Resultaten
De excretie van zowel stikstof als fosfaat lag in 2018 onder het mestproductieplafond dat door de Europese Commissie is vastgesteld.
5.1Stikstof- en fosfaatexcretie
De fosfaatexcretie in dierlijke mest is gedaald van 169,0 miljoen kilogram in 2017 tot 162,0 miljoen kilogram in 2018. Door deze afname ligt de fosfaatexcretie nu bijna 11 miljoen kilogram onder het niveau van het fosfaatplafond van 172,9 miljoen kilogram. De stikstofexcretie nam ten opzichte van 2017 licht af van 512,0 tot 503,5 miljoen kilogram. Hiermee is ook de stikstofexcretie gedaald tot onder het productieplafond van 504,4 miljoen kilogram.
De daling van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2018 ten opzichte van 2017 komt grotendeels voor rekening van de melkveehouderij.
In Tabel 5.1.1 is de excretie van stikstof en fosfaat naar diercategorie weergegeven.
5.1.1Stikstof- en fosfaatexcretie in dierlijke mest
| Stikstof (N) | Fosfaat (P2O5) | |||
|---|---|---|---|---|
| 2017 | 2018 | 2017 | 2018 | |
| mln kg | ||||
| Rundvee-melkvee | 303,5 | 289,9 | 86,6 | 78,7 |
| Rundvee-vleesvee | 33,6 | 37,5 | 10,8 | 12,1 |
| Varkens | 97,4 | 96,8 | 37,5 | 37,7 |
| Pluimvee | 58,9 | 56,7 | 27,5 | 25,9 |
| Overig vee | 18,8 | 22,7 | 6,6 | 7,7 |
| Totaal | 512,0 | 503,5 | 169,0 | 162,0 |
Rundvee
De daling van de fosfaat- en stikstofexcretie is vooral te danken aan de verdere krimp van de melkveestapel. Het gemiddelde aantal melkkoeien en het aantal stuks vrouwelijk jongvee daalde in 2018 met respectievelijk 5 en 14 procent ten opzichte van 2017.
De fosfaat- en stikstofexcretie van vleesrundvee nam toe door een toename van het aantal vleeskalveren en door actualisatie van de uitgangspunten. Het aandeel rosévleeskalveren dat op relatief jonge leeftijd wordt geslacht is toegenomen van 50 naar 70 procent. Deze dieren hebben, op jaarbasis, een hogere excretie per gemiddeld aanwezig dier. Daarnaast is de afvoerleeftijd en het aflevergewicht van oudere rosévleeskalveren toegenomen waardoor de voeropname en de excretie per dier hoger is (Bikker et al., 2019).
De melkproductie per koe nam ten opzichte van 2017 toe met 2 procent van 8 675 tot 8 850 kilogram. In 1990 bedroeg de melkproductie per koe circa 6 000 kg.
Het fosforgehalte van het mengvoer voor melkkoeien daalde van 4,2 tot 4,1 gram fosfor (P) per kilogram. Ook het stikstofgehalte van mengvoer daalde licht van 30,1 tot 29,4 gram per kilogram. Het fosforgehalte van het verbruikte ruwvoer lag in 2018 gemiddeld iets onder het niveau van 2017. Het stikstofgehalte daarentegen lag duidelijk hoger. Het stikstofgehalte van graskuil in de stalperiode nam toe van 27,9 tot 29,8 en van graskuil in de weideperiode van 26,9 tot 29,4 gram per kilogram droge stof.
Varkens
De Landbouwtelling van 2018 telde een kleine 40 duizend vleesvarkens (0,7 procent) minder dan de Landbouwtelling van 2017. Het aantal fokzeugen vertoonde eveneens een geringe daling van 1,1 procent.
De fosfor- en stikstofgehalten van het varkensvoer lagen in 2018 vrijwel op hetzelfde niveau als in 2017.
Pluimvee
Met ingang van 2018 is de omvang van de pluimveestapel gebaseerd op tellingen met het I&R-systeem voor pluimvee. Hierdoor valt met name het aantal vleeskuikens fors lager uit.
De daling van de fosfaat- en stikstofexcretie van pluimvee heeft dan ook vooral te maken met de gewijzigde telmethode van het aantal dieren. Bij de telling van het aantal dieren uit het I&R-systeem is ook rekening gehouden met het percentage uitval en het verloop hiervan over de productierondes van vleeskuikens en vleeskalkoenen. Met deze informatie is de berekening van de excretie per gemiddeld aanwezig dier verfijnd.
Overige vee
Het overige vee bestaat uit schapen, geiten, paarden, pony’s, konijnen en pelsdieren. Met ingang van 2018 is het aantal schapen en geiten gebaseerd op de I&R-systemen voor deze diercategorieën. Ook bij schapen lijkt de gewijzigde telmethode de oorzaak te zijn van een trendbreuk. Het totale aantal schapen bedraagt in 2018 op basis van I&R-gegevens circa 865 duizend stuks tegen 800 duizend stuks in 2017.
De uitgangspunten voor de excretieberekening in 2018 van geiten, paarden en pony’s zijn geactualiseerd op basis van Bikker et al. (2019).
De stikstof- en fosfaatexcretie van deze groep bedroeg in 2018 krap 5 procent van de totale excretie.
In de periode 1990–2018 daalde de stikstofexcretie met 27 procent en de fosfaatexcretie met 29 procent (Figuur 5.1.2). Door invoering van fosfaatgebruiksnormen, de mestboekhouding en mestproductierechten eind jaren tachtig, werd de daling van de fosfaatexcretie al ingezet vóór de invoering van het mineralenaangiftesysteem Minas in 1998. Bij stikstof werd de sterkste afname juist gerealiseerd na 1997. Tijdens de laatste jaren waarin Minas nog van kracht was, stagneerde de daling van de stikstof- en fosfaatexcretie. Na de invoering van het stelsel van gebruiksnormen in 2006 zijn de mestproductie en de mineralenexcretie weer licht gestegen. In de periode 2013–2015 nam de fosfaatexcretie toe door de groei van de melkveestapel en hoge fosforgehalten van ruwvoer maar in 2016 daalde deze weer door lagere fosforgehalten van ruwvoer en krachtvoer. In 2017 en in 2018 daalde de fosfaatexcretie vooral door de krimp van de melkveestapel.
Nederland mag onder voorwaarden meer dierlijke mest gebruiken per hectare landbouwgrond dan de Nitraatrichtlijn voorschrijft. Eén van de voorwaarden voor deze verruiming is dat de stikstof- en fosfaatexcretie niet uitkomt boven het niveau van 2002 (mestplafond). In 2010 werd het plafond voor fosfaat overschreden maar in 2011 en 2012 daalde de fosfaatexcretie weer tot onder het door de EU vastgestelde plafond. Sinds 2013 neemt de totale fosfaatexcretie weer toe door ontwikkelingen in de melkveehouderij met als gevolg dat het fosfaatplafond in 2015 en in 2016 werd overschreden. Door de uitvoering van het Fosfaatreductieplan voor de melkveehouderij in 2017, de subsidieregeling Fosfaatreductie varkenshouderij 2017 en de invoering van het Fosfaatrechtenstelsel in 2018 ligt zowel de fosfaat- als de stikstofexcretie in 2018 weer onder het productieplafond.
5.2Gasvormige stikstofverliezen
Tijdens de opslag van mest verandert de samenstelling onder invloed van processen zoals afbraak van organische stof, vervluchtiging van ammoniak en vervluchtiging van overige stikstofverbindingen (N2, N2O, NO) door denitrificatie. De afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers is ook tot de verliezen uit dierlijke mest gerekend. Deze stikstof wordt namelijk niet langer beschouwd als dierlijke mest maar als een anorganische meststof, vergelijkbaar met kunstmest. De stikstofexcretie verminderd met de gasvormige verliezen in stal en opslag wordt aangeduid met stikstofproductie.
Bij de toediening van dierlijke mest aan de bodem, inclusief de mest die dieren produceren als ze in de wei lopen, vervluchtigt opnieuw een deel van de aanwezige stikstof in de vorm van ammoniak. Deze toedieningsverliezen zijn niet Figuur 5.2.1 weergegeven. De cijfers in de tabel zijn berekend met de op TAN-gebaseerde rekenmethodiek (Lagerwerf et al., 2019).
5.3Stikstof- en fosfaatproductie naar regio
Er zijn grote regionale verschillen in de productie van stikstof en fosfaat. Traditioneel is de stikstof- en fosfaatproductie in Noord-Brabant het grootst, zowel in absolute hoeveelheid als per hectare cultuurgrond. In Zeeland is de mestproductie het kleinst door de geringe veedichtheid.
Figuur 5.3.1 toont de bijdrage van de verschillende diergroepen in de totale fosfaatproductie per provincie. In alle provincies met uitzondering van Limburg en Noord-Brabant is het aandeel van rundvee in de fosfaatproductie het grootst.
In Figuur 5.3.2 is de fosfaatproductie weergegeven per hectare cultuurgrond (exclusief glastuinbouw). Uit de figuur blijkt dat Noord-Brabant en Limburg de provincies zijn met de hoogste fosfaatproductie per hectare.
5.4Stikstof- en fosfaatproductie per bedrijfstype
Nederland mag meer dierlijke mest gebruiken per hectare landbouwgrond dan de 170 kilogram stikstof die de Nitraatrichtlijn voorschrijft (derogatie). Dit is alleen toegestaan als minimaal 80 procent van het bedrijfsareaal bestaat uit grasland. In dat geval mag op percelen met zand- of lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg 230 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van graasdierenmest gebruikt worden. Voor de overige provincies is de norm verruimt tot 250 kilogram stikstof per hectare.
Bij het berekenen van de plaatsingsruimte is uitgegaan van de hiervoor genoemde voorwaarden. De plaatsingsruimte voor stikstof is in de loop van de tijd gedaald door aanscherping van de derogatievoorwaarden en door afname van de hoeveelheid cultuurgrond.
De hoeveelheid stikstof in dierlijke mest (stikstofproductie) is berekend door de stikstofexcretie te verminderen met stikstofverliezen die optreden in stallen en mestopslagen, inclusief de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. De verliezen in stallen en mestopslagen zijn berekend volgens de nationale rekenmethodiek voor emissies uit dierlijke mest. De gasvormige stikstofverliezen van 2018 zijn nog voorlopige cijfers.
In Figuur 5.4.1 is de stikstofproductie en de plaatsingsruimte voor stikstof uit dierlijke mest van enkele bedrijfstypen weergegeven. De indeling in bedrijfstypen is gebaseerd op het economisch zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten.
De plaatsingsruimte voor fosfaat is het wettelijk toegestane gebruik van fosfaat in kilogram per hectare (gebruiksnorm) vermenigvuldigd met de oppervlakte van het areaal in hectare. Voor grasland en bouwland gelden verschillende gebruiksnormen die geleidelijk zijn aangescherpt. Met ingang van 2010 zijn de gebruiksnormen voor fosfaat gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. De gemeten fosfaattoestand is hierbij ingedeeld in een aantal klassen (arm, laag, neutraal of hoog) met een bijbehorende fosfaatgebruiksnorm. Als er geen gegevens zijn over de fosfaattoestand is, in overeenstemming met het mestbeleid, uitgegaan van een hoge fosfaattoestand en geldt dus de laagste fosfaatgebruiksnorm. Globaal is van 50 procent van de cultuurgrond de fosfaattoestand niet bekend. Vooral van bouwland ontbreken gegevens.
In figuur 5.4.2 is voor enkele jaren de fosfaatproductie en de plaatsingsruimte weergegeven
naar bedrijfstype.
5.5Mestproductievolume
Zowel in 2016 als in 2017 bedroeg de totale mestproductie 78 miljard kg. De afname van de rundveestapel leidde in 2017 niet tot een daling van de totale productie van dunne en vaste mest omdat door de hogere melkproductie per koe ook de mestproductie per koe toenam.
In Figuur 5.5.1 is de ontwikkeling weergegeven van de mestproductie per diersoort.
5.6Literatuur
Literatuur
Bikker, P., L.B. Šebek, C. van Bruggen & O. Oenema (2019). Stikstof- en fosfaatexcretie van gangbaar en biologisch gehouden landbouwhuisdieren. Herziening excretieforfaits Meststoffenwet 2019. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen, WOt-technical report 152 (concept).
Lagerwerf, L.A., A. Bannink, C. van Bruggen, C.M. Groenestein, J.F.M. Huijsmans, J.W.H. van der Kolk, H.H.Luesink, S.M. van der Sluis, G.L. Velthof & J. Vonk (2019). Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations of CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 with the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – update 2019. Wageningen, The Statutory Research Tasks Unit for Nature and the Environment. WOt-technical report 148.