Uniforme rekenmethodiek
De hoeveelheden stikstof en fosfaat die jaarlijks met dierlijke mest worden geproduceerd, worden sinds het begin van de jaren negentig volgens een vaste rekenmethodiek bepaald. De jaarlijkse actualisatie van de cijfers vindt plaats in een samenwerkingsverband met diverse belanghebbende organisaties.
1.1Inleiding
Het CBS berekent jaarlijks de mestproductie en de excretie van stikstof en fosfaat van de Nederlandse veestapel. De excretie van stikstof en fosfaat kan tot ongewenste effecten leiden zoals verzuring van de bodem en eutrofiëring van het oppervlaktewater. Daarnaast vervluchtigt een deel van de uitgescheiden stikstof in de vorm van het broeikasgas lachgas (N2O).
De mestproductie en mineralenexcretie worden berekend door excretiefactoren voor de mestproductie en mineralenexcretie in kilogram per dier en per jaar te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling.
De excretiefactoren worden jaarlijks vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM). De WUM is onderdeel van het project Emissieregistratie (ER) waarin een groot aantal organisaties samenwerkt met als doel het jaarlijks vaststellen van de uitstoot van verontreinigende stoffen naar lucht, water en bodem.
In de werkgroep WUM zijn diverse instanties vertegenwoordigd die basisgegevens aanleveren voor de berekening van excretiefactoren. Het doel van de samenwerking in de werkgroep is een uniforme berekening van de landelijke mestproductie en mineralenexcretie. In de WUM zijn vertegenwoordigd: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Wageningen Economic Research, Wageningen Livestock Research, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
In dit rapport is in de vorm van bijlagen een volledig overzicht opgenomen van de uitgangspunten die zijn toegepast in de berekeningen voor 1990 tot en met 2018. Voor de achtergronden van de uitgangspunten wordt verwezen naar eerdere rapporten. De uitgangspunten voor de periode 1990–2008 zijn beschreven in Van Bruggen et al. (2010) en voor 2009 tot en met 2017 in Van Bruggen (2011 tot en met 2018).
1.2Excretiefactoren
De excretiefactoren voor de traditionele meststoffen in dierlijke mest (stikstof, fosfaat en kali) worden jaarlijks berekend op basis van een balans per dier:
excretie = opname met voer – vastlegging in dierlijke producten.
De basis voor de berekening van de excretiefactoren wordt gevormd door zogenaamde technische kengetallen. Dit zijn gegevens over het voerverbruik (krachtvoer en ruwvoer) en de dierlijke productie (melk, eieren, de groei van de dieren en het aantal geboren dieren). Daarnaast zijn gegevens nodig over de gehalten aan stikstof, fosfor en kalium van het voer en van dierlijke producten. Een aantal kengetallen wordt niet jaarlijks maar periodiek geactualiseerd omdat jaarlijkse informatie niet beschikbaar is. Met enige regelmaat worden in het kader van het mestbeleid studies uitgevoerd naar de forfaitaire stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie. De informatie die in deze studies wordt verzameld, wordt zoveel mogelijk door de WUM toegepast.
De jaarlijks te actualiseren kengetallen worden ontleend aan statistieken en technische administraties van het betreffende jaar, zoals het Bedrijveninformatienet (BIN; Wageningen Economic Research), statistieken over graslandgebruik, melkaanvoer en zuivelproductie en Landbouwtellingen (CBS), kengetallen van de varkenshouderij (Wageningen Livestock Research; Agrovision) en de afzet van vochtrijke voeders (Overleggroep Producenten Natte Veevoeders; OPNV).
Naast technische kengetallen wordt ook gebruik gemaakt van gegevens over de samenstelling van voedermiddelen en van dierlijke producten. Op basis van de Meststoffenwet zijn voerleveranciers verplicht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) jaarlijks een opgave te verstrekken van geleverde rundveevoeders en van voeders voor staldieren (paragraaf 3.2 en 4.1).
De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
1.3Gasvormige stikstofverliezen
Tijdens de opslag van mest verandert de samenstelling onder invloed van processen zoals afbraak van organische stof, vervluchtiging van ammoniak en vervluchtiging van overige stikstofverbindingen door denitrificatie (lachgas N2O, stikstofoxide NO en moleculaire stikstof N2). De hoeveelheid stikstof in de mest op het moment van uitrijden of toepassen, aangeduid met de term stikstofproductie, is dus gelijk aan de excretie verminderd met gasvormige verliezen in stal en opslag. Voor fosfaat en kali is er geen verschil tussen de excretie en de hoeveelheid in de mest op het moment van uitrijden of toepassen.
De hoeveelheid stikstof in de mest wordt niet berekend op basis van wettelijke forfaits maar op basis van de nationale rekenmethodiek voor ammoniakemissies (NEMA). Het CBS past deze uitkomsten onder andere toe bij de vergelijking van de berekende hoeveelheid stikstof en fosfaat in dierlijke mest met de plaatsingsruimte voor dierlijke mest.
1.4Mestproductiefactoren
Mestproductiefactoren geven de mestproductie per dier en per jaar. De mestproductie per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest (in kilogram) die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest.
De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011).
Aanpassing van mestproductiefactoren vindt alleen plaats wanneer er nieuwe informatie beschikbaar is.
1.5Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de Landbouwtelling als basis van het aantal bedrijven, de diercategorieën waarvoor de mestproductie wordt berekend en het aantal dieren.
Hoofdstuk 3 schetst de methodiek en de uitgangspunten die gebruikt worden voor de berekening van de mestproductie van graasdieren.
In Hoofdstuk 4 zijn per paragraaf beknopt de rekenmethodiek en de uitgangspunten voor staldieren weergegeven.
Hoofdstuk 5 beschrijft de belangrijkste resultaten per diergroep en gaat kort in op de gasvormige verliezen die optreden tijdens mestopslag. Ten slotte zijn enkele resultaten van de stikstof- en fosfaatproductie weergegeven naar regio en bedrijfstype.
In bijlagen is een compleet overzicht opgenomen van alle uitgangspunten en excretiefactoren per diercategorie van 1990 tot en met 2018.
1.6Literatuur
Literatuur
Van Bruggen, C., M.J.C. de Bode, A.G. Evers, K.W. van der Hoek, H.H. Luesink en M.W. van Schijndel (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990–2008. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2011). Dierlijke mest en mineralen 2009. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2012a). Dierlijke mest en mineralen 2010. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2012b). Dierlijke mest en mineralen 2011. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2013). Dierlijke mest en mineralen 2012. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2014). Dierlijke mest en mineralen 2013. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2015). Dierlijke mest en mineralen 2014. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2016). Dierlijke mest en mineralen 2015. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2017). Dierlijke mest en mineralen 2016. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2018). Dierlijke mest en mineralen 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.