voorafgaande jaar en beperkt is tot enkele procenten van het totaal. Na het verslagjaar 2016 is deze warmteproductie om praktische redenen en de geringe omvang niet meer meegenomen in de uitkomsten.

De gesubsidieerde warmteproductie is afgeleid uit gegevens van CertiQ.

Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) wordt de warmte uit warmtekrachtkoppelingsinstallaties (wkk) op biogas uit co-vergisting van mest meestal niet verkocht maar zelf gebruikt. Niet verkochte wkk-warmte komt niet direct terug in internationale energiestatistieken, wat de berekening van het bruto eindverbruik voor verwarming compliceert. In paragraaf 8.8 over de RWZI’s wordt daar uitgebreider op ingegaan.

De gegevens over het substraatverbruik in natte massa zijn, met enkele onderbrekingen, tot en met 2016 afkomstig van een aanvullende enquête van het CBS onder landbouwbedrijven in het kader van de meststatistiek. Ontbrekende gegevens door non-response zijn geschat op basis van de elektriciteitsproductie zoals afgeleid uit de bestanden van CertiQ. Daarnaast is in 2016 en 2017 bij de berekening van de hoeveelheid vergiste mest gebruik gemaakt van de integrale waarneming via vervoersbewijzen van mest aangevoerd naar vergisters. Het substraatverbruik is omgerekend naar energie met behulp van calorische waarden en vochtgehalten per soort substraat uit de literatuur (Koppejan et al., 2009 en AID, 2003).

Voor 2017 heeft het CBS voor het verbruik van de bij de mest toegevoegde producten (co-producten) gebruik gemaakt van het Meetrapport Regeling Garanties van Oorsprong voor biogas. Landbouwbedrijven sturen dit rapport jaarlijks toe aan CertiQ ter certificering van het geproduceerde biogas. CertiQ stuurt de rapporten met daarin een overzicht van de hoeveelheden vergiste mest en co-producten door aan het CBS. Van de gegevens in deze rapporten over de hoeveelheden vergiste mest is geen gebruik gemaakt, maar berust de berekening op de integrale waarneming via vervoersbewijzen van mest aangevoerd naar vergisters.

De verwerking van de meetrapporten tot de statistiek over 2017 (Tabel 8.9.2) was zeer arbeidsintensief en daardoor dermate kostbaar dat het CBS besloten heeft het onderzoek niet meer voort te zetten. Het betreft hier met name de verwerking van de gegevens over de co-producten. De gegevens over de hoeveelheden vergiste mest zullen wel beschikbaar blijven. In de rapportage van de werkgroep NEMA (National Emission Model for Agriculture) over 2017 zullen voor het eerst cijfers over de vergisting van mest worden opgenomen (over 2015 zie WUR, 2018).

De certificaten voor Garanties van Oorsprong voor groene stroom van CertiQ zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de subsidie, die weer een noodzakelijke voorwaarde is voor het rendabel exploiteren van mestvergisters. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de administratie van CertiQ een nagenoeg volledig beeld geeft van de elektriciteitsproductie door biogasinstallaties op landbouwbedrijven. De onzekerheid in de bruto elektriciteitsproductie wordt daarom geschat op maximaal 5 procent. De onzekerheid in de warmteproductie is iets groter, omdat de warmte voor de gisting geschat wordt met een kengetal. Het CBS schat de totale onzekerheid in het bruto eindverbruik van co-vergisting van mest op 5 á 10 procent.

8.10Overig biogas

Overig biogas omvat vanaf de jaren negentig biogas uit afvalwater dat gewonnen en gebruikt wordt in de voedingsmiddelenindustrie. Daar wordt via anaerobe afvalwaterzuivering biogas gewonnen dat wordt gebruikt voor de opwekking van elektriciteit en/of proceswarmte. Later zijn daar andere natte biomassastromen bijgekomen, zoals groente- fruit- en tuinafval of afval uit de voedingsmiddelenindustrie. Het gaat momenteel om projecten op ongeveer 40 locaties die in 2018 goed zijn voor bijna 3 procent van het bruto eindverbruik van hernieuwbare energie.

Ontwikkelingen

8.10.1Overig biogas

Biogas Elektrici­teit Warmte uit warmte­kracht­instal­laties Bruto energetisch eindverbruik Effect
winning inzet voor warmte­kracht­installaties omzetting in aardgas = productie aardgas finaal verbruik bruto-productie bruto-productie elektrici­teit1) warmte1) vervoer totaal vermeden verbruik van fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ mln kWh TJ kton
2000 974 274 700 17 155 61 897 957 928 54
2005 1 155 405 750 32 116 114 954 1 068 1 046 62
2010 2 900 2 243 657 196 523 707 1 424 2 131 2 593 163
2015 5 320 2 501 2 337 482 233 633 1 177 3 065 2 4 244 4 615 309
 
2016 5 286 2 371 2 475 539 227 488 1 201 2 778 2 3 980 4 526 296
2017 5 495 1 974 2 943 579 189 411 1 123 2 788 218 4 130 4 526 292
2018** 5 361 2 080 2 529 975 173 635 994 3 257 205 4 456 4 690 297

Bron:CBS.

1)Inclusief elektriciteit of warmte toegerekend aan de productie van groen gas (biogas opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit en geïnjecteerd in aardgasnet).

De productie van hernieuwbare energie uit overig biogas neemt, met een uitschieter in 2015, gestaag toe; in 2018 neemt het energetisch eindverbruik toe met 8 procent. De toename tot en met 2010 betreft vooral nieuwe projecten waarbij elektriciteit wordt gemaakt uit biogas. Het opstarten was toen relatief aantrekkelijk vanwege de ondersteuning via de MEP-regeling.

Vanaf 2011 wordt steeds meer overig biogas ingezet voor de productie van aardgas, ook wel groen gas genoemd. De productie van groen gas wordt ondersteund door de SDE–subsidieregeling. Eind 2018 werd op ongeveer 20 locaties groen gas gemaakt uit overig biogas. De productie van groen gas uit overig biogas nam in 2018 af met 14 procent en werd juist meer biogas ingezet voor de productie van warmte. De mogelijkheid om hier via de SDE+ subsidie voor te krijgen zou een rol gespeeld kunnen hebben.

Methode

Voor biogas in de industrie berust de waarneming op de reguliere CBS-enquêtes voor de winning, omzetting en het gebruik van energie. Non-respons wordt bijgeschat op basis van historische gegevens.

Van veel nieuwere projecten, vaak buiten de industrie, is de elektriciteitsproductie bekend bij CertiQ en de groengasproductie bij Vertogas. Het CBS ontvangt deze productiegegevens van CertiQ en Vertogas en gebruikt de gegevens als basis om de benodigde gegevens uit te rekenen zonder directe waarneming. De winning van biogas wordt berekend via een geschat rendement van de elektriciteitsproductie en de groengasproductie. De warmteproductie voor deze nieuwere projecten is vaak beperkt tot de warmte die nodig is om de gisting aan de gang te houden en kan geschat worden als een vaste fractie van de productie van biogas (Protocol Monitoring Hernieuwbare Energie). Andere informatiebronnen voor de warmte zijn gegevens uit de Energie-investeringsaftrekregeling (EIA), overheidsmilieujaarverslagen, internet en soms belt het CBS bedrijven met productie van biogas.

De warmte voor gisting telt niet mee bij de berekening van het vermeden verbruik van primaire fossiele energie, maar wel bij de berekening van het bruto eindverbruik. Net als bij biogas uit rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt de nuttig gebruikte warmte uit warmtekrachtinstallaties op biogas meestal niet verkocht maar zelf gebruikt.

In tabel 8.10 valt op dat er sinds 2017 veel overig biogas telt als eindverbruik voor vervoer. Dit heeft te maken met een aanpassing van de regels voor het alloceren van groen gas door Eurostat. Zie ook paragraaf 8.1. Het CBS is van plan om de nieuwe rekenmethode bij de eerst volgende revisie verder terug te leggen in de tijd.

Het zwakste punt in de waarneming is de schatting van de warmteproductie, omdat warmte vaak niet wordt verkocht en daarom ook vaak niet wordt gemeten. Het CBS schat de onzekerheid in de hernieuwbare energie uit overig biogas op 10 procent.

8.11Vloeibare biotransportbrandstoffen

Biobrandstoffen voor het wegverkeer zijn duurder dan de op aardolie gebaseerde brandstoffen. Om het verbruik van biobrandstoffen te stimuleren heeft de overheid de leveranciers van benzine en diesel vanaf 2007 verplicht om deze te leveren.

De meeste biobrandstoffen kunnen in pure vorm niet in gewone motoren van wegvoertuigen gebruikt worden. Motoren van bestaande wegvoertuigen draaien wel op met biobrandstoffen bijgemengde benzine en diesel, zolang de bijmengpercentages niet te groot worden. De meeste biobrandstoffen worden daarom in bijgemengde vorm op de markt gebracht.

Het overheidsbeleid voor biobrandstoffen wordt sterk beïnvloed door Europese richtlijnen. Eerst was er de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Brandstoffen in het vervoer uit 2003 (Europees Parlement en de Raad, 2003). In deze richtlijn hebben lidstaten een niet bindende afspraak gemaakt om het aandeel biobrandstoffen op te laten lopen van 2 procent in 2005 tot 5,75 procent in 2010. De richtlijn was aanleiding voor het Besluit Biobrandstoffen (Staatsblad, 2006), dat leveranciers verplichtte om biobrandstoffen te leveren.

Later kwam er discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen. Als voordelen van biobrandstoffen worden genoemd: de reductie van broeikasgasemissies en de verminderde afhankelijkheid van de steeds schaarser wordende fossiele olie, die regelmatig afkomstig is uit landen waarmee de politieke relatie als instabiel wordt ervaren. Als nadeel van biobrandstoffen wordt vaak genoemd dat reductie van broeikasgasemissies maar zeer beperkt is, soms zelfs nihil, als alle, vaak indirecte, effecten worden meegenomen (Europese Commissie, 2012), ook al is het lastig om de indirecte effecten te berekenen. Ook kunnen biobrandstoffen concurreren met voedsel, wat daardoor duurder kan worden. Tot slot kunnen natuurgebieden bedreigd worden door een toename van de teelt van biobrandstoffen.

In de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie uit 2009 is bindend afgesproken dat in 2020 10 procent van alle energie voor vervoer uit hernieuwbare bronnen afkomstig is. Hernieuwbare elektriciteit voor vervoer telt daarbij ook mee (zie paragraaf 2.4). Biobrandstoffen voor vervoer zijn de belangrijkste component voor deze vervoersdoelstelling en de verwachting is dat dit voorlopig zo blijft (Rijksoverheid, 2010). Als gevolg van de discussie over de wenselijkheid van biobrandstoffen zijn in de EU-Richtlijn hernieuwbare energie duurzaamheidscriteria opgenomen voor vloeibare biomassa. Deze criteria moeten waarborgen dat bij de productie van de gebruikte vloeibare biomassa mensen, natuur en milieu voldoende worden beschermd. In 2015 is de Richtlijn aangepast en is afgesproken dat het verbruik van biobrandstoffen uit voedselgewassen beperkt wordt tot 7 procent van het totaal verbruik van benzine, diesel en elektriciteit voor vervoer. Zie ook paragraaf 2.4.

In de afgelopen jaren liep de verplichting voor oliebedrijven tot het leveren van biobrandstoffen langzaam op van 4 procent in 2010 tot en met 8,5 procent in 2018 (Besluit Hernieuwbare Energie Vervoer 2015, Staatsblad, 2014), geleidelijk oplopend naar 16,4 procent in 2020 (Besluit Energie Vervoer Staatsblad, 2018). Bedrijven moeten aantonen dat de door hen geleverde biobrandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Dat doen ze door gebruik te maken van certificeringssystemen. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) controleert of bedrijven voldoende gecertificeerde biobrandstoffen op de markt hebben gebracht.

Biobrandstoffen uit afval en houtachtige materialen worden als zeer duurzaam gezien. Om het gebruik van deze biobrandstoffen extra te stimuleren mogen deze dubbel geteld worden voor de transportdoelstelling uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Voor de overall doelstelling voor hernieuwbare energie geldt deze dubbeltelling niet. Voor de nationale bijmengplicht geldt een dubbeltelling vanaf het verslagjaar 2009 (Staatscourant, 2009).

In 2018 was de bijdrage van biobrandstoffen voor het wegverkeer aan het totaal bruto eindverbruik van hernieuwbare energie 15 procent.

Ontwikkelingen

Het fysieke verbruik van duurzame vloeibare biobrandstoffen is in 2018 gestegen van 13 naar 23 PJ. Zowel het verbruik van biobenzine als van biodiesel nam toe, respectievelijk met 32 procent en met 94 procent. Bij biodiesel wordt gebruik gemaakt van dubbeltellende biobrandstoffen, bij biobenzine van enkeltellende.

Het verbruik van biobrandstoffen voor vervoer loopt niet gelijk op met de verplichting, onder andere omdat de bedrijven de mogelijkheid hebben om het ene jaar extra hernieuwbare energie op de markt te brengen en deze extra inspanning administratief mee te nemen naar een volgend jaar. Daarnaast bood voor de jaren 2015 tot en met 2017 de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer de bedrijven de mogelijkheid om biobrandstoffen te tellen voor de verplichting op een moment dat nog niet zeker was dat ze daadwerkelijk fysiek op de Nederlandse markt zouden komen (het telmoment van het CBS). Voor verslagjaar 2018 is wet- en regelgeving aangescherpt en lijken de verschillen tussen de bij NEa getelde biobrandstoffen en de door het CBS getelde biobrandstoffen veel kleiner geworden.

8.11.2Duurzame1) vloeibare biotransportbrandstoffen, afleveringen op binnenlandse gebruikersmarkt

Afleveringen, totaal = Bruto energetisch eindverbruik2)zonder verrekening dubbeltelling Afleveringen, dubbeltellend3)zonder verrekening dubbeltelling Effect
mobiele werktuigen (telt als warmte) wegverkeer+spoor (telt als vervoer) totaal wegverkeer+spoor (telt als vervoer) vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
TJ kton
Totaal
2010 0 9 577 9 577 3 574 9 577 518
2011 0 13 438 13 438 6 958 13 438 786
2012 826 12 527 13 353 7 368 13 353 839
2013 802 12 122 12 924 7 474 12 924 850
2014 1 011 14 091 15 102 8 900 15 102 997
2015 923 12 391 13 314 6 033 13 314 845
2016 718 9 718 10 435 4 965 10 435 693
2017 1 022 12 461 13 483 7 062 13 483 935
2018** 1 933 20 876 22 809 14 506 22 809 1 600
 
Biobenzine
2010 0 5 614 5 614 162 5 614 .
2011 0 6 231 6 231 . 6 231 .
2012 0 5 211 5 211 509 5 211 .
2013 0 5 210 5 210 852 5 210 286
2014 0 5 379 5 379 430 5 379 300
2015 0 5 949 5 949 . 5 949 323
2016 0 4 752 4 752 . 4 752 257
2017 0 5 399 5 399 . 5 399 314
2018** 0 7 146 7 146 . 7 146 415
 
Biodiesel
2010 0 3 963 3 963 3 412 3 963 .
2011 0 7 207 7 207 . 7 207 .
2012 826 7 316 8 142 6 859 8 142 .
2013 802 6 912 7 714 6 622 7 714 565
2014 1 011 8 712 9 723 8 470 9 723 697
2015 923 6 442 7 365 . 7 365 522
2016 718 4 966 5 683 . 5 683 436
2017 1 022 7 062 8 084 . 8 084 620
2018** 1 933 13 730 15 663 . 15 663 1184

Bron:CBS.

1)Vanaf 2011 afgeleid uit opgaven van oliebedrijven aan NEa. In de jaren daarvoor was er nog geen verplichting tot het gebruik van systemen voor certificatie van de duurzaamheid van biomassa. In Europees verband is afgesproken om tot en met 2010 alle vloeibare biomassa als duurzaam te tellen.

2)Volgens de berekening van de doelstelling voor hernieuwbare energie totaal uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009, dus zonder dubbeltelling.

3)Dubbeltellend voor de verplichting uit de wet Hernieuwbare Energie Vervoer en de doelstelling voor hernieuwbare energie voor vervoer uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009.

8.11.3Vloeibare biotransportbrandstoffen1), balans

Pure vloeibare biobrandstoffen Bijgemengde biobrandstoffen Totaal puur en bij­gemengd
productie- capaciteit productie saldo import en export onttrekking uit voorraad bijmenging bij benzine en diesel productie uit bijmenging saldo import en export onttrekking uit voorraad afleveringen op binnen­landse gebruikers­markt afleveringen op binnen­landse gebruikers­markt
mln kg
Totaal
2010 . . . 72 280 280 36 0 315 315
2011 . . . −48 291 291 135 0 426 426
2012 . . . −65 412 412 19 0 431 431
2013 2 517 1 789 −1 204 −107 478 478 −64 0 414 414
2014 . . . 83 516 516 −39 0 478 478
2015 . . . 14 481 481 −58 0 423 423
2016 . . . −25 384 384 −43 0 341 341
2017 . . . −110 511 511 −82 0 429 429
2018** . . . −178 749 749 −58 0 691 691
 
Biobenzine
2010 . . . 7 171 171 37 0 208 208
2011 . . . 0 71 71 160 0 231 231
2012 . . . −10 139 139 54 0 193 193
2013 503 414 −215 4 203 203 −9 0 194 194
2014 . . . 13 194 194 5 0 199 199
2015 . . . 2 230 230 −10 0 220 220
2016 . . . −19 202 202 −15 0 187 187
2017 . . . −6 221 221 −21 0 200 200
2018** . . . 10 272 272 −7 0 265 265
 
Biodiesel
2010 1 306 382 −337 64 109 109 −2 0 107 107
2011 2 030 491 −224 −48 220 220 −25 0 195 195
2012 2 051 1 177 −849 −55 273 273 −35 0 238 238
2013 2 014 1 375 −989 −112 274 274 −54 0 220 220
2014 2 196 1 720 −1 468 70 322 322 −43 0 279 279
2015 2 176 1 629 −1 390 12 251 251 −49 0 202 202
2016 1 927 1 462 −1 273 −7 182 182 −28 0 154 154
2017 2 058 1 929 −1 534 −104 291 291 −61 0 230 230
2018** 2 082 1 839 −1 174 −188 477 477 −51 0 427 427

Bron:CBS.

1)Het gaat in deze tabel om alle biobrandstoffen, ongeacht of ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria. Dit in tegenstelling tot tabel 8.11.2 waar het alleen gaat om duurzame biobrandstoffen.

In 2018 was de Nederlandse productie van biodiesel 1,8 miljard kg. Dat is veel meer dan het binnenlands verbruik. Een groot deel van de geproduceerde biodiesel gaat dan ook naar het buitenland.

De productiecapaciteit van de biodieselfabrieken is in 2018, ten opzichte van 2017, vrijwel gelijk gebleven en bleef staan op 2,1 miljard kg. Hiermee komt de bezettingsgraad van de installaties voor biodiesel uit op 88 procent.

In Nederland wordt ook biobenzine geproduceerd. Het gaat om bio-ethanol en bio-methanol. Ook voor biobenzine geldt in 2013 dat de productie veel groter is dan het verbruik. Er zijn niet zoveel fabrieken voor de productie van biobenzine. Daarom zijn de uitkomsten over de productie voor veel jaren vertrouwelijk.

Methode

De cijfers over de productie van biobrandstoffen zijn afgeleid uit een enquête van het CBS. De respons op deze enquête was bijna 100 procent. Voor de energie-inhoud is gebruik gemaakt van de standaardwaarden uit de EU-Richtlijn voor Hernieuwbare Energie.

De waarneming voor de handel, bijmenging en het verbruik van biobrandstoffen is gebaseerd op een combinatie van gegevens uit:

  • de biobrandstoffenrapportages die oliebedrijven inleveren bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)
  • de aardoliestatistiek van het CBS.

In het kader van de bijmengplicht leveren oliebedrijven jaarlijks een rapportage aan de overheid over de hoeveelheid voor de markt geclaimde duurzame biobrandstoffen per locatie, inclusief de aard en oorsprong van de grondstoffen van de geleverde biobrandstoffen. Het CBS heeft per bedrijf de fysieke gegevens uit deze rapportages ontvangen van de NEa.

Voor de CBS-oliestatistiek vullen alle belangrijke spelers op de oliemarkt (raffinaderijen, petrochemische industrie, handelaren en opslagbedrijven) elke maand een formulier in, met per olieproduct een complete balans. Bio-ETBE, bio-MTBE, biobenzine en biodiesel worden apart onderscheiden. De respons op deze enquête was 100 procent voor de bedrijven die relevant zijn voor biobrandstoffen. Er is echter wel een onzekerheid in de resultaten voor de balans van pure biobrandstoffen door het gebrek aan kwaliteit en volledigheid van de respons bij sommige bedrijven en doordat niet alle bedrijven die biobrandstoffen opslaan in de populatie zitten.

Veel bedrijven hebben moeite met het beantwoorden van de vraag over de aanvoer en aflevering van bijgemengde biobrandstoffen. Om de administratieve lasten te beperken, staat het CBS toe dat deze vraag niet maandelijks wordt ingevuld. In plaats daarvan ontvangen de relevante bedrijven een extra vragenlijst waarin deze informatie op jaarbasis wordt uitgevraagd. Daarbij kunnen bedrijven ook aan de informatievraag van het CBS voldoen door het geven van een toelichting op gegevens die het bedrijf al aan de NEa heeft verstrekt. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat de informatie van de NEa voldoende compleet is wat betreft de fysieke stromen van biobrandstoffen voor binnen- en buitenland.

Voor sommige bedrijven is het ook lastig om op jaarbasis uit hun administratie de fysieke bestemming van de biodiesel en biobenzine na het bijmengen af te leiden. Daarom heeft het CBS nader overlegd met deze bedrijven en is de fysieke bestemming van de bijgemengde biobrandstoffen nauwkeuriger bepaald door extra informatie uit de logistieke keten (depots van bijmenging en transport via boot of truck) mee te nemen.

De informatie van de NEa over biobrandstoffen is in principe betrouwbaar en voor het CBS altijd een cruciale bron. Door definitieverschillen tussen de Energiestatistieken en de wet- en regelgeving Energie voor Vervoer moet CBS soms een vertaalslag maken, vaak op basis van extra informatie van de bedrijven. Deze vertaalslag kent echter wel een onzekerheid en daardoor is in de jaren met weinig definitieverschillen de onzekerheid in de CBS-cijfers relatief klein. Met ingang van verslagjaar 2018 is de wet- en regelgeving aangepast het lijkt erop dat het verschil tussen belaste leveringen tussen CBS en NEa verwaarloosbaar klein is geworden. Nieuw aandachtspunt zijn wel de leveringen van biobrandstoffen aan schepen (zie paragraaf 2.4).

De oliestatistiek van het CBS richt zich op fysieke stromen en voorraden. Echter, voorraden van bijgemengde biobrandstoffen worden slechts door een enkel bedrijf gerapporteerd, omdat het lastig is om gegevens over bijgemengde biobrandstoffen af te leiden uit de bedrijfsadministratie. Daarom neemt het CBS aan dat de veranderingen in de fysieke voorraden van bijgemengde biobrandstoffen nihil zijn en dat de bijgemengde biobrandstoffen direct worden geëxporteerd of geleverd op de binnenlandse markt.

De eigen waarneming van het CBS bevat geen informatie over de duurzaamheid van de gebruikte biobrandstoffen, de dubbeltelling van biobrandstoffen en de vermeden emissies van broeikasgassen. Echter, door het combineren van informatie uit de rapportages aan de NEa met fysieke afzetcijfers kan het CBS toch deze informatie afleiden.

De onzekerheid in de cijfers over de (fysiek) op de markt gebrachte biobrandstoffen zit vooral in de bestemming van de biobrandstoffen nadat ze door de bedrijven zijn geclaimd voor de Nederlandse markt bij de NEa. Komen deze op de binnenlandse markt, of worden ze uiteindelijk geëxporteerd? Het CBS schat de onzekerheid in de cijfers over de op de Nederlandse markt gebrachte biobrandstoffen op 10 procent voor verslagjaar 2018.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

André Meurink

Glenn Muller

Reinoud Segers

Redacteur

Otto Swertz