De vraag naar arbeid
Recordaantal vacatures
Het aantal openstaande vacatures steeg in 2021 met 92 duizend tot gemiddeld 313 duizend. Daarmee werd wederom een nieuw jaarrecord gevestigd. In 2013 werd nog de laagste stand in twintig jaar tijd gemeten met gemiddeld 95 duizend vacatures. Sindsdien liep het aantal steeds verder op, tot het begin van de coronacrisis in 2020. In 2021 herstelde het aantal openstaande vacatures zich, waarbij de krimp van 2020 meer dan goed werd gemaakt.
Het aantal vacatures is sterk afhankelijk van de stand van de conjunctuur. Voordat in de loop van 2008 de financiële crisis begon, werd de hoogste stand van het aantal openstaande vacatures eind 2007 bereikt (249 duizend, gecorrigeerd voor seizoeninvloeden). Door de crisis was dat aantal anderhalf jaar later gehalveerd. Halverwege 2013 werd met 91 duizend vacatures de laagste stand bereikt. Vervolgens nam het aantal vacatures weer toe. Gedurende 26 kwartalen liep het aantal vacatures onafgebroken verder op, totdat eind 2019 met 286 duizend openstaande vacatures een hoogste punt werd bereikt.
Als gevolg van de coronacrisis en de daarmee gepaard gaande maatregelen liep het aantal vacatures in het eerste kwartaal van 2020 terug met 68 duizend. In het tweede kwartaal van 2020 verminderde het aantal openstaande vacatures met nog eens 19 duizend. In een half jaar tijd liep het aantal vacatures terug met een derde. Hierdoor waren er halverwege 2020 nog maar 198 duizend openstaande vacatures. Vervolgens werden de coronamaatregelen verruimd. Sindsdien loopt het aantal vacatures weer op. Vooral in het tweede kwartaal van 2021 kwamen er veel vacatures bij, met een recordstijging van 82 duizend. Vanaf dat moment overtreft het aantal openstaande vacatures de eerdere recordstanden. Eind 2021 waren er uiteindelijk 387 duizend openstaande vacatures. Dat is bijna een verdubbeling in vergelijking met halverwege 2020. Nooit eerder stonden er in Nederland zoveel vacatures open.
| Jaar | Kwartaal | Openstaande vacatures |
|---|---|---|
| '01 | 1e kwartaal, '01 | 209,7 |
| '01 | 2e kwartaal, '01 | 202,4 |
| '01 | 3e kwartaal, '01 | 187,8 |
| '01 | 4e kwartaal, '01 | 173,7 |
| '02 | 1e kwartaal, '02 | 172,3 |
| '02 | 2e kwartaal, '02 | 148,0 |
| '02 | 3e kwartaal, '02 | 129,8 |
| '02 | 4e kwartaal, '02 | 129,8 |
| '03 | 1e kwartaal, '03 | 117,9 |
| '03 | 2e kwartaal, '03 | 112,1 |
| '03 | 3e kwartaal, '03 | 94,0 |
| '03 | 4e kwartaal, '03 | 102,4 |
| '04 | 1e kwartaal, '04 | 115,8 |
| '04 | 2e kwartaal, '04 | 122,9 |
| '04 | 3e kwartaal, '04 | 120,9 |
| '04 | 4e kwartaal, '04 | 128,4 |
| '05 | 1e kwartaal, '05 | 148,8 |
| '05 | 2e kwartaal, '05 | 141,3 |
| '05 | 3e kwartaal, '05 | 163,7 |
| '05 | 4e kwartaal, '05 | 165,3 |
| '06 | 1e kwartaal, '06 | 187,3 |
| '06 | 2e kwartaal, '06 | 209,7 |
| '06 | 3e kwartaal, '06 | 230,1 |
| '06 | 4e kwartaal, '06 | 230,3 |
| '07 | 1e kwartaal, '07 | 234,9 |
| '07 | 2e kwartaal, '07 | 238,3 |
| '07 | 3e kwartaal, '07 | 246,8 |
| '07 | 4e kwartaal, '07 | 249,3 |
| '08 | 1e kwartaal, '08 | 247,0 |
| '08 | 2e kwartaal, '08 | 244,9 |
| '08 | 3e kwartaal, '08 | 246,7 |
| '08 | 4e kwartaal, '08 | 197,4 |
| '09 | 1e kwartaal, '09 | 153,9 |
| '09 | 2e kwartaal, '09 | 128,4 |
| '09 | 3e kwartaal, '09 | 130,7 |
| '09 | 4e kwartaal, '09 | 125,4 |
| '10 | 1e kwartaal, '10 | 115,6 |
| '10 | 2e kwartaal, '10 | 117,5 |
| '10 | 3e kwartaal, '10 | 125,3 |
| '10 | 4e kwartaal, '10 | 128,3 |
| '11 | 1e kwartaal, '11 | 135,1 |
| '11 | 2e kwartaal, '11 | 134,7 |
| '11 | 3e kwartaal, '11 | 134,1 |
| '11 | 4e kwartaal, '11 | 122,7 |
| '12 | 1e kwartaal, '12 | 117,4 |
| '12 | 2e kwartaal, '12 | 109,3 |
| '12 | 3e kwartaal, '12 | 106,6 |
| '12 | 4e kwartaal, '12 | 101,7 |
| '13 | 1e kwartaal, '13 | 96,3 |
| '13 | 2e kwartaal, '13 | 91,3 |
| '13 | 3e kwartaal, '13 | 95,1 |
| '13 | 4e kwartaal, '13 | 96,5 |
| '14 | 1e kwartaal, '14 | 104,1 |
| '14 | 2e kwartaal, '14 | 107,5 |
| '14 | 3e kwartaal, '14 | 113,4 |
| '14 | 4e kwartaal, '14 | 118,8 |
| '15 | 1e kwartaal, '15 | 124,9 |
| '15 | 2e kwartaal, '15 | 130,3 |
| '15 | 3e kwartaal, '15 | 132,9 |
| '15 | 4e kwartaal, '15 | 142,7 |
| '16 | 1e kwartaal, '16 | 149,5 |
| '16 | 2e kwartaal, '16 | 154,8 |
| '16 | 3e kwartaal, '16 | 162,0 |
| '16 | 4e kwartaal, '16 | 171,2 |
| '17 | 1e kwartaal, '17 | 185,7 |
| '17 | 2e kwartaal, '17 | 204,7 |
| '17 | 3e kwartaal, '17 | 213,7 |
| '17 | 4e kwartaal, '17 | 226,5 |
| '18 | 1e kwartaal, '18 | 236,3 |
| '18 | 2e kwartaal, '18 | 250,8 |
| '18 | 3e kwartaal, '18 | 260,8 |
| '18 | 4e kwartaal, '18 | 264,0 |
| '19 | 1e kwartaal, '19 | 280,9 |
| '19 | 2e kwartaal, '19 | 282,3 |
| '19 | 3e kwartaal, '19 | 284,4 |
| '19 | 4e kwartaal, '19 | 285,7 |
| '20 | 1e kwartaal, '20 | 217,6 |
| '20 | 2e kwartaal, '20 | 198,2 |
| '20 | 3e kwartaal, '20 | 216,8 |
| '20 | 4e kwartaal, '20 | 218,7 |
| '21 | 1e kwartaal, '21 | 244,8 |
| '21 | 2e kwartaal, '21 | 326,5 |
| '21 | 3e kwartaal, '21 | 371,1 |
| '21 | 4e kwartaal, '21 | 387,3 |
StatLine: Vacatures, seizoengecorrigeerd.
Van 2020 op 2021 nam het aantal vacatures toe in alle bedrijfstakken. Het grootst was de stijging in de handel (18 duizend), de zakelijke dienstverlening (14 duizend) en de horeca (13 duizend). In bijna alle bedrijfstakken lag het gemiddeld aantal vacatures in 2021 ook hoger dan in 2019, het eerdere recordjaar. Alleen in de financiële dienstverlening en de kleine bedrijfstak verhuur en handel van onroerend goed kwam het aantal vacatures in 2021 iets lager uit dan in 2019. De toename was per saldo het grootst in de zorg (+8 duizend vacatures). In negen van de veertien onderscheiden bedrijfstakken was het aantal vacatures in 2021 zelfs hoger dan ooit. Daarentegen geeft de financiële dienstverlening een heel ander beeld; terwijl er in deze bedrijfstak in 2007 nog 16 duizend vacatures waren, was dat vorig jaar teruggelopen tot 9 duizend.
| Bedrijfstak | 2020 t.o.v. 2019 | 2021 t.o.v. 2020 |
|---|---|---|
| Handel | -13,7 | 18,4 |
| Zakelijke dienstverlening |
-10,0 | 14,4 |
| Horeca | -11,8 | 12,5 |
| Industrie | -5,4 | 8,9 |
| Zorg | -0,8 | 8,5 |
| Informatie en communicatie |
-3,8 | 7,0 |
| Bouwnijverheid | -3,7 | 6,3 |
| Vervoer en opslag | -4,8 | 5,3 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
-2,5 | 3,4 |
| Onderwijs | -1,3 | 2,6 |
| Openbaar bestuur | 0,6 | 1,8 |
| Financiële dienstverlening |
-1,5 | 1,2 |
| Landbouw en visserij |
-0,5 | 0,5 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
-0,6 | 0,4 |
StatLine: Vacatures.
Het aantal vacatures is het grootst in de handel, de zakelijke dienstverlening en de zorg. Met respectievelijk 61 duizend, 51 duizend en 45 duizend vacatures waren deze drie bedrijfstakken samen goed voor precies de helft van alle openstaande vacatures in 2021.
Van alle vacatures in 2021 kwam 55 procent voor rekening van de grote bedrijven, waar minstens honderd mensen werken. Dat betekent dat bij deze grote bedrijven gemiddeld ruim 20 vacatures per bedrijf openstonden.
| Bedrijfstak | Vacatures |
|---|---|
| Handel | 60,8 |
| Zakelijke dienstverlening |
50,7 |
| Zorg | 45,1 |
| Industrie | 26,8 |
| Horeca | 23,6 |
| Informatie en communicatie |
21,5 |
| Bouwnijverheid | 20,7 |
| Openbaar bestuur | 16,3 |
| Vervoer en opslag | 13,7 |
| Onderwijs | 9,0 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
9,0 |
| Financiële dienstverlening |
8,5 |
| Landbouw en visserij |
2,7 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
2,0 |
StatLine: Vacatures.
Naast het werkelijke aantal vacatures publiceert het CBS ook maandelijks een vacature-indicator. Deze geeft aan in welke richting de vacatures zich naar verwachting van de ondernemers zullen ontwikkelen. Deze indicator bereikte in juni 2020 een laagste punt en liep vervolgens snel weer op. Vanaf februari 2021 is de indicator weer positief (zie ook StatLine: Vacature-indicator).
Vacaturegraad
Hoe groot het aantal openstaande vacatures is, blijkt als dit getal wordt afgezet tegen het aantal bestaande banen van werknemers. Met de vacaturegraad wordt weergegeven hoeveel vacatures er zijn per duizend banen van werknemers. Volgens deze indicator was het tekort aan werknemers in eerste instantie halverwege 2019 op zijn grootst. De vacaturegraad kwam toen uit op 34. Daarmee kwam deze graadmeter uit boven de hoogste stand die eerder in 2007 en 2008 werd genoteerd. In de tussenliggende jaren was de vacaturegraad nog afgenomen tot 12.
Aan het begin van de coronacrisis zakte de vacaturegraad naar 26 vacatures per duizend banen. Op dat niveau bleef deze indicator de rest van 2020 ongeveer staan. In de loop van 2021 liep het aantal vacatures per duizend banen weer sterk op, tot niet eerder genoteerde hoogte. Eind 2021 waren er 43 openstaande vacatures per duizend banen van werknemers.
In alle bedrijfstakken liep de vacaturegraad in 2021 flink op. De sterkste toename werd gemeten in de horeca, waar de vacaturegraad eind 2020 was gezakt tot 18, om eind september 2021 uit te komen op 83. Doordat in december 2021 weer nieuwe coronamaatregelen van kracht werden die grote gevolgen hadden voor de horeca, liep de vacaturegraad in deze bedrijfstak eind 2021 weer terug naar 57. Het tekort aan werknemers was eind 2021 relatief het grootst in de bedrijfstakken informatie en communicatie (82 openstaande vacatures per duizend banen) en de bouwnijverheid (73). Het onderwijs kent de laagste vacaturegraad (19) (zie ook StatLine: Vacaturegraad).
Meeste vacatures in Zuid-Holland
In 2021 waren er in alle provincies meer vacatures dan in 2020. De toename was het grootst in Zuid-Holland en Noord-Holland (beiden +18 duizend vacatures). De meeste vacatures waren in 2021 dan ook te vinden in Zuid-Holland (65 duizend) en Noord-Holland (60 duizend). Dat zijn er tien keer zoveel als in Flevoland of Zeeland; in deze beide provincies stonden in 2021 gemiddeld 6 duizend vacatures open. Afgezet tegen het aantal banen van werknemers behoren de vacaturecijfers voor Zeeland en Flevoland echter tot de hoogste in Nederland, naast Noord-Holland en Utrecht. In Groningen en Fryslân is de vacaturegraad het laagst.
| Provincie | Vacatures |
|---|---|
| Zuid-Holland | 64,9 |
| Noord-Holland | 59,8 |
| Noord-Brabant | 48,6 |
| Gelderland | 34,7 |
| Utrecht | 29,5 |
| Overijssel | 20,0 |
| Limburg | 18,2 |
| Fryslân | 9,0 |
| Groningen | 8,6 |
| Drenthe | 7,3 |
| Zeeland | 6,5 |
| Flevoland | 6,3 |
StatLine: Vacatures per provincie.
1,4 miljoen nieuwe vacatures in 2021
Het aantal vacatures dat in de loop van een jaar ontstaat of vervuld wordt, ligt veel hoger dan het gemiddeld aantal openstaande vacatures. In de periode 2006–2008 ontstonden per jaar meer dan 1 miljoen vacatures en werden er ongeveer evenzoveel vervuld. Hierna zijn deze aantallen teruggelopen tot 622 duizend ontstane en 624 duizend vervulde vacatures in 2013. In 2017 werden voor het eerst weer de aantallen uit de jaren van het economische hoogtij van tien jaar eerder bereikt, waarna de aantallen nog verder opliepen. In 2020 viel het aantal ontstane vacatures met een vijfde terug, maar in 2021 volgde een sterk herstel met nieuwe recordcijfers: er ontstonden 1 407 duizend vacatures en er werden 1 244 duizend vacatures vervuld (inclusief vervallen vacatures). Het aantal vervallen vacatures was met ongeveer 110 duizend hoger dan wat gebruikelijk is, maar lager dan in 2020.
In 2021 werden er vier keer zoveel vacatures vervuld als er gemiddeld genomen openstonden. Tot en met 2019 werd dit verhoudingsgetal steeds kleiner, wat betekent dat vacatures minder snel vervuld werden. Met 6,6 maal zoveel vervulde als gemiddeld openstaande vacatures was het verhoudingscijfer het hoogst in 2013 en met een factor 4,4 het laagst in 2019. Deze dalende trend werd in 2020 onderbroken door de coronacrisis, waarbij de vacatures sneller vervuld werden en het verhoudingsgetal opliep tot 4,9. In 2021 steeg het totaal aantal vacatures echter weer snel en stonden vacatures langer open, zodat dit verhoudingsgetal zakte tot 4,0, de laagste stand in de cijferreeks vanaf 1998. In het onderwijs worden de vacatures het snelst vervuld; de vacatures in de bouwnijverheid staan het langst open.
In de loop van 2021 nam het aantal bedrijven dat naar eigen zeggen te maken heeft met een personeelstekort snel toe. Aan het begin van het jaar gaf 10 procent van de bedrijven aan dat een tekort aan arbeidskrachten de productie of activiteiten belemmerde. Aan het begin van het vierde kwartaal van 2021 was dat opgelopen tot 30 procent. Deze cijfers betreffen bedrijven met vijf of meer werkzame personen, met uitzondering van financiële instellingen en de overheid. Aan het begin van 2022 was de nood het hoogst in de zakelijke dienstverlening en in de informatie en communicatie (zie ook StatLine: Conjunctuurenquête Nederland).
Krappe arbeidsmarkt
Veranderingen in de situatie op de arbeidsmarkt komen scherp tot uiting in de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal werklozen. In de loop van 2008 naderden het aantal vacatures en het aantal werklozen elkaar het dichtst: er was sprake van een gespannen arbeidsmarkt. Door de financiële crisis daalde het aantal vacatures daarna snel, terwijl het aantal werklozen opliep. Halverwege 2013 waren er uiteindelijk ruim achtmaal zoveel werklozen als vacatures. Vervolgens daalde het aantal werklozen per vacature sterk. Hierdoor waren er in 2019 gemiddeld 1,5 werklozen per vacature beschikbaar.
| Jaar | Kwartaal | Vacatures | Vacatures, seizoengecorrigeerd | Werkloze beroepsbevolking | Werkloze beroepsbevolking, seizoengecorrigeerd |
|---|---|---|---|---|---|
| 2003 | 1e kwartaal, 2003 | 124,1 | 117,9 | 489 | 456 |
| 2003 | 2e kwartaal, 2003 | 125,7 | 112,1 | 490 | 493 |
| 2003 | 3e kwartaal, 2003 | 81,8 | 94,0 | 496 | 513 |
| 2003 | 4e kwartaal, 2003 | 94,8 | 102,4 | 526 | 538 |
| 2004 | 1e kwartaal, 2004 | 121,5 | 115,8 | 590 | 559 |
| 2004 | 2e kwartaal, 2004 | 136,3 | 122,9 | 588 | 590 |
| 2004 | 3e kwartaal, 2004 | 109,6 | 120,9 | 551 | 572 |
| 2004 | 4e kwartaal, 2004 | 120,7 | 128,4 | 575 | 586 |
| 2005 | 1e kwartaal, 2005 | 154,1 | 148,8 | 638 | 606 |
| 2005 | 2e kwartaal, 2005 | 154,4 | 141,3 | 609 | 608 |
| 2005 | 3e kwartaal, 2005 | 153,3 | 163,7 | 570 | 594 |
| 2005 | 4e kwartaal, 2005 | 157,3 | 165,3 | 573 | 587 |
| 2006 | 1e kwartaal, 2006 | 192,1 | 187,3 | 585 | 556 |
| 2006 | 2e kwartaal, 2006 | 223,0 | 209,7 | 526 | 526 |
| 2006 | 3e kwartaal, 2006 | 220,6 | 230,1 | 489 | 509 |
| 2006 | 4e kwartaal, 2006 | 221,7 | 230,3 | 499 | 508 |
| 2007 | 1e kwartaal, 2007 | 239,2 | 234,9 | 522 | 491 |
| 2007 | 2e kwartaal, 2007 | 251,2 | 238,3 | 463 | 464 |
| 2007 | 3e kwartaal, 2007 | 238,3 | 246,8 | 438 | 461 |
| 2007 | 4e kwartaal, 2007 | 240,6 | 249,3 | 439 | 447 |
| 2008 | 1e kwartaal, 2008 | 250,3 | 247,0 | 458 | 427 |
| 2008 | 2e kwartaal, 2008 | 256,7 | 244,9 | 431 | 431 |
| 2008 | 3e kwartaal, 2008 | 239,2 | 246,7 | 401 | 423 |
| 2008 | 4e kwartaal, 2008 | 189,9 | 197,4 | 417 | 424 |
| 2009 | 1e kwartaal, 2009 | 155,9 | 153,9 | 472 | 442 |
| 2009 | 2e kwartaal, 2009 | 138,4 | 128,4 | 475 | 474 |
| 2009 | 3e kwartaal, 2009 | 124,7 | 130,7 | 485 | 506 |
| 2009 | 4e kwartaal, 2009 | 119,4 | 125,4 | 523 | 532 |
| 2010 | 1e kwartaal, 2010 | 116,0 | 115,6 | 583 | 557 |
| 2010 | 2e kwartaal, 2010 | 124,9 | 117,5 | 550 | 550 |
| 2010 | 3e kwartaal, 2010 | 123,4 | 125,3 | 529 | 549 |
| 2010 | 4e kwartaal, 2010 | 124,4 | 128,3 | 524 | 534 |
| 2011 | 1e kwartaal, 2011 | 135,5 | 135,1 | 549 | 522 |
| 2011 | 2e kwartaal, 2011 | 143,6 | 134,7 | 518 | 516 |
| 2011 | 3e kwartaal, 2011 | 130,6 | 134,1 | 530 | 544 |
| 2011 | 4e kwartaal, 2011 | 116,6 | 122,7 | 578 | 587 |
| 2012 | 1e kwartaal, 2012 | 118,2 | 117,4 | 617 | 591 |
| 2012 | 2e kwartaal, 2012 | 116,1 | 109,3 | 609 | 612 |
| 2012 | 3e kwartaal, 2012 | 106,0 | 106,6 | 611 | 626 |
| 2012 | 4e kwartaal, 2012 | 94,9 | 101,7 | 652 | 658 |
| 2013 | 1e kwartaal, 2013 | 97,1 | 96,3 | 735 | 709 |
| 2013 | 2e kwartaal, 2013 | 96,8 | 91,3 | 747 | 749 |
| 2013 | 3e kwartaal, 2013 | 93,7 | 95,1 | 764 | 782 |
| 2013 | 4e kwartaal, 2013 | 91,0 | 96,5 | 768 | 778 |
| 2014 | 1e kwartaal, 2014 | 105,7 | 104,1 | 817 | 793 |
| 2014 | 2e kwartaal, 2014 | 112,9 | 107,5 | 770 | 773 |
| 2014 | 3e kwartaal, 2014 | 112,1 | 113,4 | 724 | 739 |
| 2014 | 4e kwartaal, 2014 | 112,9 | 118,8 | 738 | 744 |
| 2015 | 1e kwartaal, 2015 | 127,0 | 124,9 | 777 | 751 |
| 2015 | 2e kwartaal, 2015 | 136,5 | 130,3 | 730 | 733 |
| 2015 | 3e kwartaal, 2015 | 130,9 | 132,9 | 692 | 709 |
| 2015 | 4e kwartaal, 2015 | 136,3 | 142,7 | 698 | 707 |
| 2016 | 1e kwartaal, 2016 | 153,0 | 149,5 | 711 | 683 |
| 2016 | 2e kwartaal, 2016 | 161,8 | 154,8 | 665 | 668 |
| 2016 | 3e kwartaal, 2016 | 159,1 | 162,0 | 612 | 631 |
| 2016 | 4e kwartaal, 2016 | 163,4 | 171,2 | 595 | 602 |
| 2017 | 1e kwartaal, 2017 | 188,5 | 185,7 | 609 | 580 |
| 2017 | 2e kwartaal, 2017 | 212,8 | 204,7 | 559 | 561 |
| 2017 | 3e kwartaal, 2017 | 210,1 | 213,7 | 517 | 536 |
| 2017 | 4e kwartaal, 2017 | 218,6 | 226,5 | 498 | 506 |
| 2018 | 1e kwartaal, 2018 | 237,8 | 236,3 | 503 | 475 |
| 2018 | 2e kwartaal, 2018 | 260,6 | 250,8 | 462 | 462 |
| 2018 | 3e kwartaal, 2018 | 258,3 | 260,8 | 439 | 457 |
| 2018 | 4e kwartaal, 2018 | 254,9 | 264,0 | 431 | 438 |
| 2019 | 1e kwartaal, 2019 | 278,9 | 280,9 | 450 | 424 |
| 2019 | 2e kwartaal, 2019 | 293,8 | 282,3 | 415 | 414 |
| 2019 | 3e kwartaal, 2019 | 283,8 | 284,4 | 412 | 429 |
| 2019 | 4e kwartaal, 2019 | 281,2 | 285,7 | 416 | 425 |
| 2020 | 1e kwartaal, 2020 | 221,7 | 217,6 | 410 | 387 |
| 2020 | 2e kwartaal, 2020 | 200,4 | 198,2 | 460 | 460 |
| 2020 | 3e kwartaal, 2020 | 215,6 | 216,8 | 508 | 528 |
| 2020 | 4e kwartaal, 2020 | 213,7 | 218,7 | 481 | 490 |
| 2021 | 1e kwartaal, 2021 | 248,5 | 244,8 | 464 | 445 |
| 2021 | 2e kwartaal, 2021 | 333,6 | 326,5 | 416 | 416 |
| 2021 | 3e kwartaal, 2021 | 376,3 | 371,1 | 389 | 399 |
| 2021 | 4e kwartaal, 2021 | 376,4 | 387,3 | 364 | 370 |
StatLine: Vacatures, Vacatures, seizoengecorrigeerd en Werkloze beroepsbevolking.
In het eerste kwartaal van 2020 bereikte het aantal werklozen een laagste stand in de cijferreeks vanaf 2003. In februari 2020 waren er nog 383 duizend werklozen. Eind maart 2020 was het aantal openstaande vacatures echter met recordsnelheid teruggelopen, zodat het aantal werklozen per vacature opliep. In het derde kwartaal van 2020 was het aantal werklozen ruim een derde hoger dan in het eerste kwartaal; er waren toen 2,4 werklozen per vacature. Daarmee was de spanning op de arbeidsmarkt een stuk kleiner geworden. Tijdens de versoepelingen in de coronamaatregelen liep het aantal werklozen vervolgens elk kwartaal verder terug. In het vierde kwartaal van 2021 bereikte het aantal werklozen de laagste stand in de cijferreeks. Tegelijkertijd was het aantal openstaande vacatures gestegen tot recordhoogte. Daardoor waren er eind 2021, op basis van de nieuwe reeks werkloosheidcijfers, voor het eerst meer vacatures dan werklozen: 0,96 werklozen per vacature, oftewel 105 vacatures per 100 werklozen. Gemiddeld over 2021 kwam de verhouding werklozen/vacatures uit op 1,3. Dit betekent dat de arbeidsmarkt in 2021 nog meer gespannen was dan in 2008 en 2019. Op basis van de beschikbare cijfers lijkt het erop dat 1971 het laatste jaar was dat de arbeidsmarkt krapper was dan in 2021.
| Jaar | Werklozen per vacature |
|---|---|
| '03 | 4,5 |
| '04 | 4,8 |
| '05 | 4,0 |
| '06 | 2,5 |
| '07 | 1,9 |
| '08 | 1,8 |
| '09 | 3,4 |
| '10 | 4,5 |
| '11 | 4,1 |
| '12 | 5,6 |
| '13 | 7,9 |
| '14 | 7,0 |
| '15 | 5,6 |
| '16 | 4,1 |
| '17 | 2,7 |
| '18 | 1,8 |
| '19 | 1,5 |
| '20 | 2,1 |
| '21 | 1,3 |
| 1)Gemiddeld aantal werklozen in een jaar gedeeld door het gemiddeld aantal openstaande vacatures in dat jaar. | |
Bij deze cijfers moet wel worden aangetekend dat dit een totaalcijfer is. Per bedrijfstak, beroepsgroep of regio kan de verhouding werklozen/vacatures variëren. Mede hierdoor kunnen er naast elkaar toch nog omvangrijke groepen werkloos zijn, terwijl bedrijven en instellingen nog steeds veel vacatures hebben uitstaan.
In deze werkloosheidscijfers tellen alleen de personen mee die geen betaald werk hebben maar daar wel direct voor beschikbaar zijn en er ook recent naar gezocht hebben (definitie van de International Labour Organization, ILO). Dat zijn niet alle personen zonder werk die binding met de arbeidsmarkt hebben. Daarnaast zijn er ook mensen met deeltijdwerk die meer uren zouden willen werken en daarvoor beschikbaar zijn. Ook de omvang van dit overige onbenut arbeidspotentieel is in 2021 afgenomen. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de verschillende groepen die tezamen het onbenut arbeidspotentieel vormen.
In de Europese Unie behoren Nederland en Duitsland tot de groep landen met een relatief gespannen arbeidsmarkt. In 2021 waren er alleen in Tsjechië minder werklozen per vacature. Griekenland en Spanje hebben veel werklozen en relatief weinig openstaande vacatures, zodat daar de arbeidsmarkt veel ruimer is dan in Nederland (zie ook Eurostat: Werkloze beroepsbevolking EU en Vacatures EU; niet voor alle EU-landen zijn vacaturecijfers beschikbaar).
Nederland telt 2,1 miljoen bedrijven
De afgelopen tien jaar is het aantal bedrijven in Nederland met de helft toegenomen. Hierdoor telt Nederland per begin 2022 al 2 083 duizend bedrijven. In drie kwart van de gevallen gaat het om natuurlijke personen (zoals eenmanszaken en maatschappen), een kwart zijn rechtspersonen (zoals bv’s, nv’s, verenigingen, stichtingen en publiekrechtelijke rechtspersonen). In 2021 zijn 232 duizend bedrijven opgericht. Het aantal opheffingen bleef hier ver bij achter. Per saldo kwamen er in de loop van 2021 ruim 160 duizend bedrijven bij. Niet eerder nam in een jaar het aantal bedrijven zo sterk toe.
Bij de bedrijfsopheffingen gaat het maar voor een klein deel om faillissementen, die daadwerkelijk rechterlijk zijn bepaald. Vaker zijn bedrijven zelf gestopt en opgeheven, bijvoorbeeld ter voorkoming van een faillissement. In 2021 zijn er in totaal 1,5 duizend bedrijven en instellingen failliet verklaard. Dat is de helft minder dan in 2019. Door de coronacrisis hadden veel bedrijven het moeilijk, maar het aantal faillissementen lag in 2021 op het laagste niveau in dertig jaar.
Bij 4 op de 5 bedrijven is maar één persoon werkzaam. Bij slechts 8 duizend bedrijven werken minstens honderd mensen, uitgedrukt in voltijdbanen (vte’s). Maar bij deze grote bedrijven is wel 62 procent van alle banen van werknemers te vinden.
De bedrijven zijn bij het CBS ingedeeld naar hun belangrijkste economische activiteit. De zakelijke dienstverlening telt de meeste bedrijven, namelijk 496 duizend. Andere grote bedrijfstakken zijn de handel (274 duizend bedrijven), de cultuur, recreatie en overige diensten (242 duizend), de bouwnijverheid (225 duizend) en de zorg (196 duizend). Daarentegen telt het openbaar bestuur slechts 800 instellingen.
| 1 tot 10 werkzame personen | 10 tot 100 werkzame personen | 100 werkzame personen of meer | |
|---|---|---|---|
| Bedrijven | 2011 | 64 | 8 |
| Bedrijfsgrootte: 0 tot 10 werkzame personen | Bedrijfsgrootte: 10 tot 100 werkzame personen | Bedrijfsgrootte: 100 of meer werkzame personen | |
|---|---|---|---|
| Banen van werknemers |
1256 | 2004 | 5299 |
StatLine: Aantal bedrijven en Banen van werknemers naar bedrijfsgrootte.
11 miljoen banen
Het aantal banen van werkzame personen steeg in 2021 met 203 duizend (1,9 procent). Hiermee kwam het gemiddeld aantal banen in 2021 uit op bijna 11 miljoen. In het eerste coronajaar gingen nog 29 duizend banen verloren, maar met de banengroei in 2021 is dat meer dan goedgemaakt. Per saldo is het aantal banen sinds het dieptepunt van 2013, tijdens de economische crisis, met 1,2 miljoen toegenomen. De afgelopen twintig jaar waren er vijf jaren waarin het aantal banen meer toenam dan in 2021, het meest in 2007 (+301 duizend banen).
| Jaar | Kwartaal | Banen | Banen seizoengecorrigeerd |
|---|---|---|---|
| '01 | 1e kwartaal, '01 | 9,007 | 9,115 |
| '01 | 2e kwartaal, '01 | 9,178 | 9,14 |
| '01 | 3e kwartaal, '01 | 9,25 | 9,17 |
| '01 | 4e kwartaal, '01 | 9,169 | 9,188 |
| '02 | 1e kwartaal, '02 | 9,103 | 9,202 |
| '02 | 2e kwartaal, '02 | 9,252 | 9,208 |
| '02 | 3e kwartaal, '02 | 9,279 | 9,211 |
| '02 | 4e kwartaal, '02 | 9,182 | 9,211 |
| '03 | 1e kwartaal, '03 | 9,103 | 9,176 |
| '03 | 2e kwartaal, '03 | 9,181 | 9,147 |
| '03 | 3e kwartaal, '03 | 9,188 | 9,122 |
| '03 | 4e kwartaal, '03 | 9,09 | 9,12 |
| '04 | 1e kwartaal, '04 | 9,006 | 9,082 |
| '04 | 2e kwartaal, '04 | 9,127 | 9,09 |
| '04 | 3e kwartaal, '04 | 9,163 | 9,103 |
| '04 | 4e kwartaal, '04 | 9,061 | 9,098 |
| '05 | 1e kwartaal, '05 | 9,084 | 9,139 |
| '05 | 2e kwartaal, '05 | 9,208 | 9,168 |
| '05 | 3e kwartaal, '05 | 9,244 | 9,193 |
| '05 | 4e kwartaal, '05 | 9,164 | 9,21 |
| '06 | 1e kwartaal, '06 | 9,248 | 9,298 |
| '06 | 2e kwartaal, '06 | 9,379 | 9,339 |
| '06 | 3e kwartaal, '06 | 9,457 | 9,41 |
| '06 | 4e kwartaal, '06 | 9,493 | 9,531 |
| '07 | 1e kwartaal, '07 | 9,536 | 9,581 |
| '07 | 2e kwartaal, '07 | 9,705 | 9,672 |
| '07 | 3e kwartaal, '07 | 9,785 | 9,737 |
| '07 | 4e kwartaal, '07 | 9,755 | 9,783 |
| '08 | 1e kwartaal, '08 | 9,792 | 9,84 |
| '08 | 2e kwartaal, '08 | 9,901 | 9,869 |
| '08 | 3e kwartaal, '08 | 9,933 | 9,892 |
| '08 | 4e kwartaal, '08 | 9,877 | 9,89 |
| '09 | 1e kwartaal, '09 | 9,823 | 9,874 |
| '09 | 2e kwartaal, '09 | 9,843 | 9,807 |
| '09 | 3e kwartaal, '09 | 9,815 | 9,783 |
| '09 | 4e kwartaal, '09 | 9,777 | 9,786 |
| '10 | 1e kwartaal, '10 | 9,672 | 9,726 |
| '10 | 2e kwartaal, '10 | 9,824 | 9,785 |
| '10 | 3e kwartaal, '10 | 9,827 | 9,797 |
| '10 | 4e kwartaal, '10 | 9,804 | 9,816 |
| '11 | 1e kwartaal, '11 | 9,834 | 9,871 |
| '11 | 2e kwartaal, '11 | 9,947 | 9,917 |
| '11 | 3e kwartaal, '11 | 9,959 | 9,928 |
| '11 | 4e kwartaal, '11 | 9,929 | 9,925 |
| '12 | 1e kwartaal, '12 | 9,844 | 9,921 |
| '12 | 2e kwartaal, '12 | 9,955 | 9,905 |
| '12 | 3e kwartaal, '12 | 9,894 | 9,874 |
| '12 | 4e kwartaal, '12 | 9,865 | 9,836 |
| '13 | 1e kwartaal, '13 | 9,697 | 9,783 |
| '13 | 2e kwartaal, '13 | 9,799 | 9,761 |
| '13 | 3e kwartaal, '13 | 9,789 | 9,75 |
| '13 | 4e kwartaal, '13 | 9,737 | 9,739 |
| '14 | 1e kwartaal, '14 | 9,639 | 9,726 |
| '14 | 2e kwartaal, '14 | 9,799 | 9,744 |
| '14 | 3e kwartaal, '14 | 9,769 | 9,767 |
| '14 | 4e kwartaal, '14 | 9,819 | 9,796 |
| '15 | 1e kwartaal, '15 | 9,736 | 9,831 |
| '15 | 2e kwartaal, '15 | 9,912 | 9,864 |
| '15 | 3e kwartaal, '15 | 9,934 | 9,902 |
| '15 | 4e kwartaal, '15 | 9,938 | 9,943 |
| '16 | 1e kwartaal, '16 | 9,893 | 9,956 |
| '16 | 2e kwartaal, '16 | 10,054 | 10,01 |
| '16 | 3e kwartaal, '16 | 10,07 | 10,056 |
| '16 | 4e kwartaal, '16 | 10,125 | 10,112 |
| '17 | 1e kwartaal, '17 | 10,097 | 10,173 |
| '17 | 2e kwartaal, '17 | 10,295 | 10,24 |
| '17 | 3e kwartaal, '17 | 10,328 | 10,314 |
| '17 | 4e kwartaal, '17 | 10,403 | 10,387 |
| '18 | 1e kwartaal, '18 | 10,4 | 10,468 |
| '18 | 2e kwartaal, '18 | 10,565 | 10,539 |
| '18 | 3e kwartaal, '18 | 10,63 | 10,604 |
| '18 | 4e kwartaal, '18 | 10,651 | 10,65 |
| '19 | 1e kwartaal, '19 | 10,648 | 10,708 |
| '19 | 2e kwartaal, '19 | 10,791 | 10,747 |
| '19 | 3e kwartaal, '19 | 10,778 | 10,782 |
| '19 | 4e kwartaal, '19 | 10,874 | 10,836 |
| '20 | 1e kwartaal, '20 | 10,816 | 10,884 |
| '20 | 2e kwartaal, '20 | 10,635 | 10,595 |
| '20 | 3e kwartaal, '20 | 10,753 | 10,759 |
| '20 | 4e kwartaal, '20 | 10,773 | 10,732 |
| '21 | 1e kwartaal, '21 | 10,658 | 10,735 |
| '21 | 2e kwartaal, '21 | 10,931 | 10,883 |
| '21 | 3e kwartaal, '21 | 11,044 | 11,053 |
| '21 | 4e kwartaal, '21 | 11,15 | 11,112 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
Voor zowel werknemers als zelfstandigen kwamen er meer banen bij. Het aantal banen van werknemers nam in 2021 toe met 168 duizend tot 8,6 miljoen, dat is een groei van 2,0 procent. Bij de zelfstandigen liep het aantal banen verder op met 35 duizend tot 2,4 miljoen (+1,5 procent).
In de afgelopen twintig jaar piekte het aantal banen van werknemers eerst in 2008 met ruim 8 miljoen. Uit de cijfers die voor seizoeninvloeden zijn gecorrigeerd blijkt dat er vervolgens in anderhalf jaar tijd in totaal bijna 200 duizend werknemersbanen verloren gingen. In 2010 keerde de groei terug. Tot medio 2011 nam het aantal werknemersbanen weer toe met bijna 140 duizend, maar het bleef onder de 8 miljoen. Daarna volgden drie jaren van krimp, waarbij meer banen verloren gingen dan direct na het begin van de financiële crisis.
Vervolgens bereikte het aantal werknemersbanen in het eerste kwartaal van 2014 een dieptepunt. Werknemers hadden toen 319 duizend banen minder dan op het hoogtepunt in 2008 (oftewel –4,0 procent). Daarna brak een periode aan waarin het aantal werknemersbanen fors groeide. Die duurde voort tot en met het eerste kwartaal van 2020. In de 24 kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2020 kwamen er in totaal 873 duizend werknemersbanen bij. In het tweede kwartaal van 2020 gingen in een klap 301 duizend banen verloren (–3,5 procent), waarna er in het derde kwartaal van 2020 weer 158 duizend banen bij kwamen. Niet eerder werden kwartaalcijfers van een dergelijke omvang gemeten. In de cijferreeks over de afgelopen twintig jaar was de afname van kwartaal op kwartaal tot en met 2019 nooit groter dan 70 duizend banen (eerste kwartaal 2010) en de toename nooit groter dan 93 duizend (vierde kwartaal 2006).
Ook in het vierde kwartaal van 2020 daalde het aantal banen nog met 26 duizend. In het eerste kwartaal van 2021 bleef het aantal banen van werknemers gelijk. Daarna volgden twee kwartalen met een flinke groei van 130 duizend en 147 duizend banen. Daarmee was het verlies aan werknemersbanen uit 2020 weer goedgemaakt. Sinds het derde kwartaal van 2021 zijn er meer banen van werknemers dan ooit tevoren. In het vierde kwartaal van 2021 kwamen daar nog 38 duizend banen bij. Per saldo waren er toen 147 duizend werknemersbanen meer dan in het eerste kwartaal van 2020, bij het begin van de coronacrisis.
Zoals hierboven al beschreven, bleef het aantal banen van zelfstandigen in 2021 stijgen. Rond de eeuwwisseling gingen nog veel banen van zelfstandigen verloren. Na een dieptepunt van 1,6 miljoen in 2003 nam het aantal zelfstandigenbanen vanaf 2004 jaarlijks toe. In 2020 en 2021 zette de banengroei zelfs elk kwartaal door, behalve in het laatste kwartaal van 2020, toen duizend zelfstandigenbanen verloren gingen. Hierdoor komt het gemiddeld aantal zelfstandigenbanen in 2021 750 duizend hoger uit dan in 2003 (+47 procent). Daarmee is het aandeel zelfstandigenbanen opgelopen van 17,6 procent van alle banen in 2003 naar 21,5 procent in 2021.
Gekeken naar het totaal van de banen van werknemers en van zelfstandigen, blijkt eerst in 2011 het aantal banen van 2008 overtroffen te worden. Daarna daalt het aantal stevig tot begin 2014 en loopt vervolgens weer op. In het eerste kwartaal van 2020 waren er 10 884 duizend banen. Dat zijn er 992 duizend meer dan in het derde kwartaal van 2008, aan het begin van de economische crisis. In 2020 en 2021 verandert het totaal aantal banen van kwartaal op kwartaal volgens hetzelfde patroon als bij de banen van werknemers: –289 duizend banen in het tweede kwartaal van 2020, gevolgd door +164 duizend in het derde kwartaal van 2020. In het tweede en derde kwartaal van 2021 komt de totale banengroei uit op respectievelijk +147 duizend en +170 duizend banen. Hierdoor zijn er in het derde kwartaal van 2021 voor het eerst meer dan 11 miljoen banen. In het vierde kwartaal van 2021 komt het totaal aantal banen uit op 11 112 duizend, 228 duizend meer dan in het eerste kwartaal 2020, bij het begin van de coronacrisis.
| Jaar | Banen van werknemers | Banen van zelfstandigen |
|---|---|---|
| '01 | 161 | -36 |
| '02 | 52 | 1 |
| '03 | -46 | -18 |
| '04 | -79 | 27 |
| '05 | 42 | 44 |
| '06 | 147 | 73 |
| '07 | 225 | 75 |
| '08 | 143 | 37 |
| '09 | -77 | 15 |
| '10 | -57 | 25 |
| '11 | 72 | 63 |
| '12 | -54 | 26 |
| '13 | -139 | 5 |
| '14 | -40 | 41 |
| '15 | 77 | 46 |
| '16 | 113 | 43 |
| '17 | 206 | 40 |
| '18 | 230 | 51 |
| '19 | 180 | 31 |
| '20 | -103 | 74 |
| '21 | 168 | 35 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
In 2021 was in het merendeel van de bedrijfstakken sprake van banengroei. Het aantal banen nam het meest toe in de zorg (+48 duizend) en bij de uitzendbureaus (+43 duizend). Ook in de zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) en de handel kwamen er elk 31 duizend banen bij. Een stevige banengroei was er ook in het onderwijs, het openbaar bestuur, de informatie en communicatie en de bouwnijverheid. Bij vier bedrijfstakken nam het aantal banen echter af, het meest in de horeca (–12 duizend) en verder in de landbouw en visserij, de industrie en in de cultuur, recreatie en overige diensten.
Hoewel het totaal aantal banen in 2021 met 203 duizend toenam, terwijl er in 2020 nog 29 duizend verloren gingen, ontwikkelde de werkgelegenheid in de meeste bedrijfstakken zich in beide jaren in dezelfde richting. Zo kwamen er in de zorg zowel in 2020 als in 2021 meer dan 40 duizend banen bij. En de horeca verloor in beide jaren juist banen. Bij de uitzendbureaus is het beeld echter anders: tegenover het enorme banenverlies in 2020 staat een forse groei in 2021 (zie grafiek 2.11; de bedrijfstakken zijn daarin gesorteerd op basis van de totale verandering in het aantal banen van 2021 ten opzichte van 2019).
| Bedrijfstak | 2020 t.o.v. 2019 | 2021 t.o.v. 2020 |
|---|---|---|
| Zorg | 44 | 48 |
| Handel | 20 | 31 |
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) |
16 | 31 |
| Onderwijs | 14 | 27 |
| Openbaar bestuur | 15 | 17 |
| Bouwnijverheid | 17 | 12 |
| Informatie en communicatie |
12 | 17 |
| Financiële dienstverlening | 7 | 5 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
1 | 0 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
-1 | -2 |
| Vervoer en opslag | -5 | 1 |
| Landbouw en visserij |
3 | -8 |
| Industrie | -4 | -6 |
| Horeca | -43 | -12 |
| Uitzendbureaus | -126 | 43 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
Herstel bij de uitzendbureaus
De uitzendkrachten behoren tot de groepen die in 2020 het hardst geraakt werden door de coronacrisis. Het gemiddeld aantal werknemersbanen in de bedrijfsklasse uitzendbureaus kwam in 2020 uit op 694 duizend, 15 procent minder dan in 2019. In 2021 groeide de werkgelegenheid weer.
In 2019, nog voor het uitbreken van de coronapandemie, komt een einde aan de onafgebroken banengroei bij uitzendbureaus. Ruim zes jaar is dan het aantal werknemersbanen bij uitzendbureaus elk kwartaal verder gestegen, bij elkaar +273 duizend, een stijging van 49 procent.
Vanaf het tweede kwartaal van 2019 neemt het aantal banen bij uitzendbureaus af. Hierdoor zijn er bij de uitzendbureaus in het eerste kwartaal van 2020 60 duizend werknemersbanen minder dan een jaar eerder. In het tweede kwartaal van 2020 volgt de grote klap voor de uitzendbureaus: 122 duizend banen minder dan in het eerste kwartaal. Zo snel als het aantal banen in deze bedrijfstak kan dalen, neemt het daarna ook weer toe. Vanaf het derde kwartaal van 2020 stijgt het aantal werknemersbanen bij uitzendbureaus, waardoor de teller eind 2021 weer op 749 duizend banen staat, 96 duizend meer dan op het laagste punt zes kwartalen eerder. Dat is nog wel 10 procent lager dan begin 2019, toen de hoogste stand werd bereikt.
| Jaar | Kwartaal | Werknemersbanen bij uitzendbureaus |
|---|---|---|
| '01 | 1e kwartaal, '01 | 527 |
| '01 | 2e kwartaal, '01 | 521 |
| '01 | 3e kwartaal, '01 | 512 |
| '01 | 4e kwartaal, '01 | 499 |
| '02 | 1e kwartaal, '02 | 491 |
| '02 | 2e kwartaal, '02 | 484 |
| '02 | 3e kwartaal, '02 | 479 |
| '02 | 4e kwartaal, '02 | 472 |
| '03 | 1e kwartaal, '03 | 458 |
| '03 | 2e kwartaal, '03 | 449 |
| '03 | 3e kwartaal, '03 | 439 |
| '03 | 4e kwartaal, '03 | 444 |
| '04 | 1e kwartaal, '04 | 429 |
| '04 | 2e kwartaal, '04 | 444 |
| '04 | 3e kwartaal, '04 | 457 |
| '04 | 4e kwartaal, '04 | 466 |
| '05 | 1e kwartaal, '05 | 492 |
| '05 | 2e kwartaal, '05 | 507 |
| '05 | 3e kwartaal, '05 | 514 |
| '05 | 4e kwartaal, '05 | 521 |
| '06 | 1e kwartaal, '06 | 541 |
| '06 | 2e kwartaal, '06 | 564 |
| '06 | 3e kwartaal, '06 | 590 |
| '06 | 4e kwartaal, '06 | 623 |
| '07 | 1e kwartaal, '07 | 619 |
| '07 | 2e kwartaal, '07 | 643 |
| '07 | 3e kwartaal, '07 | 657 |
| '07 | 4e kwartaal, '07 | 672 |
| '08 | 1e kwartaal, '08 | 666 |
| '08 | 2e kwartaal, '08 | 668 |
| '08 | 3e kwartaal, '08 | 666 |
| '08 | 4e kwartaal, '08 | 646 |
| '09 | 1e kwartaal, '09 | 624 |
| '09 | 2e kwartaal, '09 | 594 |
| '09 | 3e kwartaal, '09 | 579 |
| '09 | 4e kwartaal, '09 | 576 |
| '10 | 1e kwartaal, '10 | 536 |
| '10 | 2e kwartaal, '10 | 560 |
| '10 | 3e kwartaal, '10 | 567 |
| '10 | 4e kwartaal, '10 | 574 |
| '11 | 1e kwartaal, '11 | 580 |
| '11 | 2e kwartaal, '11 | 592 |
| '11 | 3e kwartaal, '11 | 585 |
| '11 | 4e kwartaal, '11 | 565 |
| '12 | 1e kwartaal, '12 | 577 |
| '12 | 2e kwartaal, '12 | 577 |
| '12 | 3e kwartaal, '12 | 570 |
| '12 | 4e kwartaal, '12 | 561 |
| '13 | 1e kwartaal, '13 | 570 |
| '13 | 2e kwartaal, '13 | 570 |
| '13 | 3e kwartaal, '13 | 572 |
| '13 | 4e kwartaal, '13 | 579 |
| '14 | 1e kwartaal, '14 | 579 |
| '14 | 2e kwartaal, '14 | 589 |
| '14 | 3e kwartaal, '14 | 603 |
| '14 | 4e kwartaal, '14 | 617 |
| '15 | 1e kwartaal, '15 | 635 |
| '15 | 2e kwartaal, '15 | 654 |
| '15 | 3e kwartaal, '15 | 668 |
| '15 | 4e kwartaal, '15 | 682 |
| '16 | 1e kwartaal, '16 | 685 |
| '16 | 2e kwartaal, '16 | 710 |
| '16 | 3e kwartaal, '16 | 724 |
| '16 | 4e kwartaal, '16 | 733 |
| '17 | 1e kwartaal, '17 | 755 |
| '17 | 2e kwartaal, '17 | 774 |
| '17 | 3e kwartaal, '17 | 792 |
| '17 | 4e kwartaal, '17 | 807 |
| '18 | 1e kwartaal, '18 | 818 |
| '18 | 2e kwartaal, '18 | 824 |
| '18 | 3e kwartaal, '18 | 829 |
| '18 | 4e kwartaal, '18 | 833 |
| '19 | 1e kwartaal, '19 | 834 |
| '19 | 2e kwartaal, '19 | 829 |
| '19 | 3e kwartaal, '19 | 801 |
| '19 | 4e kwartaal, '19 | 816 |
| '20 | 1e kwartaal, '20 | 775 |
| '20 | 2e kwartaal, '20 | 653 |
| '20 | 3e kwartaal, '20 | 667 |
| '20 | 4e kwartaal, '20 | 680 |
| '21 | 1e kwartaal, '21 | 709 |
| '21 | 2e kwartaal, '21 | 738 |
| '21 | 3e kwartaal, '21 | 748 |
| '21 | 4e kwartaal, '21 | 749 |
StatLine: Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (jaarcijfers) en Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (kwartaalcijfers).
In 2021 is 8,6 procent van de werknemersbanen een baan bij een uitzendbureau. Drie jaar eerder is dat nog 9,9 procent. Van de uitzendbanen is 62 procent een deeltijdbaan, 60 procent is voor mannen. In verschillende bedrijfstakken waar veel uitzendwerk wordt verricht, werken sowieso al veel mannen, zoals in de industrie en in vervoer en opslag.
In de meeste CBS-statistieken worden uitzendkrachten geteld in de bedrijfsklasse uitzendbureaus (sbi 78), die deel uitmaakt van de bedrijfstak zakelijke dienstverlening. Uitzendbureaus zijn goed voor bijna de helft van alle werknemersbanen binnen de zakelijke dienstverlening. Omdat de uitzendkrachten een grote invloed hebben op de werkgelegenheidsontwikkeling, wordt de bedrijfstak zakelijke dienstverlening in publicaties soms opgeknipt in twee delen: uitzendbureaus enerzijds en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) anderzijds. Deze publicatiegroep uitzendbureaus omvat naast uitzendkrachten en het baliepersoneel van de uitzendbureaus ook uitleenbureaus, de arbeidsbemiddeling en payrollbedrijven. Kortheidshalve wordt gesproken over uitzendbureaus.
Voor een deel van de uitzendkrachten is bekend waar zij daadwerkelijk werken; met name in de industrie, de zorg en in vervoer en opslag (zie ook StatLine: Waar werken uitzendkrachten).
In vergelijking met tien jaar eerder lag het gemiddeld aantal banen van werknemers en zelfstandigen in 2021 per saldo 1 030 duizend hoger (+10,4 procent). In bijna alle bedrijfstakken groeide de werkgelegenheid, het meest in de zakelijke dienstverlening, de zorg, de handel en de uitzendbureaus. In de informatie en communicatie was de banengroei relatief het grootst (+33 procent). Alleen in de financiële dienstverlening (–37 duizend), de landbouw en visserij (–6 duizend) en de verhuur en handel van onroerend goed (–4 duizend) gingen banen verloren.
| Bedrijfstak | Verandering |
|---|---|
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) |
215 |
| Zorg | 167 |
| Handel | 162 |
| Uitzendbureaus | 156 |
| Informatie en communicatie |
95 |
| Onderwijs | 84 |
| Horeca | 58 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
41 |
| Bouwnijverheid | 35 |
| Openbaar bestuur | 33 |
| Vervoer en opslag | 19 |
| Industrie | 9 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
-4 |
| Landbouw en visserij |
-6 |
| Financiële dienstverlening | -37 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
Welke bedrijfstak is het grootst?
Met 1 773 duizend banen is de zorg in 2021 de grootste bedrijfstak. Een op de zes banen is te vinden in deze bedrijfstak. De zorg omvat niet alleen gezondheidszorg, maar ook verzorging en welzijn. De bedrijfstakken handel en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) volgen op de voet met respectievelijk 1 678 duizend en 1 638 duizend banen. Tot en met 2008 was de handel de bedrijfstak met de meeste banen, terwijl de industrie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw de koploper was. Tegenwoordig telt de zorg tweemaal zoveel banen als de industrie.
| Bedrijfstak | Banen van werknemers | Banen van zelfstandigen |
|---|---|---|
| Zorg | 1439 | 333 |
| Handel | 1428 | 250 |
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) |
894 | 745 |
| Industrie | 766 | 59 |
| Uitzendbureaus | 737 | 10 |
| Onderwijs | 560 | 103 |
| Bouwnijverheid | 341 | 252 |
| Openbaar bestuur | 552 | 0 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
315 | 228 |
| Horeca | 384 | 102 |
| Vervoer en opslag | 391 | 49 |
| Informatie en communicatie |
304 | 76 |
| Landbouw en visserij |
121 | 122 |
| Financiële dienstverlening | 218 | 9 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
70 | 16 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
Dat de zorg de meeste banen telt, geldt echter alleen als uitgegaan wordt van de indeling naar vijftien bedrijfstakken zoals die in deze publicatie wordt gehanteerd (zie ook bijlage 3). Het CBS publiceert ook banencijfers op basis van andere indelingen, waarbij soms bedrijfstakken worden samengeteld. Zo is het ook gebruikelijk om over de gehele zakelijke dienstverlening te publiceren. Dat zijn 2 385 duizend banen, dus meer dan bij de zorg. Maar bij bijvoorbeeld de voorlopige banencijfers wordt ook gepubliceerd over een samentrekking van handel, vervoer en horeca (bij elkaar 2 604 duizend banen). Nog groter is het samengestelde cijfer voor overheid en zorg, dat de bedrijfstakken openbaar bestuur, onderwijs en zorg omvat en 2 987 duizend banen telt in 2021 (zie ook StatLine: Banen van werkzame personen).
De zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendkrachten) is de bedrijfstak met het grootste aantal banen van zelfstandigen. Een op de drie zelfstandigenbanen wordt ingedeeld in deze bedrijfstak. Afgezet tegen het totaal aantal banen in een bedrijfstak, heeft de bedrijfstak landbouw en visserij de meeste zelfstandigenbanen, namelijk de helft.
Banen waarin vrouwen werken zijn in de zorg zonder meer het meest talrijk (uitgaande van de indeling in vijftien bedrijfstakken). Maar bij de banen van mannen staat de handel bovenaan de lijst en komt de zorg pas op de zevende plaats.
Ook wat betreft voltijdbanen van werknemers staat de handel bovenaan. Maar bij de voltijdbanen van mannelijke werknemers is dat de industrie. Bij de deeltijdbanen van werknemers staat de zorg aan top, maar bij deeltijdbanen van mannelijke werknemers is dat weer de handel.
Als het gaat om banen van vrouwelijke werknemers, staat de zorg in de meeste leeftijdsgroepen bovenaan. Maar bij vrouwelijke werknemers van 15 tot 20 jaar is dit de handel. Bij de banen van mannelijke werknemers is bij de 45‑plussers de industrie de bedrijfstak waar het vaakst wordt gewerkt. De banen van jongere mannen zijn vaak in de handel, met uitzondering van de 25- tot 30‑jarigen, die vaker bij of via een uitzendbureau werken (zie ook StatLine: Banen van werknemers).
Tot dusver ging het alleen om banen. Maar de werkgelegenheid wordt ook gemeten in werkzame personen (hoofdbanen), gewerkte uren en arbeidsjaren (vte’s). Doordat in de zorg veelal in deeltijd wordt gewerkt, is deze bedrijfstak niet de grootste op basis van het aantal gewerkte uren of het aantal arbeidsjaren; dan is de handel de grootste bedrijfstak. Qua aantal werkzame personen scoort de zorg wel het hoogst (zie ook StatLine: Werkgelegenheid).
Op deze manier moet het mogelijk zijn om voor alle bedrijfstakken wel ergens een groep te vinden waarvoor zij de grootste bedrijfstak zijn. Zie ook het kader Nederland handelsland verderop in dit hoofdstuk, met uitkomsten per gemeente. Uit grafiek 2.24 blijkt wat de grootste bedrijfstak is in de verschillende landen van de Europese Unie (op basis van het totaal aantal gewerkte uren onderverdeeld naar tien bedrijfstakken).
Steeds meer vrouwen
De toename van het aantal banen van werknemers en zelfstandigen in 2021 kwam voor twee derde voor rekening van vrouwen. Hierdoor wordt het aandeel vrouwen steeds groter. Nog steeds zijn de meeste banen in handen van mannen, maar het verschil is nog maar klein. In 1995 was het mannenaandeel nog 57 procent, in 2021 was dat 51 procent. Bij de werknemers is het aandeel mannenbanen iets hoger (52 procent) dan bij zelfstandigen (50 procent) (zie ook StatLine: Banen en Banen (jaarcijfers).
In de afgelopen tien jaar steeg het aantal banen van mannen met 421 duizend, terwijl het aantal banen van vrouwen toenam met 610 duizend. Deze ontwikkeling hangt voor een deel samen met de banengroei per bedrijfstak: vrouwen zijn sterk vertegenwoordigd in de zorg, waar het aantal banen jarenlang toenam. Ook in de zakelijke dienstverlening, de handel en het onderwijs kwamen er vooral vrouwen bij. Mannen profiteerden sterker van de banengroei bij uitzendbureaus en de informatie en communicatie.
| Jaar | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| '01 | 32 | 92 |
| '02 | -26 | 80 |
| '03 | -63 | -1 |
| '04 | -56 | 5 |
| '05 | 19 | 66 |
| '06 | 132 | 89 |
| '07 | 156 | 144 |
| '08 | 63 | 117 |
| '09 | -95 | 34 |
| '10 | -81 | 48 |
| '11 | 62 | 73 |
| '12 | -34 | 6 |
| '13 | -93 | -40 |
| '14 | 4 | -3 |
| '15 | 72 | 52 |
| '16 | 83 | 72 |
| '17 | 124 | 122 |
| '18 | 141 | 139 |
| '19 | 95 | 117 |
| '20 | -36 | 7 |
| '21 | 65 | 138 |
StatLine: Banen van werkzame personen (jaarcijfers) en Banen van werkzame personen.
Opvallend aan de banenontwikkeling naar geslacht is dat bij vrouwen voortdurend sprake is van groei. Alleen in 2013 daalde het aantal banen van vrouwen substantieel. Daarentegen daalde het aantal banen van mannen in de jaarcijfers sinds 2001 acht keer (zie grafiek 2.15).
In de zorg werd in 2020 inmiddels 81 procent van alle banen bezet door vrouwen. Ook in het onderwijs, de cultuur, recreatie en overige diensten en de zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) zijn vrouwen in de meerderheid. In de horeca zijn de banen vrijwel gelijk verdeeld over de seksen. Bij de overige bedrijfstakken zijn mannen in de meerderheid, het sterkst in de bouwnijverheid, waar maar 12 procent van de banen voor vrouwen is. In vergelijking met 2010 is het aandeel vrouwen het sterkst toegenomen in het openbaar bestuur en het onderwijs.
| Bedrijfstak | Banen van vrouwen |
|---|---|
| Zorg | 80,9 |
| Onderwijs | 63,5 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten | 62,1 |
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) | 53,7 |
| Horeca | 48,5 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 45,3 |
| Handel | 45 |
| Financiële dienstverlening | 43,2 |
| Openbaar bestuur | 42,9 |
| Uitzendbureaus | 39,3 |
| Landbouw en visserij | 33,3 |
| Informatie en communicatie | 25,5 |
| Vervoer en opslag | 23,9 |
| Industrie | 23,3 |
| Bouwnijverheid | 11,7 |
StatLine: Banen van werkzame personen.
Deeltijdwerk in ruim de helft van alle werknemersbanen
De afgelopen decennia is het aantal deeltijdbanen in Nederland sterk gestegen. Hierdoor zijn er sinds ongeveer 2007 meer deeltijdbanen dan voltijdbanen voor werknemers. In 2021 was het aandeel deeltijdbanen voor werknemers opgelopen tot 55 procent. In deeltijdbanen ligt de overeengekomen arbeidsduur onder het aantal uren dat hoort bij een volledige dag- en weektaak.
De percentages verschillen sterk bij mannen en vrouwen. Van de werknemersbanen die door vrouwen worden vervuld, is ruim drie kwart een deeltijdbaan. Het aandeel deeltijdbanen van mannen is met 34 procent aanzienlijk kleiner.
Het aandeel deeltijders varieert ook sterk per bedrijfstak. In de zorg is 82 procent van de werknemersbanen een deeltijdbaan. Ook de werknemers in de horeca en de cultuur, recreatie en overige diensten hebben vooral deeltijdbanen. Onderaan de ranglijst staat de bouwnijverheid met 22 procent deeltijdbanen. In alle bedrijfstakken zijn de werknemersbanen van vrouwen voor het merendeel deeltijdbanen, zelfs in de bouwnijverheid heeft drie kwart van de vrouwen een deeltijdbaan. Dit in tegenstelling tot de werknemersbanen van mannen, die in de meeste bedrijfstakken voor het merendeel door voltijders worden bezet. Alleen in de bedrijfstakken horeca, cultuur, recreatie en overige diensten, de uitzendbureaus en de zorg werkt ook het merendeel van de mannen in deeltijd (zie ook StatLine: Banen van werknemers).
Flexwerk voor 1 op de 3 werknemers
Bij 1 op de 3 werknemersbanen is sprake van een contract voor bepaalde tijd of gaat het om stagiairs, uitzendkrachten of oproepkrachten. De overige banen zijn ‘vast’. In 2021 telde 35 procent van de werknemersbanen als een flexbaan en 65 procent als een vaste baan.
Bij uitzendbureaus en de horeca is het aandeel flexbanen het grootst. In de bedrijfstakken financiële dienstverlening en het openbaar bestuur zijn er vooral vaste banen.
Het gemiddeld uurloon in de flexbanen ligt 40 procent onder dat in de vaste banen. Voor een deel komt dit doordat jongeren een groot aandeel hebben in het aantal flexbanen. Van de werknemers jonger dan 30 jaar heeft in totaal slechts 30 procent een vaste baan, terwijl dat bij de werknemers van 60 tot 65 jaar 89 procent is.
Als gevolg van de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) in 2020 zijn deze cijfers niet goed vergelijkbaar met de uitkomsten tot en met 2019. In de periode 2008–2019 daalde het aandeel werknemersbanen met een vast contract van 73 procent naar 64 procent. In 2021 daalde het aandeel vaste banen verder met 1 procentpunt, mede als gevolg van de toename van het aantal banen bij uitzendbureaus.
Uit een ander CBS-onderzoek, de Enquête beroepsbevolking (EBB), blijkt dat er in 2021 2,6 miljoen werknemers in Nederland een flexibele arbeidsrelatie als voornaamste werkkring hadden. De vraagstelling waarmee in de EBB het soort arbeidsrelatie wordt vastgesteld, is aangepast en de reeks is opnieuw berekend vanaf 2013. In de nieuwe EBB-reeks ligt het aandeel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie een stuk hoger dan bij de oude reeks. Bij deze nieuwe cijfers daalt het aandeel werknemers met een flexibele arbeidsrelatie van 37 procent in 2017 naar 33 procent in 2020 en 2021 (zie verder hoofdstuk 3).
| Bedrijfstak | Flexbaan |
|---|---|
| Uitzendbureaus | 88,3 |
| Horeca | 67,2 |
| Handel | 44,1 |
| Landbouw en visserij | 43,0 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
40,2 |
| Zorg | 28,9 |
| Onderwijs | 27,8 |
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) |
26,7 |
| Vervoer en opslag | 25,8 |
| Informatie en communicatie | 23,7 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
21,4 |
| Bouwnijverheid | 18,4 |
| Industrie | 16,6 |
| Openbaar bestuur | 14,1 |
| Financiële dienstverlening | 10,5 |
| Leeftijd | Flexbaan |
|---|---|
| 15 tot 20 jaar | 94,8 |
| 20 tot 25 jaar | 75,5 |
| 25 tot 30 jaar | 47,1 |
| 30 tot 35 jaar | 31,4 |
| 35 tot 40 jaar | 24,6 |
| 40 tot 45 jaar | 21,0 |
| 45 tot 50 jaar | 18,7 |
| 50 tot 55 jaar | 16,4 |
| 55 tot 60 jaar | 13,7 |
| 60 tot 65 jaar | 11,0 |
| 65 tot 70 jaar | 28,9 |
| 70 tot 75 jaar | 53,2 |
StatLine: Banen van werknemers naar soort baan en contractsoort.
Nederland handelsland
In bijna de helft van de Nederlandse gemeenten is de handel de bedrijfstak met de meeste banen voor werknemers. Dit geldt voor 163 van de 355 gemeenten (46 procent), gemeten per december 2020. Op de tweede plaats staat de zorg, die in 120 gemeenten de grootste werkgever is (34 procent). De industrie is in 36 gemeenten het grootst (10 procent). Opvallend is dat de zorg vooral belangrijk is in Noord-Nederland: in 27 van de 42 gemeenten die liggen in Groningen, Fryslân en Drenthe is de zorg de grootste bedrijfstak. In de provincies Flevoland, Utrecht, Zuid-Holland en Overijssel is in het merendeel van de gemeenten juist de handel de grootste bedrijfstak. Noord-Brabant telt de meeste gemeenten met veel industrie. De horeca scoort het hoogst op de Waddeneilanden.
In verschillende gemeenten wordt de werkgelegenheid sterk bepaald door een enkele bedrijfstak. Dit geldt bijvoorbeeld voor Berg en Dal, waar de zorg veruit de grootste bedrijfstak is, gemeten in aantallen werknemersbanen. In Veldhoven is de industrie het sterkst vertegenwoordigd, terwijl op Vlieland de horeca het belangrijkst is. De gemeente waar relatief de meeste werknemersbanen in de bedrijfstak informatie en communicatie zijn te vinden is – natuurlijk – Hilversum.
Wat betreft de absolute aantallen werknemersbanen, scoort Amsterdam bij tien van de vijftien onderscheiden bedrijfstakken het hoogst, het meest in de zakelijke dienstverlening. Rotterdam telt absoluut gezien de meeste banen in de industrie en de bouwnijverheid. Haarlemmermeer is de gemeente met de meeste banen in de bedrijfstak vervoer en opslag. ’s-Gravenhage telt de meeste banen in het openbaar bestuur. Voor de landbouw en visserij is dat het Westland.
In de landelijke cijfers over banen van werknemers in december 2020 neemt deze keer niet de handel het grootste aandeel in (17,1 procent), maar de zorg (17,4 procent).
| Gemeente | Bedrijfstak |
|---|---|
| Aalten | Industrie (36 gemeenten) |
| Bergeijk | Industrie (36 gemeenten) |
| Best | Industrie (36 gemeenten) |
| Bladel | Industrie (36 gemeenten) |
| Borsele | Industrie (36 gemeenten) |
| Boxmeer | Industrie (36 gemeenten) |
| Boxtel | Industrie (36 gemeenten) |
| Brummen | Industrie (36 gemeenten) |
| Bunschoten | Industrie (36 gemeenten) |
| Cranendonck | Industrie (36 gemeenten) |
| Cuijk | Industrie (36 gemeenten) |
| Delfzijl | Industrie (36 gemeenten) |
| Dongen | Industrie (36 gemeenten) |
| Etten-Leur | Industrie (36 gemeenten) |
| Hardinxveld-Giessendam | Industrie (36 gemeenten) |
| Hof van Twente | Industrie (36 gemeenten) |
| Laarbeek | Industrie (36 gemeenten) |
| Lopik | Industrie (36 gemeenten) |
| Midden-Groningen | Industrie (36 gemeenten) |
| Molenlanden | Industrie (36 gemeenten) |
| Oost Gelre | Industrie (36 gemeenten) |
| Oss | Industrie (36 gemeenten) |
| Oude IJsselstreek | Industrie (36 gemeenten) |
| Peel en Maas | Industrie (36 gemeenten) |
| Schagen | Industrie (36 gemeenten) |
| Scherpenzeel | Industrie (36 gemeenten) |
| Sittard-Geleen | Industrie (36 gemeenten) |
| Son en Breugel | Industrie (36 gemeenten) |
| Staphorst | Industrie (36 gemeenten) |
| Terneuzen | Industrie (36 gemeenten) |
| Veendam | Industrie (36 gemeenten) |
| Veldhoven | Industrie (36 gemeenten) |
| Velsen | Industrie (36 gemeenten) |
| Wormerland | Industrie (36 gemeenten) |
| Zoeterwoude | Industrie (36 gemeenten) |
| Zwartewaterland | Industrie (36 gemeenten) |
| Bunnik | Bouwnijverheid (3 gemeenten) |
| Koggenland | Bouwnijverheid (3 gemeenten) |
| Papendrecht | Bouwnijverheid (3 gemeenten) |
| Aalsmeer | Handel (163 gemeenten) |
| Achtkarspelen | Handel (163 gemeenten) |
| Alblasserdam | Handel (163 gemeenten) |
| Almere | Handel (163 gemeenten) |
| Alphen aan den Rijn | Handel (163 gemeenten) |
| Altena | Handel (163 gemeenten) |
| Amstelveen | Handel (163 gemeenten) |
| Asten | Handel (163 gemeenten) |
| Baarle-Nassau | Handel (163 gemeenten) |
| Barendrecht | Handel (163 gemeenten) |
| Barneveld | Handel (163 gemeenten) |
| Beek (L.) | Handel (163 gemeenten) |
| Beesel | Handel (163 gemeenten) |
| Bergen (L.) | Handel (163 gemeenten) |
| Berkelland | Handel (163 gemeenten) |
| Bernheze | Handel (163 gemeenten) |
| Beuningen | Handel (163 gemeenten) |
| Bodegraven-Reeuwijk | Handel (163 gemeenten) |
| Borne | Handel (163 gemeenten) |
| Breda | Handel (163 gemeenten) |
| Brielle | Handel (163 gemeenten) |
| Bronckhorst | Handel (163 gemeenten) |
| Buren | Handel (163 gemeenten) |
| Coevorden | Handel (163 gemeenten) |
| Culemborg | Handel (163 gemeenten) |
| Dalfsen | Handel (163 gemeenten) |
| De Fryske Marren | Handel (163 gemeenten) |
| De Ronde Venen | Handel (163 gemeenten) |
| De Wolden | Handel (163 gemeenten) |
| Dinkelland | Handel (163 gemeenten) |
| Doesburg | Handel (163 gemeenten) |
| Drechterland | Handel (163 gemeenten) |
| Drimmelen | Handel (163 gemeenten) |
| Dronten | Handel (163 gemeenten) |
| Duiven | Handel (163 gemeenten) |
| Echt-Susteren | Handel (163 gemeenten) |
| Edam-Volendam | Handel (163 gemeenten) |
| Ede | Handel (163 gemeenten) |
| Eemnes | Handel (163 gemeenten) |
| Eijsden-Margraten | Handel (163 gemeenten) |
| Enkhuizen | Handel (163 gemeenten) |
| Geertruidenberg | Handel (163 gemeenten) |
| Gemert-Bakel | Handel (163 gemeenten) |
| Gilze en Rijen | Handel (163 gemeenten) |
| Haaksbergen | Handel (163 gemeenten) |
| Halderberge | Handel (163 gemeenten) |
| Hattem | Handel (163 gemeenten) |
| Heerde | Handel (163 gemeenten) |
| Heerhugowaard | Handel (163 gemeenten) |
| Hellendoorn | Handel (163 gemeenten) |
| Hellevoetsluis | Handel (163 gemeenten) |
| Hendrik-Ido-Ambacht | Handel (163 gemeenten) |
| Hengelo (O.) | Handel (163 gemeenten) |
| Heumen | Handel (163 gemeenten) |
| Heusden | Handel (163 gemeenten) |
| Hillegom | Handel (163 gemeenten) |
| Hilvarenbeek | Handel (163 gemeenten) |
| Hoeksche Waard | Handel (163 gemeenten) |
| Hollands Kroon | Handel (163 gemeenten) |
| Horst aan de Maas | Handel (163 gemeenten) |
| Houten | Handel (163 gemeenten) |
| Huizen | Handel (163 gemeenten) |
| Hulst | Handel (163 gemeenten) |
| IJsselstein | Handel (163 gemeenten) |
| Kaag en Braassem | Handel (163 gemeenten) |
| Kampen | Handel (163 gemeenten) |
| Kapelle | Handel (163 gemeenten) |
| Katwijk | Handel (163 gemeenten) |
| Kerkrade | Handel (163 gemeenten) |
| Krimpen aan den IJssel | Handel (163 gemeenten) |
| Krimpenerwaard | Handel (163 gemeenten) |
| Landsmeer | Handel (163 gemeenten) |
| Langedijk | Handel (163 gemeenten) |
| Lansingerland | Handel (163 gemeenten) |
| Lelystad | Handel (163 gemeenten) |
| Leusden | Handel (163 gemeenten) |
| Lingewaard | Handel (163 gemeenten) |
| Lisse | Handel (163 gemeenten) |
| Maasdriel | Handel (163 gemeenten) |
| Maassluis | Handel (163 gemeenten) |
| Medemblik | Handel (163 gemeenten) |
| Meierijstad | Handel (163 gemeenten) |
| Midden-Delfland | Handel (163 gemeenten) |
| Mill en Sint Hubert | Handel (163 gemeenten) |
| Moerdijk | Handel (163 gemeenten) |
| Montfoort | Handel (163 gemeenten) |
| Neder-Betuwe | Handel (163 gemeenten) |
| Nederweert | Handel (163 gemeenten) |
| Nieuwkoop | Handel (163 gemeenten) |
| Nijkerk | Handel (163 gemeenten) |
| Nissewaard | Handel (163 gemeenten) |
| Noordenveld | Handel (163 gemeenten) |
| Noordoostpolder | Handel (163 gemeenten) |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | Handel (163 gemeenten) |
| Nunspeet | Handel (163 gemeenten) |
| Oisterwijk | Handel (163 gemeenten) |
| Oosterhout | Handel (163 gemeenten) |
| Oostzaan | Handel (163 gemeenten) |
| Opmeer | Handel (163 gemeenten) |
| Ouder-Amstel | Handel (163 gemeenten) |
| Oudewater | Handel (163 gemeenten) |
| Overbetuwe | Handel (163 gemeenten) |
| Pijnacker-Nootdorp | Handel (163 gemeenten) |
| Putten | Handel (163 gemeenten) |
| Raalte | Handel (163 gemeenten) |
| Reimerswaal | Handel (163 gemeenten) |
| Renswoude | Handel (163 gemeenten) |
| Reusel-De Mierden | Handel (163 gemeenten) |
| Rhenen | Handel (163 gemeenten) |
| Ridderkerk | Handel (163 gemeenten) |
| Rijssen-Holten | Handel (163 gemeenten) |
| Roerdalen | Handel (163 gemeenten) |
| Roermond | Handel (163 gemeenten) |
| Rucphen | Handel (163 gemeenten) |
| Schouwen-Duiveland | Handel (163 gemeenten) |
| 's-Hertogenbosch | Handel (163 gemeenten) |
| Sluis | Handel (163 gemeenten) |
| Soest | Handel (163 gemeenten) |
| Someren | Handel (163 gemeenten) |
| Stede Broec | Handel (163 gemeenten) |
| Steenbergen | Handel (163 gemeenten) |
| Steenwijkerland | Handel (163 gemeenten) |
| Stein (L.) | Handel (163 gemeenten) |
| Stichtse Vecht | Handel (163 gemeenten) |
| Súdwest-Fryslân | Handel (163 gemeenten) |
| Teylingen | Handel (163 gemeenten) |
| Tholen | Handel (163 gemeenten) |
| Tubbergen | Handel (163 gemeenten) |
| Twenterand | Handel (163 gemeenten) |
| Uden | Handel (163 gemeenten) |
| Uitgeest | Handel (163 gemeenten) |
| Uithoorn | Handel (163 gemeenten) |
| Urk | Handel (163 gemeenten) |
| Vaals | Handel (163 gemeenten) |
| Valkenswaard | Handel (163 gemeenten) |
| Veenendaal | Handel (163 gemeenten) |
| Venlo | Handel (163 gemeenten) |
| Vijfheerenlanden | Handel (163 gemeenten) |
| Vlaardingen | Handel (163 gemeenten) |
| Voorschoten | Handel (163 gemeenten) |
| Waalre | Handel (163 gemeenten) |
| Waalwijk | Handel (163 gemeenten) |
| Waddinxveen | Handel (163 gemeenten) |
| Weert | Handel (163 gemeenten) |
| Weesp | Handel (163 gemeenten) |
| West Betuwe | Handel (163 gemeenten) |
| West Maas en Waal | Handel (163 gemeenten) |
| Westervoort | Handel (163 gemeenten) |
| Weststellingwerf | Handel (163 gemeenten) |
| Westvoorne | Handel (163 gemeenten) |
| Wierden | Handel (163 gemeenten) |
| Wijchen | Handel (163 gemeenten) |
| Wijdemeren | Handel (163 gemeenten) |
| Wijk bij Duurstede | Handel (163 gemeenten) |
| Woerden | Handel (163 gemeenten) |
| Zaanstad | Handel (163 gemeenten) |
| Zaltbommel | Handel (163 gemeenten) |
| Zeewolde | Handel (163 gemeenten) |
| Zevenaar | Handel (163 gemeenten) |
| Zoetermeer | Handel (163 gemeenten) |
| Zuidplas | Handel (163 gemeenten) |
| Zundert | Handel (163 gemeenten) |
| Zwijndrecht | Handel (163 gemeenten) |
| Albrandswaard | Vervoer en opslag (2 gemeenten) |
| Haarlemmermeer | Vervoer en opslag (2 gemeenten) |
| Ameland | Horeca (7 gemeenten) |
| Noord-Beveland | Horeca (7 gemeenten) |
| Schiermonnikoog | Horeca (7 gemeenten) |
| Terschelling | Horeca (7 gemeenten) |
| Texel | Horeca (7 gemeenten) |
| Veere | Horeca (7 gemeenten) |
| Vlieland | Horeca (7 gemeenten) |
| Hilversum | Informatie en communicatie (1 gemeente) |
| Amsterdam | Zakelijke dienstverlening (excl,tzend)(5gemeenten) |
| Eindhoven | Zakelijke dienstverlening (excl,tzend)(5gemeenten) |
| Mook en Middelaar | Zakelijke dienstverlening (excl,tzend)(5gemeenten) |
| Rijswijk (ZH.) | Zakelijke dienstverlening (excl,tzend)(5gemeenten) |
| Wageningen | Zakelijke dienstverlening (excl,tzend)(5gemeenten) |
| Diemen | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Gorinchem | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Montferland | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Oldenzaal | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Tilburg | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Venray | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Westland | Uitzendbureaus (7 gemeenten) |
| Den Helder | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Elburg | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Oirschot | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Oldebroek | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| 's-Gravenhage (gemeente) | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Utrechtse Heuvelrug | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Westerveld | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Woensdrecht | Openbaar bestuur (8 gemeenten) |
| Delft | Onderwijs (2 gemeenten) |
| Rozendaal | Onderwijs (2 gemeenten) |
| Aa en Hunze | Zorg (120 gemeenten) |
| Alkmaar | Zorg (120 gemeenten) |
| Almelo | Zorg (120 gemeenten) |
| Alphen-Chaam | Zorg (120 gemeenten) |
| Amersfoort | Zorg (120 gemeenten) |
| Apeldoorn | Zorg (120 gemeenten) |
| Appingedam | Zorg (120 gemeenten) |
| Arnhem | Zorg (120 gemeenten) |
| Assen | Zorg (120 gemeenten) |
| Baarn | Zorg (120 gemeenten) |
| Beekdaelen | Zorg (120 gemeenten) |
| Beemster | Zorg (120 gemeenten) |
| Berg en Dal | Zorg (120 gemeenten) |
| Bergen (NH.) | Zorg (120 gemeenten) |
| Bergen op Zoom | Zorg (120 gemeenten) |
| Beverwijk | Zorg (120 gemeenten) |
| Blaricum | Zorg (120 gemeenten) |
| Bloemendaal | Zorg (120 gemeenten) |
| Boekel | Zorg (120 gemeenten) |
| Borger-Odoorn | Zorg (120 gemeenten) |
| Brunssum | Zorg (120 gemeenten) |
| Capelle aan den IJssel | Zorg (120 gemeenten) |
| Castricum | Zorg (120 gemeenten) |
| Dantumadiel | Zorg (120 gemeenten) |
| De Bilt | Zorg (120 gemeenten) |
| Deurne | Zorg (120 gemeenten) |
| Deventer | Zorg (120 gemeenten) |
| Doetinchem | Zorg (120 gemeenten) |
| Dordrecht | Zorg (120 gemeenten) |
| Druten | Zorg (120 gemeenten) |
| Eersel | Zorg (120 gemeenten) |
| Emmen | Zorg (120 gemeenten) |
| Enschede | Zorg (120 gemeenten) |
| Epe | Zorg (120 gemeenten) |
| Ermelo | Zorg (120 gemeenten) |
| Geldrop-Mierlo | Zorg (120 gemeenten) |
| Gennep | Zorg (120 gemeenten) |
| Goeree-Overflakkee | Zorg (120 gemeenten) |
| Goes | Zorg (120 gemeenten) |
| Goirle | Zorg (120 gemeenten) |
| Gooise Meren | Zorg (120 gemeenten) |
| Gouda | Zorg (120 gemeenten) |
| Grave | Zorg (120 gemeenten) |
| Groningen (gemeente) | Zorg (120 gemeenten) |
| Gulpen-Wittem | Zorg (120 gemeenten) |
| Haaren | Zorg (120 gemeenten) |
| Haarlem | Zorg (120 gemeenten) |
| Hardenberg | Zorg (120 gemeenten) |
| Harderwijk | Zorg (120 gemeenten) |
| Harlingen | Zorg (120 gemeenten) |
| Heemskerk | Zorg (120 gemeenten) |
| Heemstede | Zorg (120 gemeenten) |
| Heerenveen | Zorg (120 gemeenten) |
| Heerlen | Zorg (120 gemeenten) |
| Heeze-Leende | Zorg (120 gemeenten) |
| Heiloo | Zorg (120 gemeenten) |
| Helmond | Zorg (120 gemeenten) |
| Het Hogeland | Zorg (120 gemeenten) |
| Hoogeveen | Zorg (120 gemeenten) |
| Hoorn | Zorg (120 gemeenten) |
| Landerd | Zorg (120 gemeenten) |
| Landgraaf | Zorg (120 gemeenten) |
| Laren (NH.) | Zorg (120 gemeenten) |
| Leeuwarden | Zorg (120 gemeenten) |
| Leiden | Zorg (120 gemeenten) |
| Leiderdorp | Zorg (120 gemeenten) |
| Leidschendam-Voorburg | Zorg (120 gemeenten) |
| Leudal | Zorg (120 gemeenten) |
| Lochem | Zorg (120 gemeenten) |
| Loppersum | Zorg (120 gemeenten) |
| Losser | Zorg (120 gemeenten) |
| Maasgouw | Zorg (120 gemeenten) |
| Maastricht | Zorg (120 gemeenten) |
| Meerssen | Zorg (120 gemeenten) |
| Meppel | Zorg (120 gemeenten) |
| Middelburg (Z.) | Zorg (120 gemeenten) |
| Midden-Drenthe | Zorg (120 gemeenten) |
| Nieuwegein | Zorg (120 gemeenten) |
| Nijmegen | Zorg (120 gemeenten) |
| Noardeast-Fryslân | Zorg (120 gemeenten) |
| Noordwijk | Zorg (120 gemeenten) |
| Oegstgeest | Zorg (120 gemeenten) |
| Oldambt | Zorg (120 gemeenten) |
| Olst-Wijhe | Zorg (120 gemeenten) |
| Ommen | Zorg (120 gemeenten) |
| Ooststellingwerf | Zorg (120 gemeenten) |
| Opsterland | Zorg (120 gemeenten) |
| Pekela | Zorg (120 gemeenten) |
| Purmerend | Zorg (120 gemeenten) |
| Renkum | Zorg (120 gemeenten) |
| Rheden | Zorg (120 gemeenten) |
| Roosendaal | Zorg (120 gemeenten) |
| Rotterdam | Zorg (120 gemeenten) |
| Schiedam | Zorg (120 gemeenten) |
| Simpelveld | Zorg (120 gemeenten) |
| Sint Anthonis | Zorg (120 gemeenten) |
| Sint-Michielsgestel | Zorg (120 gemeenten) |
| Sliedrecht | Zorg (120 gemeenten) |
| Smallingerland | Zorg (120 gemeenten) |
| Stadskanaal | Zorg (120 gemeenten) |
| Tiel | Zorg (120 gemeenten) |
| Tynaarlo | Zorg (120 gemeenten) |
| Tytsjerksteradiel | Zorg (120 gemeenten) |
| Utrecht (gemeente) | Zorg (120 gemeenten) |
| Valkenburg aan de Geul | Zorg (120 gemeenten) |
| Vlissingen | Zorg (120 gemeenten) |
| Voerendaal | Zorg (120 gemeenten) |
| Voorst | Zorg (120 gemeenten) |
| Vught | Zorg (120 gemeenten) |
| Waadhoeke | Zorg (120 gemeenten) |
| Wassenaar | Zorg (120 gemeenten) |
| Waterland | Zorg (120 gemeenten) |
| Westerkwartier | Zorg (120 gemeenten) |
| Westerwolde | Zorg (120 gemeenten) |
| Winterswijk | Zorg (120 gemeenten) |
| Woudenberg | Zorg (120 gemeenten) |
| Zandvoort | Zorg (120 gemeenten) |
| Zeist | Zorg (120 gemeenten) |
| Zutphen | Zorg (120 gemeenten) |
| Zwolle | Zorg (120 gemeenten) |
| Loon op Zand | Cultuur,recreatieoverigediensten(1gemeente) |
StatLine: Banen van werknemers naar gemeente waar men werkt.
Woon-werkstromen
In december 2020 werkte 38 procent van de werknemers in de eigen woongemeente. Dat betekent dat 62 procent van de ruim 8 miljoen werknemers voor het werk naar een andere gemeente moet reizen. De combinatie die daarbij het vaakst voorkomt is wonen in Zaanstad en werken in Amsterdam (24 duizend werknemers).
Amsterdam is een werkgelegenheidsmagneet; 8 procent van de werknemersbanen in Nederland is te vinden in deze gemeente. 350 duizend werknemers werken in Amsterdam, maar wonen elders, vooral in Zaanstad, Almere, Haarlem, Utrecht, Amstelveen, Haarlemmermeer en Purmerend. Andersom geldt dat ruim 130 duizend Amsterdammers elders werken, het meest in Haarlemmermeer (23 duizend werknemersbanen). Deze gemeente heeft de luchthaven Schiphol binnen haar grenzen. Amsterdam staat op die manier tien keer in de top twintig van grootste woon-werkstromen.
In de top twintig met de grootste woon-werkstromen staan vooral stromen richting de vier grote gemeenten. In de grote steden werken meer werknemers dan er wonen. Rotterdam trekt vooral werknemers uit Nissewaard, ’s-Gravenhage, Schiedam en Capelle aan den IJssel. Andersom werken 13 duizend Rotterdammers in ’s-Gravenhage. ’s-Gravenhage trekt ook veel werknemers uit Leidschendam-Voorburg en Zoetermeer. De grootste woon-werkstroom waarbij niet een van de vier grote gemeenten is betrokken, is de stroom Westerkwartier > Groningen, op de 19e plaats.
Vier combinaties van woon- en werkgemeente komen ook in omgekeerde richting voor in de top twintig. Dat zijn Amsterdam-Haarlemmermeer, Utrecht-Amsterdam, Amstelveen-Amsterdam en ’s-Gravenhage-Rotterdam.
Nederland telde in 2020 nog 355 gemeenten. In theorie zouden er dus 355 x 355 verschillende woon-werkstromen kunnen bestaan. In werkelijkheid is dat een stuk minder, omdat de meeste werknemers in de buurt van hun werk wonen. De gemiddelde woon-werkafstand voor alle banen (inclusief de banen in de eigen woongemeente) bedraagt 22 kilometer. De woon-werkafstand is hier gedefinieerd als de afstand over de weg tussen het centrum van de wijk waar men woont en het centrum van de wijk waar men werkt. Doordat het gemiddelde wordt bepaald voor de desbetreffende banen, kan de gemiddelde woon-werkafstand van A naar B iets afwijken van het gemiddelde van B naar A.
Deze cijfers over woon-werkstromen van werknemers kunnen niet een-op-een gelezen worden als cijfers over woon-werkverkeer. Zo gaat het alleen om banen van werknemers. Maar niet in alle banen wordt vijf dagen in de week gewerkt. Sowieso komen werknemers niet altijd naar het werkadres, onder meer vanwege thuiswerken, vakantie of ziekte. Daarnaast kan het formele woon- of werkadres afwijken van het daadwerkelijke adres.
| Woongemeente | Werkgemeente | Banen van werknemers | Woon-werkafstand | ||
|---|---|---|---|---|---|
| x 1 000 | km | ||||
| 1 | Zaanstad | → | Amsterdam | 24,0 | 15,0 |
| 2 | Amsterdam | → | Haarlemmermeer | 23,0 | 17,7 |
| 3 | Almere | → | Amsterdam | 20,5 | 29,4 |
| 4 | Haarlem | → | Amsterdam | 20,2 | 19,5 |
| 5 | Utrecht | → | Amsterdam | 19,7 | 36,2 |
| 6 | Amstelveen | → | Amsterdam | 18,5 | 8,8 |
| 7 | Haarlemmermeer | → | Amsterdam | 18,5 | 18,1 |
| 8 | Nissewaard | → | Rotterdam | 14,8 | 16,4 |
| 9 | 's-Gravenhage | → | Rotterdam | 13,5 | 24,5 |
| 10 | Rotterdam | → | 's-Gravenhage | 13,4 | 23,9 |
| 11 | Purmerend | → | Amsterdam | 12,9 | 20,2 |
| 12 | Amsterdam | → | Utrecht | 12,5 | 37,3 |
| 13 | Schiedam | → | Rotterdam | 11,7 | 8,5 |
| 14 | Leidschendam-Voorburg | → | 's-Gravenhage | 11,3 | 5,5 |
| 15 | Zoetermeer | → | 's-Gravenhage | 11,3 | 14,9 |
| 16 | Capelle aan den IJssel | → | Rotterdam | 11,2 | 8,6 |
| 17 | 's-Gravenhage | → | Utrecht | 10,7 | 61,6 |
| 18 | Nieuwegein | → | Utrecht | 9,5 | 9,0 |
| 19 | Westerkwartier | → | Groningen | 9,3 | 17,0 |
| 20 | Amsterdam | → | Amstelveen | 9,2 | 9,9 |
Weer meer gewerkte uren
In de cijfers over de baanontwikkeling komt niet tot uiting dat een deel van de werkenden als gevolg van de coronamaatregelen niet volledig aan het werk was of gedwongen thuiszat. Zij hadden nog steeds werk, de werknemers kregen ook hun loon uitbetaald en de zelfstandigen hadden misschien recht op een uitkering, maar zij waren niet daadwerkelijk aan het werk. Daarom is het zinvol om ook te kijken naar de cijfers over het volume aan gewerkte uren. In die cijfers zijn de niet-gewerkte uren als gevolg van coronamaatregelen op het totaal in mindering gebracht. Uit de ontwikkeling van het aantal gewerkte uren blijkt zowel de verandering in het aantal banen als het effect van de coronamaatregelen.
Van 2013 op 2019 was het totaal aantal gewerkte uren in Nederland toegenomen met 12 procent tot 13 798 miljoen uur. Door de coronacrisis werd er in 2020 371 miljoen uur minder gewerkt dan in 2019. Dat is een afname met 2,7 procent, de grootste daling na 1975. Ook in 2021 waren gedurende het jaar een aantal perioden strenge coronamaatregelen van kracht, maar steeg het totaal aantal gewerkte uren weer met 335 miljoen (+2,5 procent). Per saldo lag het totaal aantal gewerkte uren in 2021 daardoor 0,3 procent onder dat van 2019.
Vooral in 2020 was het verschil tussen de ontwikkeling in het aantal banen (–0,3 procent) en het totaal aantal gewerkte uren (–2,7 procent) groot. In 2021 steeg het totaal aantal gewerkte uren (+2,5 procent) meer dan het aantal banen (+1,9 procent), maar terwijl er eind 2021 inmiddels weer meer banen zijn dan vlak voor het begin van de coronacrisis, lag het aantal gewerkte uren in het vierde kwartaal van 2021 nog net 0,1 procent onder dat van het vierde kwartaal van 2019.
Bij de cijfers over de ontwikkeling van het aantal gewerkte uren is er een groot verschil tussen werknemers en zelfstandigen. Bij werknemers daalde het totaal aantal gewerkte uren in 2020 met 3,4 procent, maar volgde in 2021 een stijging van 4,0 procent. Bij zelfstandigen bleef het totaal aantal gewerkte uren in 2020 vrijwel gelijk, maar trad in 2021 een daling op van 3,1 procent. Terwijl de werknemers in het vierde kwartaal van 2021 al weer meer uren maakten dan twee jaar eerder (+1,7 procent), werkten zelfstandigen 7 procent minder dan twee jaar eerder (gecorrigeerd voor seizoeninvloeden). Overigens is de onzekerheidsmarge op de voorlopige cijfers over het aantal gewerkte uren relatief groot, zodat deze cijfers wellicht later worden bijgesteld. Dit komt mede door de herziening van de Enquête beroepsbevolking, de voornaamste bron voor de voorlopige cijfers over het aantal gewerkte uren van zelfstandigen.
In 2021 steeg het aantal gewerkte uren in bijna alle bedrijfstakken. Alleen in de landbouw en visserij werden aanzienlijk minder uren gemaakt. In vergelijking met 2019 werden er in 2021 vooral minder uren gewerkt in de horeca (–94 miljoen uur) en bij de uitzendbureaus (–67 miljoen uur). Voor de horeca komt dat neer op 16 procent minder uren, bij de uitzendbureaus was de teruggang per saldo 7 procent. In de zorg, het openbaar bestuur en het onderwijs werd juist fors meer gewerkt. In grafiek 2.21 wordt de verandering in het totaal aantal gewerkte uren per bedrijfstak voor beide jaren afzonderlijk weergegeven. De bedrijfstakken zijn gesorteerd op basis van de totale verandering van 2021 ten opzichte van 2019: in de zorg kwamen er de meeste gewerkte uren bij, in de horeca daalde het aantal per saldo het meest. Bij de handel wordt de teruggang in het aantal gewerkte uren in 2020 vrijwel gecompenseerd door de toename in 2021; per saldo een verandering van –3 miljoen uur (–0,1 procent).
| Bedrijfstak | 2020 t.o.v 2019 | 2021 t.o.v. 2020 |
|---|---|---|
| Zorg | 14 | 73 |
| Openbaar bestuur | 24 | 28 |
| Onderwijs | 1 | 39 |
| Informatie en communicatie |
15 | 15 |
| Zakelijke dienstverlening (excl. uitzendbureaus) |
-22 | 43 |
| Financiële dienstverlening | 11 | 9 |
| Verhuur/handel onroerend goed |
1 | 0 |
| Handel | -55 | 52 |
| Vervoer en opslag | -40 | 28 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten |
-26 | 9 |
| Bouwnijverheid | -23 | -2 |
| Landbouw en visserij |
3 | -36 |
| Industrie | -49 | 13 |
| Uitzendbureaus | -116 | 48 |
| Horeca | -108 | 15 |
StatLine: Gewerkte uren.
Wat zijn gewerkte uren?
In 2021 werd gemiddeld 1 281 uur per jaar gewerkt in een werknemersbaan. Maar daarvoor krijgt de werknemer 1 544 uur betaald. Hoe zit dat?
De contractuele arbeidsduur voor een voltijdbaan van werknemers bedroeg in 2021 gemiddeld 39 uur per week. Bij deeltijdbanen was dat gemiddeld 21 uur. Op deze arbeidsduur is de eventuele arbeidsduurverkorting al in mindering gebracht, ook als het gaat om adv-dagen. Adv-uren zijn immers niet-betaalde uren. Hieruit volgt dat de arbeidsduur van werknemers op jaarbasis gemiddeld 1 527 uur bedraagt, voor voltijders en deeltijders tezamen. Daarboven op wordt gemiddeld 17 uur per baan betaald overgewerkt. De betaalde arbeidsduur bedraagt daardoor 1 544 uur per jaar.
Maar werknemers hebben ook recht op doorbetaalde vakantie en feestdagen. Dat zijn gemiddeld 178 uren per jaar. Daarnaast zijn werknemers om diverse andere redenen afwezig, maar krijgen wel doorbetaald: bij elkaar gaat dat om 82 uur per jaar, waarvan ziekte het grootste deel uitmaakt. Tevens werd er in 2021 als gevolg van de coronamaatregelen gemiddeld 13 uur per baan minder gewerkt. Ook die uren werden doorbetaald, waarvoor de bedrijven via de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) grotendeels gecompenseerd werden.
Anderzijds zijn er ook werknemers die onbetaald overwerken, gemiddeld 10 uur per jaar voor alle werknemers.
Als de betaalde arbeidsduur wordt verminderd met de doorbetaalde niet-gewerkte uren, en de onbetaalde overwerkuren daar weer bij worden opgeteld, resulteert het gemiddeld aantal gewerkte uren per werknemersbaan: 1 281 uur per jaar, oftewel bijna 25 uur per week. Niet bekend is welk deel hiervan productieve arbeidstijd is (denk aan doorbetaalde koffiepauzes, privégesprekken tijdens werktijd e.d.).
| Mannen | Vrouwen | Totaal | W.v. voltijd | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Uren | |||||
| Betaalde arbeidsuren | 1 748 | 1 325 | 1 544 | 2 069 | |
| Contracturen | + | 1 721 | 1 319 | 1 527 | 2 040 |
| Overwerk (betaald) | + | 27 | 6 | 17 | 30 |
| Vakantie-uren | – | 165 | 132 | 149 | 194 |
| Feestdagen (in uren) | – | 33 | 25 | 29 | 39 |
| Ziekteverzuim | – | 67 | 55 | 61 | 81 |
| Kort verzuim (doktersbezoek e.d.) | – | 9 | 7 | 8 | 10 |
| Moederschap | – | 0 | 14 | 7 | 6 |
| Vaderschap/geboorte kind | – | 5 | 0 | 3 | 5 |
| Betaald ouderschapsverlof | – | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Weerverlet | – | 1 | 0 | 1 | 1 |
| Shorttime/werktijdverkorting | – | 14 | 12 | 13 | 15 |
| Stakingsuren | – | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Opname levensloop | – | 2 | 1 | 2 | 3 |
| Overwerk (onbetaald) | + | 16 | 3 | 10 | 18 |
| Gewerkte uren | = | 1 468 | 1 081 | 1 281 | 1 734 |
StatLine: Arbeidsduur van werknemers en Arbeidsduur van werknemers naar geslacht.
| Land | Gewerkte uren |
|---|---|
| Polen | 2050 |
| Griekenland | 1975 |
| Malta | 1882 |
| Estland | 1856 |
| Roemenië | 1838 |
| Kroatië | 1835 |
| Litouwen | 1835 |
| Letland | 1831 |
| Portugal | 1789 |
| Ierland | 1775 |
| Tsjechië | 1753 |
| Cyprus | 1745 |
| Hongarije | 1697 |
| Italië | 1668 |
| Spanje | 1641 |
| Bulgarije | 1619 |
| EU-27 | 1602 |
| Slovenië | 1596 |
| Zweden | 1595 |
| Slowakije | 1583 |
| Finland | 1569 |
| Oostenrijk | 1548 |
| Frankrijk | 1490 |
| België 1) | 1443 |
| Nederland | 1417 |
| Luxemburg | 1382 |
| Denemarken | 1363 |
| Duitsland | 1349 |
| 1) Cijfer van 2020. | |
Eurostat: Gewerkte uren en werkzame personen, EU.
Doordat in Nederland veel in deeltijd wordt gewerkt, is het aantal gewerkte uren per werkende lager dan in veel andere landen van de Europese Unie. Alleen in Duitsland, Denemarken en Luxemburg was het gemiddeld aantal gewerkte uren in 2021 nog iets lager dan in Nederland. In vergelijking met 2020 is het aantal gewerkte uren per werkende weer flink toegenomen; het gemiddelde in de EU komt 4 procent hoger uit. In 2020 nam het gemiddeld aantal werkuren nog met 5 procent af als gevolg van de coronacrisis.
Qua omvang van de economie neemt Nederland de vijfde plaats in binnen de EU, achter Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje. Het Nederlandse bruto binnenlands product (bbp) beslaat 6 procent van de totale productie bij de EU. Maar wat betreft het totaal aantal gewerkte uren moet Nederland ook Polen en Roemenië voor zich laten. Van alle gewerkte uren in de EU wordt 4 procent in Nederland gewerkt.
In de Europese Unie is de bedrijfstak nijverheid (exclusief bouw) en energie goed voor 16 procent van alle gewerkte uren van werknemers en zelfstandigen. Dit loopt uiteen van 8 procent in Luxemburg tot 27 procent in Tsjechië. In Nederland omvat deze bedrijfstak 10 procent van de gewerkte uren. Nederland is relatief goed vertegenwoordigd in de zakelijke dienstverlening, terwijl het aandeel van de nijverheid relatief klein is.
| Landbouw en visserij | Nijverheid (geen bouw) en energie | Bouwnijverheid | Handel, vervoer en horeca | Informatie en communicatie | Financiële dienstverlening | Verhuur en handel van onroerend goed | Zakelijke dienstverlening | Overheid en zorg | Cultuur, recreatie, overige diensten | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Luxemburg | 0,8 | 8,0 | 10,9 | 19,7 | 4,8 | 11,6 | 1,1 | 17,5 | 21,9 | 3,7 |
| België | 2,2 | 11,7 | 6,5 | 19,8 | 3,0 | 2,4 | 0,6 | 21,8 | 28,6 | 3,4 |
| Nederland | 2,6 | 10,2 | 6,6 | 23,2 | 4,1 | 2,5 | 0,8 | 20,5 | 24,9 | 4,6 |
| Zweden | 2,4 | 13,1 | 7,8 | 20,3 | 4,4 | 1,8 | 2,1 | 11,3 | 32,6 | 4,2 |
| Denemarken | 2,5 | 11,7 | 7,8 | 22,9 | 4,0 | 2,8 | 1,6 | 12,0 | 30,2 | 4,5 |
| Frankrijk | 3,9 | 10,6 | 7,7 | 22,9 | 3,6 | 2,9 | 1,4 | 16,3 | 26,2 | 4,5 |
| Finland | 4,7 | 13,7 | 9,6 | 19,1 | 4,4 | 1,6 | 1,1 | 12,3 | 28,7 | 4,8 |
| Duitsland | 1,5 | 19,2 | 6,7 | 21,0 | 3,6 | 2,6 | 1,0 | 13,5 | 25,8 | 5,1 |
| Ierland | 6,1 | 13,2 | 7,3 | 23,8 | 5,1 | 4,7 | 0,7 | 11,1 | 25,0 | 3,0 |
| Spanje | 4,3 | 10,8 | 7,5 | 29,8 | 3,0 | 1,8 | 1,3 | 13,3 | 20,8 | 7,4 |
| EU-27 | 5,4 | 16,5 | 7,5 | 24,1 | 3,3 | 2,4 | 1,1 | 12,4 | 22,1 | 5,2 |
| Cyprus | 5,5 | 9,9 | 9,0 | 29,5 | 3,4 | 4,1 | 0,6 | 10,5 | 17,4 | 10,1 |
| Oostenrijk | 5,7 | 16,3 | 7,7 | 24,3 | 3,3 | 2,7 | 1,6 | 12,7 | 22,0 | 3,7 |
| Portugal | 6,0 | 16,3 | 7,1 | 25,4 | 2,9 | 1,8 | 1,3 | 13,2 | 21,2 | 4,8 |
| Estland | 2,5 | 21,6 | 7,8 | 22,9 | 5,2 | 2,4 | 1,3 | 7,8 | 23,3 | 5,2 |
| Hongarije | 5,2 | 19,9 | 8,8 | 22,6 | 3,9 | 1,8 | 1,5 | 11,5 | 20,2 | 4,6 |
| Italië | 5,8 | 17,5 | 7,3 | 26,0 | 2,8 | 2,6 | 0,8 | 12,3 | 16,0 | 8,9 |
| Slovenië | 8,7 | 22,9 | 7,4 | 19,9 | 3,3 | 1,9 | 0,7 | 12,3 | 19,3 | 3,6 |
| Letland | 8,4 | 17,1 | 7,8 | 25,8 | 4,6 | 1,7 | 2,2 | 8,0 | 21,1 | 3,3 |
| Litouwen | 5,8 | 19,4 | 8,0 | 25,9 | 3,9 | 2,0 | 0,9 | 8,7 | 21,5 | 3,9 |
| Slowakije | 3,1 | 23,5 | 8,5 | 25,6 | 3,6 | 2,0 | 1,1 | 10,6 | 19,2 | 2,8 |
| Tsjechië | 3,3 | 26,6 | 8,4 | 22,6 | 3,5 | 1,6 | 2,2 | 8,8 | 19,7 | 3,3 |
| Polen | 8,8 | 22,7 | 8,2 | 23,1 | 3,0 | 2,4 | 0,9 | 6,9 | 20,1 | 3,9 |
| Griekenland | 13,0 | 9,7 | 4,0 | 36,2 | 2,2 | 1,6 | 0,5 | 9,3 | 19,2 | 4,3 |
| Kroatië | 7,2 | 20,4 | 9,0 | 27,5 | 3,0 | 2,2 | 0,3 | 6,7 | 20,1 | 3,6 |
| Bulgarije | 14,7 | 20,0 | 5,9 | 25,6 | 3,7 | 1,9 | 0,7 | 7,1 | 17,2 | 3,2 |
| Roemenië | 10,3 | 23,3 | 10,4 | 28,5 | 2,5 | 1,3 | 0,4 | 5,2 | 15,3 | 2,8 |
| 1) Op basis van het aantal gewerkte uren. Exclusief Malta. Voor België cijfers over 2020. | ||||||||||
Eurostat: Gewerkte uren per bedrijfstak, EU.
Mensen met meerdere banen
Er zijn meer banen in Nederland dan werkzame personen. In 2021 waren er gemiddeld 10 947 duizend banen voor 9 715 duizend personen. Per 100 werkzame personen zijn dat 113 banen (zie ook StatLine: Werkgelegenheid). Vooral zelfstandigen hebben vaak een tweede baan: terwijl 17 procent van de werkzame personen zelfstandige is, bestaat 22 procent van alle banen uit zelfstandigenbanen.
Van de werknemers heeft 9 procent een tweede baan. Bij twee op de drie is dit een werknemersbaan (veelal met een flexibele arbeidsrelatie), bij een op de drie is het een zelfstandigenbaan (vaak als zzp’ er) (zie ook: StatLine: Werknemers: combibanen).
Meer mensen aan het werk dan ooit
In 2021 waren er 171 duizend mensen meer aan het werk dan een jaar eerder. Daarmee is het verlies aan werkgelegenheid in 2020 (–48 duizend) weer gecompenseerd. Ook in de voorgaande jaren gingen steeds meer mensen aan het werk. Sinds 2014 is het aantal mensen met betaald werk met bijna 1 miljoen toegenomen, tot gemiddeld 9,7 miljoen in 2021. Er zijn nu meer werkenden dan ooit tevoren.
In 2021 steeg het aantal werknemers met 157 duizend naar 8,1 miljoen. Het aantal zelfstandigen nam toe met 14 duizend tot 1,6 miljoen. Deze ontwikkelingen komen in grote lijnen overeen met die van het aantal banen. Van de werknemers is 52 procent man. Maar bij de zelfstandigen zijn vrouwen nu voor het eerst in de meerderheid: 820 duizend mannen tegen 825 duizend vrouwen. Een kwart van deze vrouwelijke zelfstandigen werkt als huishoudelijke hulp.
Tot de werkzame personen wordt iedereen gerekend die betaald werk doet bij een bedrijf, instelling of particulier huishouden in Nederland, ongeacht het aantal uren dat daarmee gemoeid is. Overigens is het aantal mensen dat in de loop van het jaar gewerkt heeft veel groter dan het aantal mensen dat gemiddeld in het jaar gewerkt heeft. Alle cijfers over banen en werkzame personen in dit hoofdstuk zijn jaar- of kwartaalgemiddelden. Iemand die maar een half jaar gewerkt heeft, telt voor het gemiddelde als een halve werkzame persoon. Veel mensen werken maar een deel van het jaar. Denk bijvoorbeeld aan schoolverlaters of mensen die met pensioen gaan. Ook mensen die ontslagen worden of van wie het contract niet verlengd wordt, moeten op zoek naar ander werk, wat vaak enige tijd kost.
De 9,7 miljoen werkzame personen die Nederland in 2021 telde, bezetten gemiddeld 10,9 miljoen banen. Zowel voltijdbanen als deeltijdbanen tellen mee. Gemiddeld heeft een baan een arbeidsduur die gelijk is aan 72 procent van een voltijdbaan. Anders gezegd: de gemiddelde baan is een baan van 0,72 vte. Hierdoor komt het arbeidsvolume uit op circa 7,9 miljoen arbeidsjaren.
De vierde maatstaf om de werkgelegenheid te meten, is het aantal feitelijk gewerkte uren. Niet-gewerkte uren als gevolg van vakantie, arbeidsduurverkorting, ziekte en dergelijke tellen hierbij niet mee, overwerkuren wel. In totaal werd vorig jaar bijna 14 miljard uur gewerkt. Dat is gemiddeld 1 257 uur per baan. Doordat een aanzienlijke groep mensen in twee of meer banen werkzaam is, zijn werkenden gemiddeld 1 416 uur per jaar aan het werk. Mannen met betaald werk werken gemiddeld 1 626 uur per jaar, vrouwen 27 procent minder. En omdat er ook nog steeds meer mannen dan vrouwen betaald werk hebben, wordt uiteindelijk 60 procent van het totaal aantal gewerkte uren gemaakt door mannen en 40 procent door vrouwen (zie ook StatLine: Gewerkte uren).
| Jaar | Gewerkte uren (mld) | Gewerkte uren, nieuwe reeks (mld) | Banen (mln) | Banen, nieuwe reeks (mln) | Werkzame personen (mln) | Werkzame personen, nieuwe reeks (mln) | Arbeidsjaren (mln) | Arbeidsjaren, nieuwe reeks (mln) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1970 | 9,964 | . | 5,936 | . | 5,447 | . | 4,939 | . |
| 1971 | 9,932 | . | 6,015 | . | 5,515 | . | 4,984 | . |
| 1972 | 9,833 | . | 6,014 | . | 5,505 | . | 4,962 | . |
| 1973 | 9,828 | . | 6,106 | . | 5,576 | . | 5,01 | . |
| 1974 | 9,625 | . | 6,172 | . | 5,629 | . | 5,041 | . |
| 1975 | 9,343 | . | 6,183 | . | 5,636 | . | 5,024 | . |
| 1976 | 9,45 | . | 6,268 | . | 5,705 | . | 5,052 | . |
| 1977 | 9,359 | . | 6,29 | . | 5,734 | . | 5,078 | . |
| 1978 | 9,283 | . | 6,363 | . | 5,8 | . | 5,124 | . |
| 1979 | 9,368 | . | 6,509 | . | 5,931 | . | 5,215 | . |
| 1980 | 9,514 | . | 6,633 | . | 6,033 | . | 5,28 | . |
| 1981 | 9,499 | . | 6,62 | . | 6,011 | . | 5,23 | . |
| 1982 | 9,311 | . | 6,545 | . | 5,931 | . | 5,118 | . |
| 1983 | 9,109 | . | 6,491 | . | 5,876 | . | 5,035 | . |
| 1984 | 9,142 | . | 6,559 | . | 5,932 | . | 5,05 | . |
| 1985 | 9,186 | . | 6,684 | . | 6,046 | . | 5,141 | . |
| 1986 | 9,341 | . | 6,878 | . | 6,214 | . | 5,258 | . |
| 1987 | 9,43 | . | 7,027 | . | 6,35 | . | 5,345 | . |
| 1988 | 9,585 | . | 7,157 | . | 6,465 | . | 5,428 | . |
| 1989 | 9,789 | . | 7,345 | . | 6,64 | . | 5,55 | . |
| 1990 | 10,046 | . | 7,55 | . | 6,829 | . | 5,695 | . |
| 1991 | 10,176 | . | 7,671 | . | 6,945 | . | 5,77 | . |
| 1992 | 10,427 | . | 7,79 | . | 7,035 | . | 5,845 | . |
| 1993 | 10,408 | . | 7,838 | . | 7,072 | . | 5,852 | . |
| 1994 | 10,515 | . | 7,907 | . | 7,127 | . | 5,853 | . |
| 1995 | 10,763 | 10,768 | 8,066 | 8,021 | 7,276 | 7,268 | 5,959 | 5,935 |
| 1996 | . | 11,104 | . | 8,206 | . | 7,42 | . | 6,073 |
| 1997 | . | 11,334 | . | 8,421 | . | 7,648 | . | 6,259 |
| 1998 | . | 11,578 | . | 8,645 | . | 7,83 | . | 6,44 |
| 1999 | . | 11,899 | . | 8,888 | . | 8,055 | . | 6,602 |
| 2000 | . | 12,01 | . | 9,027 | . | 8,203 | . | 6,703 |
| 2001 | . | 12,166 | . | 9,152 | . | 8,367 | . | 6,809 |
| 2002 | . | 12,104 | . | 9,204 | . | 8,427 | . | 6,797 |
| 2003 | . | 11,965 | . | 9,141 | . | 8,38 | . | 6,717 |
| 2004 | . | 11,996 | . | 9,089 | . | 8,285 | . | 6,668 |
| 2005 | . | 11,956 | . | 9,175 | . | 8,34 | . | 6,685 |
| 2006 | . | 12,189 | . | 9,395 | . | 8,521 | . | 6,833 |
| 2007 | . | 12,537 | . | 9,696 | . | 8,772 | . | 7,022 |
| 2008 | . | 12,736 | . | 9,876 | . | 8,915 | . | 7,148 |
| 2009 | . | 12,552 | . | 9,814 | . | 8,839 | . | 7,066 |
| 2010 | . | 12,463 | . | 9,782 | . | 8,779 | . | 7,025 |
| 2011 | . | 12,576 | . | 9,918 | . | 8,855 | . | 7,066 |
| 2012 | . | 12,465 | . | 9,889 | . | 8,837 | . | 7,023 |
| 2013 | . | 12,355 | . | 9,756 | . | 8,733 | . | 6,937 |
| 2014 | . | 12,438 | . | 9,757 | . | 8,725 | . | 6,927 |
| 2015 | . | 12,559 | . | 9,881 | . | 8,808 | . | 7,015 |
| 2016 | . | 12,854 | . | 10,036 | . | 8,943 | . | 7,159 |
| 2017 | . | 13,156 | . | 10,282 | . | 9,157 | . | 7,34 |
| 2018 | . | 13,51 | . | 10,562 | . | 9,408 | . | 7,561 |
| 2019 | . | 13,798 | . | 10,773 | . | 9,592 | . | 7,726 |
| 2020 | . | 13,427 | . | 10,744 | . | 9,544 | . | 7,776 |
| 2021 | . | 13,762 | . | 10,947 | . | 9,715 | . | . |
StatLine: Werkgelegenheid (vanaf 1995) en Werkgelegenheid (oude reeks).
In vergelijking met 1970 is het aantal banen met ongeveer 85 procent toegenomen en zijn er 79 procent meer mensen aan het werk. Doordat deeltijdwerk een hoge vlucht heeft genomen, de voltijdwerkweek is verkort en werkenden tegenwoordig meer vakantiedagen hebben, is het totaal aantal gewerkte uren in Nederland echter beduidend minder toegenomen, namelijk met 38 procent. Terwijl werkenden in 1970 nog gemiddeld 1 829 uur per jaar werkten, was dat in 2021 bijna een kwart minder.
Werkstakingen
In 2021 waren er 22 werkstakingen, net zoveel als gemiddeld in de afgelopen twintig jaar. Met deze stakingen waren vorig jaar 59 duizend arbeidsdagen gemoeid. Ook daarmee behoort 2021 tot de middenmoot. In 2017-2020 liep het aantal stakingsdagen, ten opzichte van de vier jaren daarvoor, nog beduidend op, tot boven de 200 duizend stakingsdagen per jaar. De meeste stakingsdagen kwamen in 2021 voor rekening van de industrie.
Bij de stakingen in 2021 waren 28 duizend werknemers betrokken. Deeltijdwerknemers zijn hierbij naar rato van hun arbeidsduur meegeteld. De afgelopen twintig jaar was het gemiddeld aantal stakers het dubbele. Het effect op het totaal aantal gewerkte uren van werknemers was gering: 0,004 procent van het totale volume aan contracturen werd gestaakt.
StatLine: Werkstakingen.