Werkenden in de kluseconomie in Nederland
Eind 2017 waren er naar schatting 34 duizend personen werkzaam in de kluseconomie. Het gaat bijvoorbeeld om werkenden in de maaltijdbezorging, taxibranche en schoonmaak, maar ook om invalkrachten in de horeca en klussers die in en om woningen aan de slag zijn. De meesten werken minder dan 20 uur per week, al bestaan er grote verschillen in het aantal gewerkte uren tussen beroepen. Een behoorlijk deel van de werkenden in de kluseconomie is jong en hoogopgeleid, maar vooral in de huishoudelijke dienstverlening zijn zij vaak laagopgeleid.noot1
Werkers zijn onder verschillende voorwaarden aan het werk. De meest voorkomende relatie tussen platform en werker is die van opdrachtgever-ondernemer. Daarbij is de werker een zzp’er die in opdracht van het platform of van een derde, bijvoorbeeld een restaurant, werkt. Daarnaast bestaat de arbeidsovereenkomst tussen platform en werker. Deze arbeidsrelatie komt voor bij enkele maaltijdbezorgers. Verder komt het werken onder de voorwaarden van de Regeling dienstverlening aan huis voor. Er is dan (meestal) sprake van een werkgever-werknemerrelatie tussen het huishouden en de werker. Werkenden in de kluseconomie hebben over het algemeen een lage werk- en inkomenszekerheid, maar dat is waarschijnlijk gerelateerd aan de beroepen die zij uitoefenen.
4.1Inleiding
Sinds enkele jaren is de kluseconomie in opkomst. De kluseconomie kan op verschillende manieren worden afgebakend. In dit artikel gaat het om werkenden die fysieke arbeid in Nederland verrichten en via een internetplatform (een app of website) betaalde arbeid verrichten. Deze afbakening betekent dat werkers op platforms waarbij het bedrijfsmodel primair gericht is op het delen van producten of kapitaal, of waar arbeid digitaal wordt verricht, buiten de definitie van de kluseconomie vallen. Gierten en Spiezia, 2016 hebben voor de OESO een indeling van verschillende soorten platforms gemaakt. Zij maken een onderscheid tussen 1. werk dat fysiek wordt gedaan of cognitief van aard is, 2. werk dat routinematig en niet-routinematig is, en 3. arbeids- en kapitaalintensief werk.
De platforms die in dit onderzoek centraal staan, vragen en matchen fysiek werk dat relatief vaak gestandaardiseerd is en vooral arbeidsintensief. Het betreft diensten die op een (specifieke) locatie en tijd moet worden uitgevoerd door een (specifiek) persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taak of dienst (Huws et al., 2017; Schmidt, 2017). Wanneer deze diensten niet locatiegebonden zijn en uitsluitend via het internet gedaan kunnen worden, is er sprake van crowd work. Deze vorm van digitale arbeid valt buiten dit onderzoek, omdat ze (ook en veelal) op een internationale markt worden uitgevoerd en daarmee moeilijker in de scope van nationaal beleid valt.
In de kluseconomie gaat het om relatief arbeidsintensieve dienstverlening, waarbij gebruik kan worden gemaakt van kapitaal. Kapitaal dat wordt ingezet kan bijvoorbeeld een taxi of gereedschap zijn. De kluseconomie kenmerkt zich aan de ene kant door gestandaardiseerde werkzaamheden van relatief kleine klussen en taken die als gevolg van digitalisering als aparte werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd (Gierten en Spiezia, 2016). Aan de andere kant is het ook mogelijk om de vraag naar omvangrijkere en complexere klussen via een platform in de markt te zetten. Dat is bijvoorbeeld het geval bij klussen voor bouwwerkzaamheden die door particulieren via platforms worden uitgezet.
Opdrachten in de kluseconomie worden geworven via een internetplatform. Het platform zorgt ervoor dat vragers en aanbieders die elkaar niet kennen of fysiek kunnen vinden zonder digitaal platform, toch worden verbonden. Door de komst van digitale platforms is het mogelijk om vraag en aanbod beter op elkaar te laten aansluiten (Gautier, 2015 en Frenken en Straathof, 2015). Nieuwe technologie is een belangrijke drijvende kracht achter de opkomst van de digitale platforms, omdat zonder de ontwikkeling van verschillende matching-algoritmes en de opkomst van de smartphone met apps deze platforms niet kunnen functioneren.
Het internetplatform bedient een tweezijdige markt. Aan de ene kant zijn de klanten vragers en aan de andere kant zijn de klanten aanbieders. Het platform moet vragers en aanbieders tevreden stellen (Rochet en Tirole, 2003). De waarde van een platform is voor vragers groter als er meer aanbieders op het platform zijn. Om deze markten effectief en efficiënt te laten werken is voldoende massa nodig. Als het gaat om het uitvoeren van fysieke diensten is het cruciaal dat er naast voldoende vraag ook voldoende aanbod van werkers is. In steden of andere plaatsen waar veel mensen samenkomen is dit relatief eenvoudig te regelen, in meer rurale gebieden is het moeilijker om effectief en efficiënt te zijn voor een platform. Deze minimaal noodzakelijke schaal om te kunnen opereren leidt er ook toe dat een platform een groot deel van de markt in handen moet hebben en dat platforms, tot nu toe, vooral actief en succesvol zijn in de Randstad en enkele andere grote steden daarbuiten.
Platforms om vraag en aanbod bij elkaar te brengen zijn niet nieuw. Ook niet als het om niet-traditionele arbeidsrelaties gaat. In 1650 stelde Henry Robinson aan het Britse parlement voor om een Office of Addresses and Encounter op te richten dat werknemers en werkgevers aan elkaar zou koppelen. Het voorstel werd niet aangenomen, maar toch begon Robinson een uitzendbureau. Aan het begin van de twintigste eeuw ontstonden in de Verenigde Staten uitzendbureaus voor seizoenarbeid. In Nederland kennen we deze nieuwe werkvorm natuurlijk ook met de oprichting van uitzendbureau Randstad in de tweede helft van de vorige eeuw. Wat deze platforms met elkaar gemeen hebben is dat er nieuwe relaties op de arbeidsmarkt ontstaan die zonder platform niet of moeilijker tot stand zouden zijn gekomen. Dit zorgt voor een betere match tussen vraag en aanbod en daarmee meer werkgelegenheid, mogelijk ook voor mensen die op traditionele wijze minder snel aan de slag komen (Forde et al., 2017).
Op dit moment wordt een maatschappelijke en juridische discussie gevoerd over de aard van de arbeidsrelatie van werkers in de kluseconomie en de positie van werkers in de kluseconomie. Werkers zijn namelijk onder verschillende voorwaarden aan het werk (Ter Weel et al., 2018). Deze voorwaarden en de kwalificatie van de overeenkomst worden over het algemeen door de platforms bepaald. Deze kwalificatie is niet in alle gevallen juridisch juist, daarom spreken we in dit artikel van de (door het platform) beoogde werkvorm. De eerste beoogde relatie tussen platform en werker is die van opdrachtgever-ondernemer. Deze wordt in de praktijk vaak zzp’er genoemd. De werker voert dan opdrachten uit voor het platform of voor een derde, zoals een restaurant, en is hierbij in fiscale zin ondernemer. De werker rekent dan bijvoorbeeld btw. Een variant hierop is dat beoogd wordt dat werkers actief zijn als opdrachtnemer zonder dat ze ondernemer in fiscale zin zijn. Het is de bedoeling dat zij hun inkomsten opgeven als resultaat uit overige werkzaamheden. Ze rekenen dan ook geen btw. Deze laatste constructie wordt toegepast bij het uitvoeren van microtaken.
De tweede beoogde relatie is een traditionele arbeidsovereenkomst tussen platform en werker. De derde beoogde situatie die voorkomt is het werken onder de voorwaarden van de Regeling dienstverlening aan huis. Er is dan (meestal) sprake van een werkgever-werknemerrelatie tussen het huishouden en de werker, en dus niet van een relatie tussen het platform en de werker.
Over de juridische juistheid van deze relaties zijn recent verschillende rechterlijke uitspraken geweest. Daarbij heeft de Rechtbank Amsterdam begin 2019 bepaald dat werkers die voor Deliveroo maaltijden bezorgen geen zzp’ers zijn, maar aanspraak kunnen maken op een arbeidsovereenkomst (Rechtbank Amsterdam, 2019a). In deze zaak is hoger beroep aangetekend. In 2018 heeft dezelfde rechtbank in een zaak van een individuele bezorger daarentegen bepaald dat de rechtsverhouding tussen deze bezorger en Deliveroo niet als arbeidsovereenkomst kon worden bepaald. De rechtbank heeft deze uiteenlopende uitkomsten verklaard door te wijzen op de verschillende uitgangspunten die aan de zaken ten grondslag lagen (Rechtbank Amsterdam, 2018).
In juli 2019 heeft de rechter bepaald dat werkers die via Helpling schoonmaakwerkzaamheden verlenen geen arbeidsovereenkomst hebben met Helpling, maar wel met het huishouden waar zij schoonmaken volgens de Regeling dienstverlening aan huis (Rechtbank Amsterdam, 2019b). De rechter heeft in deze zaak daarnaast vastgesteld dat er sprake is van arbeidsbemiddeling door Helpling.
De verschillende rechtszaken laten zien dat de juridische discussie nog niet voorbij is. Ook de maatschappelijke discussie loopt nog altijd, zo is recent door de Tweede Kamer aan de Sociaal Economische Raad (SER) gevraagd om advies uit te brengen over de opkomst van de platformeconomie en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse arbeidsmarkt (Tweede Kamer, 2018). Op dit moment is de SER bezig met het schrijven van dit advies.
Dit artikel draagt bij aan de lopende maatschappelijke discussie. Het geeft namelijk antwoord op de vraag in hoeverre werkenden in de kluseconomie verschillen van andere werkenden in Nederland (met of zonder een flexibele arbeidsrelatie). Daarbij wordt zowel naar kenmerken van werkenden gekeken als naar kenmerken van de arbeidsrelatie. Het onderzoek geeft inzicht in de mate waarin werkers in de kluseconomie werk- en inkomenszekerheid hebben. Het artikel bouwt voort op Ter Weel et al. (2018).
4.2Data en methode
Voor dit onderzoek is met een enquête onder een representatief deel van de Nederlands beroepsbevolking de omvang van de kluseconomie in beeld gebracht. Hierbij is gevraagd of mensen actief zijn in de kluseconomie, hoeveel uren zij gemiddeld aan de slag zijn en onder welke voorwaarden zij werken. Op die manier ontstaat een beeld van de omvang van de kluseconomie in Nederland en de wijze waarop taken worden uitgevoerd. Ook zijn werkenden in de kluseconomie vergeleken met andere (flexibele) werkenden. Voor deze enquête is via Panelclix een representatieve steekproef getrokken van netto 5 166 leden van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder. Er is sprake van een oversampling onder jongeren, waarvoor gecorrigeerd wordt door de respondenten te wegen naar geslacht en leeftijd. De enquête is eind november 2017 gedurende twee weken uitgezet. Respondenten kregen een vergoeding voor hun deelname in de vorm van spaarpunten die zij bij Panelclix konden inzetten. De vergoeding komt ongeveer neer op 1 euro per respondent. De vragenlijst van de enquête is te vinden in Ter Weel et al., 2018.
De informatie uit de enquête is aangevuld met informatie die in acht interviews met directieleden van de belangrijkste actieve platforms is verkregen. Aan hen is onder andere gevraagd hoeveel werkenden er eind 2017 via hen werkzaam waren. Vier platforms hebben deze informatie voor dit onderzoek met ons gedeeld. Andere platforms konden hier vanwege vertrouwelijkheid niets over zeggen.
Dit artikel bevat eenvoudige beschrijvende analyses. Zoals eerder genoemd, gebruiken we bij de analyses over de kenmerken van werkers in de kluseconomie een weging. Uit de enquête komen 115 werkers die actief zijn in de kluseconomie. Daar zitten ook mensen tussen die naast kluswerk ook andere arbeid verrichten. Als zij ook andere arbeid verrichten, dan zijn alleen hun activiteiten in de kluseconomie meegenomen in dit onderzoek. Het relatief beperkte aantal werkenden in de kluseconomie betekent dat de gepresenteerde cijfers op basis van deze enquête een relatief grote standaardafwijking hebben.
4.3Resultaten
Op basis van de enquête en de informatie van de platforms is eind 2017 sprake van ongeveer 34 duizend werkers in de kluseconomie. De grootste groep is werkzaam in de maaltijdbezorging. Andere activiteiten met relatief veel werkers zijn schoonmaken, personen vervoeren en foto’s maken (figuur 4.3.1). Op basis van de informatie van platforms is bekend dat in deze verdeling het aandeel schoonmakers en maaltijdbezorgers waarschijnlijk overschat wordt en het aandeel horecawerkers onderschat wordt. Dit laat zien dat er waarschijnlijk een samenhang is tussen de kenmerken van personen die vrijwillig een enquête invullen en het type platformwerk dat zij verrichten.
De situatie dat platformwerkers als opdrachtnemer (zzp’er) worden beschouwd, waarbij een overeenkomst van opdracht wordt aangaan met de uiteindelijke afnemer van de dienst of met het platform, geldt eind 2017 voor ongeveer 60 procent van de werkers in de kluseconomie. De variant hierop is dat werkers actief zijn als opdrachtnemer, zonder dat ze in fiscale zin ondernemer zijn. Dit geldt voor ongeveer 10 procent van de kluswerkers. De tweede beoogde situatie is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de werker en het platform. Dit geldt voor ongeveer 15 procent van de werkers in de kluseconomie. Als sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan is dit over het algemeen een oproepcontract. De derde situatie die voorkomt is dat beoogd wordt dat gewerkt wordt onder de voorwaarden van de Regeling dienstverlening aan huis. Dit geldt ook voor ongeveer 15 procent van de werkers. Dat betekent dat er voor vrijwel alle werkenden in de kluseconomie sprake is van grote werk- en inkomensonzekerheid. Dat is inherent aan het beroep dat zij uitoefenen. Reguliere werkenden met hetzelfde beroep ervaren ook een relatief grote werk- en inkomensonzekerheid.
Het aantal gewerkte uren van kluswerkers verschilt sterk. Twee derde van de respondenten die aangeven dat ze via een platform werken, werkt minder dan 20 uur per week, een groot deel zelfs minder dan 5 uur per week. Aan de andere kant werkt een derde van de werkers meer dan 20 uur per week. In vergelijking met andere werkenden, werken kluswerkers een relatief gering aantal uren. Respondenten van de enquête die niet via een platform werken, maar in loondienst werken of ondernemer zijn, werken in meerderheid meer dan 35 uur per week. Alleen respondenten die zzp’er zijn, werken gemiddeld iets minder uren, maar ook zij maken over het algemeen meer uren dan werkenden in de kluseconomie (figuur 4.3.2).
Het aantal actieve uren van kluswerkers verschilt aanzienlijk per activiteit. Taxichauffeurs en maaltijdbezorgers werkengemiddeld meer dan 20 uur per week. De mediaan van het aantal actieve uren ligt voor klusactiviteiten echter tussen 10 en 12 uur per week. Kluswerkers die foto’s maken, maken het minste aantal uren.
Een kwart van de werkers in de kluseconomie is jonger dan 25 jaar (figuur 4.3.3). Kluswerkers zijn dus relatief jong, net als werkenden met een contract voor bepaalde tijd. Zzp’ers en ondernemers zijn relatief wat ouder dan werkenden in de kluseconomie. Een relatief groot deel van de klussers is 20 tot 35 jaar oud. Van de jonge klussers geeft een relatief beperkt deel aan dat hun hoofdactiviteit het volgen van onderwijs is. Dit laat zien dat het idee dat kluswerk primair door studenten wordt uitgevoerd waarschijnlijk onjuist is.
De persoonskenmerken van werkers in de kluseconomie verschillen aanzienlijk naar activiteit. Zo zijn maaltijdbezorgers relatief jong, terwijl werkers die foto’s maken een stuk ouder zijn. Uit de enquête blijkt dat taxichauffeurs vrijwel altijd mannen zijn, schoonmakers zijn vrijwel altijd vrouwen. In totaal is 60 procent van de werkers in de kluseconomie man. Dat aandeel is relatief hoog, want van de groep werkenden die niet in de kluseconomie werken is 53 procent.
Ruim een derde van de werkers in de kluseconomie heeft een diploma op mbo-niveau, bijna de helft is hoogopgeleid (figuur 4.3.4). De verdeling van kluswerkers naar opleidingsniveau is daarmee het meest vergelijkbaar met die van werknemers met een vast contract. Dit is opmerkelijk omdat voor veel kluswerk geen of slechts een zeer beperkte opleiding nodig is vanwege het gestandaardiseerde karakter vn het werk. Relevant is hierbij dat in de enquête is gevraagd naar het hoogst behaalde diploma. Dit is voor jongeren meestal niet het uiteindelijk te behalen opleidingsniveau. Het opleidingsniveau van kluswerkers verschilt naar type activiteit. Werkers die schoonmaken in huishoudens zijn vaak laagopgeleid, terwijl werkers die foto’s maken en personen vervoeren juist relatief vaak hoogopgeleid zijn.
In de enquête is gevraagd naar de verdiensten van werkers in de kluseconomie. Hieruit blijkt dat kluswerkers gemiddeld bruto 787 euro per maand verdienen, ongeveer 15 euro per uur (tabel 4.3.5). De inkomsten variëren sterk: 25 procent van hen werkt (inclusief onbetaalde uren) voor maximaal 8 euro per uur, terwijl in het bovenste kwartiel minstens 19 euro per uur wordt verdiend. Het wettelijk minimumuurloon voor werknemers vanaf 23 jaar in deze periode is 9 euro , dat is meer dan wat de minst verdienende groep kluswerkers verdient. Het inkomen verschilt naar activiteit. Taxichauffeurs verdienen het meest en schoonmakers het minst. Het gemiddelde inkomen is veel hoger dan de mediaan, wat aangeeft dat er inderdaad een grote variatie is in inkomens. Voor taxichauffeurs geldt in elk geval dat de meerderheid van hen minder dan 500 euro per maand verdient. Voor andere activiteiten liggen de mediane inkomsten een stuk lager. Dit is gerelateerd aan de geschetste verschillen in het aantal gewerkte uren per activiteit.
4.3.5Inkomen van werkers in de kluseconomie
| Gemiddeld inkomen | Mediaan | |
|---|---|---|
| Inkomen per maand | 787 | 300 |
| Inkomen per uur | 15 | 13 |
Bron:Enquête SEO (2017)
4.4Conclusie
Dit artikel rapporteert over een eerste meting van de omvang van de kluseconomie in Nederland op basis van een enquête die eind 2017 is gehouden. Deze enquête kan worden gezien als een nulmeting. De omvang van de kluseconomie in Nederland is eind 2017 relatief klein: 0,4 procent van de beroepsbevolking (34 duizend werkers) is actief als kluswerker. Het gaat bijvoorbeeld om werkenden in de maaltijdbezorging, taxibranche en schoonmakers, maar ook om invalkrachten in de horeca en klussers die in en om woningen aan de slag zijn.
Werkenden in de kluseconomie zijn in meerderheid zzp’er. Voor zover zij werknemer zijn, zijn zij vaak oproepcontract of werken zij in loondienst van een huishouden. Voor alle groepen werkenden in de kluseconomie geldt daarmee dat zij daarom een lage werk- en inkomenszekerheid hebben vanuit hun werk in de kluseconomie. De meeste werkers werken minder dan 20 uur per week, al bestaan er grote verschillen in het aantal gewerkte uren tussen beroepen. Over het algemeen werken kluswerkers minder uren per week dan andere werkenden. Een behoorlijk deel van de werkers is jong en hoog opgeleid, maar als ze werkzaam zijn in de huishoudelijke dienstverlening zijn zij ook laagopgeleid. In vergelijking met andere werkenden zijn werkers in de kluseconomie vergelijkbaar qua opleidingsniveau. De relatief lage gemiddelde leeftijd geldt in nog sterkere mate voor werknemers met een tijdelijk contract. In die zin zijn werkenden in de kluseconomie geen uitzondering. Het inkomen van werkenden in de kluseconomie is relatief laag. Ongeveer een kwart van hen verdient minder dan het wettelijk minimumloon.
Een aantal van de hiervoor genoemde factoren duiden erop dat kluswerkers een kwetsbare positie hebben. Voor kluswerkers is namelijk vrijwel altijd sprake van een hoge mate van flexibiliteit en lage werk- en inkomenszekerheid. Kwetsbaarheid in deze zin kan voorkomen bij alle soorten werkers. De vraag is of sprake is van een nieuwe kwetsbare groep. Dat lijkt niet zo te zijn, omdat het gaat om werk dat ook in de reguliere arbeidsmarkt vaak als kwetsbaar wordt beschouwd. Dat geldt met name voor huishoudelijke dienstverlening en personenvervoer, in mindere mate voor maaltijdbezorging en horecawerk. Het is de vraag in hoeverre dit in de toekomst gaat veranderen als de kluseconomie zich op beroepen gaat richten waarbij op dit moment de werk- en inkomenszekerheid wel hoog is.
Voor de analyses naar de kenmerken van werkenden in de kluseconomie geldt dat deze zijn gebaseerd op een groep van 115 respondenten in de enquête. De betrouwbaarheid van deze cijfers is daarmee beperkt in vergelijking met analyses op grotere groepen werkenden. Ondanks dat geven deze cijfers wel een goede indicatie van de kenmerken van deze werkenden. Voor het bepalen van meer betrouwbare cijfers over kenmerken van werkers in de kluseconomie is een omvangrijkere enquête nodig of moet de enquête worden herhaald. Zo zouden relevante vragen over de kluseconomie bijvoorbeeld opgenomen kunnen worden in de Enquête Beroepsbevolking (EBB), die het CBS jaarlijks uitvoert. Op dit moment wordt dezelfde enquête nogmaals uitgevoerd. De resultaten worden begin 2020 verwacht.
4.5Literatuur
Literatuur
Forde, Ch., Stuart, M., Joyce, S., Oliver, L., Valizade, D., Alberti, G., Hardy, K., Trappmann, V., Umney, Ch., Carson, C., (2017). The Social Protection of Workers in the Platform Economy. Brussel: European Union 2017.
Frenken, K. en Straathof, B. (2015). Onlineplatformen op (en in plaats van) de arbeidsmarkt. In B. ter Weel (Red.), De match tussen mens en machine (pp. 163–174). Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.
Gautier, P. (2015). Nieuwe technologieën en de match van vraag en aanbod. In B. ter Weel (Red.), De match tussen mens en machine (pp. 103–112). Preadviezen van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde.
Gierten, D. & Spiezia, V. (2016). New forms of work in the digital economy. OECD Digital Economy Papers No. 260. OECD: Parijs.
Huws, U., Spencer, N.H., Syrdal, D.S. & Holts, K. (2017). Work in the European gig economy. Research results from the UK, Sweden, Germany, Austria, The Netherlands, Switzerland and Italy. FEPS: Brussel.
Rechtbank Amsterdam (2018). Zaak Deliveroo / S. Ferwerda, zaaknummmer 6622665 CV EXPL 18-2673, vonnis 23 juli 2019.
Rechtbank Amsterdam (2019a). Zaak Deliveroo / FNV, zaaknummmer 7044576 CV EXPL 18-14763, vonnis 15 januari 2019.
Rechtbank Amsterdam (2019b). Zaak Helpling / FNV, zaaknummmer 7299840 CV EXPL 18-23708, vonnis 1 juli 2019.
Rochet J.C. & Tirole, J. (2003). Platform Competition in Two-sided Markets. Journal of the European Economic Association, 1(4), 9901029.
Schmidt, F.A. (2017). Digital labour markets in the platform economy. Mapping the political challenges of crowd work and gig work. Friedrich Ebert Stiftung: Bonn.
Ter Weel, B., Werff, S. van der, Bennaars, H., Scholte, R., Fijnje, J., Westerveld, M. & Mertens, T. (2018). De opkomst en groei van de kluseconomie Nederland. SEO-rapport 2018–30. Amsterdam: SEO.
Tweede Kamer (2018). Motie van het lid Gijs van Dijk c.s. Nummer 35000 XV, nr. 66. 29 november 2018.
Noten
De in dit hoofdstuk weergegeven opvattingen zijn die van de auteurs en komen niet noodzakelijk overeen met het beleid van het Centraal Bureau voor de Statistiek.