Arbeidsmarkttransities in Nederland: een overzicht
1.1Transities op de arbeidsmarkt
Gedurende hun beroepsloopbaan maken personen meerdere arbeidsmarkttransities door: dit kan zijn van werk naar werk, maar ook tussen werk en werkloosheid of inactiviteit. In dit hoofdstuk geven wij een beschrijving van de verschillende arbeidsmarkttransities die personen in verschillende levensfasen kunnen doormaken. We beschrijven de dynamiek op de Nederlandse arbeidsmarkt met uitsplitsing naar verschillende groepen, zoals jongeren en ouderen, en laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Voor onderwerpen waarvoor data uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) zijn gebruikt, is 2018 het meest recente jaar, voor onderwerpen die gebaseerd zijn op registerdata uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) is 2017 het meest recente jaar. In dit hoofdstuk wordt gebruik gemaakt van de transitionele arbeidsmarktbenadering. In deze benadering worden vijf posities onderscheiden waar mensen in hun leven mee te maken kunnen krijgen. De vijf posities hebben betrekking op huishouding/zorg, opleiding, pensioen, betaald werk en werkloosheid (schema 1.1.1). Binnen de positie betaald werk kunnen mensen wisselen van baan, beroep, een transitie doormaken van bijvoorbeeld een flexibele arbeidsrelatie naar een vaste arbeidsrelatie, of van werknemer naar zelfstandige.
De kansen op bepaalde arbeidsmarkttransities hangen onder andere samen met conjuncturele ontwikkelingen. Op het moment dat het economisch goed gaat, wisselen veel mensen van baan of beroep, is de uitstroom naar werkloosheid relatief laag en de instroom in betaald werk relatief hoog. Na de economische crisis in 2008 steeg de werkloosheid in de daaropvolgende jaren. Het aandeel werklozen in de beroepsbevolking piekte met 7,4 procent in 2014. Sindsdien trekt de economie weer aan en daalt de werkloosheid. Deze kwam in 2018 uit op 3,8 procent.
Sommige transities hangen samen met een bepaalde levensfase. Aan het begin van de loopbaan maken mensen een transitie door van onderwijs naar arbeidsmarkt, aan het eind van de loopbaan van werk naar pensionering. Ook zijn er mensen die hun loopbaan tijdelijk onderbreken na het krijgen van kinderen. Structurele veranderingen in de samenstelling van de beroepsbevolking, zoals bijvoorbeeld vergrijzing, spelen een rol bij de arbeidsmarktdynamiek van Nederland. Een steeds groter deel van de werkzame beroepsbevolking bestaat uit personen van 45 tot 75 jaar. Dit aandeel is opgelopen van 37 procent in 2008 tot 44 procent in 2018. Tegelijkertijd groeide in die periode het aandeel vrouwen in de werkzame beroepsbevolking van 45 naar 47 procent.
Niet alle transities zijn vrijwillig en niet alle transities leiden tot een verbetering van de beroepsloopbaan. Transities naar werkloosheid zijn meestal niet vrijwillig en de kans op een dergelijke transitie verschilt tussen groepen werkenden. Dat geldt eveneens voor de kans om vanuit werkloosheid weer aan het werk te komen. Ook verschillen groepen in de kansen om een transitie van werk naar werk door te maken. Denk daarbij aan een transitie naar een beter betaalde baan of van een flexibele naar een vaste arbeidsrelatie. Dergelijke transities hebben consequenties voor de ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Niet alleen is iemands huidige positie daarom van belang, maar ook zijn of haar mogelijkheden om die positie te verbeteren. Zo zijn ouderen in vergelijking met jongeren minder vaak werkloos, maar eenmaal werkloos hebben ze meer moeite om weer aan het werk te komen.
1.2Flexibel werk
In 2018 waren er 8,8 miljoen personen van 15 tot 75 jaar met betaald werk. Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (nettoarbeidsparticipatie) groeit weer sinds 2015. Ten opzichte van 2017 steeg de nettoarbeidsparticipatie verder van 66,7 naar 67,8 procent in 2018. De werkzame beroepsbevolking bestaat uit werknemers en zelfstandigen. Sinds 2008 is het aandeel zelfstandigen gegroeid van 14,3 naar 16,7 procent in 2015. Het aandeel zelfstandigen is sindsdien vrijwel stabiel en in 2018 iets teruggelopen. Onder de zelfstandigen zijn mannen, hoogopgeleiden en mensen van 45 tot 75 jaar oververtegenwoordigd. Ze zijn relatief vaak werkzaam in creatieve- en taalkundige beroepen en agrarische beroepen.
In 2018 was 22,5 procent van alle werkenden werkzaam met een flexibel dienstverband. Dat zijn bijna 2 miljoen werknemers. Werknemers met een flexibel dienstverband hebben een tijdelijk contract en/of werken een variabel aantal uren per week. Sinds 2008 is het aandeel werknemers met een flexibel dienstverband met ruim 5 procentpunt gestegen. Ten opzichte van 2017 is het aandeel werknemers met flexibel werk in 2018 echter wat teruggelopen van 22,7 naar 22,5 procent. Hiertegenover staat dat 61,0 procent van de werkenden een vast dienstverband had in 2018. Dat is een toename ten opzichte van 2017, en de eerste groei in tien jaar.
Vrouwen hebben vaker een flexibele arbeidsrelatie dan mannen. Een kwart van de vrouwen heeft in 2018 een flexibel dienstverband tegen een op de vijf mannen. Verder zijn jongeren onder de flexibele werknemers oververtegenwoordigd. Twee derde van de 15- tot 25-jarigen had in 2018 een flexibel dienstverband. Daarnaast is het aandeel mensen met een flexibele dienstverband relatief hoog onder laaggeschoolden (35 procent). Werknemers met een flexibel dienstverband zijn vaker werkzaam in dienstverlenende beroepen en transport- en logistieke beroepen.
Er zijn verschillende soorten flexibele dienstverbanden. Oproep- of invalkrachten vormen de grootste groep. Zij zijn op afroep beschikbaar voor het verrichten van werkzaamheden. Van de flexwerkers behoorde 27 procent in 2018 tot deze groep. Andere veel voorkomende flexibele arbeidsrelaties zijn tijdelijke dienstverbanden met uitzicht op een vast contract (20 procent) en uitzendkrachten (15 procent). Ten opzichte van 2008 is het aandeel oproep- en invalkrachten en het aandeel tijdelijke dienstverbanden met uitzicht op een vast contract gestegen, terwijl het aandeel uitzendkrachten daalde. Verder daalde vooral het aandeel werknemers met een tijdelijk contract korter dan één jaar met bijna 4 procentpunt.
1.3Transities naar werk
Het werkloosheidspercentage piekte in 2014 met 7,4 procent en is sindsdien gedaald. Ook in 2018 zet deze dalende lijn zich voort. Het werkloosheidspercentage daalde tussen 2017 en 2018 van 4,9 tot 3,8. De afgelopen jaren is het aantal baanvinders aanzienlijk opgelopen. In 2018 hadden 716 duizend personen die in 2017 nog werkloos of inactief waren een betaalde baan gevonden. Vijf jaar hiervoor waren dit er nog 551 duizend.
Een groot deel van de transities naar werk komt voor rekening van de personen die voorheen inactief waren. Dit zijn personen die geen werk hadden en ook niet recent naar werk hebben gezocht of daarvoor direct beschikbaar waren (niet-beroepsbevolking). In 2018 gingen 517 duizend inactieven aan het werk. De overige 199 duizend baanvinders waren eerder werkloos.
De groep baanvinders bestaat in aantal weliswaar voor een groter deel uit personen die voorheen niet actief waren op de arbeidsmarkt, van de werklozen vindt doorgaans een veel groter deel werk dan van de inactieven (figuur 1.3.2). Van de werklozen in 2017 had 45 procent een betaalde baan in 2018 tegenover 13 procent van de inactieven.
De overstap van werkloosheid of inactiviteit naar werk maakten mannen vaker dan vrouwen, jongeren vaker dan ouderen en hoogopgeleiden vaker dan laag- en middelbaar opgeleiden. Van de niet-werkende jongeren (15 tot 25 jaar) in 2017 had 41 procent betaald werk in 2018 tegenover 5 procent van de 45- tot 75‑jarigen. Deze ouderen en jongeren hebben met elkaar gemeen dat ze minder vaak dan 25- tot 45‑jarigen een vast contract kregen. In plaats daarvan gingen jongeren vaker als flexibele kracht, en ouderen vaker als zelfstandige aan de slag. De doorstroom naar betaald werk hangt ook samen met het behaalde onderwijsniveau. Eén op de vijf hoogopgeleide werklozen en inactieven stroomde door naar een baan tegenover 14 procent van de laagopgeleiden en 18 procent van de middelbaar opgeleiden. Ook krijgen zij vaker dan laag- en middelbaar opgeleiden een vaste arbeidsrelatie of gingen zij werken als zelfstandige.
1.3.3Transitie van werkloosheid en inactiviteit naar betaald werk naar kenmerken, 2017–2018
| Totaal | waarvan naar | |||
|---|---|---|---|---|
| vaste arbeidsrelatie | flexibele arbeidsrelatie | zelfstandige | ||
| % | ||||
| Totaal | 16 | 18 | 72 | 10 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 19 | 19 | 71 | 9 |
| Vrouwen | 15 | 17 | 72 | 11 |
| Leeftijd | ||||
| 15 tot 25 jaar | 41 | 16 | 81 | 4 |
| 25 tot 45 jaar | 30 | 22 | 65 | 13 |
| 45 tot 75 jaar | 5 | 19 | 57 | 24 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Laag | 14 | 15 | 79 | 7 |
| Middelbaar | 18 | 17 | 72 | 11 |
| Hoog | 20 | 27 | 57 | 15 |
Van leerling en student naar werknemer
Een deel van de mensen die de transitie naar een baan als werknemer meemaken, zijn jongeren die het onderwijssysteem verlaten. Het aantal schoolverlaters neemt iets toe sinds het schooljaar 2014/’15. Het aantal schoolverlaters dat als werknemer aan de slag gaat neemt toe sinds 2015. Vooral het aantal schoolverlaters en afgestudeerden die beginnen aan een baan met een flexibel contract is gestegen. Het aantal schoolverlaters en afgestudeerden dat met een contract voor onbepaalde tijd begint, blijft min of meer stabiel. Het aandeel schoolverlaters dat een baan als werknemer vindt, neemt toe in 2017 naar 74 procent. In 2012 was dit nog 67 procent.
Van uitkering naar werknemer
In 2017 hebben 152 duizend mensen die een jaar eerder een uitkering hadden een baan als werknemer gevonden. Deze toename komt voornamelijk door het stijgende aantal mensen dat een baan vindt vanuit een werkloosheidsuitkering. Er hadden 349 duizend mensen een WW-uitkering in september 2016 en 23 procent van hen, 80 duizend, vond in 2017 een baan als werknemer. Ter vergelijking: van de personen die in september 2008 een WW-uitkering ontvingen had 19 procent een baan een jaar later. Absoluut neemt het aantal WW-ontvangers dat een baan vindt af en dat komt doordat de werkloosheid in 2017 lager is dan in de periode ervoor en er minder mensen een WW-uitkering ontvangen. De bijstand volgt de aantrekkende arbeidsmarkt met vertraging doordat de meeste bijstandsontvangers een grotere afstand hebben tot de arbeidsmarkt in vergelijking met andere groepen werklozen. Zo is de kans om langdurig werkloos te zijn voor iemand in de bijstand groter dan voor iemand met een werkloosheidsuitkering (CBS, 2017). Ook zijn er relatief minder hoogopgeleiden in de bijstand, een groep die makkelijker aansluiting vindt op de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn niet alle bijstandsontvangers beschikbaar voor de arbeidsmarkt vanwege een slechte gezondheid of vanwege persoonlijke omstandigheden. Door de grotere krapte op de arbeidsmarkt na 2015 stijgt ook het aantal personen dat uit de bijstand in een baan als werknemer begint. Van de 523 duizend personen die in september 2016 een bijstandsuitkering hadden, vond 38 duizend een baan als werknemer in 2017.
1.4Transities vanuit werk
In 2018 daalde het aantal werkenden dat werkloos of inactief werd ten opzichte van 2017 met 18 duizend. Deze daling komt doordat minder mensen werkloos zijn geworden. Van de mensen met werk in 2017 waren er 108 duizend werkloos in 2018. Van 2016 op 2017 waren dit er 146 duizend. Het aantal mensen dat inactief werd steeg in 2018 wel. Deze stijging vond plaats onder de 15- tot 25‑jarigen en 45- tot 75‑jarigen. De stijging onder 45- tot 75‑jarigen kan deels verklaard worden doordat meer mensen met pensioen zijn gegaan.
Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie worden vaker werkloos dan werknemers met een vaste arbeidsrelatie (figuur 1.4.2). In 2018 was het aandeel werknemers met een flexibel contract dat werkloos werd (2,9 procent) groter dan het aandeel vaste arbeidskrachten (0,7 procent). Van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in 2008 was 5,3 procent een jaar later werkloos. Dit percentage steeg tijdens de crisis tot 7,0 procent in 2013. Sinds 2014 is weer een dalende trend zichtbaar. Ten opzichte van 2017 is het aandeel werknemers met een flexibel contract dat werkloos werd gedaald van 3,9 procent naar 2,9 procent.
Mannen en vrouwen werden in 2018 even vaak werkloos of inactief (6 procent). Jongeren werden met 14 procent het vaakst inactief of werkloos. Het merendeel van deze jongeren was vóór het verlies van de baan werkzaam als flexibele arbeidskracht (85 procent). Dit percentage is een stuk hoger dan bij de overige leeftijden. Van de laagopgeleiden met werk in 2017 was 9 procent in 2018 werkloos of inactief. Onder middelbaar- en hoogopgeleiden was dit respectievelijk 6 en 4 procent.
1.4.3Werkloosheid of inactiviteit na baanverlies naar kenmerken 2017–2018
| Totaal | waarvan naar | |||
|---|---|---|---|---|
| vaste arbeidsrelatie |
flexibele arbeidsrelatie |
zelfstandige | ||
| % | ||||
| Totaal | 6 | 37 | 52 | 11 |
| Geslacht | ||||
| Mannen | 6 | 36 | 52 | 12 |
| Vrouwen | 6 | 38 | 52 | 10 |
| Leeftijd | ||||
| 15 tot 25 jaar | 14 | 11 | 85 | 4 |
| 25 tot 45 jaar | 3 | 35 | 58 | 8 |
| 45 tot 75 jaar | 6 | 57 | 25 | 18 |
| Onderwijsniveau | ||||
| Laag | 9 | 37 | 54 | 10 |
| Middelbaar | 6 | 32 | 56 | 12 |
| Hoog | 4 | 43 | 45 | 12 |
Een groot deel van de werkenden die in 2018 werkloos zijn geworden, was nog maar kort werkzaam bij de werkgever of in het eigen bedrijf. Van hen had 44 procent een anciënniteit van minder dan één jaar (figuur 1.4.4). Dit aandeel is recent toegenomen. Van degenen die werkloos werden in 2016 ging het nog om 34 procent. Tegelijkertijd daalde vooral onder degenen met een anciënniteit van 1 tot 10 jaar het aandeel dat werkloos werd, terwijl dit bij een anciënniteit van 10 jaar of meer vrijwel stabiel is gebleven.
Het beeld dat naar voren komt bij werkenden die inactief zijn geworden (figuur 1.4.5) verschilt enigszins van werkenden die werkloos zijn geworden. Weliswaar had een groot deel (34 procent) van de werkenden die inactief zijn geworden een anciënniteit van minder dan één jaar. Maar deze groep is vrijwel even groot als het deel van de werkenden dat 10 jaar of meer werkzaam was bij de werkgever of in het eigen bedrijf (33 procent). Bij de laatste gaat het voornamelijk om oudere werknemers die met pensioen gaan of niet meer willen of kunnen werken vanwege ziekte.
Van werknemer naar uitkering
De meeste dynamiek in de stromen vanuit betaald werk naar uitkeringen komt voor rekening van de stromen naar WW. De stromen naar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen blijven redelijk stabiel en reageren amper op de conjuncturele ontwikkelingen. Instroom naar een bijstandsuitkering laat ook minder dynamiek zien in vergelijking met de WW. Dit komt doordat veel mensen die een baan verliezen niet direct in de bijstand terechtkomen. Bijstand is een voorziening waarop men aanspraak kan maken als er geen andere inkomsten zijn binnen het huishouden, zoals van een partner. Daarnaast stromen de meeste mensen eerst in de WW als ze hun baan verliezen. De eventuele doorstroom naar de bijstand vindt pas later plaats, als de WW-rechten zijn verbruikt en men geen andere bronnen van inkomsten meer heeft.
Van de 169 duizend personen die in 2016 een baan als werknemer en in 2017 een uitkering hadden, hadden 97 duizend personen een WW-uitkering in 2017. In 2013 waren het er nog 177 duizend. Vanwege de aantrekkende arbeidsmarkt sinds 2013 verloren steeds minder mensen hun baan. In absolute zin stromen meer personen met een vast contract de WW in. Maar omdat de groep mensen met een vast contract groter is, hebben mensen met een tijdelijk contract relatief een grotere kans om in de WW terecht te komen. Met de aantrekkende economie slagen steeds meer mensen met een tijdelijk contract erin om werkzaam te blijven en wordt dit verschil kleiner. Van alle personen met een vast contract in 2016 kwam 1 procent in 2017 in de WW terecht, bij tijdelijke contracten was dit percentage 2.
Als het om uitstroom van werk naar uitkering gaat, dan vormt het doorstromen naar de WW vanuit een baan als werknemer de grootste uitstroomcategorie. Dit geldt bij alle leeftijdsgroepen maar bij jongeren minder vaak dan bij ouderen. Jongeren stromen ook vaker door naar de bijstand dan andere leeftijdsgroepen. Dit komt doordat jongeren minder WW-rechten opbouwen omdat ze kortere tijd actief zijn op de arbeidsmarkt. Hierdoor kunnen jongeren maar zeer beperkt aanspraak maken op een WW-uitkering en stromen zij vaker en sneller door naar de bijstand. Overigens stromen jongeren in het algemeen het minst vaak door naar een uitkeringssituatie nadat ze hun baan als werknemer verliezen en vormen ze maar een kleine groep in de totale stromen naar een uitkering.
Bij de oudere categorieën spelen overige uitkeringen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen een grotere rol in de stromen van baan naar uitkering. Naarmate mensen ouder worden, lopen ze meer kans om arbeidsongeschikt te raken. Overige uitkeringen betreffen sociale voorzieningen voor ouderen zoals IOAW en IOAZ, maar ook oorlogs- en verzetspensioenen en ANW, waar voornamelijk ouderen aanspraak op maken. Ook Wajong, een voorziening voor jeugdgehandicapten valt onder de overige uitkeringen en verklaart een wat groter gedeelte van de uitstroom naar een overige uitkering bij jongeren.
Van werk naar pensioen
Iets meer dan 70 duizend personen gingen met pensioen tussen 2016 en 2017. De meerderheid van deze gepensioneerden (58 procent) was 65 jaar of ouder. Het aandeel werknemers dat vanaf 65 jaar met pensioen gaat, stijgt snel. Begin deze eeuw was amper 4 procent van alle werknemers die met pensioen ging ouder dan 65 jaar. Dit heeft te maken met de wettelijke pensioenleeftijd die in stappen wordt verhoogd en met het afschaffen van VUT- en prepensioenregelingen in 2006 (Arts en Otten, 2013). Het aantal werknemers dat voor hun 60ste met pensioen gaat is sinds 2006 dan ook behoorlijk gedaald.
1.5Transities werk naar werk
Verandering van werkgever
In 2018 hadden bijna 800 duizend werknemers een andere werkgever dan het jaar ervoor. Het hoogste aantal in de afgelopen tien jaar. Dit is 12 procent van de werknemers van 15 tot 75 jaar die in 2017 en 2018 werknemer waren. Wanneer de arbeidsmarkt krapper wordt, ontstaan er meer mogelijkheden om van werkgever te wisselen. Het aantal werknemers dat wisselde van werkgever neemt sinds 2015 weer toe.
Verandering van werkgever naar soort dienstverband
Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie wisselen vaker van werkgever dan werknemers met een vaste arbeidsrelatie. Van alle werknemers die zowel in 2017 als 2018 werknemer waren, wisselde 7 procent vanuit een flexibele baan en 5 procent vanuit een vaste baan. Vrouwen wisselden vaker dan mannen van werkgever. Het wisselen van werkgever verschilt sterk per leeftijdsgroep. Van de jongeren tussen 15 en 25 jaar veranderde 30 procent in 2018 van werkgever. Van de 25- tot 45‑jarigen en 45- tot 75‑jarigen was dit respectievelijk 12 procent en 6 procent.
1.5.2Verandering van werkgever van werknemers 2017–2018
| Andere werkgever | Vast in 2017 | Flex in 2017 | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| waarvan totaal | vast in 2018 | flex in 2018 |
waarvan totaal | vast in 2018 | flex in 2018 |
||
| % | |||||||
| Totaal | 12 | 5 | 50 | 50 | 7 | 23 | 77 |
| Geslacht | |||||||
| Mannen | 11 | 5 | 54 | 46 | 6 | 25 | 75 |
| Vrouwen | 13 | 4 | 45 | 55 | 8 | 21 | 79 |
| Leeftijd | |||||||
| 15 tot 25 jaar | 30 | 5 | 40 | 60 | 25 | 15 | 85 |
| 25 tot 45 jaar | 12 | 6 | 48 | 52 | 6 | 32 | 68 |
| 45 tot 75 jaar | 6 | 3 | 59 | 41 | 2 | 27 | 73 |
| Onderwijsniveau | |||||||
| Laag | 13 | 3 | 43 | 57 | 10 | 15 | 85 |
| Middelbaar | 12 | 4 | 48 | 52 | 8 | 21 | 79 |
| Hoog | 11 | 6 | 53 | 47 | 5 | 34 | 66 |
Een deel van de werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in 2017 die van werkgever wisselden had in 2018 een vaste arbeidsrelatie (23 procent). Van de baanwisselaars met een vaste arbeidsrelatie kreeg 50 procent opnieuw een vast contract en de overige baanwisselaars kregen een flexibele baan.
Een verandering van dienstverband kan ook bij dezelfde werkgever plaatsvinden. Het gaat dan om flexwerkers van wie het contract door de werkgever is omgezet in een vast contract. Van de werknemers met een flexibele arbeidsrelatie in 2017 had 44 procent een jaar later dit vaste contract. In 2014 was dit nog 40 procent. Bij vrouwen kwam dit in 2018 vrijwel even vaak voor als bij mannen. Daarnaast neemt dit aandeel toe met het behaalde onderwijsniveau. Ruim de helft van de hoogopgeleide flexwerkers (54 procent) werd in 2018 werkzaam in een vaste baan, tegen 36 procent van de laagopgeleiden. Ook verschilt dit per leeftijdsgroep, waarbij dit aandeel met drie op de tien het laagst is bij jongeren.
1.5.3Verandering arbeidsrelatie van werknemers bij dezelfde werkgever 2017–2018
| Totaal | Flexibele arbeidsrelatief in 2017 | ||
|---|---|---|---|
| vaste arbeidsrelatie in 2018 |
flexibele arbeidsrelatie in 2018 |
||
| % | |||
| Totaal | 100 | 44 | 56 |
| Geslacht | |||
| Mannen | 100 | 45 | 55 |
| Vrouwen | 100 | 44 | 56 |
| Leeftijd | |||
| 15 tot 25 jaar | 100 | 30 | 70 |
| 25 tot 45 jaar | 100 | 54 | 46 |
| 45 tot 75 jaar | 100 | 47 | 53 |
| Onderwijsniveau | |||
| Laag | 100 | 36 | 64 |
| Middelbaar | 100 | 42 | 58 |
| Hoog | 100 | 54 | 46 |
Verandering van beroep
Een deel van de werknemers wisselt niet alleen van werkgever, maar ook van beroep. Dat kan bij dezelfde werkgever of bij een andere werkgever (figuur 1.5.4). De afgelopen jaren laten een flinke groei zien van het aantal werknemers dat van beroep wisselt. In 2014 waren nog 657 duizend beroepswisselaars onder werknemers, in 2018 is dit opgelopen tot boven de 900 duizend. Zes op de tien beroepswisselingen in 2018 vonden plaats bij dezelfde werkgever. Onder jongeren was het aandeel beroepswisselaars met 33 procent het grootst. Onder werknemers van 45 tot 75 jaar het laagst (6 procent).
Verandering van werknemer naar zelfstandige
Tot slot zijn er werknemers die aan de slag gaan als zelfstandige. In 2018 waren er 90 duizend personen als zelfstandige begonnen die een jaar eerder werknemer waren. Dat is 1,2 procent van de werknemers. Het merendeel van hen ging aan de slag als zelfstandige zonder personeel. Mannen maakten in 2018 vaker dan vrouwen de overstap van werknemer naar zelfstandige (respectievelijk 1,4 en 1,1 procent). Dit kwam naar verhouding het vaakst voor onder werknemers van 25 tot 45 jaar en onder hoogopgeleide werknemers.
1.5.6Verandering van werknemer naar zelfstandige 2017–2018
| Zelfstandige | Zelfstandige zonder personeel | |
|---|---|---|
| % | ||
| Totaal | 1,2 | 1,1 |
| Geslacht | ||
| Mannen | 1,4 | 1,2 |
| Vrouwen | 1,1 | 1,0 |
| Leeftijd | ||
| 15 tot 25 jaar | 0,9 | 0,8 |
| 25 tot 45 jaar | 1,6 | 1,5 |
| 45 tot 75 jaar | 1,0 | 0,9 |
| Onderwijsniveau | ||
| Laag | 0,9 | 0,7 |
| Middelbaar | 1,0 | 0,9 |
| Hoog | 1,8 | 1,6 |
1.6Tot slot
De dynamiek op de arbeidsmarkt in 2018 weerspiegelt de aantrekkende economie. Het aantal transities naar werk was nog steeds van een hoog niveau. Daarnaast kende 2018 het hoogste aantal wisselingen van werkgever en beroep in tien jaar. Ook zijn er steeds meer mensen die uit een WW-uitkering stromen en een baan vinden als werknemer. Jongeren maken meer arbeidsmarkttransities door dan ouderen. Zij worden vaker werkloos. Maar eenmaal werkloos hebben ze ook een grotere kans om (weer) aan het werk te komen. Bovendien wisselen jongeren relatief vaak van werkgever of van beroep.
De aantrekkende economie blijkt ook uit de ontwikkeling van het aantal mensen met betaald werk dat werkloos wordt. Dit aantal is aanzienlijk gedaald in 2018. Daarbij bestaat een groter deel van de werkloos geworden mensen uit personen die relatief kort werkzaam zijn bij de werkgever. Bovendien stromen steeds minder mensen vanuit werk door naar een WW-uitkering.
Verder is in 2018 voor het eerst in tien jaar het aandeel werkenden met een vaste arbeidsrelatie toegenomen en is het aandeel met een flexibele baan wat gedaald. Desondanks is het aandeel mensen in flexibele banen aanzienlijk gegroeid in tien jaar. Een vraag voor verder onderzoek is in hoeverre dit een teken is van een groeiende tweedeling op de arbeidsmarkt, waarbij er een scheidingslijn is tussen personen in vaste en flexibele banen. Zijn er aan de ene kant personen met baanzekerheid die voor langere tijd bij dezelfde werkgever blijven en aan de andere kant personen die voortdurend wisselen tussen flexibele banen voor wie vaste banen onbereikbaar blijven?
1.7Technische toelichting
De hier gebruikte gegevens komen uit het Stelsel van Sociaal-Statistische Bestanden (SSB) van het CBS. Het SSB is een stelsel van op individueel niveau koppelbare registers en enquêtes die op elkaar zijn afgestemd. Het SSB bevat demografische gegevens, zoals geslacht, geboortedatum, burgerlijke staat, geboorteland, woonplaats en huishoudensamenstelling en sociaaleconomische gegevens, zoals de arbeidsmarktpositie en inkomensbron (uitkering, loon).
De uitkomsten over de beroepsbevolking zijn ontleend aan de Enquête Beroepsbevolking (EBB). De EBB is een roterend panelonderzoek onder een steekproef van 53 duizend huishoudens (2013). Binnen elk huishouden worden personen van 15 jaar of ouder geïnterviewd. Huishoudens worden een jaar lang gevolgd. Uitkomsten over transities van en naar een baan zijn ontleend aan registers.
Vast en flexibel werk
De gegevens over de arbeidsrelatie van werknemers zijn gebaseerd op de EBB. Daarnaast publiceert het CBS op basis van de Statistiek werkgelegenheid en lonen (SWL) over banen van werknemers waarbij eveneens onderscheid wordt gemaakt tussen vast en flex. De EBB en SWL verschillen op een aantal punten van elkaar, zie voor meer informatie op cbs.nl (CBS, 2019).
De demografische gegevens komen voornamelijk uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens. Voor informatie over werknemers wordt gebruik gemaakt van de gegevens uit de Verzekerdenadministratie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Belastingdienst, de bedrijfsenquête Werkgelegenheid en Lonen (tot en met 2005) en de Polisadministratie (vanaf 2006). Van de mensen die een uitkering ontvangen is veel informatie beschikbaar van het UWV, de Belastingdienst en de gemeenten. De uitkomsten over transities naar pensioen zijn gebaseerd op registers en ontleend aan maatwerktabel ‘Personen van 55 jaar of ouder met loon werknemer of inkomen zelfstandige als voornaamste inkomensbron die een jaar later met pensioen zijn gegaan (november-november)’. De uitkomsten over schoolverlaters zijn ook gebaseerd op registers en zijn ontleend aan StatLinetabel ‘Voortijdig schoolverlaters arbeidskenmerken na verlaten onderwijs’.
1.8Literatuur
Literatuur
Arts, K. & F. Otten, 2013, Stijgende arbeidsparticipatie en minder uittreding bij ouderen, Sociaaleconomische trends, 4e kwartaal 2013.
CBS, 2017. Arbeidsparticipatie en afstand tot de arbeidsmarkt, 2017. Aanvullend Statistisch Onderzoek, 5 oktober 2018.
CBS, 2019. Vast en flexibel werk: verschillen in uitkomsten. https://www.cbs.nl/nl-nl/artikelen/nieuws/2019/46/meer-werklozen-maar-arbeidsmarkt-blijft-krap/vast-en-flexibel-werk-verschillen-in-uitkomsten
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), 2007. Investeren in werkzekerheid. Amsterdam University Press, Amsterdam.