Minder personen met een uitkering.

Foto omschrijving: Een vrouw is een baan aan het zoeken.

Uitkeringen

Minder mensen in de WW

In 2021 ontvingen gemiddeld 207 duizend personen een uitkering in het kader van de Werkloosheidwet (WW). Dat waren er 40 duizend minder dan in 2020. Daarmee werd de stijging uit 2020 (+23 duizend) meer dan tenietgedaan. Het jaargemiddelde kwam uit op de laagste stand na 2008. Uit de cijfers die voor seizoeninvloeden zijn gecorrigeerd blijkt in grote lijnen dat het aantal WW’ers vanaf begin 2014 tot september 2019 bijna halveerde en vervolgens weer toenam, totdat in augustus 2020 een piek werd bereikt van 269 duizend. Eind 2021 was het aantal WW’ers weer met een derde gedaald. In 2021 was bijna de helft van de WW’ers vrouw, 57 procent was 45 jaar of ouder (zie ook StatLine: Personen met WW-uitkering en Personen met WW-uitkering, seizoengecorrigeerd).

Deze WW-cijfers betreffen de ontslagwerkloosheid. Bijzondere uitkeringen als gevolg van tijdelijke werktijdverkorting, werkloosheid door meteorologische omstandigheden of faillissement zijn buiten beschouwing gelaten. Sinds 2016 is de maximale duur van de WW geleidelijk teruggebracht van 38 maanden naar 24 maanden. In een aantal cao’s zijn afspraken gemaakt om de WW weer te verlengen naar 38 maanden; deze private WW telt niet mee in de uitkomsten.

Tussen de cijfers over het aantal WW’ers en die over de werkloze beroepsbevolking bestaan grote verschillen. Niet alle mensen die volgens de definitie werkloos zijn ontvangen immers een werkloosheidsuitkering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om jongeren die tijdens of na hun opleiding op zoek gaan naar werk, of andere werkzoekenden die nog niet eerder of niet lang genoeg gewerkt hebben om voldoende WW-rechten te hebben opgebouwd. Verder gaat het om mensen die werkloos zijn en al de maximale WW-duur hebben bereikt (mogelijk kan men daarna wel in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering), om mensen die werkzaam waren als zelfstandige of freelancer, of om werknemers die verwijtbaar ontslag kregen of op eigen initiatief ontslag hebben genomen.

7.1 Personen met een uitkering (jaargemiddelden) (x 1 000)
Jaar Arbeidsongeschiktheid Bijstand en bijstandsgerelateerd Bijstand Werkloosheid
2008 806,1 378,7 350,1 163,0
2009 798,6 390,7 358,7 217,8
2010 797,6 428,1 391,5 258,9
2011 795,8 448,8 411,1 252,5
2012 788,6 455,5 418,1 291,2
2013 767,4 485,1 445,8 366,7
2014 769,6 517,0 474,1 398,5
2015 765,8 535,6 488,5 382,2
2016 762,3 558,7 506,6 371,5
2017 762,3 569,8 515,0 325,6
2018 752,1 552,0 498,1 265,9
2019 755,8 530,5 477,9 223,1
2020 755,0 709,1 480,2 246,4
2021 . . 479,6 206,6

StatLine: Personen met een uitkering.

Bijstand

In 2020 ontvingen gemiddeld 709 duizend mensen een bijstands- of een bijstandsgerelateerde uitkering. Dit is inclusief 56 duizend personen vanaf de AOW-leeftijd, met name mensen die geen volledige AOW-uitkering hebben opgebouwd door verblijf in het buitenland. In bepaalde gevallen kan men dan recht hebben op een aanvullende bijstandsuitkering. Verder is dit cijfer inclusief de bijstandsgerelateerde uitkeringen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).

In vergelijking met 2019 steeg in 2020 het aantal mensen met een bijstands(gerelateerde) uitkering met een derde. Die stijging had vrijwel volledig betrekking op de bijstandsgerelateerde uitkeringen. Het aantal mensen met een algemene bijstandsuitkering steeg met slechts 2 duizend.

Vanaf maart 2020 steeg het aantal personen met een bijstands(gerelateerde) uitkering zeer sterk, doordat de Tozo van kracht werd. Hierdoor hadden in april 2020 in totaal 996 duizend mensen een bijstands(gerelateerde) uitkering, terwijl dat er aan het begin van 2020 nog 521 duizend waren. Toen de voorwaarden van de Tozo later wijzigden, liep het aantal personen met een uitkering weer terug.

Voor 2021 zijn voor het totaalcijfer over de bijstand alleen de uitkomsten tot en met juni bekend. Over het aantal mensen met een algemene bijstandsuitkering zijn wel al de cijfers over heel 2021 beschikbaar. Het waren er gemiddeld over het hele jaar vrijwel evenveel als in 2020. Wel daalde het aantal uitkeringen in de loop van het jaar, waardoor er eind 2021 12 duizend personen minder een algemene bijstandsuitkering hadden dan een jaar eerder.

Een bijstandsuitkering wordt verleend aan huishoudens. Dit kunnen alleenstaanden zijn of paren, met of zonder kinderen. Als bijstand wordt verstrekt aan een paar, worden beide partners meegeteld als bijstandsgerechtigde, zodat het aantal personen met een bijstandsuitkering hoger is dan het aantal bijstandsuitkeringen aan huishoudens. Bovenstaande cijfers hebben allemaal betrekking op personen. In 2021 ontvingen gemiddeld 480 duizend personen een algemene bijstandsuitkering. Daarvan was 57 procent alleenstaand, 14 procent een alleenstaande ouder en 30 procent maakte deel uit van een (echt)paar.

7.2 Personen met een bijstands(gerelateerde) uitkering, maandcijfers (x 1 000)
Bijstand en bijstandsgerelateerd Bijstand
2008 j, 2008 383,640 355,640
2008 f, 2008 384,030 355,760
2008 m, 2008 383,240 354,810
2008 a, 2008 382,310 353,790
2008 m, 2008 381,110 352,580
2008 j, 2008 379,240 350,620
2008 j, 2008 377,820 349,240
2008 a, 2008 375,840 347,210
2008 s, 2008 373,520 344,810
2008 o, 2008 373,030 344,010
2008 n, 2008 371,590 342,550
2008 d, 2008 373,720 344,200
2009 j, 2009 375,900 346,010
2009 f, 2009 379,800 349,340
2009 m, 2009 382,410 351,540
2009 a, 2009 385,660 354,340
2009 m, 2009 388,980 357,280
2009 j, 2009 391,260 359,130
2009 j, 2009 394,140 361,720
2009 a, 2009 396,040 363,410
2009 s, 2009 398,030 364,950
2009 o, 2009 401,700 368,140
2009 n, 2009 403,060 369,220
2009 d, 2009 408,150 373,760
2010 j, 2010 414,830 379,840
2010 f, 2010 420,790 385,060
2010 m, 2010 425,070 388,920
2010 a, 2010 428,370 391,900
2010 m, 2010 429,100 392,450
2010 j, 2010 429,820 393,040
2010 j, 2010 430,520 393,780
2010 a, 2010 431,770 394,890
2010 s, 2010 432,240 395,080
2010 o, 2010 434,440 397,070
2010 n, 2010 435,610 398,190
2010 d, 2010 440,070 402,400
2011 j, 2011 444,120 406,270
2011 f, 2011 447,480 409,360
2011 m, 2011 449,810 411,600
2011 a, 2011 450,710 412,640
2011 m, 2011 450,620 412,750
2011 j, 2011 450,160 412,380
2011 j, 2011 449,950 412,320
2011 a, 2011 448,980 411,540
2011 s, 2011 448,110 410,690
2011 o, 2011 449,810 412,260
2011 n, 2011 449,840 412,440
2011 d, 2011 453,120 415,550
2012 j, 2012 451,580 413,670
2012 f, 2012 453,200 415,280
2012 m, 2012 453,840 415,790
2012 a, 2012 454,540 416,350
2012 m, 2012 455,920 417,480
2012 j, 2012 456,470 417,840
2012 j, 2012 454,000 418,280
2012 a, 2012 454,010 418,200
2012 s, 2012 454,650 418,360
2012 o, 2012 457,200 420,550
2012 n, 2012 461,210 424,230
2012 d, 2012 465,090 427,760
2013 j, 2013 470,000 432,320
2013 f, 2013 475,370 437,100
2013 m, 2013 479,930 441,100
2013 a, 2013 483,860 444,860
2013 m, 2013 486,550 447,370
2013 j, 2013 487,450 448,050
2013 j, 2013 488,590 449,240
2013 a, 2013 488,210 448,470
2013 s, 2013 489,000 448,950
2013 o, 2013 492,430 452,120
2013 n, 2013 496,570 455,800
2013 d, 2013 501,240 460,080
2014 j, 2014 506,530 465,130
2014 f, 2014 511,070 469,180
2014 m, 2014 515,100 472,730
2014 a, 2014 518,450 475,790
2014 m, 2014 520,140 477,240
2014 j, 2014 520,500 477,470
2014 j, 2014 520,890 477,950
2014 a, 2014 518,720 475,600
2014 s, 2014 517,110 473,670
2014 o, 2014 519,190 475,490
2014 n, 2014 522,700 478,430
2014 d, 2014 525,960 481,220
2015 j, 2015 528,880 483,800
2015 f, 2015 532,430 486,710
2015 m, 2015 536,030 489,700
2015 a, 2015 538,110 491,600
2015 m, 2015 538,910 492,090
2015 j, 2015 537,830 490,680
2015 j, 2015 534,650 487,350
2015 a, 2015 532,730 485,110
2015 s, 2015 533,930 485,840
2015 o, 2015 536,750 488,350
2015 n, 2015 540,950 492,050
2015 d, 2015 546,090 496,600
2016 j, 2016 550,610 500,450
2016 f, 2016 554,290 503,300
2016 m, 2016 557,840 505,980
2016 a, 2016 559,290 507,260
2016 m, 2016 560,720 508,320
2016 j, 2016 560,370 508,020
2016 j, 2016 560,520 508,150
2016 a, 2016 559,270 506,720
2016 s, 2016 559,330 506,600
2016 o, 2016 560,900 507,980
2016 n, 2016 564,100 510,740
2016 d, 2016 567,690 513,980
2017 j, 2017 570,590 516,250
2017 f, 2017 573,900 518,870
2017 m, 2017 576,360 520,790
2017 a, 2017 575,800 520,480
2017 m, 2017 574,150 519,050
2017 j, 2017 573,090 518,080
2017 j, 2017 571,290 516,430
2017 a, 2017 567,380 512,780
2017 s, 2017 564,330 509,750
2017 o, 2017 562,730 508,140
2017 n, 2017 562,890 508,230
2017 d, 2017 563,020 508,480
2018 j, 2018 563,000 508,360
2018 f, 2018 562,620 507,710
2018 m, 2018 561,790 506,790
2018 a, 2018 558,970 504,350
2018 m, 2018 556,730 502,300
2018 j, 2018 553,670 499,610
2018 j, 2018 551,030 497,510
2018 a, 2018 545,960 492,710
2018 s, 2018 541,640 488,670
2018 o, 2018 539,190 486,500
2018 n, 2018 538,670 485,860
2018 d, 2018 538,880 486,100
2019 j, 2019 538,910 486,040
2019 f, 2019 538,630 485,470
2019 m, 2019 538,130 484,810
2019 a, 2019 536,530 483,150
2019 m, 2019 534,130 481,080
2019 j, 2019 531,870 479,030
2019 j, 2019 529,360 476,920
2019 a, 2019 525,270 473,090
2019 s, 2019 521,860 470,040
2019 o, 2019 520,450 468,830
2019 n, 2019 520,330 468,910
2019 d, 2019 521,080 469,660
2020 j, 2020 521,180 469,850
2020 f, 2020 521,800 470,360
2020 m, 2020 941,350 476,710
2020 a, 2020 996,430 482,790
2020 m, 2020 982,160 485,380
2020 j, 2020 708,800 485,920
2020 j, 2020 672,590 486,040
2020 a, 2020 661,460 482,970
2020 s, 2020 646,720 480,940
2020 o, 2020 630,540 481,510
2020 n, 2020 636,260 482,830
2020 d, 2020 658,380 485,410
2021 j, 2021 683,490 486,590
2021 f, 2021 683,910 487,750
2021 m, 2021 667,390 487,770
2021 a, 2021 616,300 486,590
2021 m, 2021 619,340 484,070
2021 j, 2021 611,160 481,130
2021 j, 2021 . 478,050
2021 a, 2021 . 473,680
2021 s, 2021 . 469,870
2021 o, 2021 . 468,000
2021 n, 2021 . 472,000
2021 d, 2021 . 473,000

StatLine: Personen met een bijstands(gerelateerde) uitkering en Personen met een bijstandsuitkering.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) was een van de maatregelen van de overheid om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis. De regeling voorzag zelfstandig ondernemers in een aanvullende uitkering voor levensonderhoud als het inkomen door de coronacrisis tot onder het sociaal minimum daalde. Anders dan bij de algemene bijstandsuitkeringen werd bij de Tozo geen vermogenstoets gehanteerd.

De oorspronkelijke regeling gold met terugwerkende kracht vanaf maart 2020 en kon tot eind mei 2020 aangevraagd worden. Personen hadden op basis van de eerste Tozo-regeling recht op maximaal drie maanden aan financiële ondersteuning. Deze regeling werd opgevolgd door Tozo 2. Nieuw bij deze regeling was de partnerinkomenstoets, waardoor niet alle personen die recht hadden op de eerste Tozo-regeling ook recht hadden op Tozo 2. De regeling werd later ongewijzigd opgevolgd door Tozo 3, 4 en 5 (tot en met september 2021). Toen daarna weer nieuwe coronamaatregelen van kracht werden, konden zelfstandigen een beroep doen op de reguliere bijstand voor zelfstandigen (het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, Bbz), waarbij tot en met maart 2022 enkele voorwaarden werden versoepeld.

Tozo 1 leidde in maart 2020 tot een sterke toename van het aantal personen met een bijstandsgerelateerde uitkering. De eerste maand zijn 258 duizend Tozo-uitkeringen levensonderhoud verstrekt. Omdat een Tozo-uitkering aan huishoudens wordt verstrekt, ligt het aantal personen met een Tozo-uitkering hoger. In april 2020 ging het zelfs om 462 duizend personen. In de tweede helft van 2020 schommelde het aantal personen met een Tozo-uitkering rond de 120 duizend. Dit liep in het eerste kwartaal van 2021 op tot gemiddeld 142 duizend personen, en daalde in het tweede kwartaal weer tot gemiddeld 86 duizend personen.

Zie ook: Half miljoen mensen kregen Tozo-uitkering in 2020, Tozo, eerste kwartaal 2021 en Tozo, tweede kwartaal 2021.

Arbeidsongeschiktheid

In 2020 ontvingen gemiddeld 755 duizend personen een arbeidsongeschiktheidsuitkering, duizend minder dan in 2019. Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering vertoonde langere tijd een dalende tendens, maar in 2019 steeg het jaargemiddelde met 4 duizend. In de eerste helft van 2021 lag het aantal mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering weer boven dat van 2020.

Personen met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen kunnen naar drie groepen worden onderscheiden. De grootste groep is die van werknemers in loondienst die na twee jaar loondoorbetaling door de werkgever bij ziekte, recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor werknemers die vóór 2006 arbeidsongeschikt werden, is dit een uitkering volgens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en voor werknemers die vanaf 2006 arbeidsongeschikt zijn geworden, is dit een uitkering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De tweede groep bestaat uit personen met een uitkering volgens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Deze uitkering is bedoeld voor personen die op jonge leeftijd door een ziekte of een handicap arbeidsongeschikt zijn geworden. Een laatste groep personen met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bestaat uit voormalige zelfstandigen. Voor hen was het tot augustus 2004 mogelijk om in te stromen in een uitkering volgens de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ).

In 2020 waren er gemiddeld 218 duizend WAO’ers, 21 duizend minder dan in 2019. Tegelijkertijd groeide het aantal personen met een uitkering in het kader van de WIA (de regelingen IVA en WGA) met 22 duizend tot gemiddeld 321 duizend. Tegenwoordig vallen er meer mensen onder de WIA dan onder de oude WAO. Het aantal Wajong’ers kwam in 2020 uit op gemiddeld 216 duizend en er waren nog 8 duizend personen met een WAZ-uitkering.

4 op de 10 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen door psychische klachten

Eind 2020 werden 816 duizend arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verstrekt aan 758 duizend personen, van wie 365 duizend mannen en 394 duizend vrouwen. Op grond waarvan mensen arbeidsongeschikt zijn, blijkt uit gegevens over de gestelde diagnose. Daarbij hanteert het CBS een indeling met twaalf categorieën. Met 346 duizend vielen de meeste uitkeringen binnen diagnoses in de categorie psychische stoornissen (42 procent). Op de tweede plaats staat de categorie ziekten van het bot- en spierstelsel, op de derde plaats komen ziekten van het zenuwstelsel, oog en oor. Bij 83 procent van de uitkeringen is de persoon volledig arbeidsongeschikt verklaard.

7.3 Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen naar diagnose en mate van arbeidsongeschiktheid, eind 2020 (x 1 000)
Hoofdcategorie diagnose (indeling CAS) Volledig arbeidsongeschikt Gedeeltelijk arbeidsongeschikt Onbekend
Psychische
stoornissen
297,86 46,41 1,57
Ziekten van
het bot- en
spierstelsel
112,13 40,28 1,92
Ziekten van
het zenuwstelsel,
oog en oor
71,94 11,09 0,92
Ontwikkelings-
stoornissen
62,19 5,36 0,01
Ziekten van het
hartvaatstelsel
en bloed
31,17 7,31 0,43
Algemene
en endocriene
ziekten
30,53 6,38 0,27
Medische
oorzaak
onbekend
28,69 0,53 0,06
Ziekten van het
urogenitaal
stelsel
14,92 3,9 0,14
Ziekten van het
spijsverteringsstelsel
14,7 4,22 0,15
Ziekten van het
ademhalingsstelsel
12,65 2,44 0,07
Ziekten van
huid en
subcutis
2,62 0,6 0,03
Ziekte bij
zwangerschap
en bevalling
1,46 0,65 0,02

StatLine: Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Zie ook: 42 procent van uitkeringen arbeidsongeschiktheid door psychische klachten.

5 miljoen uitkeringsontvangers

Naast de hiervoor genoemde uitkeringen, waren er medio 2021 ook nog 3 541 duizend mensen die een AOW-uitkering ontvangen. Het is mogelijk dat een persoon meerdere uitkeringen ontvangt. Dat kunnen uitkeringen zijn van eenzelfde soort (bijvoorbeeld twee WAO-uitkeringen) of twee uitkeringen van een verschillend type (zoals een WW- en een bijstandsuitkering). Medio 2021 ontvingen in totaal 5 024 duizend mensen een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, bijstand (met inbegrip van bijstandsgerelateerde uitkeringen) of de Algemene ouderdomswet. Van hen wonen er ongeveer 368 duizend in het buitenland, vooral AOW’ers. Dit betekent dat 31 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar of ouder een uitkering heeft. Urk is de gemeente met relatief het kleinste aantal uitkeringsontvangers. In Bergen (NH) wonen relatief de meeste mensen met een uitkering.

7.4 Personen van 15 jaar of ouder met een uitkering, juni 2021
Gemeentenaam Aandeel uitkeringen
Aa en Hunze 36,9
Aalsmeer 27,4
Aalten 32,4
Achtkarspelen 32,4
Alblasserdam 31,2
Albrandswaard 27,3
Alkmaar 33,0
Almelo 36,4
Almere 25,3
Alphen aan den Rijn 29,2
Alphen-Chaam 30,9
Altena 28,6
Ameland 30,7
Amersfoort 27,3
Amstelveen 29,4
Amsterdam 28,3
Apeldoorn 33,9
Arnhem 31,4
Assen 34,4
Asten 31,9
Baarle-Nassau 36,2
Baarn 37,1
Barendrecht 27,0
Barneveld 25,7
Beek (L.) 37,4
Beekdaelen 37,1
Beemster 30,3
Beesel 34,7
Berg en Dal 36,9
Bergeijk 30,7
Bergen (L.) 33,9
Bergen (NH.) 42,5
Bergen op Zoom 35,4
Berkelland 35,2
Bernheze 30,3
Best 28,5
Beuningen 29,8
Beverwijk 31,2
Bladel 29,9
Blaricum 33,6
Bloemendaal 36,9
Bodegraven-Reeuwijk 28,5
Boekel 28,5
Borger-Odoorn 36,8
Borne 32,9
Borsele 29,9
Boxmeer 32,6
Boxtel 32,6
Breda 29,9
Brielle 30,8
Bronckhorst 35,1
Brummen 36,1
Brunssum 41,0
Bunnik 31,4
Bunschoten 25,3
Buren 28,6
Capelle aan den IJssel 32,9
Castricum 34,5
Coevorden 36,5
Cranendonck 33,8
Cuijk 33,1
Culemborg 29,0
Dalfsen 29,8
Dantumadiel 34,4
De Bilt 34,5
De Fryske Marren 33,0
De Ronde Venen 30,0
De Wolden 33,0
Delft 26,2
Den Helder 37,5
Deurne 32,3
Deventer 31,8
Diemen 25,1
Dinkelland 30,6
Doesburg 40,6
Doetinchem 34,5
Dongen 31,1
Dordrecht 32,6
Drechterland 31,7
Drimmelen 31,5
Dronten 28,1
Druten 31,0
Duiven 30,4
Echt-Susteren 38,0
Edam-Volendam 30,2
Ede 29,0
Eemnes 30,1
Eemsdelta 38,7
Eersel 31,9
Eijsden-Margraten 34,5
Eindhoven 28,4
Elburg 29,7
Emmen 38,5
Enkhuizen 35,2
Enschede 33,8
Epe 35,7
Ermelo 35,6
Etten-Leur 32,1
Geertruidenberg 31,1
Geldrop-Mierlo 32,7
Gemert-Bakel 30,3
Gennep 36,5
Gilze en Rijen 31,1
Goeree-Overflakkee 30,9
Goes 35,3
Goirle 33,1
Gooise Meren 31,7
Gorinchem 31,3
Gouda 31,3
Grave 32,6
Groningen (gemeente) 27,3
Gulpen-Wittem 39,0
Haaksbergen 34,9
Haarlem 29,4
Haarlemmermeer 26,9
Halderberge 34,0
Hardenberg 29,4
Harderwijk 30,5
Hardinxveld-Giessendam 26,9
Harlingen 38,5
Hattem 31,2
Heemskerk 34,2
Heemstede 37,6
Heerde 33,0
Heerenveen 33,9
Heerhugowaard 30,4
Heerlen 42,0
Heeze-Leende 33,4
Heiloo 36,4
Hellendoorn 32,5
Hellevoetsluis 32,6
Helmond 30,7
Hendrik-Ido-Ambacht 26,1
Hengelo (O.) 33,8
Het Hogeland 36,2
Heumen 33,9
Heusden 30,5
Hillegom 30,8
Hilvarenbeek 30,9
Hilversum 30,8
Hoeksche Waard 31,1
Hof van Twente 34,9
Hollands Kroon 30,8
Hoogeveen 34,7
Hoorn 33,6
Horst aan de Maas 30,3
Houten 25,0
Huizen 35,3
Hulst 34,5
IJsselstein 28,4
Kaag en Braassem 29,0
Kampen 28,1
Kapelle 29,3
Katwijk 27,6
Kerkrade 41,9
Koggenland 29,2
Krimpen aan den IJssel 34,7
Krimpenerwaard 30,0
Laarbeek 31,7
Landerd 31,5
Landgraaf 41,4
Landsmeer 32,5
Langedijk 31,0
Lansingerland 24,2
Laren (NH.) 41,2
Leeuwarden 32,8
Leiden 25,3
Leiderdorp 32,5
Leidschendam-Voorburg 34,4
Lelystad 32,3
Leudal 34,0
Leusden 31,9
Lingewaard 31,7
Lisse 32,0
Lochem 37,9
Loon op Zand 32,4
Lopik 26,1
Losser 35,5
Maasdriel 27,3
Maasgouw 38,3
Maassluis 34,9
Maastricht 34,9
Medemblik 32,4
Meerssen 37,9
Meierijstad 30,5
Meppel 32,0
Middelburg (Z.) 34,3
Midden-Delfland 26,6
Midden-Drenthe 33,8
Midden-Groningen 36,9
Mill en Sint Hubert 30,6
Moerdijk 31,5
Molenlanden 26,7
Montferland 34,6
Montfoort 28,0
Mook en Middelaar 35,0
Neder-Betuwe 26,1
Nederweert 32,6
Nieuwegein 32,3
Nieuwkoop 29,5
Nijkerk 28,5
Nijmegen 29,4
Nissewaard 32,3
Noardeast-Fryslƒn 33,1
Noord-Beveland 37,1
Noordenveld 37,7
Noordoostpolder 28,8
Noordwijk 32,0
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 34,7
Nunspeet 31,2
Oegstgeest 29,3
Oirschot 29,6
Oisterwijk 33,3
Oldambt 40,2
Oldebroek 28,8
Oldenzaal 35,1
Olst-Wijhe 32,0
Ommen 32,8
Oost Gelre 31,6
Oosterhout 33,8
Ooststellingwerf 36,8
Oostzaan 30,8
Opmeer 30,3
Opsterland 32,8
Oss 32,2
Oude IJsselstreek 34,9
Ouder-Amstel 30,9
Oudewater 29,4
Overbetuwe 29,8
Papendrecht 32,9
Peel en Maas 31,6
Pekela 40,2
Pijnacker-Nootdorp 23,5
Purmerend 33,9
Putten 30,0
Raalte 31,7
Reimerswaal 26,5
Renkum 39,7
Renswoude 21,7
Reusel-De Mierden 28,7
Rheden 39,7
Rhenen 31,9
Ridderkerk 35,5
Rijssen-Holten 28,7
Rijswijk (ZH.) 33,7
Roerdalen 38,2
Roermond 36,1
Roosendaal 33,7
Rotterdam 31,3
Rozendaal 31,7
Rucphen 33,6
Schagen 34,9
Scherpenzeel 28,1
Schiedam 29,6
Schiermonnikoog 35,3
Schouwen-Duiveland 36,6
's-Gravenhage (gemeente) 29,6
's-Hertogenbosch 30,5
Simpelveld 37,0
Sint Anthonis 31,4
Sint-Michielsgestel 31,2
Sittard-Geleen 39,2
Sliedrecht 33,4
Sluis 37,3
Smallingerland 35,0
Soest 33,2
Someren 29,0
Son en Breugel 31,3
Stadskanaal 40,1
Staphorst 23,4
Stede Broec 33,7
Steenbergen 31,7
Steenwijkerland 33,1
Stein (L.) 39,1
Stichtse Vecht 30,7
S£dwest-Fryslƒn 34,1
Terneuzen 36,0
Terschelling 29,4
Texel 36,1
Teylingen 27,8
Tholen 29,0
Tiel 31,1
Tilburg 29,4
Tubbergen 27,7
Twenterand 31,0
Tynaarlo 35,3
Tytsjerksteradiel 34,4
Uden 32,8
Uitgeest 27,2
Uithoorn 28,4
Urk 17,6
Utrecht (gemeente) 22,0
Utrechtse Heuvelrug 35,3
Vaals 36,4
Valkenburg aan de Geul 40,9
Valkenswaard 35,3
Veendam 38,0
Veenendaal 29,7
Veere 35,3
Veldhoven 32,0
Velsen 32,4
Venlo 34,8
Venray 33,4
Vijfheerenlanden 30,7
Vlaardingen 34,1
Vlieland 22,5
Vlissingen 37,7
Voerendaal 37,7
Voorschoten 33,0
Voorst 34,6
Vught 31,9
Waadhoeke 33,2
Waalre 33,5
Waalwijk 31,9
Waddinxveen 28,4
Wageningen 24,9
Wassenaar 34,3
Waterland 34,7
Weert 35,2
Weesp 31,1
West Betuwe 27,9
West Maas en Waal 30,6
Westerkwartier 31,8
Westerveld 39,0
Westervoort 33,4
Westerwolde 39,3
Westland 27,9
Weststellingwerf 35,2
Westvoorne 34,6
Wierden 30,4
Wijchen 31,9
Wijdemeren 33,0
Wijk bij Duurstede 29,9
Winterswijk 35,0
Woensdrecht 32,7
Woerden 28,8
Wormerland 33,7
Woudenberg 28,3
Zaanstad 32,4
Zaltbommel 27,0
Zandvoort 39,4
Zeewolde 23,0
Zeist 33,8
Zevenaar 36,3
Zoetermeer 31,6
Zoeterwoude 30,7
Zuidplas 27,3
Zundert 30,6
Zutphen 37,2
Zwartewaterland 25,9
Zwijndrecht 35,1
Zwolle 28,8

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg (hoofdstukken 1, 2, 5, 6, 7 en bijlagen)

Harry Bierings (hoofdstuk 3)

Linda Fernandez Beiro (hoofdstuk 4)

met hulp van vele anderen

Redactie

Kees Groenenboom