Ruim 9 miljoen werkenden in 2021.

Foto omschrijving: Nederland, Hoorn Diplomauitreiking van VWO6 op OSG West-Friesland.

Het aanbod van arbeid

Om te bepalen hoe groot het aanbod van arbeidskrachten is, wordt allereerst gekeken naar de Nederlandse bevolking van 15 tot 75 jaar. Tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 groeide dit deel van de bevolking met bijna 31 duizend personen tot 13,3 miljoen.

Deze toename is het saldo van omvangrijke stromen. Zo werden in de loop van het jaar 192 duizend personen 15 jaar. Een groter aantal mensen werd 75 jaar of overleed voor het 75ste levensjaar (256 duizend). Dat de omvang van de bevolking van 15 tot 75 jaar toch toenam, komt doordat de immigratie de emigratie overtrof. Ook daarbij gaat het om grote stromen. In 2021 vestigden zich 221 duizend mensen van 15 tot 75 jaar in Nederland, terwijl er 129 duizend vertrokken.

3.1 Bevolking van 15 tot 75 jaar (mln)
Jaar Bevolking Bevolking, prognose
1950 6,857 .
1951 6,95 .
1952 7,015 .
1953 7,061 .
1954 7,122 .
1955 7,193 .
1956 7,277 .
1957 7,353 .
1958 7,434 .
1959 7,55 .
1960 7,646 .
1961 7,732 .
1962 7,905 .
1963 8,07 .
1964 8,204 .
1965 8,34 .
1966 8,472 .
1967 8,599 .
1968 8,702 .
1969 8,813 .
1970 8,936 .
1971 9,068 .
1972 9,199 .
1973 9,317 .
1974 9,44 .
1975 9,576 .
1976 9,736 .
1977 9,864 .
1978 9,991 .
1979 10,127 .
1980 10,275 .
1981 10,423 .
1982 10,542 .
1983 10,651 .
1984 10,759 .
1985 10,878 .
1986 11 .
1987 11,115 .
1988 11,222 .
1989 11,302 .
1990 11,369 .
1991 11,451 .
1992 11,532 .
1993 11,604 .
1994 11,678 .
1995 11,728 .
1996 11,766 .
1997 11,805 .
1998 11,851 .
1999 11,904 .
2000 11,961 .
2001 12,037 .
2002 12,12 .
2003 12,184 .
2004 12,228 .
2005 12,264 .
2006 12,294 .
2007 12,323 .
2008 12,369 .
2009 12,442 .
2010 12,518 .
2011 12,582 .
2012 12,641 .
2013 12,687 .
2014 12,735 .
2015 12,796 .
2016 12,87 .
2017 12,964 .
2018 13,051 .
2019 13,135 .
2020 13,226 .
2021 13,281 .
2022 . 13,313
2023 . 13,308
2024 . 13,353
2025 . 13,396
2026 . 13,439
2027 . 13,474
2028 . 13,497
2029 . 13,514
2030 . 13,53
2031 . 13,538
2032 . 13,541
2033 . 13,537
2034 . 13,528
2035 . 13,514
2036 . 13,499
2037 . 13,471
2038 . 13,445
2039 . 13,422
2040 . 13,404
2041 . 13,395
2042 . 13,392
2043 . 13,394
2044 . 13,399
2045 . 13,397
2046 . 13,402
2047 . 13,417
2048 . 13,442
2049 . 13,483
2050 . 13,529
2051 . 13,582
2052 . 13,634
2053 . 13,687
2054 . 13,736
2055 . 13,783
2056 . 13,823
2057 . 13,863
2058 . 13,906
2059 . 13,947
2060 . 13,983
2061 . 14,014
2062 . 14,039
2063 . 14,062
2064 . 14,084
2065 . 14,103
2066 . 14,114
2067 . 14,125
2068 . 14,137
2069 . 14,152
2070 . 14,166

StatLine: Bevolking 2022, Bevolkingsprognose tot 2070 en Bevolking 1950–2021.

Cijfers over het aanbod op de arbeidsmarkt worden samengesteld op basis van gegevens uit de Enquête beroepsbevolking (EBB). Het CBS voert deze enquête uit onder personen van 15 jaar en ouder die in een particulier huishouden in Nederland wonen. De uitkomsten worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Daarmee sluit het CBS aan bij internationale afspraken over statistieken met betrekking tot de beroepsbevolking.

Nieuwe meetmethode EBB

Cijfers over de beroepsbevolking in dit hoofdstuk zijn dit jaar tot stand gekomen op basis van een aangepaste meetmethode, die naar aanleiding van een nieuwe EU-verordening is doorgevoerd om de gegevens over de arbeidsmarkt internationaal beter op elkaar af te stemmen. Hierdoor worden de uitkomsten beter vergelijkbaar. Door deze methodewijziging wijken de cijfers in de huidige publicatie af van voorgaande edities. Bovendien kunnen indelingen zijn gewijzigd (bijvoorbeeld minder gedetailleerde leeftijdsgroepen). Zie ook het kader Nieuwe uitkomsten over de beroepsbevolking in De publicatie De arbeidsmarkt in cijfers.

Dit hoofdstuk bevat alleen cijferreeksen die vergelijkbaar zijn met die van vorige jaren en dus geen methodebreuk hebben. Consequentie is dat sommige uitkomsten uit vorige edities in de huidige versie niet terugkomen.

Zie ook: Nieuwe meetmethode van invloed op beroepsbevolkingscijfers en Meer werklozen, maar ook meer werkenden volgens nieuwe meetmethode.

In 2021 waren er gemiddeld 13,1 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar die in een particulier huishouden in Nederland wonen. Doordat de EBB niet wordt uitgevoerd onder de bevolking in inrichtingen, instellingen en tehuizen (de institutionele bevolking), ligt dit aantal lager dan de eerder genoemde 13,3 miljoen volgens de Bevolkingsstatistiek.

Beroepsbevolking groeide verder

De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (de werkzame beroepsbevolking) en degenen die geen betaald werk hebben, maar wel recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (de werkloze beroepsbevolking). In 2021 groeide de beroepsbevolking met 82 duizend personen. De werkzame beroepsbevolking nam met 139 duizend toe.

Na de tussentijdse bijna-nulgroei in 2020 zet de stijging van de werkzame beroepsbevolking die begon in 2015 zich voort. In 2021 daalde ook het aantal werklozen weer (met 57 duizend), na een onderbreking in 2020, toen van een toename sprake was.

3.2 Beroepsbevolking (15 tot 75 jaar), verandering t.o.v. een jaar eerder (x 1 000)
Jaar Verandering
Werkzame
beroepsbevolking
'11, Werkzame
beroepsbevolking
3
Werkzame
beroepsbevolking
'12, Werkzame
beroepsbevolking
52
Werkzame
beroepsbevolking
'13, Werkzame
beroepsbevolking
-63
Werkzame
beroepsbevolking
'14, Werkzame
beroepsbevolking
-51
Werkzame
beroepsbevolking
'15, Werkzame
beroepsbevolking
76
Werkzame
beroepsbevolking
'16, Werkzame
beroepsbevolking
112
Werkzame
beroepsbevolking
'17, Werkzame
beroepsbevolking
174
Werkzame
beroepsbevolking
'18, Werkzame
beroepsbevolking
195
Werkzame
beroepsbevolking
'19, Werkzame
beroepsbevolking
178
Werkzame
beroepsbevolking
'20, Werkzame
beroepsbevolking
-1
Werkzame
beroepsbevolking
'21, Werkzame
beroepsbevolking
139
Werkzame
beroepsbevolking
, Werkzame
beroepsbevolking
.
Werkloze
beroepsbevolking
'11, Werkloze
beroepsbevolking
-3
Werkloze
beroepsbevolking
'12, Werkloze
beroepsbevolking
78
Werkloze
beroepsbevolking
'13, Werkloze
beroepsbevolking
132
Werkloze
beroepsbevolking
'14, Werkloze
beroepsbevolking
8
Werkloze
beroepsbevolking
'15, Werkloze
beroepsbevolking
-38
Werkloze
beroepsbevolking
'16, Werkloze
beroepsbevolking
-78
Werkloze
beroepsbevolking
'17, Werkloze
beroepsbevolking
-100
Werkloze
beroepsbevolking
'18, Werkloze
beroepsbevolking
-87
Werkloze
beroepsbevolking
'19, Werkloze
beroepsbevolking
-36
Werkloze
beroepsbevolking
'20, Werkloze
beroepsbevolking
42
Werkloze
beroepsbevolking
'21, Werkloze
beroepsbevolking
-57
Werkloze
beroepsbevolking
, Werkloze
beroepsbevolking
.
Niet-
beroepsbevolking
'11, Niet-
beroepsbevolking
40
Niet-
beroepsbevolking
'12, Niet-
beroepsbevolking
-42
Niet-
beroepsbevolking
'13, Niet-
beroepsbevolking
28
Niet-
beroepsbevolking
'14, Niet-
beroepsbevolking
69
Niet-
beroepsbevolking
'15, Niet-
beroepsbevolking
-17
Niet-
beroepsbevolking
'16, Niet-
beroepsbevolking
50
Niet-
beroepsbevolking
'17, Niet-
beroepsbevolking
27
Niet-
beroepsbevolking
'18, Niet-
beroepsbevolking
-42
Niet-
beroepsbevolking
'19, Niet-
beroepsbevolking
-63
Niet-
beroepsbevolking
'20, Niet-
beroepsbevolking
38
Niet-
beroepsbevolking
'21, Niet-
beroepsbevolking
-30

StatLine: Arbeidsdeelname en werkloosheid.

In 2021 bedroeg de brutoarbeidsparticipatie 73,5 procent, een nieuw hoogtepunt. De brutoarbeidsparticipatie geeft aan hoeveel procent van de bevolking (van 15 tot 75 jaar) tot de beroepsbevolking behoort. De lichte stijging van de participatiegraad betekent dat de bevolking in 2021 een iets sterkere binding met de arbeidsmarkt had dan in 2020. Een iets kleiner deel had immers geen betaald werk, zocht daar niet recent naar en/of was daarvoor niet direct beschikbaar.

De participatie nam bij de jongeren (15 tot 25 jaar) toe en bleef bij de 25- tot 45‑jarigen en 45- tot 75‑jarigen nagenoeg onveranderd.

3.3 Ontwikkeling brutoarbeidsparticipatie, 2021 t.o.v. 2020 (%-punt verandering t.o.v. een jaar eerder)
Brutoarbeidsparticipatie
15 tot 25 jaar 0,9
25 tot 45 jaar 0,1
45 tot 75 jaar 0,1

StatLine: Brutoarbeidsparticipatie, leeftijd.

Werkzame beroepsbevolking ruim 9 miljoen

In 2021 nam de werkzame beroepsbevolking opnieuw toe, tot een nieuw record (9,3 miljoen). Dat aantal is overigens niet gelijk aan het aantal werkzame personen dat in hoofdstuk 2 van deze publicatie is vermeld. De werkzame beroepsbevolking omvat namelijk personen van 15 tot 75 jaar in een particulier huishouden die in Nederland wonen en betaald werk hebben, ongeacht in welk land ze werken. Bij de werkzame personen in hoofdstuk 2 wordt iedereen meegeteld die bijdraagt aan de productie in Nederland, ongeacht leeftijd en woonland. Bijlage 2 licht deze verschillen nader toe.

Van de werkzame beroepsbevolking werkte in 2021 iets meer dan de helft voltijds (35 uur of meer per week). Onder werkende jongeren van 15 tot 25 jaar is het voltijdaandeel duidelijk lager dan gemiddeld (ongeveer 24,5 procent), bij 25- tot 45‑jarigen en 45- tot 75‑jarigen hoger (respectievelijk 60,7 procent en 54,0 procent). Onder mannen was het aandeel voltijders veel groter (71,8 procent) dan onder vrouwen (29,5 procent).

3.4 Bevolking 15 tot 75 jaar, verdeling werkzaam en niet-werkzaam, 2021 (x 1 000)
leeftijd in jaren Werkzaam 35 uur per week of meer (voltijd) Werkzaam 12 tot 35 uur per week Werkzaam < 12 uur per week Niet werkzaam
15 1 12 71 108
16 5 38 80 73
17 10 55 81 57
18 20 59 69 62
19 27 75 58 58
20 40 76 50 57
21 47 82 44 52
22 62 77 35 47
23 73 65 28 50
24 88 67 25 37
25 103 58 17 37
26 123 57 8 33
27 133 57 7 29
28 142 57 5 22
29 143 58 4 25
30 131 70 4 27
31 114 67 2 29
32 117 68 3 26
33 117 76 4 31
34 114 85 6 30
35 102 69 4 33
36 103 71 3 29
37 101 71 4 30
38 112 64 3 28
39 109 84 3 28
40 105 77 4 24
41 95 72 4 28
42 97 67 5 33
43 102 68 8 33
44 100 68 4 33
45 105 72 3 28
46 102 67 4 28
47 103 73 4 23
48 112 88 5 31
49 135 75 6 33
50 132 76 6 40
51 134 86 6 36
52 130 76 7 45
53 121 77 7 45
54 120 77 7 44
55 121 80 8 43
56 120 84 6 45
57 109 83 7 55
58 111 77 6 54
59 96 78 9 60
60 88 74 9 68
61 80 67 8 79
62 70 71 8 80
63 55 67 10 89
64 45 52 9 110
65 32 40 11 126
66 19 20 8 157
67 6 11 11 169
68 4 14 10 169
69 1 10 8 171
70 2 9 7 168
71 2 8 6 178
72 1 4 8 176
73 2 4 6 171
74 3 4 5 180

StatLine: Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur en leeftijd.

Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft, wordt de

nettoarbeidsparticipatie genoemd. In 2021 had 70,4 procent van alle 15- tot 75‑jarigen een betaalde baan. Dit is hoger dan in 2020, toen het percentage nog 69,6 was. Bij mannen nam de arbeidsdeelname iets meer toe dan bij vrouwen (0,9 tegenover 0,7 procentpunt ten opzichte van 2020). Voor de drie onderscheiden leeftijdsgroepen geldt een toename van 1,8 procentpunt (15- tot 25‑jarigen), 0,7 procentpunt (25- tot 45‑jarigen) en 0,4 procentpunt (45- tot 75‑jarigen).

3.5 Nettoarbeidsparticipatie (%)
Jaar 15 tot 75 jaar 15 tot 25 jaar 25 tot 45 jaar 45 tot 75 jaar
2003 65,6 70,6 82,7 48,2
2004 65,2 67,9 82,7 48,7
2005 65,5 67,6 83,1 49,6
2006 66,3 68,7 84,6 50,3
2007 68,0 71,2 86,2 52,2
2008 69,2 72,3 87,6 53,8
2009 68,9 70,8 87,0 54,7
2010 68,0 68,6 85,9 54,7
2011 67,8 69,2 85,3 54,9
2012 67,7 69,0 84,7 55,5
2013 66,7 67,9 83,2 55,1
2014 66,2 66,6 82,9 55,0
2015 66,7 68,5 83,3 55,4
2016 67,1 68,5 83,8 56,1
2017 67,9 69,9 84,3 57,0
2018 69,1 71,5 85,5 58,0
2019 70,0 72,8 86,0 59,1
2020 69,6 69,9 85,7 59,3
2021 70,4 71,7 86,4 59,7

StatLine: Nettoarbeidsparticipatie.

Beroepen met de meeste ouderen (65 tot 75 jaar)

In de top vijf beroepen in 2021 waarin de meeste 65- tot 75‑jarige mannen werken, staat de beroepsgroep bestuurders van voertuigen en bedieners van mobiele machines bovenaan. Bij de vrouwen in deze leeftijdsgroep is dat de beroepsgroep administratief personeel. In totaal waren 183 duizend mannen en 97 duizend vrouwen in deze leeftijdsgroep werkzaam.

3.6 Top vijf beroepsgroepen met de meeste werkzame 65- tot 75-jarige mannen, 2021 (x 1 000)
Beroepsgroepen Aantal 65- tot 75 jarigen
Bestuurders voertuigen
en bedieners
mobiele machines
20
Specialisten bedrijfsbeheer
en administratie
14
Verkopers 11
Administratief personeel 10
Docenten 9
3.7 Top vijf beroepsgroepen met de meeste werkzame 65- tot 75-jarige vrouwen, 2021 (x 1 000)
Beroepsgroepen Aantal 65- tot 75 jarigen
Administratief personeel 12
Schoonmakers en keukenhulpen 8
Verzorgenden 8
Verkopers 7
Auteurs en kunstenaars 7

StatLine: Beroepen onder 65- tot 75-jarigen, geslacht.

45- tot 75‑jarigen hadden steeds vaker werk

Sinds 2003 stijgt het aantal 45- tot 75‑jarigen met betaald werk onafgebroken ieder jaar. In 2021 bereikte het aantal een nieuw hoogtepunt van 4,0 miljoen. Sinds 2015 is de groep werkende 45‑plussers groter dan het aantal werkende 25- tot 45‑jarigen, die tot dan toe de grootste groep werkenden vormden.

De toename van 45- tot 75‑jarigen in de werkzame beroepsbevolking is voor een deel toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen. Het aantal 45- tot 75‑jarigen is de afgelopen dertig jaar aanzienlijk gestegen, en overtreft sinds 2000 het aantal 25- tot 45‑jarigen steeds meer, tot 2020, toen de bevolkingstoename van deze laatste leeftijdsgroep weer groter was dan die bij de ouderen.

Ook de participatie van 45- tot 75‑jarigen heeft bijgedragen aan de toename van werkenden in deze leeftijd. De nettoparticipatie nam van 2011 tot en met 2021 met 4,8 procentpunt toe; meer dan in de twee andere leeftijdsgroepen. Het totaal aantal 45- tot 75‑jarigen nam in deze periode 10,0 procent toe. De toename bij de 45- tot 75‑jarigen hangt samen met de toename van de gemiddelde pensioenleeftijd. Voor werknemers lag deze rond de 63 jaar in 2011 en iets boven de 65 jaar in 2021.

3.8 Nettoarbeidsparticipatie naar leeftijd (%)
Jaar 2021 2011
15 tot 75 jaar 70,4 67,8
15 tot 25 jaar 71,7 69,2
25 tot 45 jaar 86,4 85,3
45 tot 75 jaar 59,7 54,9

StatLine: Nettoarbeidsparticipatie, leeftijd, 2011 en 2021.

Steeds meer vaste werknemers afgelopen jaren

In 2021 waren er 7,8 miljoen werknemers. De meesten, 5,2 miljoen, hadden een vaste arbeidsrelatie, dat wil zeggen een contract voor onbepaalde tijd en een vast aantal uren per week. De stijgende trend in het aantal vaste werknemers sinds 2016 zette in 2021 door. In 2021 bedroeg de toename 72 duizend. Voor het eerst sinds 2018 nam ook het aantal flexwerknemers weer toe in 2021. In 2021 hadden 2,6 miljoen werknemers een flexibele arbeidsrelatie, 35 duizend meer dan in 2020. De rest van de werkenden, ongeveer 1,4 miljoen, verrichtte geen arbeid in loondienst, maar werkte voor eigen rekening of risico. De meesten (drie kwart) van hen waren zzp’er.

3.9 Werkzame beroepsbevolking naar arbeidsrelatie, 15 tot 75 jaar (x 1 000)
Jaar Zelfstandige met personeel of meewerkend gezinslid Zelfstandige zonder personeel (zzp) Werknemer met flexibele arbeidsrelatie Werknemer met vaste arbeidsrelatie
2013 340 894 2476 4723
2014 335 916 2519 4613
2015 330 936 2583 4608
2016 340 960 2647 4622
2017 337 986 2751 4672
2018 336 999 2791 4814
2019 337 1019 2765 4996
2020 359 1054 2545 5158
2021 367 1078 2580 5230
3.10 Werkzame beroepsbevolking (x 1 000)
2021 2020
Geslacht . .
Mannen 4887 4813
Vrouwen 4368 4303
. .
Leeftijd . .
15 tot 25 jaar 1520 1486
25 tot 45 jaar 3728 3651
45 tot 75 jaar 4008 3979
. .
Arbeidsrelatie . .
Werknemer 7810 7703
Zelfstandige 1445 1413
. .
Arbeidsduur . .
Minder dan 20 uur 1564 1568
20 tot 35 uur 2892 2795
35 uur of meer 4799 4753

Aanvullende statistiek: Arbeidsdeelname, kerncijfers 2013–2021.

Toename aantal flexwerknemers

Het aantal flexwerknemers nam in 2021 toe na twee jaar van daling. In 2021 waren er 2,6 miljoen flexwerknemers (15 tot 75 jaar) in Nederland. Dat is 35 duizend meer dan in 2020, wat procentueel in lijn is met de toename van het aantal werknemers.

De stijging van het aantal flexwerknemers in het tweede coronajaar volgt op een sterke daling in het eerste coronajaar. Flexwerknemers daalden toen in aantal met 220 duizend, veel sterker dan bij de hele groep werknemers.

Oproepkrachten komen van alle flexvormen het meest voor (940 duizend). Daarna volgen werknemers met een tijdelijk contract die uitzicht hebben op een vaste arbeidsrelatie (520 duizend).

Een schematisch overzicht van de CBS-indeling van arbeidsrelaties. Voor werknemers met een flexibele arbeidsovereenkomst wordt een onderverdeling gehanteerd van vier verschillende soorten arbeidsrelaties: tijdelijk contract voor een jaar of langer, tijdelijk contract korter dan een jaar, oproep- of invalkracht en uitzendkracht. Bij de zelfstandigen worden alle zzp’ers gerekend tot flexwerkers, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen zzp-eigen arbeid en zzp-producten. W erknemer tijdelijk ≥ 1 jaar W erknemer tijdelijk < 1 jaar Op r oep/-i n v alk r acht V ast Uitzendk r acht W e r k n e m er Z onder pe r soneel (zzp) Met pe r soneel Zzp-eigen arbeid Z e l f s t a n d i g e Fl e xibel Meewerkend gezinslid Zzp-p r oducten 3.11 F l e xib e l O v e r z i c h t v an arb e i d s r e l a t i e s
3.12 Flexwerkers naar arbeidsrelatie, 2021 (x 1 000)
Positie in de werkkring
Werknemer tijdelijk,
uitzicht op vast
520
Werknemer tijdelijk >= 1 jaar 353
Werknemer tijdelijk < 1 jaar 263
Oproep/-invalkracht 940
Uitzendkracht 423
Werknemer flex,
contract onbekend
81
3.13 Werknemers naar arbeidsrelatie (x 1 000)
Jaar Werknemer met vaste arbeidsrelatie Werknemer met flexibele arbeidsrelatie
2013 4723 2476
2014 4613 2519
2015 4608 2583
2016 4622 2647
2017 4672 2751
2018 4814 2791
2019 4996 2765
2020 5158 2545
2021 5230 2580

Aanvullende statistiek: Arbeidsdeelname, kerncijfers 2021 en StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring, flexvormen, 2021.

Het Dossier Flexwerk geeft een actueel beeld van flexwerk in Nederland en bevat ook een rubriek met veel gestelde vragen.

Nieuwe vraagstelling

De gegevens over de arbeidsrelatie van werkenden komen uit de Enquête beroepsbevolking. Vanaf 2021 geldt daarvoor een nieuwe vraagstelling. Voorheen luidde de vraag of men in vaste dienst was. Nu wordt gevraagd of men een tijdelijk contract heeft (voor bepaalde tijd, bijvoorbeeld één jaar) of een vast contract (voor onbepaalde tijd). Ook wordt voortaan gevraagd of men werkzaam is via een detacheringsbureau. Wie daarop ‘ja’ antwoordt, telt mee bij de uitzendkrachten.

Zie ook: Minder flexwerknemers dan voor coronacrisis ondanks toename

Toename zelfstandigen zonder personeel

Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) groeide met 24 duizend naar bijna 1,1 miljoen in 2021. Zij maakten ongeveer drie kwart uit van alle mensen die in hun voornaamste werkkring als zelfstandige werkten. Een zzp’er is iemand die arbeid verricht voor eigen rekening of risico en geen mensen in dienst heeft. Dat kan in een eigen bedrijf of praktijk zijn, of als directeur-grootaandeelhouder. Overige zelfstandigen, zoals freelancers, worden ook tot de zzp’ers gerekend.

In 2021 bood 83 procent van de zzp’ers vooral eigen arbeid of diensten aan, terwijl 17 procent vooral producten verkocht of grondstoffen aanbood. Zzp’ers waren gemiddeld vaker man (62 procent) dan werknemers (51 procent), ook waren zij in de hoogste leeftijdsklasse (45 tot 75 jaar) vaker vertegenwoordigd (59 tegenover 40 procent), waren vaker hoogopgeleid (46 tegenover 40 procent) en werkten ook vaker voltijds (59 procent tegenover 49 procent).

Vanuit de Inkomensstatistiek worden eveneens uitkomsten gepubliceerd over het aantal zzp’ers en over hun inkomen en vermogen, zie StatLine: Zelfstandigen; inkomen, vermogen, kenmerken en Zelfstandigen; persoonskenmerken en bedrijfstakken.

Het Dossier ZZP geeft een aanvullend beeld van zzp’ers in Nederland.

Aanvullende statistiek: Arbeidsdeelname, kerncijfers 2021 en StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring, flexvormen, 2021.

3.14 Zelfstandigen (x 1 000)
Zelfstandige zonder personeel (zzp) Zelfstandige met personeel of meewerkend gezinslid
2013 894 340
2014 916 335
2015 936 330
2016 960 340
2017 986 337
2018 999 336
2019 1019 337
2020 1054 359
2021 1078 367

Arbeidsdeelname in de vier grote steden in 2020

De arbeidsdeelname van mensen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar verschilt tussen de vier grote steden. De gemeente Utrecht had in 2020, het meest recente jaar waarvoor deze cijfers beschikbaar zijn, gemiddeld de hoogste arbeidsdeelname (73,2 procent), daarna Amsterdam (68,4 procent), ’s-Gravenhage (64,0 procent) en tenslotte Rotterdam (63,3 procent).

Utrecht telde in 2020 relatief weinig buurten (7 procent) met een arbeidsdeelname kleiner dan 60 procent en relatief veel buurten (11 procent) met een arbeidsdeelname van 80 procent of hoger. ’s-Gravenhage telde naar verhouding veel buurten (35 procent) die in het laagste segment vielen; buurten met een arbeidsdeelname van 80 procent of hoger kwamen niet voor.

3.15 Buurten in de vier grote steden naar nettoarbeidsparticipatie, 2020 (% van de buurten)
Participatie tot 60% Participatie 60 tot 70% Participatie 70 tot 80% Particpiatie 80% en hoger
Utrecht 7 25 57 11
Amsterdam 12 46 37 4
Rotterdam 25 50 24 1
s-Gravenhage 35 43 22 0

StatLine: Nettoarbeidsparticipatie, wijken en buurten, 2020.

Werkloosheid in 2021 afgenomen

In 2021 daalde het werkloosheidspercentage tot 4,2, nadat in het eerste coronajaar 2020 een periode van vijf jaar achtereenvolgende dalingen was onderbroken. In 2020 steeg het werkloosheidspercentage met 0,4 procentpunt.

Met 408 duizend lag het aantal werklozen in 2021 57 duizend lager dan in 2020. De afname van de werkloosheid was iets sterker voor vrouwen dan voor mannen en iets minder sterk voor de 15- tot 25‑jarigen dan voor de 25- tot 45‑jarigen en 45- tot 75‑jarigen.

3.16 Werkloze beroepsbevolking naar geslacht en leeftijd (x 1 000)
2021 2011
Mannen 202 267
Vrouwen 206 276
. .
15 tot 25 jaar 156 179
25 tot 45 jaar 129 177
45 tot 75 jaar 123 188

StatLine: Werkloosheid, 2011, 2021, leeftijd, geslacht.

Drie kwart korter dan een jaar werkloos in 2021

In 2021 waren 94 duizend werklozen een jaar of langer werkloos, nagenoeg hetzelfde aantal als in 2020 (93 duizend). Het aantal langdurig werklozen (inclusief degenen met onbekende werkloosheidsduur) is van 2016 tot en met 2020 gedaald, ook in het eerste coronajaar. Het aantal mensen dat minder dan een jaar werkloos was, daalde in 2021 ook weer. In 2020 was er nog een stijging van de kortdurende werkloosheid.

Aanvullende statistiek: Arbeidsdeelname, kerncijfers 2013–2021.

234 duizend mensen werden werkloos in 2021

Voortdurend komen er mensen bij op de arbeidsmarkt, anderen trekken zich terug. Tegenover degenen die hun werk kwijtraken, staan werklozen die betaald werk vinden. Mensen kunnen werkloos raken doordat ze hun werk verliezen, maar ook mensen die de arbeidsmarkt op komen en op zoek gaan naar werk, zoals schoolverlaters en herintreders, worden tot de werklozen gerekend.

In 2021 werden gemiddeld van het ene op het andere kwartaal 234 duizend mensen werkloos. Zij hadden betaald werk (101 duizend) of maakten geen deel uit van de beroepsbevolking (133 duizend). Tegelijkertijd waren gemiddeld van het ene op het andere kwartaal 264 duizend mensen niet langer werkloos. Zij hadden werk gekregen (155 duizend) of verlieten de beroepsbevolking (109 duizend), bijvoorbeeld vanwege pensionering.

In het tweede coronajaar werden gemiddeld van kwartaal op kwartaal minder mensen werkloos doordat zij werk verloren dan in het eerste coronajaar (101 tegenover 124 duizend) en vonden meer werklozen werk (155 duizend tegenover 149 duizend).

3.17 In- en uitstroom werkloosheid (x 1 000)
Jaar Saldo in- en uitstroom werkloosheid Instroom in werkloosheid (na drie maanden) Uitstroom uit werkloosheid (na drie maanden)
2011 13 302 -288
2012 18 325 -307
2013 30 366 -336
2014 -8 349 -357
2015 -9 340 -349
2016 -26 312 -338
2017 -24 280 -304
2018 -17 250 -267
2019 -3 241 -245
2020 16 269 -253
2021 -30 234 -264

Minder mensen verliezen werk in tweede coronajaar

In 2021 raakten gemiddeld 308 duizend mensen van het ene op het andere kwartaal zonder werk. Daar staat tegenover dat gemiddeld 366 duizend mensen van het ene op het andere kwartaal betaald werk vonden. Dat zijn er dus 58 duizend meer dan er werk verloren. In het eerste coronajaar, 2020, verloren gemiddeld per kwartaal 365 duizend mensen werk en vonden 356 duizend werk. Per saldo verloren er toen dus 9 duizend mensen meer werk dan er werk vonden.

Niet iedereen die tijdens de coronacrisis zonder werk raakte, werd werkloos. Gemiddeld per kwartaal kwam van de werkenden die in 2021 geen werk meer hadden, een groot deel (207 duizend) terecht in de niet-beroepsbevolking. Dat zijn er wel 35 duizend minder dan in 2020.

Onbenut arbeidspotentieel zonder werk

In 2021 waren er bijna 3,9 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar die geen betaald werk hadden. Deze mensen zijn niet allemaal werkloos. Volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO) is iemand werkloos als hij of zij geen betaald werk heeft, recent naar werk heeft gezocht en daarvoor direct beschikbaar is.

Naast de 408 duizend werklozen in 2021 waren er mensen die of recent zochten (114 duizend) of direct beschikbaar waren voor werk (238 duizend). Deze twee groepen worden niet tot de werklozen gerekend, omdat ze niet aan beide voorwaarden van de ILO-definitie voldoen. Omdat zij in ieder geval aan een voorwaarde voldoen, worden zij aangeduid met de term semiwerklozen. Samen met de werklozen waren er in 2021 gemiddeld 760 duizend mensen die geen betaald werk hadden, maar wel beschikbaar waren voor werk en/of hiernaar hadden gezocht. Zij vormen het onbenut arbeidspotentieel zonder werk.

Sinds 2015 is de daling van het aantal werklozen sterker dan van het aantal semiwerklozen. In vier jaar daalde de werkloosheid met 301 duizend en het aantal semiwerklozen met 130 duizend. Daarna nam in het eerste coronajaar het aantal werklozen meer toe dan het aantal semiwerklozen (42 duizend tegenover 18 duizend). In het tweede coronajaar was de daling van het aantal werklozen weer groter dan de daling van het aantal semiwerklozen.

StatLine: Onbenut arbeidspotentieel zonder werk, 2021.

Onbenut arbeidspotentieel met werk

Ook onder werkenden is er onbenut potentieel. Het gaat dan om mensen die in deeltijd werken, maar het aantal uren zouden willen uitbreiden en daarvoor ook direct beschikbaar zijn. Zij worden ook wel onderbenutte deeltijdwerkers genoemd en vormen het onbenut arbeidspotentieel met werk. In 2021 ging het om 561 duizend mensen. Dat is ongeveer 6 procent van de werkzame beroepsbevolking.

Terwijl de werkzame beroepsbevolking sinds 2015 nagenoeg ieder jaar verder toenam, nam het aantal onderbenutte deeltijdwerkers steeds verder af (802 duizend in 2015). Net als het aantal semiwerklozen nam in het eerste coronajaar ook het aantal onderbenutte deeltijdwerkers toe.

Het totale onbenut arbeidspotentieel, dus met en zonder werk, kwam in 2021 uit op ongeveer 1,3 miljoen, een daling van 139 duizend ten opzichte van 2020.

StatLine: Onbenut arbeidspotentieel met werk, 2021.

Schematisch overzicht van de samenstelling van de beroepsbevolking en de niet-beroepsbevolking met het gemiddelde standcijfer in 2021 en de verandering ten opzichte van 2020. B e ro e p s b e v olking 9 663 du i zend ( +82 du i zend) B e v olking 15 tot 75 jaa r 13 147 du i zend ( +53 du i zend) Niet-beroeps- bevolking 3 483 duizend (-30 duizend) Werkzame beroeps- bevolking: voltijd 4 799 duizend (+46 duizend) Wil meer uren werken, beschikbaar 561 duizend (-58 duizend) Vanwege weinig resultaat 33 duizend Vanwege andere reden 205 duizend Vanwege vut/ pensioen/ hoge leeftijd 1 638 duizend Werkzame beroeps- bevolking: deeltijd 4 456 duizend (+93 duizend) Werkloze beroepsbevolking 408 duizend (-57 duizend) Beschikbaar, niet gezocht 238 duizend (-17 duizend) Gezocht, niet beschikbaar 114 duizend (-7 duizend) Niet gezocht, niet beschikbaar 3 131 duizend (-6 duizend) 3.18 Binding van de bevolking met de arbeidsmarkt, 2021

StatLine: Binding met de arbeidsmarkt, 2021 en aanvullende statistiek: Arbeidsdeelname, kerncijfers 2020–2021.

3,1 miljoen mensen niet gezocht naar en niet beschikbaar voor werk

Naast de werkzamen, werklozen en het overig onbenut arbeidspotentieel zonder werk, waren er in 2021 ook nog 3,1 miljoen personen die niet recent op zoek waren naar werk, niet op korte termijn konden beginnen en niet wilden of konden werken. Voor deze groep mensen van 15 tot 75 jaar waren de belangrijkste redenen om niet te werken dat ze met pensioen waren of een hoge leeftijd hadden (1,6 miljoen), ziek of arbeidsongeschikt waren (759 duizend) of een opleiding of studie volgden (359 duizend). Onder jongeren was het volgen van een opleiding of studie de belangrijkste reden (89 procent). Ziekte of arbeidsongeschiktheid was onder de 25- tot 45‑jarigen de belangrijkste reden (47 procent), pensioen of hoge leeftijd voor de 45- tot 75‑jarigen (67 procent).

StatLine: Binding met de arbeidsmarkt, 2021.

3.19 Personen die niet recent naar werk hebben gezocht en niet direct beschikbaar zijn, 2021 (%)
Leeftijd Vanwege zorg gezin/huishouden Vanwege opleiding/studie Vanwege vut/pensioen/hoge leeftijd Vanwege ziekte/arbeidsongeschiktheid Vanwege andere redenen
15 tot 25 jaar 1 89 0 7 3
25 tot 45 jaar 25 18 0 47 9
45 tot 75 jaar 7 0 67 23 3

StatLine: Arbeidsdeelname, binding met de arbeidsmarkt.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg (hoofdstukken 1, 2, 5, 6, 7 en bijlagen)

Harry Bierings (hoofdstuk 3)

Linda Fernandez Beiro (hoofdstuk 4)

met hulp van vele anderen

Redactie

Kees Groenenboom