Graasdieren
In de berekening van 2018 is voor het eerst gebruik gemaakt van gegevens uit de Kringloopwijzer, een database met de gegevens van 16 duizend bedrijven met melkvee.
Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s gebruiken in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen zoals sojaschroot. Daarnaast wordt aan rundvee nog vochtrijk krachtvoer verstrekt dat in hoofdzaak bestaat uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager droge stofgehalte dan het mengvoer.
Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor krachtvoer, 3 procent voor vochtrijk krachtvoer (tot en met 2017) en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. Met ingang van verslagjaar 2018 is het voerverlies van vochtrijk krachtvoer verlaagd naar 2 procent (Schröder et al., 2018). De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (Van Bruggen et al., 2010).
Omdat er grote verschillen bestaan tussen de voerrantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio’s: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. Voor de overige diercategorieën is deze opsplitsing niet nodig. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en regio Zuid-Oost uit Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.
3.1Ruwvoer
Het verbruik aan graskuil en hooi is tot en met 2017 berekend uit oogst en voorraadmutaties uit het CBS-onderzoek naar graslandgebruik. Voor 2018 is voor het verbruik van graskuil en hooi door melkveebedrijven overgestapt op gegevens van de Kringloopwijzer. Op dit moment loopt een onderzoek naar de bruikbaarheid van de snijmaïsgegevens in de Kringloopwijzer. Het verbruik van snijmaïs wordt tot dusver berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal geoogste snijmaïs (CBS), verminderd met conserveringsverlies. Met ingang van verslagjaar 2018 is het conserveringsverlies van snijmaïs verlaagd van 5 tot 4 procent (Schröder et al., 2018).
In de periode 1990–1997 is aangenomen dat alle geoogste snijmaïs in de daaropvolgende stal- en weideperiode werd vervoederd. Van 1998–2006 is het verbruik gecorrigeerd met voorraadmutaties op basis van informatie uit het BIN. Met ingang van verslagjaar 2007 komen de WUM-cijfers versneld beschikbaar waardoor geen gebruik meer kan worden gemaakt van de gegevens over voorraadmutaties in het BIN. Het snijmaïsverbruik is in de periode 2007–2017 om die reden gelijk gesteld aan de oogst in het voorgaande jaar. In de meeste jaren zal dit nauwelijks effect hebben gehad op de mineralenexcretie omdat de schommelingen in de opbrengst per hectare beperkt waren. In 2016 viel de opbrengst per hectare tegen, in 2017 was de opbrengst per hectare goed en in 2018 weer zeer slecht. In de mineralenexcretie van 2017 is de tegenvallende oogst van 2016 zichtbaar. Om te voorkomen dat er opnieuw schommelingen optreden in de cijfers doordat geen rekening wordt gehouden met demping door voorraadmutaties, is besloten om het verbruik van snijmaïs te berekenen uit de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar en deze te vermenigvuldigen met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar.
Het verbruik van weidegras wordt berekend op basis van de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. Om de plausibiliteit van het verbruik aan grasproducten te controleren, wordt de bruto graslandproductie vastgesteld en vergeleken met jaarproducties in het Handboek Melkveehouderij. De berekende graslandproducties blijken redelijk overeen te komen met de waarden in het Handboek. De bruto graslandproductie wordt berekend door het verbruik aan graslandproducten te verhogen met de voederwinnings- en conserveringsverliezen. Bij deze berekening wordt verondersteld dat het verschil tussen bruto en netto opbrengst 20 procent is, dat wil zeggen standaard 20 procent voederwinnings- en conserveringsverliezen en 20 procent beweidingsverliezen.
Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.1). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.
Figuur 3.1.2 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot 16 à 17 ton per hectare. In 2016 viel de oogst tegen door slechte weersomstandigheden en in 2018 door de extreem droge zomer.
De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een zeer groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.
De samenstelling heeft betrekking op het verbruikte voer. Voor geconserveerd voer wordt ervan uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst.
In de loop van de tijd is in studies naar de forfaitaire stikstofexcretie de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (Van Bruggen, 2016).
De productie, het verbruik en de samenstelling van ruwvoer is weergegeven in Bijlage 2.
3.2Krachtvoer
Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder). Van de beschikbaarheid aan krachtvoer zijn alleen landelijke gegevens bekend.
De bronnen van het krachtvoerverbruik en de samenstelling ervan zijn in de loop der jaren gewijzigd (Van Bruggen et al., 2010 en 2018). Met ingang van 2014 zijn voerleveranciers voor het eerst sinds 2006 weer verplicht om voerleveringen voor rundvee te rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de voerleveringen van mengvoer voor rundvee wordt onderscheid gemaakt tussen melkrundvee en vleesrundvee. In de overzichten van mengvoerleveringen komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om dubbeltellingen met de gegevens van de OPNV te vermijden is hiervoor gecorrigeerd. De afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt jaarlijks in kaart gebracht door de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).
Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland wordt voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer. Voor de bepaling van de afzetvolumes aan eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer worden gegevens van Wageningen Economic Research gebruikt waarbij de afzet van mengvoer is ingedeeld naar het gehalte aan Darm Verteerbaar Eiwit (DVE). Voeders met een DVE-gehalte tot en met 115 gram DVE per kg zijn beschouwd als eiwitarm en voeders met 120 gram DVE of meer als eiwitrijk. De afzetgegevens zijn gecombineerd met gegevens over de stikstof, fosfor en kaliumgehalten van mengvoer per DVE-gehalte van Wageningen Livestock Research. De berekende samenstelling van eiwitrijk en eiwitarm krachtvoer is ten slotte gekalibreerd met de samenstelling van melkveevoer in de gegevens van RVO.
Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO.
De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op voerleveranties aan kalvermesterijen (RVO). Dit voer bestaat uit kunstmelk en melkvervangers.
Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.
Het verbruik en de samenstelling van krachtvoer voor graasdieren is weergegeven in Bijlage 3.
3.3Mineralenexcretie
Algemene uitgangspunten
Voor de meeste categorieën rundvee, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast. Voor melk- en kalfkoeien wordt jaarlijks de voederbehoefte berekend en ook wordt de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van mineralen in dierlijke producten (melk) jaarlijks aangepast.
De hoeveelheden mineralen die in dierlijke producten worden vastgelegd zijn afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van graasdieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten zijn gebaseerd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in het levend gewicht van graasdieren komen zelden beschikbaar. De melkproductie van melkkoeien en het stikstofgehalte van koemelk worden wel jaarlijks geactualiseerd. Met ingang van verslagjaar 2017 wordt ook het fosforgehalte van melk jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019).
De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Met een toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt in dat geval geen rekening gehouden. Door de afschaffing van het melkquotum in 2015 en de maatregelen die zijn getroffen om de omvang van de melkveestapel te beheersen, is het aantal melkkoeien op de peildatum van de Landbouwtelling de laatste jaren niet representatief voor het gemiddelde aantal aanwezige dieren in het jaar. Dankzij de beschikbaarheid van gegevens uit I&R-rund vanaf 2017 is de melkproductie per koe in 2017 en in 2018 berekend door de som van de leveringen aan fabrieken en de achterhouding op de boerderij te delen door het gemiddeld aantal melkkoeien in de betreffende jaren.
Gegevens over het aantal geboren kalveren per jaar en het gewicht van de dieren is afgestemd met de nieuwste inzichten in de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars (jongvee van 1 jaar en ouder).
De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven in Bijlage 4.
Het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen en geiten is berekend op basis van vaste kengetallen voor de voederbehoefte (zie ook Van Bruggen et al., 2010). De voederbehoefte van melk- en kalfkoeien en jongvee wordt afgestemd op de uitgangspunten in de Handreiking BEX.
Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door weidegras. Het verbruik van weidegras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Door de trend naar vaker opstallen van jongvee en melkkoeien is het verbruik van weidegras inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van weidegras relatief gering is en het bovendien een restpost is in de berekening van het voerverbruik, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (Van Bruggen, 2018). Omdat de vers gras-opname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering.
De kengetallen voor vrouwelijk jongvee zijn gebaseerd op jongvee voor de melkveehouderij. Voor vrouwelijk jongvee voor de vleesproductie worden geen afzonderlijke kengetallen afgeleid.
Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.
Voor de verdeling van de mineralenexcretie over stal en weide wordt een eerste ruwe versie van de Landbouwtelling gebruikt. De definitieve resultaten over beweiding op de website van het CBS kunnen hier licht van afwijken.
De uitgangspunten en de excretieberekeningen voor rundvee zijn weergegeven in Bijlage 5.
Vrouwelijk jongvee
Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar krijgt in de weideperiode 10 procent van de energie uit krachtvoer. In de stalperiode is dit 20 tot 25 procent, afhankelijk van het aandeel snijmaïs in het rantsoen. De dieren van 1 jaar en ouder krijgen alleen in de stalperiode een deel van de energiebehoefte in de vorm van krachtvoer. In de weideperiode wordt in de energiebehoefte voorzien door opname van weidegras. Tot en met 2006 bedroeg het aandeel krachtvoer in de stalperiode in de regio Zuid-Oost 15 procent en in de regio Noord-West 10 procent (IKC, 1993). Met ingang van 2007 is het aandeel krachtvoer in het rantsoen van jongvee van 1 jaar en ouder herzien op basis van informatie vanuit de sector. De dieren krijgen over het algemeen geen krachtvoer behalve 1 à 2 kilogram enkele weken voor het afkalven. Het krachtvoeraandeel in de stalperiode is daarom voor beide regio’s verlaagd tot 5 procent van de energiebehoefte. Er wordt van uitgegaan dat het krachtvoer wordt verstrekt in de vorm van eiwitarm krachtvoer.
In de regio Noord-West bestaat het ruwvoer in de stalperiode uit graskuil. In de regio Zuid-Oost wordt in de stalperiode naast graskuil ook snijmaïs verstrekt.
Vleeskalveren
De uitgangspunten voor 2018 zijn herzien op basis van een concept-advies over herziening van forfaitaire excretienormen (Bikker et al., 2019). Het aandeel rosévleeskalveren dat op relatief jonge leeftijd wordt geslacht is toegenomen. Deze dieren hebben, op jaarbasis, een hogere excretie per gemiddeld aanwezig dier. Daarnaast is de afvoerleeftijd en het aflevergewicht van oudere rosévleeskalveren toegenomen waardoor de voeropname en de excretie per dier hoger is.
Vleesstieren
De huidige uitgangspunten zijn gebaseerd op een studie van Kemme et al. (2005). In deze studie wordt onderscheid gemaakt tussen kruislingstieren (melkras x vleesras) en zuivere vleesrasstieren. Zuivere vleesrasstieren worden na een zoogperiode van 6 à 7 maanden afgemest. In het recent verschenen concept-advies over herziening van excretieforfaits (Bikker et al., 2019) wordt voorgesteld om voor de forfaitaire excretie van vleesstieren enkel uit te gaan van zuivere vleesrasstieren. Aangezien uit gegevens van het Bedrijveninformatienet blijkt dat kruislingstieren nog steeds voorkomen, is het concept-advies op dit punt vooralsnog niet overgenomen.
Stieren van luxe vleesrassen worden in veel gevallen als zoogkalf geïmporteerd (broutard) op een leeftijd van circa 7 maanden. De excretie van dieren van 7 tot 12 maanden oud, uitgedrukt in excretie per dag, komt overeen met de excretie van dieren van 1 tot 12 maanden oud. Dit komt omdat zowel de toename in VEM-behoefte (en daarvan afgeleid de voeropname en de stikstof en fosforopname) als de groei per dag in het eerste jaar vrijwel lineair toenemen. De excretie is daardoor vrijwel constant in het eerste levensjaar (Bikker et al., 2019).
Zoogkoeien, mest- en weidekoeien
Zoogkoeien zijn moederdieren van vleesrasstieren die het kalf zogen tot een leeftijd van ongeveer 7 maanden waarna het kalf wordt afgemest. Met ingang van 1999 is geschat dat ca. 50 procent van de zoogkoeien extensief wordt gehouden. Vanuit de praktijk zijn er weinig technische data beschikbaar om de kengetallen te kunnen verifiëren. Vanaf 2003 is het uitgangspunt dat de dieren overwegend extensief worden gehouden. Bij het berekenen van de VEM-behoefte zijn dezelfde inzichten toegepast die zijn gebruikt bij het berekenen van de VEM-behoefte van melkkoeien (Tamminga et al., 2004).
Voor mest- en weidekoeien wordt bij de excretieberekening uitgegaan van dezelfde cijfers als voor zoogkoeien.
Schapen en geiten
De excretie van schapen en geiten wordt berekend per ooi respectievelijk per melkgeit. De uitgangspunten voor schapen zijn in 2018 niet gewijzigd. De melkproductie van melkgeiten is verhoogd van 900 naar 1 000 kilogram per melkgeit van 1 jaar en ouder (Bikker et al., 2019). Ook is het rantsoen hierop aangepast.
De uitgangspunten en de excretieberekening voor schapen en geiten zijn weergegeven in respectievelijk Bijlage 6 en 7.
Paarden en pony’s
Vanaf 1 januari 2006 is ook de mest- en mineralenproductie van bedrijfsmatig gehouden paarden en pony’s opgenomen in de Meststoffenwet. Voor de periode 1990–2005 zijn de excretiefactoren toegepast die voor 2006 zijn vastgesteld.
De uitgangspunten en de excretieberekening voor paarden en pony’s zijn weergegeven in Bijlage 8.
In Bikker et al. (2019) zijn de kengetallen voor opname en retentie van stikstof en fosfaat geactualiseerd. De rantsoensamenstelling en de stikstof- en fosforgehalten van de voeders zijn geactualiseerd op basis van het tabellenboek veevoeding voor paarden en praktijkontwikkelingen. Vanwege de grote diversiteit in de houderij van paarden en pony’s en het ontbreken van gedetailleerde informatie hierover is er geen verdere onderverdeling binnen de categorieën paarden, pony’s en ezels gemaakt.
Op basis van de beschikbare informatie valt de voeropname in Bikker et al. (2019) beduidend hoger uit dan in eerdere berekeningen van de excretie. De stikstof- en fosforgehalten van de gebruikte voeders zijn echter lager.
De mest- en mineralenproductie wordt alleen berekend voor dieren in de Landbouwtelling. Dit aantal is ongeveer een derde tot een kwart van het totale aantal in Nederland. Het totale aantal paarden en pony’s wordt geschat op 400 000 à 500 000 stuks.
3.4Mestproductievolume
De hoeveelheid mest (mestvolume) per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest.
De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011).
Enkele jaren geleden zijn de standaard-mestproducties per dier in het BBPR, bij vaste melkproductieniveaus, rantsoenen en vormen van beweiding, flink verhoogd. De fosfaatgehalten van de geproduceerde mest die met de nieuwe mestproducties worden berekend vielen hierdoor zeer laag uit en wijken af van geanalyseerde mestmonsters. Vooralsnog is besloten de herziene standaard-mestproducties per dier niet toe te passen. Het mestproductievolume van melkkoeien viel in 2018 wel iets hoger uit dan in 2017 door de toename van de melkproductie per koe.
De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Bijlage 12.
3.5Literatuur
Literatuur
Bikker, P., L.B. Šebek, C. van Bruggen & O. Oenema (2019). Stikstof- en fosfaatexcretie van gangbaar en biologisch gehouden landbouwhuisdieren. Herziening excretieforfaits Meststoffenwet 2019. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen, WOt-technical report 152 (concept).
Heeres-van der Tol, J.J. (2002). Stikstof- en fosfaatexcretie rundvee. Praktijkrapport Rundvee nr. 10. Praktijkonderzoek Veehouderij, Lelystad.
IKC (1993). Handboek voor de rundveehouderij. Publicatie nr. 35. Informatie en Kenniscentrum veehouderij. Lelystad.
Kemme, P.A., J. Heeres-van der Tol, G. Smolders, H. Valk & J.D. van der Klis (2005). Schatting van de uitscheiding van stikstof en fosfor door diverse categorieën graasdieren. Rapport no. 05/I00653. Animal Sciences Group – Nutrition and Food, Lelystad.
Koning, L. & L.B. Šebek (2019). Jaarrond gemiddeld fosforgehalte in melk; Jaarrond monitoren van het P-gehalte in melk van de Nederlandse melkveestapel en de mogelijkheid het P-gehalte in melk te schatten uit andere melkbestanddelen. Wageningen Livestock Research, Rapport 1166.
Schröder, J.J., L.B. Šebek, J. Oenema, J.G. Conijn & J. de Boer (2018). Rekenregels van de Kringloopwijzer 2017; Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: Actualisatie van de 2016‑versie. Wageningen Research, Rapport WPR-790.
Tamminga, S., A.W. Jongbloed, M.M. van Eerdt, H.F.M. Aarts, F. Mandersloot, N.J.P. Hoogervorst & H. Westhoek (2000). De forfaitaire excretie van stikstof door landbouwhuisdieren. Rapport ID Lelystad 00-2040R.
Tamminga, S., F. Aarts, A. Bannink, O. Oenema & G.J. Monteny (2004). Actualisering van geschatte N en P excreties door rundvee. Reeks Milieu en Landelijk gebied 25. Wageningen.
Tamminga, S. A.W. Jongbloed, P. Bikker, L. Šebek, C. van Bruggen & O. Oenema (2009). Actualisatie excretiecijfers landbouwhuisdieren voor forfaits regeling Meststoffenwet. Werkdocument 156 Wageningen.
Van Bruggen, C. (2011). Dierlijke mest en mineralen 2009. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2016). Dierlijke mest en mineralen 2015 (C. van Bruggen). Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2018). Dierlijke mest en mineralen 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C., M.J.C. de Bode, A.G. Evers, K.W. van der Hoek, H.H. Luesink en M.W. van Schijndel (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990–2008. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.