Onzekerheid, flexibele arbeid en maatschappelijke participatie
In dit hoofdstuk onderzoeken wij de relatie tussen onzekerheid op het werk, een flexibele arbeidsrelatie en maatschappelijke participatie in Nederland. Bekend was al dat onzekerheid en werkloosheid de algehele tevredenheid van mensen, hun gezondheidssituatie en hun inkomensontwikkeling negatief beïnvloeden. Ook is bekend dat baanverlies bij kan dragen aan een afname van de politieke betrokkenheid. Dit laatste type onderzoek sluit aan bij een theoretische benadering van relatieve deprivatie waarvan de basisaanname is dat mensen zich als gevolg van (dreigend) baanverlies langzaam terugtrekken uit de samenleving. Hier is echter nog weinig onderzoek naar gedaan. Een belangrijke bijdrage van dit hoofdstuk is het onderscheid tussen verschillende typen onzekerheid op het werk, zoals baan- en werkonzekerheid, flexibele arbeid en verschillende vormen van maatschappelijke participatie in de vorm van vrijwilligerswerk, mantelzorg, politieke participatie, sportactiviteiten en de zorg voor familieleden. We toetsen de samenhang op basis van twee recente databronnen en constateren dat alleen werkonzekerheid negatief gerelateerd is aan participatie in sport en cultuur.noot1
10.1Inleiding
Sinds de Troonrede van 2013 is het streven van de overheid om de Nederlandse verzorgingsstaat om te vormen tot een participatiesamenleving (Bredewold et al., 2018). Kenmerkend daarvoor is dat burgers sociale problemen in eerste instantie zelf proberen op te lossen en pas als dat echt niet mogelijk is, een beroep doen op door de overheid bekostigde professionele hulp. Eenvoudiger gezegd, zouden mensen in de participatiesamenleving bijvoorbeeld meer vrijwilligerswerk moeten doen en meer mantelzorg moeten verrichten in aanvulling op, of zelfs in plaats van, betaalde professionele zorg. Toch kan het beleidsmatig enthousiasme voor een meer zelfredzame samenleving, waarbij mensen eerder een beroep doen op hun eigen netwerk, op gespannen voet staan met het gelijktijdige streven van de overheid naar een hogere (betaalde) arbeidsparticipatie en een verhoging van de pensioenleeftijd. Van burgers wordt namelijk verwacht dat zij zowel meer tijd aan onbetaalde arbeid gaan besteden als aan betaalde arbeid. Het is de vraag of dat niet te hoge verwachtingen zijn, die het risico vergroten dat burgers overbelast raken.
Bij deze kritiek op de participatiesamenleving gaat het doorgaans om de conflicterende tijdsbesteding aan betaald en onbetaald werk. Belangrijk is echter om in aanvulling hierop ook de veranderende aard van het werk in beschouwing te nemen. Behalve dat de arbeidsdeelname in de afgelopen decennia in Nederland sterk is gestegen (De Beer en Conen, 2018), is de aard van het werk ook sterk veranderd. Was enkele decennia geleden de vaste voltijdbaan nog de standaard, nu is er een breed scala aan uiteenlopende contractvormen en arbeidsrelaties, zoals deeltijdwerk, tijdelijke contracten, oproepwerk, uitzendwerk en werk als zelfstandige. In veel gevallen gaat dit voor werkenden gepaard met minder werk- en inkomenszekerheid dan bij de klassieke vaste voltijdbaan (Kremer et al., 2017). Uit eerder onderzoek weten we ook dat een gevoel van baanonzekerheid van invloed is op het welbevinden, en stress met zich mee kan brengen (Burchell, 2011).
Een ander mogelijk (en minder goed onderzocht) gevolg van onzekerheid op het werk is dat dit ook de mogelijkheid en bereidheid tot activiteiten buiten het betaalde werk negatief beïnvloedt, waaronder vrijwilligerswerk en mantelzorg, maar ook politieke participatie. De mogelijkheden daartoe zouden kunnen worden beperkt als het gevoel van onzekerheid zo’n zware psychische belasting voor werkenden vormt, dat zij hierdoor de energie missen om naast hun werk nog anderszins actief te zijn. De bereidheid tot onbetaalde activiteiten kan verminderen indien mensen buiten hun werk vooral bezig (willen) zijn met het zoeken van ander werk of als men zich door het gevoel van onzekerheid meer op het directe eigenbelang gaat richten en de binding met de samenleving minder wordt. Dekker (2019) laat in een recente Europese studie zien dat mensen die werk- en baanonzekerheid ervaren inderdaad minder vrijwilligerswerk verrichten en minder sporten en participeren in culturele activiteiten buitenshuis.
Overigens is op een flexibele arbeidsmarkt het omgekeerde effect ook niet geheel uit te sluiten. Veel van de nieuwe arbeidsrelaties kenmerken zich immers door een hoge mate van flexibiliteit. Hoewel de mate van flexibiliteit vaak wordt bepaald door de werkgever c.q. opdrachtgever, zijn er ook vormen van flexibiliteit waarop de werkende zelf invloed heeft. Dit lijkt vooral te gelden voor (een deel van de) zzp’ers, maar mogelijk ook voor meer klassieke flexwerkers zoals uitzendkrachten en oproepkrachten. Mensen kunnen voor een flexibel dienstverband kiezen om zo verschillende taken te combineren (Muzzolon et al., 2015).
Eerder onderzoek laat ook in Nederland zien dat er grote verschillen bestaan in hoofdmotieven voor een bepaalde contractvorm. Zo zijn uitzendwerkers bijvoorbeeld minder vaak op zoek naar een vaste baan in vergelijking met werknemers met een tijdelijk contract (Van der Aa et al., 2015). Indien de werkende zelf meer mogelijkheden heeft om, bijvoorbeeld binnen een oproepcontract met voorovereenkomstnoot2, te bepalen op welke tijdstippen zij of hij werkt, zou dit de combinatie met andere activiteiten kunnen vergemakkelijken. In zo’n geval zouden we verwachten dat werkenden in (sommige) niet-standaard arbeidsrelaties vaker aan maatschappelijke participatie deelnemen. Om een beter zicht te krijgen op de vraag wat het ervaren van onzekerheid op het werk en flexibele arbeid betekenen voor maatschappelijke participatie, brengen we een aantal (directe) relaties in Nederland in kaart op basis van een tweetal recente surveys.
In onze studie onderscheiden we twee vormen van onzekerheid op de werkplek: baanonzekerheid en werkonzekerheid. Daarnaast bestuderen we de mogelijke effecten van het type arbeidscontract op maatschappelijke participatie. Onder flexibele arbeidscontracten verstaan we hier alle arbeidsrelaties die verschillen van het vaste contract (arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) met vaste arbeidsduur, met uitzondering van zzp’ers. Baanonzekerheid kenmerkt zich door een grote (ervaren) kans op baanverlies in de nabije toekomst, terwijl het werkzekerheidsbegrip vooral te maken heeft met de (on)zekerheid om aan het werk te blijven (Dekker et al., 2010). We focussen hiermee op flexibele werknemers, aangezien baanonzekerheid per definitie alleen van toepassing kan zijn op werknemers die een baan in loondienst hebben.
Centrale vraagstelling
Theoretisch gezien sluit ons onderzoek aan bij het centrale uitgangspunt van de theorie van relatieve deprivatie (Jahoda, 1982). De basisaanname hiervan is dat mensen zich als gevolg van baanverlies langzaam terugtrekken uit de samenleving. De betreffende studie noemt het gebrek aan structurering van het dagelijks leven als belangrijkste verklaring waarom mensen zonder werk zich terugtrekken. In navolging hiervan valt te beredeneren dat mensen met onzekere arbeidsposities eveneens de nodige structuur en perspectief missen in hun loopbaan. In hun ogen is er immers eveneens sprake van (dreigend) baanverlies Anderzijds kan een flexibele arbeidsrelatie gepaard gaan met meer maatschappelijke participatie, gegeven de flexibiliteit die de arbeidsrelatie biedt. Hierbij doen we in theoretische zin een beroep op de aanpalende notie van employee driven flexibility, waarbij de flexibiliteit in tijdstip, werkplek en/of arbeidsuren (zoals bij specifieke vormen van oproepwerk) werknemers beter in staat stelt om verschillende taken in het levensdomein te combineren (Kelley et al., 2011). Op basis van de bovenstaande overwegingen komen we tot de volgende centrale vraagstelling en twee hieruit afgeleide hypotheses:
Vertonen het ervaren van baan- en/of werkonzekerheid en het hebben van een flexibele arbeidsrelatie een samenhang met maatschappelijke participatie in Nederland en, zo ja, op welke wijze?
De twee hypotheses luiden vervolgens:
- Een gevoel van baan- en werkonzekerheid gaat gepaard met minder maatschappelijke participatie.
- Een flexibele arbeidsrelatie waarbij de werknemer zelf (mede) de flexibiliteit bepaalt, gaat gepaard met meer maatschappelijke participatie.
De eerste hypothese gaat derhalve alleen over de perceptie van baan- en werkonzekerheid, ongeacht de contractvorm, de tweede hypothese over het effect van de contractvorm, ongeacht de ervaren onzekerheid.
10.2Data en methode
De hypotheses worden getoetst aan de hand van twee datasets. Allereerst maken we gebruik van de Waarde van Werk Monitor (WWM) van AIAS-HSI (Conen en De Beer, 2020). Daarnaast gebruiken we de meest recente werknemerspeiling van de European Working Conditions Survey (EWCS) van de Europese Unie (2015). WWM is een periodieke survey onder de Nederlandse bevolking, waarvoor in het voorjaar van 2019 de eerste meting heeft plaatsgevonden. Hiertoe is een enquête gehouden onder 4 188 ingezetenen die via een gestratificeerde steekproef zijn getrokken uit het I&O-research-panel. De steekproef is gestratificeerd om voldoende respondenten te hebben die in verschillende soorten niet-standaard arbeidsrelatie werken. Dit maakt de survey bij uitstek geschikt voor onze analyse. In WWM zijn de respondenten bevraagd over een groot aantal aspecten van hun werk, waarbij het zowel gaat om het belang dat zij aan die aspecten hechten als om de mate waarin die aspecten in hun werk aanwezig zijn. De EWCS is een steekproef onder werkenden van 15 jaar of ouder in alle EU-landen. Voor de analyse selecteren we de Nederlandse (gewogen) steekproef (n=1 197). We richten ons in de analyses op beide datasets om de empirische reikwijdte te vergroten en omdat de verschillende steekproeven betrekking hebben op uiteenlopende variabelen die relevant zijn voor toetsing van de hypotheses.
Gebruikte variabelen WWM (2019)
In de Waarde van Werk Monitor maken we gebruik van twee dichotome indicatoren die maatschappelijke participatie meten: vrijwilligerswerk en mantelzorg (‘ik ben vrijwilliger’ en ‘ik zorg voor iemand in mijn naaste omgeving’). De dataset bevat een Likert-indicator van baanonzekerheid (‘mijn werk biedt voldoende zekerheid’: 1=helemaal mee eens; 5=helemaal mee oneens) en een van werkonzekerheid (‘hoe waarschijnlijk acht u het dat u zonder werk komt of blijft in de komende twee jaar?’: 1=zeer onwaarschijnlijk; 4=zeer waarschijnlijk). Van beide indicatoren voor onzekerheid is een dichotome variabele gemaakt. Daarnaast worden verschillende typen flexibele arbeid onderscheiden: tijdelijk dienstverband (met/zonder uitzicht op een vast contract), oproep- of invalkracht, vast dienstverband met variabele uren en uitzendcontract. We verwachten dat met name uitzendwerk en oproepkrachten meer ruimte bieden voor maatschappelijke participatie. Naast deze voorspellende variabelen is een aantal controlevariabelen opgenomen, te weten geslacht, leeftijd, huishoudenspositie, onderwijsniveau, parttime dienstverband en ervaren gezondheid. Deze laatste variabele is opgenomen omdat een slechte gezondheid de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie kan beperken.
Gebruikte variabelen EWCS (2015)
In de EWCS-dataset onderscheiden we vier vormen van maatschappelijk participatie: het doen van vrijwilligerswerk, politieke participatie en vakbondsactiviteiten, sociaal-culturele participatie (vrijetijdsbesteding) en de zorg voor ouderen/minder valide familieleden. Het doen van vrijwilligerswerk is vastgesteld met een vraag naar de mate van vrijwilligersparticipatie (1=nooit; 5=elke dag). Hetzelfde geldt voor het verrichten van politieke- en/of vakbondsactiviteiten, het participeren in sport- en/of culturele activiteiten buitenshuis en de zorg voor ouderen/minder valide familieleden.
Wat de ervaren onzekerheid betreft is baanonzekerheid geoperationaliseerd als de inschatting om werk te verliezen in de komende zes maanden (5= sterk mee eens) en werkonzekerheid via de vraag of het na ontslag weer gemakkelijk zou zijn om werk te vinden van een vergelijkbaar salaris (5=sterk mee oneens). Aangezien hier sprake is van een minimum van vijf categorieën behandelen we deze indicatoren als quasi-intervalvariabelen (bij de WWM-monitor hebben we ze gedichotomiseerd aangezien beiden variabelen niet de vereiste vijf waarden bevatten).
Het werken op basis van een flexibel arbeidscontract is bepaald via een dichotome variabele (1=ja). Hieronder vallen alle contracten voor bepaalde duur en tijdelijke contracten via een uitzend-/detacheringsbureau. Hierbij is het helaas niet mogelijk onderscheid te maken tussen contracten waarbij de werkende al dan niet de flexibiliteit (mede) kan bepalen. Leercontracten en andere opleidingsvormen zijn uit de dataset verwijderd. Verder is gecontroleerd voor dezelfde achtergrondkenmerken als bij WWM: geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, parttime dienstverband en de ervaren gezondheidssituatie.
Voor beide datasets geldt dat er is gecontroleerd op onderlinge correlaties tussen onafhankelijke variabelen die een (te) grote samenhang vertonen. In geen van de gevallen was hiervan sprake. Hypothesetoetsing vindt plaats via een logistische (WWM) respectievelijk lineaire regressieanalyse (EWCS-steekproef). Er is gekozen voor verschillende analysetechnieken vanwege de verschillende schalingniveaus van de te verklaren variabelen. We toetsen hierbij de samenhang tussen ervaren onzekerheden op de werkplek, flexibele arbeid en verschillende vormen van maatschappelijke participatie.
10.3Resultaten
Tabel 10.3.1 toont, op basis van de analyse van de WWM, dat de kans dat iemand vrijwilligerswerk of mantelzorg doet niet significant samenhangt met baanonzekerheid of werkonzekerheid. Dit biedt dus geen steun voor hypothese 1. De meeste flexibele contractvormen hangen evenmin significant samen met vrijwilligerswerk en mantelzorg. Alleen wie een tijdelijk contract heeft zonder uitzicht op een vast contract doet vaker vrijwilligerswerk. Dit is niet wat we zouden verwachten op grond van hypothese 2, omdat een tijdelijk contract doorgaans geen vorm van flexibiliteit is waarover de werkende iets te zeggen heeft. De contractvormen waarvoor dit mogelijk wel geldt, namelijk oproepwerk en uitzendwerk, hangen juist niet significant samen met het doen van vrijwilligerswerk of mantelzorg. Voor de twee centrale hypotheses, waarin een samenhang wordt verondersteld tussen de ervaring van baan- en werkonzekerheid en een flexibele arbeidsrelatie enerzijds en maatschappelijke participatie anderzijds, vinden we dus geen steun.
Tabel 10.3.1 laat zien dat wel enkele andere kenmerken een significant effect hebben op maatschappelijke participatie.
10.3.1Logistische regressieresultaten: vrijwilligerswerk en mantelzorg in Nederland (odds ratio’s)
| Vrijwilligerswerk | Mantelzorg | ||
|---|---|---|---|
| Baanonzekerheid | 1,425 | 0,007 | |
| Werkonzekerheid | 0,590 | 0,017 | |
| Flexibel dienstverband (ref. = vast contract) | |||
| tijdelijk contract (met uitzicht op vast) | 1,578 | 0,587 | |
| tijdelijk contract (zonder uitzicht op vast) | 2,102 | * | 1,100 |
| oproep- of invalkracht | 1,342 | 0,721 | |
| vast dienstverband, variabele uren | 1,226 | 0,833 | |
| uitzendkracht/detachering | 1,108 | 0,985 | |
| Geslacht (vrouw = 1) | 1,039 | 1,876 | |
| Leeftijd | 1,013 | 1,063 | |
| Onderwijs | 0,972 | 0,919 | |
| Parttime | 1,412 | * | 0,019 |
| Goede gezondheid | 1,090 | 0,027 | |
| N | 2 042 | 2 042 | |
| Nagelkerke R2 | 0,094 | 0,023 |
In tabel 10.3.2 zijn de resultaten van de lineaire regressieanalyse op basis van de EWCS-data weergegeven. Ook uit deze analyses blijkt dat er van een duidelijke samenhang tussen ervaren onzekerheden op het werk, een flexibele arbeidsmarktrelatie enerzijds en maatschappelijke participatie anderzijds geen sprake is. Wel vinden we een negatieve associatie tussen ervaren werkonzekerheid en het participeren in sport en culturele activiteiten buitenshuis. We vinden evenmin een effect van een flexibele arbeidsrelatie op de verschillende vormen van maatschappelijke participatie.
Wat de controlevariabelen betreft valt opnieuw op dat geslacht, leeftijd en een parttime dienstverband en in dit geval ook het onderwijsniveau en de ervaren gezondheidssituatie samenhang vertonen met maatschappelijke participatie. In alle gevallen gaat het om de te verwachten richting van het verband, waarbij onder meer mensen met een hoger onderwijsniveau en een betere ervaren gezondheid meer participeren dan andere groepen in de samenleving.
De resultaten bieden, samengevat, zo goed als geen ondersteuning voor de hypotheses. Het werken op basis van een flexibel dienstverband noch de ervaren baan- of werkonzekerheid gaan samen met (minder) maatschappelijke participatie. Alleen werkonzekerheid gaat significant minder vaak samen met participatie in sport en cultuur.
10.3.2Lineaire regressieresultaten: vrijwilligerswerk, politiek, sport/cultuur en zorg familie in Nederland
| Vrijwilligerswerk | Politiek | Sport/cultuur | Zorg familie | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Baanonzekerheid | −0,002 | 0,007 | 0,030 | 0,004 | ||||
| Werkonzekerheid | 0,003 | 0,017 | −0,054 | * | −0,013 | |||
| Flexibel dienstverband (ref. = vast contract) | −0,038 | 0,025 | −0,093 | 0,040 | ||||
| Geslacht (vrouw=1) | −0,078 | −0,118 | ** | −0,040 | 0,145 | |||
| Leeftijd | 0,002 | 0,000 | −0,006 | ** | 0,018 | ** | ||
| Onderwijs | 0,052 | ** | 0,015 | ** | 0,086 | ** | −0,003 | |
| Parttime | 0,222 | ** | 0,019 | 0,002 | 0,035 | |||
| Goede gezondheid | 0,221 | ** | 0,027 | 0,174 | ** | −0,059 | ||
| N | 1 027 | 1 024 | 1 027 | 997 | ||||
| R2 | 0,039 | 0,022 | 0,064 | 0,041 | ||||
10.4Conclusies
Doel van deze studie was om de relatie tussen ervaren onzekerheden op de arbeidsmarkt en het hebben van een flexibel arbeidscontract in relatie te brengen met maatschappelijke participatie. Dit is een tot dusver slechts mondjesmaat onderzochte vraag (Dekker, 2019). Keren mensen zich door onzekerheid op de arbeidsmarkt stilaan af van de samenleving? Uit de resultaten komt naar voren dat er van een nauwe relatie geen sprake is. Noch baanonzekerheid en werkonzekerheid, noch het werken op basis van een flexibel arbeidscontract vertonen een negatieve significante samenhang met maatschappelijke participatie. Wel hebben we gevonden dat het ervaren van werkonzekerheid negatief samenhangt met sporten en het participeren in culturele activiteiten buitenshuis.
De bevindingen sluiten deels aan bij eerdere studies waar (licht) negatieve relaties zijn gevonden tussen vergelijkbare variabelen (Dekker, 2019), maar laten in het algemeen geen harde conclusies toe over de theoretisch verwachte relaties. Het betreft namelijk resultaten die in onze studie niet consistent zijn teruggevonden via het gebruik van verschillende datasets. Evenmin bieden de resultaten ondersteuning voor de veronderstelling dat het werken op een flexibel arbeidscontract meer ruimte biedt voor maatschappelijke participatie. Voor zover er sprake is van employee driven flexibility, gaat deze niet gepaard met meer maatschappelijke participatie. Dat sluit natuurlijk niet uit dat deze flexwerkers hun werk wel vaker combineren met andere onbetaalde activiteiten, zoals de zorg voor kinderen. Bovendien past hier de kanttekening dat zzp’ers buiten het bestek van dit onderzoek vallen. Niettemin kan vooralsnog de conclusie luiden dat er geen harde aanwijzingen zijn dat de flexibilisering en groeiende onzekerheid op de arbeidsmarkt negatieve consequenties hebben voor de deelname van werkenden aan maatschappelijke activiteiten, zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg en politieke participatie.
Zoals altijd kent ook dit onderzoek een aantal beperkingen. Zo laten de cross-sectionele modellen geen uitspraken toe over causaliteit. Ook de verklaarde variantie van de modellen is laag, variërend van 2 procent tot 9 procent. De opname van meer variabelen zou waarschijnlijk meer verklaringskracht bieden. Dit laatste was echter geen doel van dit onderzoek. Het relatief kleine aantal waarnemingen in de beide surveys zou ook een oorzaak kunnen zijn dat we weinig significante effecten vinden.
Een mogelijke beperking betreft ook de wijze waarop maatschappelijke participatie is gemeten. Doordat echter in de twee surveys een verschillende vraagstelling is gehanteerd, terwijl in beide gevallen zo goed als geen significante effecten zijn gevonden, lijkt dit resultaat niet afhankelijk van één specifieke vraagstelling.
Een interessante vraag voor vervolgonderzoek lijkt ons of, en op welke wijze, er verschillen bestaan in de onderzochte relaties tussen landen. Is het institutioneel design van een land bijvoorbeeld van invloed op de samenhang tussen baan- en werkonzekerheid en maatschappelijke participatie? Hoe deze relatie doorwerkt zou bijvoorbeeld ook kunnen afhangen van afspraken en faciliteiten in cao’s met betrekking tot employability. Als er voor flexibele arbeidskrachten meer geregeld is rond scholing en loopbaanbegeleiding, zou bijvoorbeeld de ervaren werkonzekerheid kunnen verminderen. Daarnaast kan herhaling van dit onderzoek in de toekomst (zoals de bedoeling is met het WWM-survey) inzicht bieden in de vraag of veranderingen in de institutionele context, zoals de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans, doorwerken in de beleving van baan- en werk(on)zekerheid en in de samenhang daarvan met maatschappelijke participatie.
10.5Literatuur
Literatuur
Aa, R. van der, Van Buren, D. & Viertelhauzen, T. (2015). Motieven van werkgevers en werknemers voor flexibele contractvormen. In Chkalova, K. et al., (red.)(2015). Dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt. De focus op flexibilisering. Den Haag: CBS/TNO.
Beer, P. de, & Conen, W. (2018). Een halve eeuw arbeidsmarkt in Nederland. AIAS-HSI Working Paper. Amsterdam: AIAS-HSI.
Bredewold, F., Duyvendak, J.W., Kampen, T., Tonkens, E. & Verplanke, L. (2018). De verhuizing van de verzorgingsstaat. Amsterdam: Van Gennep.
Burchell, B. (2011). A temporal comparison of the effects of unemployment and job insecurity on wellbeing. Sociological Research Online, 16(9), 1–20.
Conen, W., & Beer, P. de (2020). Eerste rapportage Waarde van Werk Monitor [werktitel]. Kort en Bondig 2. Amsterdam: AIAS-HSI [te verschijnen].
Dekker, F. (2019). Minder maatschappelijke participatie bij onzeker werk, ESB, 104(4774), 1–2.
Dekker, R., Muffels, R. & Wilthagen, T. (2010). Werkzekerheid in plaats van baanzekerheid? In De Beer, P. et al. (red.) (2010). Arbeid in crisis? Den Haag: Boom Lemma.
Jahoda, M. (1982). Employment and Unemployment. A social-psycholgical analysis. Cambridge: Cambridge University Press.
Kelley, E., Moen, P., Tranby, E. (2011). Changing workplaces to reduce work-family conflict schedule control in a white-collar organization, American Sociological Review, 76(2), 265–290.
Kremer, M., Went, R. & Knottnerus, A. (red.) (2017). Voor de zekerheid. Den Haag: WRR.
Muzzolon, C., Spoto, A, & Vidotto, G. (2015). Why choose a temporary employment? International Journal of Manpower, 36(8), 1146–1163.
Noten
De in dit hoofdstuk weergegeven opvattingen zijn die van de auteurs en komen niet noodzakelijk overeen met het beleid van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Hierbij worden vooraf een aantal afspraken gemaakt over de mogelijkheid om te worden opgeroepen, maar staat het de werknemer vrij om al dan niet aan een oproep gehoor te geven.