Meer balans tussen werk en privé in 2020

Foto omschrijving: Vrouw werkt vanwege corona tijdperk thuis

Arbeids­omstandigheden

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de werksituatie van werknemers en de ontwikkeling hierin in de afgelopen jaren. Hierbij wordt onder andere gekeken naar fysiek en psychosociaal zwaar werk, duurzame inzetbaarheid, arbeidsongevallen, ziekteverzuim en beroepsziekten. Ook wordt aandacht besteed aan de balans tussen werk en privé.

Jaarlijks peilt het CBS in samenwerking met TNO de arbeidsomstandigheden van werknemers in Nederland met de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). In 2020 telde Nederland 7,4 miljoen werknemers.

Een soortgelijk onderzoek onder zelfstandig ondernemers wordt tweejaarlijks uitgevoerd met de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA). Beide onderzoeken vormen een belangrijke aanvulling op de periodieke meting van de arbeidspositie van de Nederlandse bevolking in de Enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS. De informatie over ziekteverzuim naar bedrijfstak komt uit de Kwartaalenquête ziekteverzuim van het CBS.

COVID-19

De vragenlijst van de NEA 2020 is afgenomen in het vierde kwartaal van 2020, tijdens de zogeheten tweede golf van de COVID-19‑pandemie. In oktober gold een gedeeltelijke lockdown, waarbij een groot deel van de horeca werd gesloten en er een verbod kwam op publieksevenementen. Publiek bij sportevenementen werd ook verboden. Halverwege december ging de gedeeltelijke lockdown over in een volledige, waarbij ook de zogenoemde niet-essentiële winkels, (sport)scholen en kinderopvang, musea, bioscopen, theaters en concertzalen werden gesloten. Ook konden contactberoepen (opnieuw) niet worden uitgeoefend. Zie ook het overzicht in tabel 1.4.

In de NEA 2020 zijn enkele vragen opgenomen over de (mogelijke) invloed van de COVID-19‑pandemie op het werk. Zo is gevraagd of de coronamatregelen op het moment van invullen van de vragenlijst invloed hadden op het uitoefenen van het werk. De helft van de werknemers gaf hierbij aan dat de werkomstandigheden inderdaad gewijzigd zijn, bijvoorbeeld door meer thuis te werken of minder te werken. De werkomstandigheden veranderden het meest in de bedrijfstakken financiële dienstverlening, informatie en communicatie en het openbaar bestuur. Maar ook meer dan de helft van de werknemers in de bedrijfstakken verhuur en handel van onroerend goed, zakelijke dienstverlening, het onderwijs en de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige diensten gaven aan dat ze te maken hebben gehad met veranderingen.

Van de werknemers gaf 2,5 procent aan dat het werk stillag of niet mocht worden uitgevoerd. Dit percentage was vooral hoog bij werknemers in de horeca, bijna 30. Werknemers die aangaven dat het werk op de enquêtedatum stillag of niet mocht worden uitgevoerd vanwege coronamaatregelen hebben geen vragen gekregen over fysieke arbeidsbelasting, gevaarlijk werk en gevaarlijke stoffen, werkdruk, zelfstandigheid in het werk en emotioneel belastend werk. Bij de cijfers over deze onderwerpen blijven zij dan ook buiten beschouwing.

Minder fysiek belastend werk

Of iemand zwaar of lichamelijk belastend werk doet, is onder meer te meten aan de frequentie waarmee mensen veel kracht moeten zetten, de mate waarin zij geluiden en trillingen in de werkomgeving waarnemen en de houding waarin ze moeten werken.

De meest voorkomende vorm van lichamelijke arbeidsbelasting is dat tijdens het werk vaak dezelfde bewegingen moeten worden gemaakt: in 2020 gaven 3 op de 10 werknemers aan dat regelmatig te doen. Ook regelmatig veel kracht moeten zetten behoort tot een vaak voorkomende vorm van fysieke belasting. 18 procent van de werknemers had daarmee te maken.

4.1 Fysieke arbeidsbelasting (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Regelmatig veel
kracht zetten
17,6 20,1
Geluid en trillingen: . .
Regelmatig hard praten 6,7 7,8
Regelmatig te maken
met trillingen
8,1 8,6
Werkhouding: . .
In ongemakkelijke
werkhouding werken
9,2 10,6
Tijdens werk repeterende
beweging maken
29,8 32,4
Bron: CBS, TNO

Statline: Fysieke arbeidsbelasting van werknemers.

Ten opzichte van 2019 ervaart een kleiner deel van de werknemers fysieke arbeidsbelasting. Dat gaat op voor alle onderscheiden vormen van arbeidsbelasting, maar het meest voor de repeterende bewegingen tijdens het werk en het regelmatig kracht zetten. Tussen 2014 en 2019 nam de belasting in de vorm van vaak herhaalde bewegingen ook al licht af. Bij een aantal andere belastende omstandigheden was er juist een stijging, zoals hard praten om verstaanbaar te zijn op de werkplek, en het werken in een ongemakkelijke houding.

Beeldschermwerk in 2020 verder toegenomen

Steeds meer werknemers zitten langdurig aan een beeldscherm: in 2020 werkte 45 procent 6 uur of langer per werkdag aan een beeldscherm, tegen 39 procent in 2019. Werknemers die dagelijks langdurig beeldschermwerk verrichten hebben een verhoogde kans op gezondheidsklachten. In 2020 werkten werknemers gemiddeld 4,4 uur per dag aan een beeldscherm voor het werk, in 2019 was dit nog 4,1 uur per dag. Bedrijfstakken met het meeste beeldschermwerk zijn informatie en communicatie, financiële dienstverlening, openbaar bestuur, en verhuur en handel van onroerend goed. Van 2019 op 2020 nam het gemiddeld aantal uren beeldschermwerk het meest toe in de financiële dienstverlening, het openbaar bestuur, onderwijs en zakelijke dienstverlening (zie ook StatLine: Fysieke arbeidsbelasting van werknemers naar bedrijfstak).

Meer contact met besmettelijke personen, dieren of materiaal

Ook het werken met gevaarlijke stoffen en gevaarlijk werk bepalen de mate van fysieke arbeidsbelasting. Ten opzichte van 2019 daalde het percentage werknemers die vaak of altijd werken met water of waterige oplossingen, stoffen op de huid krijgen of stoffen inademen. Daarentegen kreeg in deze periode een groter deel van de werknemers te maken met contact met besmette personen, dieren of materiaal. Dat percentage ging van 6 naar 10. Tussen 2014 en 2019 nam het aantal mensen die in contact kwamen met besmette personen ook al toe, maar niet zo sterk als in 2020.

4.2 Gevaarlijke stoffen (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Waterige oplossingen 13,4 15,4
Stoffen op huid 8,0 9,1
Ademt stoffen in 7,0 8,3
Besmette personen 9,9 6,4
Bron: CBS, TNO

StatLine: Fysieke arbeidsbelasting van werknemers.

Contact met besmette personen meest gestegen bij kassamedewerkers

Laboranten waren de werknemers die, met 44 procent, het vaakst in contact kwamen met mogelijk besmette personen, dieren of materiaal, gevolgd door gespecialiseerde verpleegkundigen (39 procent), mbo-verpleegkundigen (39 procent), artsen (37 procent) en medisch praktijkassistenten (33 procent). Ook in de periode 2014–2019 kwamen deze vijf beroepsgroepen het meest in contact met mogelijk besmette personen, dieren of materialen.

Bij kassamedewerkers, kelners en barpersoneel en bij laders, lossers en vakkenvullers nam in 2020 het percentage dat in contact komt met besmette mensen het meest toe. Het deel van de kassamedewerkers die aangeven hiermee te maken te hebben groeide van 10 naar 29 procent (zie ook StatLine: Fysieke arbeidsbelasting van werknemers naar beroep).

1 op de 8 deed gevaarlijk werk

Van alle werknemers gaf 13 procent aan vaak of altijd gevaarlijk werk te doen. Dat is minder dan in 2018 en 2019, toen dit nog 15 en 16 procent was. De meest voorkomende vorm van gevaar tijdens het werk is, net als in eerdere jaren, struikelen of uitglijden. Verder worden snijden of steken en botsingen of aanrijdingen naar verhouding vaak genoemd. In de bedrijfstak vervoer en opslag werd met 31 procent van de werknemers het vaakst gevaarlijk werk verricht. Ook in de bouwnijverheid en horeca (beide 24 procent), de industrie en de landbouw en visserij (beide 19 procent) verrichtten relatief veel werknemers naar eigen zeggen altijd of vaak gevaarlijk werk.

4.3 Werknemers die vaak of altijd gevaarlijk werk doen (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Totaal gevaarlijk werk 12,8 15,6
waarvan: . .
Vallen 1,7 2,1
Struikelen, uitglijden 4,5 5,8
Beknellen 1,6 1,9
Snijden, steken 4 5,2
Botsen, aanrijden 3,7 4,6
Gevaarlijke stoffen 1,7 2,2
Geweld 2 2,7
Verbranden 2 2,6
Verstikken 0,3 0,5
Anders 2,4 2,5
Bron: CBS, TNO

StatLine: Gevaarlijk werk door werknemers.

Beroepen waarin werknemers het vaakst aangaven gevaarlijk werk te verrichten, zijn bouwarbeiders en bestuurders van voertuigen en bedieners van mobiele machines. In die laatste categorie verrichtte bijna de helft vaak of altijd gevaarlijk werk. Bij bouwarbeiders waren dat er 4 op de 10. Ook bij beveiligingswerkers, metaalarbeiders en machinemonteurs, elektriciens en productiemachinebedieners ligt het aandeel met gevaarlijk werk relatief hoog, met meer dan 3 op de 10 (zie ook StatLine: Gevaarlijk werk door werknemers naar beroep).

Ervaren werkdruk afgenomen

De psychosociale (geestelijke) arbeidsbelasting wordt onder andere gemeten aan de hand van ervaren werkdruk en de zelfstandigheid in het werk. Als de druk hoog is en werkenden weinig zelfstandigheid ervaren bij het uitvoeren van het werk, kunnen er psychische vermoeidheidsklachten (burn-outklachten) ontstaan. Ook emotioneel zwaar werk en ongewenst gedrag van klanten en collega’s dragen bij aan de psychosociale arbeidsbelasting.

In 2020 gaf 42 procent van de werknemers aan vaak of altijd heel veel werk te moeten doen. Daarnaast werkte 32 procent vaak of altijd erg snel en 27 procent vaak of altijd extra hard. In de horeca geven werknemers het vaakst aan dat ze erg snel moeten werken, in het onderwijs wordt het vaakst heel veel en extra hard gewerkt. Tussen 2014 en 2017 nam de werkdruk van werknemers licht toe, in 2020 was er een relatief sterke daling. Deze daling was het sterkst in de bedrijfstakken landbouw en visserij, horeca, bouwnijverheid, zorg en onderwijs.

4.4 Werkdruk (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
Erg snel werken Heel veel werk doen Extra hard werken
2014 36,5 45,2 30,7
2015 36,2 45,4 30,6
2016 36,1 45,0 30,5
2017 36,7 46,2 32,2
2018 36,4 46,3 30,5
2019 35,4 45,6 30,2
2020 32,3 42,5 27,2
Bron: CBS, TNO

StatLine: Werkdruk werknemers.

Werknemers ervaren meer werkdruk dan zelfstandigen

Zelfstandigen zijn een steeds groter deel van de werkzame beroepsbevolking gaan uitmaken, vooral door het toegenomen aantal zzp’ers. De arbeidssituatie van zelfstandig ondernemers onderzoeken TNO en CBS tweejaarlijks in de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA). Uit de ZEA 2019 blijkt dat zelfstandig ondernemers minder werkdruk ervaren dan werknemers. Zo gaf 37 procent van de zelfstandig ondernemers aan heel veel werk te doen, 26 procent extra hard te werken, en 25 procent vaak of altijd erg snel te moeten werken. Voor werknemers in dat jaar waren deze percentages 46, 30 en 35.

4.5 Werkdruk, 2019 (% werkenden van 15 tot 75 jaar)
Werknemers Zelfstandig ondernemers
Erg snel werken 35,4 25,1
Heel veel werk doen 45,6 37,3
Extra hard werken 30,2 25,9
Bron: CBS, TNO

Zie voor meer cijfers over arbeidsomstandigheden van zelfstandig ondernemers

in 2015, 2017 en 2019 op StatLine: Arbeidsongevallen, Duurzame inzetbaarheid, Fysieke arbeidsbelasting en Psychosociale arbeidsbelasting.

Meer autonomie

Als het gaat om zelfstandigheid in het werk, geeft een meerderheid van de werknemers aan regelmatig zelf te kunnen beslissen over oplossingen, volgorde, uitvoering en tempo van het werk. Verder kan ruim de helft van de werknemers zelf beslissen over het opnemen van verlof en bijna 3 op de 10 over de eigen werktijden.

Tussen 2014 en 2020 is de autonomie van werknemers in een aantal opzichten toegenomen. Een groter deel kan zelf het verlof, de werktijden en het werktempo bepalen. Vorig jaar nam met name het percentage werknemers toe die zelf hun werktempo regelen.

4.6 Zelfstandigheid in het werk (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2014 2017 2020
Zelf beslissen 60,5 59,5 61,7
Volgorde werkzaamheden bepalen 62,4 60,6 62,9
Werktempo bepalen 56,0 55,1 59,4
Oplossingen bedenken 68,0 67,8 67,6
Verlof opnemen 48 48,7 53,3
Werktijden bepalen 23,1 24,5 28,4
Bron: CBS, TNO

StatLine: Zelfstandigheid van werknemers.

Gemiddeld over alle zes de onderzochte indicatoren (zelf beslissen, bepalen in welke volgorde het werk gedaan wordt, werktempo bepalen, oplossingen bedenken, verlof nemen en werktijden bepalen) hadden in 2020 werknemers in de bedrijfstak verhuur en handel van onroerend goed de meeste zelfstandigheid in het werk en werknemers in de horeca de minste. Ten opzichte van 2019 nam de autonomie het meest toe onder werknemers in de bedrijfstakken verhuur en handel van onroerend goed en cultuur, recreatie en overige diensten.

Minder werknemers psychisch vermoeid door werk

In 2020 zei 16 procent van alle werknemers zich enkele keren per maand of vaker psychisch vermoeid te voelen door het werk (burn-outklachten). Psychische vermoeidheidsklachten kunnen zich onder meer uiten in een gevoel van leegte aan het einde van de werkdag; 30 procent heeft vaker dan eens per maand zulke gevoelens. Ook vermoeidheid in de ochtend bij de confrontatie met het werk is een relatief veel voorkomende vorm van werkgerelateerde psychische vermoeidheid.

4.7 Psychische vermoeidheid door het werk (burn-outklachten) (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Totaal vermoeidheidsklachten 15,7 17
Leeg voelen aan einde werkdag 30,1 31
's Ochtends moe voelen 19,3 20,6
Emotioneel uitgeput 15,9 16,1
Uitgeput door werk 13,6 15,5
Bron: CBS, TNO

StatLine: Psychische vermoeidheid van werknemers.

In 2019 was het deel van de werknemers die zich ten minste enkele keren per maand psychisch vermoeid voelen voor het eerst sinds 2015 niet groter dan een jaar eerder. In 2020 was er een daling. De psychische vermoeidheidsklachten namen het meest af onder werknemers in de horeca, vervoer en opslag en het onderwijs. Vooral het percentage werknemers die aangaven zich compleet uitgeput te voelen door het werk nam in 2020 af.

Weinig autonomie en hoge werkdruk: vaker psychisch vermoeid

Werknemers die weinig autonomie ervaren op het werk en tegelijkertijd aangeven vaak of altijd een hoge werkdruk te hebben, zeggen bijna drie keer zo vaak last te hebben van werkgerelateerde psychische vermoeidheidsklachten dan andere werknemers. Autonomie wordt in dit geval gemeten naar de mate waarin werknemers zelf kunnen beslissen, kunnen bepalen in welke volgorde ze het werk doen, in welk tempo ze dat doen, in hoeverre ze zelf oplossingen mogen bedenken en in welke mate ze zelf hun verlof mogen bepalen. Werkdruk wordt afgemeten aan de mate waarin werknemers erg snel, heel veel of extra hard moeten werken.

Van de groep die weinig autonomie heeft, gecombineerd met een hoge werkdruk, gaf 35 procent in 2020 aan enkele keren of vaker per maand psychisch vermoeid te zijn door het werk, tegenover 12 procent van de overige werknemers. In de horeca (25 procent), het onderwijs (24 procent) en de zorg (22 procent) komt de combinatie van weinig autonomie en een hoge werkdruk onder werknemers het vaakst voor.

Emotionele betrokkenheid grootst in het onderwijs

Naast werkdruk en een gebrek aan zelfstandigheid in het werk is ook de emotionele belasting een aspect van de psychosociale arbeidsbelasting. Van alle werknemers gaf 15 procent in 2020 aan vaak of altijd emotioneel betrokken te raken bij het werk. In een wat mindere mate wordt het werk als emotioneel veeleisend ervaren of blijkt het gepaard te gaan met emotioneel moeilijke situaties. Tussen 2015 en 2019 nam de emotionele belasting van werknemers licht toe. In 2020 is het percentage dat zich emotioneel betrokken voelt bij het werk gelijk gebleven ten opzichte van 2019, maar daalde het percentage werknemers dat aangeeft dat het werk hen in emotioneel moeilijke situaties brengt of dat het werk emotioneel veeleisend is.

4.8 Emotioneel belastend werk (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
Jaar Emotioneel moeilijke werksituaties Emotioneel veeleisend werk Emotioneel betrokken bij werk
2014 7,7 12,1 13,4
2015 7,4 11,7 12,9
2016 8,0 12,1 13,1
2017 8,6 13,0 14,1
2018 8,6 12,9 14,7
2019 8,9 13,3 15,1
2020 7,9 12,1 15,2
Bron: CBS, TNO

StatLine: Emotioneel belastend werk onder werknemers.

Het onderwijs was, net als in voorgaande jaren, de bedrijfstak waar de emotionele betrokkenheid van werknemers het grootst is. Van de werknemers in deze bedrijfstak raakte in 2020 naar eigen zeggen 27 procent vaak of altijd emotioneel betrokken bij het werk. Ook in de zorg was de betrokkenheid bij het werk met 21 procent groot. Ten opzichte van 2019 is de betrokkenheid in het onderwijs iets afgenomen, van 28 naar 27 procent. In de zorg is deze vrijwel onveranderd.

In de zorg vergt het werk, net als in de voorgaande jaren, emotioneel het meest en brengt het werknemers het vaakst in emotioneel moeilijke situaties. Ten opzichte van 2019 is dit percentage echter wel iets afgenomen.

Zorgberoepen emotioneel meest veeleisend, docenten meest betrokken

Naar beroepsgroep was het aandeel werknemers die altijd of vaak emotioneel betrokken zijn bij het werk met 37 en 36 procent het hoogst bij leerkrachten in het voortgezet onderwijs en basisonderwijs. Werknemers in zorgberoepen gaven juist relatief vaak aan dat hun werk altijd of vaak emotioneel veeleisend is. Zo vond van de psychologen 51 procent het werk emotioneel veeleisend. Van de maatschappelijk werkers en gespecialiseerde verpleegkundigen was dit respectievelijk 45 en 44 procent.

Slachtofferschap op het werk gedaald

Wat ongewenst gedrag op het werk betreft, komt intimidatie door klanten en, in mindere mate, door leidinggevenden of collega’s, vaker voor dan andere voorvallen die mensen op het werk treffen. In 2020 had 18 procent van de werknemers persoonlijk te maken met intimidatie door externen, zoals klanten, patiënten, leerlingen of passagiers. Ook ongewenste seksuele aandacht of lichamelijk geweld komen vaker voor in contacten met klanten dan met leidinggevenden of collega’s. Pestgedrag doet zich juist meer voor onder collega’s dan bij klanten. Tussen 2014 en 2018 was er geen duidelijk toe- of afname van ongewenst gedrag op het werk. In 2020 is het slachtofferschap ten opzichte van 2018 gedaald. De daling was het grootst bij intimidatie door leidinggevenden, collega’s of klanten, en pesten door leidinggevenden of collega’s.

4.9 Slachtofferschap op het werk (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2018
Intimidatie door klanten 17,6 18,7
Intimidatie door leidinggevenden
of collega's
8,4 10,7
Pesten door leidinggevenden
of collega's
6,6 8
Pesten door klanten 5,3 5,8
Lichamelijk geweld
door klanten
5 5,8
Ongewenste seksuele
aandacht van klanten
4,6 5,3
Ongewenste seksuele aandacht
van leidinggevenden of collega's
1,8 2,2
Lichamelijk geweld door
leidinggevenden of collega's
0,5 0,6
Bron: CBS, TNO

StatLine: Slachtofferschap op het werk van werknemers.

In de zorg hebben 4 op de 10 werknemers in 2020 een enkele keer of vaker te maken gehad met ongewenst gedrag op het werk door cliënten of patiënten. In geen andere bedrijfstak was dat aandeel zo hoog. Ongewenst gedrag door collega’s kwam met 16 procent het vaakst voor in de bedrijfstak industrie.

Werk-privédisbalans iets afgenomen

Het combineren van arbeid met verantwoordelijkheden thuis voor familie of gezin kan lastig zijn. Van alle werknemers gaf 7 procent in 2020 aan (zeer) vaak familie- of gezinsactiviteiten te missen of te verwaarlozen door het werk. Tussen 2015 en 2017 nam het percentage werknemers die door het werk (zeer) vaak familie- of gezinsactiviteiten verwaarlozen wat toe. Na 2017 bleef dit vrijwel gelijk, waarna het in 2020 afnam.

4.10 Familie of gezin tekortdoen door werk, of andersom (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
Missen of verwaarlozen van familie- of gezinsactiviteiten door het werk Missen of verwaarlozen van werkzaamheden door familie- of gezinsverantwoordelijkheden
2014 8,6 2,4
2015 8,2 1,8
2016 9,0 2,4
2017 9,4 2,2
2018 9,2 2,6
2019 9,1 2,5
2020 6,9 2,2
Bron: CBS, TNO

Aan de andere kant kunnen verantwoordelijkheden thuis er ook voor zorgen dat werknemers werkzaamheden verzuimen of verwaarlozen. Dit kwam in 2020 minder vaak voor dan andersom: ruim 2 procent van de werknemers gaf aan dit (zeer) vaak te ervaren. Dit percentage is sinds 2014 niet veel veranderd.

92 procent opgewassen tegen de eisen van het werk

Of werkenden voldoen aan de fysieke en psychische eisen van het werk en of ze gemakkelijk een nieuwe functie of baan denken te kunnen vinden, zegt iets over hun actuele inzetbaarheid. Aanwijzingen voor de inzetbaarheid op de langere termijn zijn de tevredenheid over het werk en de arbeidsomstandigheden, maar vooral ook de vooruitzichten wat betreft de tijd die werkenden nog werkzaam willen zijn of denken te kunnen zijn.

In 2020 gaf 92 procent van alle werknemers aan te kunnen voldoen aan de fysieke eisen van het werk. Een even groot deel kon voldoen aan de psychische eisen. Dit is iets hoger dan in 2019 (toen was dat 90 procent). Verder dacht 56 procent van alle werknemers gemakkelijk een nieuwe functie bij de huidige werkgever te kunnen vinden en 71 procent dacht gemakkelijk aan de slag te kunnen gaan in een nieuwe baan bij een andere werkgever. Ten opzichte van 2019 denkt een groter deel van de werknemers gemakkelijk aan een nieuwe functie bij de huidige werkgever te komen. Het percentage dat denkt gemakkelijk een nieuwe baan/functie te kunnen krijgen bij een andere werkgever is vrijwel gelijk gebleven.

Tevredenheid werknemers verder toegenomen

Van alle werknemers was 79 procent in 2020 tevreden met zijn of haar werk en 77 procent met de arbeidsomstandigheden. Dat is een iets groter deel dan in 2019, toen respectievelijk 78 en 75 procent hierover tevreden was. De leeftijd waarop werknemers willen stoppen met werken bedroeg gemiddeld 62,7 jaar, net als in 2019. De leeftijd waarop zij – naar eigen inschatting – het huidige werk niet meer kunnen doen is ten opzichte van 2019 toegenomen van 62,7 naar 63,3 jaar.

4.11 Actuele inzetbaarheid en tevredenheid (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Actuele inzetbaarheid: . .
Voldoet aan fysieke
eisen werk
91,9 89,7
Voldoet aan psychische
eisen werk
92 89,9
Makkelijk nieuwe functie
eigen werkgever
56 53,7
Makkelijk nieuwe baan
andere werkgever
70,6 70,9
Tevredenheid: . .
Tevreden met
arbeidsomstandigheden
76,5 74,6
Tevreden met werk 79,2 77,9

StatLine: Actuele inzetbaarheid en tevredenheid van werknemers.

4.12 Leeftijd tot waarop werknemers (15 tot 75 jaar) willen en kunnen doorwerken (gemiddelde leeftijd in jaren)
2020 2019
Willen doorwerken 62,7 62,7
In staat door te werken 63,3 62,7

StatLine: Leeftijd doorwerken van werknemers.

Ziekteverzuim toegenomen

In 2020 bedroeg het ziekteverzuimpercentage van werknemers 4,7. Dit is het aantal ziektedagen in procenten van het totaal aantal beschikbare werkdagen. In 2019 was het ziekteverzuimpercentage nog 4,4. Sinds 2014, toen het ziekteverzuim het laagste niveau van de afgelopen twintig jaar bereikte (3,8 procent), is het verzuim vrijwel jaarlijks toegenomen.

Het ziekteverzuim verschilt per bedrijfstak. In 2020 kende de zorg met 6,4 het hoogste verzuimpercentage. In de financiële dienstverlening was het verzuim met 2,7 procent het laagst. Ten opzichte van 2019 nam het verzuim het meest toe in de horeca, landbouw en visserij en de zorg. In het onderwijs en het openbaar bestuur daalde het verzuim.

4.13 Ziekteverzuim werknemers (%)
Bedrijfstak 2020 2019
Zorg 6,4 5,7
Industrie 6,0 5,4
Vervoer en opslag 5,2 5,1
Openbaar bestuur 5,1 5,5
Onderwijs 4,8 5,0
Bouwnijverheid 4,6 4,0
Handel 4,4 3,8
Cultuur, recreatie,
overige diensten
4,2 3,7
Zakelijke dienstverlening 3,9 3,6
Horeca 3,7 2,7
Landbouw en visserij 3,4 2,6
Informatie en
communicatie
3,2 3,2
Verhuur/handel
onroerend goed
3,2 3,2
Financiële
dienstverlening
2,7 2,7

StatLine: Ziekteverzuim per bedrijfstak.

Verreweg de meest voorkomende klacht waarmee werknemers in 2020 verzuimden is griep of verkoudheid. Dat werd door 30 procent van de werknemers opgegeven als reden bij het laatste verzuimgeval. Dat is wel lager dan in voorgaande jaren: tussen 2016 en 2019 lag dat namelijk nog vrij stabiel op 35 procent. Na griep of verkoudheid kwamen rugklachten, psychische klachten en buik-, maag- of darmklachten het meest voor.

Van alle werknemers gaf ruim 2 procent aan te hebben verzuimd met klachten die werden veroorzaakt door COVID-19 en dat dit is bevestigd met een test. Bijna 3 op de 10 werknemers (29 procent) heeft verzuimd met klachten die misschien werden veroorzaakt door COVID-19 en 68 procent gaf aan niet te hebben verzuimd met klachten die COVID-19-gerelateerd waren.

Werknemers schrijven hun meest recente verzuim meestal niet toe aan het werk: volgens 70 procent hadden de gezondheidsklachten waardoor zij verzuimden niets met het werk te maken. Bij 14 procent van de werknemers met verzuim waren de klachten wel gedeeltelijk het gevolg van het werk, en volgens 9 procent waren de klachten hoofdzakelijk toe te schrijven aan het werk.

Beroepsziekten

Ieder jaar krijgt een deel van de werknemers te maken met een ziekte die is ontstaan door het werk, een beroepsziekte. In 2020 gaf 3,2 procent van alle werknemers aan in de voorafgaande 12 maanden één of meerdere door een arts vastgestelde beroepsziekten te hebben opgelopen. In 2018 was dit 3,8 procent. De beroepsziekten die het vaakst door werknemers werden gerapporteerd in 2020 zijn overspannenheid/burn-out (2,6 procent), klachten aan de nek, schouder, arm, pols of hand (1,8 procent) en lagerugaandoeningen (1,4 procent).

Vrouwen (3,6 procent) kregen iets vaker dan mannen (2,8 procent) te maken met een (door een arts vastgestelde) nieuw ontstane beroepsziekte.

Naarmate werknemers ouders zijn, kregen ze in het afgelopen jaar vaker te maken met een beroepsziekte. Uitzonderingen daarop vormen de relatief kleine groep 65- tot 75‑jarige werknemers, met een kleiner aandeel beroepsziekten dan de 25- tot 35‑jarigen; en de 45- tot 55‑jarigen, waar beroepsziekten naar verhouding minder voorkomen dan in beide naastliggende leeftijdsgroepen. Van alle 55- tot 65‑jarige werknemers leed 4,4 procent aan een beroepsziekte, het hoogste percentage van alle leeftijdsgroepen.

4.14 Beroepsziekten, 2020 (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
Beroepsziekte
Totaal 3,2
.
Man 2,8
Vrouw 3,6
.
15 tot 25 jaar 1,0
25 tot 35 jaar 3,1
35 tot 45 jaar 3,6
45 tot 55 jaar 3,4
55 tot 65 jaar 4,4
65 tot 75 jaar 2,9
Bron: CBS, TNO

Als beroepsziekten die langer dan een jaar geleden zijn ontstaan ook worden meegenomen, gaf 10,6 procent van de werknemers aan te maken te hebben met een of meerdere beroepsziekten die door een arts zijn vastgesteld. Dat is minder dan in 2018 (11,7 procent).

Minder arbeidsongevallen

In 2020 heeft 2,5 procent van de werknemers een ongeval gehad door of tijdens de uitoefening van het werk. Ongevallen die plaatsvinden onderweg van of naar het werk tellen hierbij niet mee. Bij bijna de helft van de werknemers die in 2020 een ongeval kregen (1,2 procent van het totaal) leidde het arbeidsongeval tot ziekteverzuim van ten minste een dag. Ongevallen met langer verzuim – vier dagen of meer – kwamen bij 0,9 procent van alle werknemers voor. Tussen 2014 en 2019 fluctueerde het percentage werknemers met een arbeidsongeval (met of zonder verzuim) enigszins. In 2020 daarentegen was er sprake van een relatief sterke daling, met name van de ongevallen zonder verzuim.

4.15 Werknemers met een arbeidsongeval (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
Jaar Werknemers met een arbeidsongeval Werknemers met een arbeidsongeval zonder verzuim Werknemers met een arbeidsongeval met minstens 1 dag verzuim Werknemers met een arbeidsongeval met minstens 4 dagen verzuim
2014 3,4 1,8 1,7 1,1
2015 3 1,7 1,4 0,9
2016 3 1,6 1,4 1
2017 3,4 1,8 1,6 1,2
2018 3,1 1,7 1,5 1,1
2019 3,3 1,8 1,5 1,1
2020 2,5 1,3 1,2 0,9
Bron: CBS, TNO

StatLine: Arbeidsongevallen werknemers.

Mannen hadden vaker een ongeval (2,8 procent) dan vrouwen (2,2 procent). Bij werknemers in de bouw kwam een arbeidsongeval met verzuim het vaakst voor, gevolgd door werknemers in de bedrijfstakken horeca en vervoer en opslag. In de financiële dienstverlening en de bedrijfstak verhuur en handel van onroerend goed kwamen relatief weinig verzuimongevallen voor. Ten opzichte van 2019 daalde het percentage werknemers met een ongeval met verzuim het sterkst in de bedrijfstak vervoer en opslag. Ook bij de andere bedrijfstakken was een daling zichtbaar, met uitzondering van de horeca, de zakelijke dienstverlening en de bedrijfstak informatie en communicatie.

4.16 Werknemers met een arbeidsongeval met verzuim (% werknemers van 15 tot 75 jaar)
2020 2019
Bouwnijverheid 2,6 2,7
Horeca 2,3 2,2
Vervoer en opslag 2,2 3,2
Landbouw en visserij 1,8 2,4
Industrie 1,4 1,8
Handel 1,3 1,5
Zorg 1,2 1,4
Zakelijke dienstverlening 1,2 1,2
Cultuur, recreatie
en overige diensten
0,9 1,6
Openbaar bestuur 0,9 1,2
Informatie en
communicatie
0,6 0,3
Onderwijs 0,5 0,9
Verhuur/handel
onroerend goed
0,4 0,9
Financiële dienstverlening 0,3 0,4
Bron: CBS, TNO

StatLine: Arbeidsongevallen per bedrijfstak.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg

Linda Fernandez Beiro

Harry Bierings

met hulp van vele anderen

Redactie

Kees Groenenboom