Laagste werkloosheid in bijna twintig jaar

Foto omschrijving: Drs. Gezien Ridderbos is een oudere werkneemster van 68 jaar die koppig doorwerkt bij de VU , de Vrije Universiteit.

Het aanbod van arbeid

Om te bepalen hoe groot het aanbod van arbeidskrachten is, wordt allereerst gekeken naar de Nederlandse bevolking van 15 tot 75 jaar. Tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2020 groeide dit deel van de bevolking met 91 duizend personen tot 13,2 miljoen.

Deze toename is het saldo van omvangrijke stromen. Zo werden in de loop van het jaar 198 duizend personen 15 jaar. Ongeveer net zoveel mensen werden 75 jaar (148 duizend) of overleden voor hun 75ste levensjaar (49 duizend). Dat de omvang van de bevolking van 15 tot 75 jaar toch toenam, komt doordat de immigratie de emigratie overtrof. Ook daarbij gaat het om grote stromen. In 2019 vestigden zich 236 duizend mensen van 15 tot 75 jaar in Nederland, terwijl er 146 duizend vertrokken.

3.1 Bevolking van 15 tot 75 jaar op 1 januari (mln)
Jaar Bevolking Bevolking, prognose
1950 6,857 .
1951 6,950 .
1952 7,015 .
1953 7,061 .
1954 7,122 .
1955 7,193 .
1956 7,277 .
1957 7,353 .
1958 7,434 .
1959 7,550 .
1960 7,646 .
1961 7,732 .
1962 7,905 .
1963 8,070 .
1964 8,204 .
1965 8,340 .
1966 8,472 .
1967 8,599 .
1968 8,702 .
1969 8,813 .
1970 8,936 .
1971 9,068 .
1972 9,199 .
1973 9,317 .
1974 9,440 .
1975 9,576 .
1976 9,736 .
1977 9,864 .
1978 9,991 .
1979 10,127 .
1980 10,275 .
1981 10,423 .
1982 10,542 .
1983 10,651 .
1984 10,759 .
1985 10,878 .
1986 11,000 .
1987 11,115 .
1988 11,222 .
1989 11,302 .
1990 11,369 .
1991 11,451 .
1992 11,532 .
1993 11,604 .
1994 11,678 .
1995 11,728 .
1996 11,766 .
1997 11,805 .
1998 11,851 .
1999 11,904 .
2000 11,961 .
2001 12,037 .
2002 12,120 .
2003 12,184 .
2004 12,228 .
2005 12,264 .
2006 12,294 .
2007 12,323 .
2008 12,369 .
2009 12,442 .
2010 12,518 .
2011 12,582 .
2012 12,641 .
2013 12,687 .
2014 12,735 .
2015 12,796 .
2016 12,870 .
2017 12,964 .
2018 13,051 .
2019 13,135 .
2020 13,226 .
2021 . 13,330
2022 . 13,373
2023 . 13,408
2024 . 13,447
2025 . 13,483
2026 . 13,511
2027 . 13,530
2028 . 13,536
2029 . 13,538
2030 . 13,540
2031 . 13,533
2032 . 13,523
2033 . 13,506
2034 . 13,483
2035 . 13,457
2036 . 13,430
2037 . 13,399
2038 . 13,371
2039 . 13,343
2040 . 13,316
2041 . 13,297
2042 . 13,284
2043 . 13,276
2044 . 13,268
2045 . 13,253
2046 . 13,244
2047 . 13,245
2048 . 13,255
2049 . 13,281
2050 . 13,313
2051 . 13,351
2052 . 13,390
2053 . 13,428
2054 . 13,464
2055 . 13,497
2056 . 13,524
2057 . 13,552
2058 . 13,583
2059 . 13,613
2060 . 13,639

StatLine: Bevolking 1950–2019, Bevolking 2020 en Bevolkingsprognose tot 2060.

De groei van de bevolking van 15 tot 75 jaar tussen 2019 en 2020 was iets hoger dan de groei in de beide voorafgaande jaren. Deze leeftijdsgroep gaat naar verwachting de komende jaren minder snel groeien en daarna krimpen. Dit komt vooral doordat meer mensen dan in voorgaande jaren de 75‑jarige leeftijd bereiken. Het zijn de babyboomers, de generatie van de naoorlogse geboortegolf.

Cijfers over het aanbod op de arbeidsmarkt worden samengesteld op basis van gegevens uit de Enquête beroepsbevolking (EBB). Het CBS voert deze enquête uit onder personen van 15 jaar en ouder die in een particulier huishouden in Nederland wonen. De uitkomsten worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Daarmee sluit het CBS aan bij internationale afspraken over statistieken met betrekking tot de beroepsbevolking.

In 2019 waren er volgens de definities van de EBB gemiddeld 13,0 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar. Doordat de EBB niet wordt uitgevoerd onder de bevolking in inrichtingen, instellingen en tehuizen (de institutionele bevolking), is dit aantal lager dan het eerder genoemde aantal van 13,2 miljoen volgens de Bevolkingsstatistiek.

Beroepsbevolking verder gegroeid

De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (de werkzame beroepsbevolking) en degenen die geen betaald werk hebben, maar wel recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (de werkloze beroepsbevolking). In 2019 groeide de beroepsbevolking met 142 duizend personen, de grootste toename sinds 2008. Het aantal werkenden nam vorig jaar toe met bijna 179 duizend en het aantal werklozen nam af met ruim 36 duizend.

3.2 Beroepsbevolking, verandering t.o.v. een jaar eerder, 2009-2019 (x 1 000)
Jaar Verandering
Werkzame beroepsbevolking 2009, Werkzame beroepsbevolking 3
Werkzame beroepsbevolking 2010, Werkzame beroepsbevolking -83
Werkzame beroepsbevolking 2011, Werkzame beroepsbevolking 2
Werkzame beroepsbevolking 2012, Werkzame beroepsbevolking 50
Werkzame beroepsbevolking 2013, Werkzame beroepsbevolking -64
Werkzame beroepsbevolking 2014, Werkzame beroepsbevolking -52
Werkzame beroepsbevolking 2015, Werkzame beroepsbevolking 80
Werkzame beroepsbevolking 2016, Werkzame beroepsbevolking 109
Werkzame beroepsbevolking 2017, Werkzame beroepsbevolking 176
Werkzame beroepsbevolking 2018, Werkzame beroepsbevolking 195
Werkzame beroepsbevolking 2019, Werkzame beroepsbevolking 179
Werkzame beroepsbevolking , Werkzame beroepsbevolking .
Werkloze beroepsbevolking 2009, Werkloze beroepsbevolking 63
Werkloze beroepsbevolking 2010, Werkloze beroepsbevolking 54
Werkloze beroepsbevolking 2011, Werkloze beroepsbevolking -1
Werkloze beroepsbevolking 2012, Werkloze beroepsbevolking 82
Werkloze beroepsbevolking 2013, Werkloze beroepsbevolking 131
Werkloze beroepsbevolking 2014, Werkloze beroepsbevolking 13
Werkloze beroepsbevolking 2015, Werkloze beroepsbevolking -46
Werkloze beroepsbevolking 2016, Werkloze beroepsbevolking -76
Werkloze beroepsbevolking 2017, Werkloze beroepsbevolking -100
Werkloze beroepsbevolking 2018, Werkloze beroepsbevolking -88
Werkloze beroepsbevolking 2019, Werkloze beroepsbevolking -36
Werkloze beroepsbevolking , Werkloze beroepsbevolking .
Niet-beroepsbevolking 2009, Niet-beroepsbevolking -9
Niet-beroepsbevolking 2010, Niet-beroepsbevolking 69
Niet-beroepsbevolking 2011, Niet-beroepsbevolking 39
Niet-beroepsbevolking 2012, Niet-beroepsbevolking -43
Niet-beroepsbevolking 2013, Niet-beroepsbevolking 29
Niet-beroepsbevolking 2014, Niet-beroepsbevolking 67
Niet-beroepsbevolking 2015, Niet-beroepsbevolking -13
Niet-beroepsbevolking 2016, Niet-beroepsbevolking 48
Niet-beroepsbevolking 2017, Niet-beroepsbevolking 27
Niet-beroepsbevolking 2018, Niet-beroepsbevolking -41
Niet-beroepsbevolking 2019, Niet-beroepsbevolking -63

StatLine: Arbeidsdeelname, kerncijfers.

In 2019 bedroeg de brutoarbeidsparticipatie 71,2 procent, een nieuw record. Dit percentage is het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft of werkloos is. De brutoarbeidsparticipatie was hiermee 0,7 procentpunt hoger dan in 2018. Voor het eerst lag de brutoarbeidsparticipatie ook boven het niveau van 2009. Tien jaar lang was dat het hoogste percentage (70,7) na 1969.

In 2009 groeide de beroepsbevolking minder sterk dan in 2019, vooral omdat toen, in het eerste jaar van de financiële crisis, het aantal werkenden nauwelijks toenam.

3.3 Ontwikkeling brutoarbeidsparticipatie (%-punt verandering t.o.v. een jaar eerder)
Jaar 15 tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 55 tot 65 jaar 65 tot 75 jaar
2019 1,1 0,5 0,6 0,2 1,1 1,5
2009 -0,3 0,1 0,3 0,4 1,7 1,4

Arbeidsdeelname, kerncijfers.

Vorig jaar nam de participatie in alle leeftijdsgroepen toe, het meest bij 55‑plussers en jongeren. De brutoarbeidsparticipatie nam in alle leeftijdsgroepen van 15 tot 45 jaar ook sterker toe dan in 2009. Bij de 45- tot 65‑jarigen was de groei minder sterk. In 2009 was bij 55- tot 65‑jarigen de toename het grootst met 1,7 procentpunt. Door de afbouw van regelingen voor prepensioen en de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen is de brutoparticipatie van deze leeftijdsgroep sindsdien verder gestegen, maar de laatste paar jaar minder sterk.

9,0 miljoen werkenden

In 2019 groeide de werkzame beroepsbevolking tot 9,0 miljoen, een groter aantal dan ooit tevoren. Dat aantal is overigens niet gelijk aan het aantal werkzame personen dat in hoofdstuk 2 van deze publicatie is vermeld. De werkzame beroepsbevolking omvat namelijk personen van 15 tot 75 jaar in een particulier huishouden die in Nederland wonen en betaald werk hebben, ongeacht in welk land ze werken. Bij de werkzame personen in hoofdstuk 2 wordt iedereen meegeteld die bijdraagt aan de productie in Nederland, ongeacht leeftijd en woonland. Bijlage 2 licht deze verschillen nader toe.

Van de werkzame beroepsbevolking werkte in 2019 iets meer dan de helft voltijds. Bij jongeren tot 25 jaar en 65‑plussers was het aandeel voltijders relatief klein. Onder mannen was het aandeel voltijders veel groter (72 procent) dan onder vrouwen (27 procent). Wel is het aandeel voltijdwerkende vrouwen in de laatste jaren licht toegenomen. Bij mannen is het aandeel voltijders juist gedaald.

3.4 Bevolking, verdeling werkzaam en niet-werkzaam, 2019 (x 1 000)
leeftijd in jaren Werkzaam 35 uur per week of meer (voltijd) Werkzaam 12 tot 35 uur per week Werkzaam < 12 uur per week Niet werkzaam
0 0 0 0 162
1 0 0 0 172
2 0 0 0 168
3 0 0 0 180
4 0 0 0 174
5 0 0 0 178
6 0 0 0 181
7 0 0 0 177
8 0 0 0 189
9 0 0 0 183
10 0 0 0 189
11 0 0 0 191
12 0 0 0 197
13 0 0 0 197
14 0 0 0 200
15 0 7 73 121
16 2 25 92 84
17 3 39 87 77
18 11 53 76 71
19 19 58 66 73
20 29 60 54 72
21 40 60 48 67
22 49 65 40 60
23 65 62 29 58
24 82 64 21 51
25 98 67 13 44
26 115 65 10 32
27 125 64 7 30
28 122 68 5 31
29 120 68 6 30
30 118 65 4 31
31 113 63 5 30
32 121 68 3 28
33 113 73 5 28
34 103 65 4 31
35 105 70 3 28
36 98 72 4 27
37 104 71 4 29
38 96 77 5 26
39 100 68 3 29
40 96 71 4 30
41 100 68 4 29
42 100 69 5 29
43 98 65 5 29
44 102 68 5 32
45 102 75 6 29
46 108 76 6 31
47 117 80 6 39
48 126 85 6 40
49 134 82 7 41
50 127 82 7 42
51 121 84 7 38
52 125 77 7 39
53 121 82 7 42
54 119 83 8 45
55 118 79 8 49
56 113 78 9 50
57 104 79 7 55
58 99 73 9 59
59 92 69 10 65
60 85 69 10 67
61 75 65 9 75
62 66 60 9 84
63 54 54 10 96
64 47 47 9 105
65 31 38 9 126
66 11 18 13 159
67 5 11 11 169
68 4 9 12 166
69 2 5 11 173
70 2 9 8 172
71 2 9 12 185
72 1 5 9 201
73 1 2 5 148
74 1 2 6 136
75 1 2 4 138
76 0 2 3 114
77 0 2 2 116
78 0 1 2 114
79 0 1 1 109
80 0 0 0 104
81 0 1 1 96
82 0 1 0 87
83 0 0 0 78
84 0 0 0 58
85 0 0 1 58
86 0 1 0 52
87 0 0 0 40
88 0 0 0 34
89 0 0 0 27
90 0 0 0 22
91 0 0 0 14
92 0 0 0 12
93 0 0 0 8
94 0 0 0 7
95 0 0 0 7
96 0 0 0 4
97 0 0 0 3
98 0 0 0 1
99 0 0 0 1
100 0 0 0 0

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, arbeidsduur, Arbeidsdeelname, jongeren en Arbeidsdeelname; ouderen.

Het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft, wordt de nettoarbeidsparticipatie genoemd. In 2019 had 68,8 procent van alle 15- tot 75‑jarigen een betaalde baan als werknemer of zelfstandige, 1,0 procentpunt meer dan een jaar eerder. Na 2008, het begin van de financiële crisis, bereikte de nettoarbeidsparticipatie in 2014 het laagste punt. Sindsdien is deze steeds toegenomen, waardoor de arbeidsdeelname vorig jaar voor het eerst weer boven het niveau van 2008 lag. Dat was eerder met 67,9 procent het hoogste niveau.

De toename van de participatie was niet bij alle groepen even sterk. Bij vrouwen was de nettoarbeidsparticipatie in 2019 in alle leeftijdsgroepen hoger dan in 2008, net als bij mannen van 45 jaar of ouder. Bij de mannen tot 45 jaar was de arbeidsdeelname lager dan voor het begin van de financiële crisis. Vooral alleenstaande mannen werkten in 2019 minder vaak dan toen.

3.5 Nettoarbeidsparticipatie, 1969-2019 (%)
Jaar 15 tot 75 jaar 15 tot 25 jaar 25 tot 45 jaar 45 tot 75 jaar
1969 58,9 72 66,3 43,3
1970 59,1 71,8 67,4 42,6
1971 58,8 70,5 67,8 42,3
1972 58,1 68,9 68,7 40,7
1973 57,9 67,8 69,4 40
1974 57,8 66,7 70,3 39,3
1975 57,3 65,6 71,1 37,8
1976 56,9 64,5 71,4 37,1
1977 56,8 64,2 72 36,3
1978 56,6 63,8 72,8 35
1979 56,8 63,5 73,2 34,9
1980 56,7 63,5 74 33,6
1981 56 62,3 73,6 32,7
1982 54,9 59,4 72,4 32,5
1983 54,1 58,1 71,5 32,3
1984 53,8 57,5 71,9 31,3
1985 54,1 57,6 72,6 31
1986 54,6 58,5 73,4 30,8
1987 55,7 60 74,8 30,9
1988 55,8 59,7 74,3 31,8
1989 56,8 60,4 75,7 32,6
1990 57,9 60,9 77,4 33,6
1991 58,3 60,3 77,6 34,7
1992 58,7 60,6 78,5 35,5
1993 58,4 59 78,6 35,9
1994 58,5 58,7 78,9 36,4
1995 59,4 58,1 79,9 38
1996 60,8 59,6 81,8 38,9
1997 62 61,6 82,3 41
1998 63,5 61,8 84,3 42,7
1999 64,5 64,3 84,6 44,2
2000 65,3 64,9 85 45,8
2001 65,6 65,7 84,8 46,9
2002 65,2 64,3 83,5 48,2
2003 64,2 62,2 82,4 48,3
2004 63,8 59,7 82,5 48,8
2005 64,1 59,3 82,9 49,7
2006 65 60,5 84,4 50,3
2007 66,6 63,1 85,9 52,3
2008 67,9 64,3 87,3 53,9
2009 67,6 62,9 86,7 54,7
2010 66,7 60,7 85,7 54,7
2011 66,5 61,3 85 55
2012 66,4 61,1 84,5 55,6
2013 65,4 60,1 82,9 55,2
2014 64,9 58,8 82,6 55
2015 65,4 60,8 83,1 55,4
2016 65,8 60,8 83,5 56,1
2017 66,7 62,3 84 57,1
2018 67,8 63,9 85,2 58,1
2019 68,8 65,3 85,7 59,2

StatLine: Arbeidsdeelname, vanaf 1969.

Mannen werken langer door

Cijfers over de arbeidsparticipatie per geboortecohort geven een ander perspectief op de ontwikkelingen in arbeidsparticipatie. De arbeidsparticipatie van jongere cohorten is bij vrijwel elke leeftijd hoger dan die van oudere cohorten. Vooral voor vrouwen gaat dat op (zie ook StatLine: Nettoarbeidsparticipatie per geboortegeneratie). Dit geldt niet voor mannen tussen de 15 en 55 jaar. Door de economische crisis die in 2008 begon was de arbeidsparticipatie van mannen tussen de 15 en 55 jaar in het jongste cohort lager dan bij de oudere cohorten.

Bij mannen valt vooral op dat zij steeds langer doorwerken. De hogere arbeidsdeelname is bijvoorbeeld zichtbaar bij vergelijking van 50‑plussers met een verschillend geboortejaar. Van de vooroorlogse generaties was op 65‑jarige leeftijd tussen de 10 en 13 procent werkzaam. Van de mannen die in de eerste vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, was op die leeftijd ruim 23 procent nog aan het werk. Hierbij speelt een rol dat regelingen voor vervroegde uittreding zijn ingetrokken of versoberd, waardoor werknemers later met pensioen gaan dan aan het begin van deze eeuw.

Sinds 2013 wordt de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd, waardoor mensen in 2024 vanaf hun 67e jaar AOW krijgen. Van de mannen op 67‑jarige leeftijd werkte in 2019 nog 20,0 procent. Van de vrouwen was dat 7,9 procent.

Steeds meer ouderen aan het werk

Tussen 2009 en 2019 is het aantal werkende zestigers gestegen van 460 duizend naar 860 duizend. Deze toename is voor een deel toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen: het aantal mensen in deze leeftijdsgroep is groter geworden. Maar ook de toegenomen participatie van ouderen in de afgelopen jaren heeft hieraan bijgedragen. Steeds meer ouderen werken door en tot op een hogere leeftijd.

Het totaal aantal zestigers is de laatste tien jaar toegenomen van 1,8 miljoen naar 2,1 miljoen mensen. Terwijl in 2009 bijna 26 procent van de zestigers betaald werk had, was dat in 2019 41 procent. Van de 60- tot 65‑jarigen werkte 61 procent, terwijl dat tien jaar eerder 35 procent was. Van de 65- tot 70‑jarigen had 19 procent betaald werk in 2019.

De gemiddelde leeftijd waarop werknemers met pensioen gaan, is in tien jaar tijd met 3 jaar opgelopen naar 65 jaar in 2018 (gegevens op basis van voornaamste inkomensbron). Zie ook: Aanvullende statistieken: Pensioenleeftijd werknemers in 2018.

3.6 Zestigers met betaald werk (x 1 000)
Jaar Leeftijd Minder dan 12 uur per week 12 tot 20 uur per week 20 tot 35 uur per week 35 uur per week of meer (voltijd)
2009 60 tot 65 jaar, 2009 65 43 95 165
2009 65 tot 70 jaar, 2009 34 16 21 21
2019 60 tot 65 jaar, 2019 48 62 233 327
2019 65 tot 70 jaar, 2019 55 27 55 53

StatLine: Arbeidsdeelname, ouderen.

Arbeidsdeelname naar migratieachtergrond

Er waren in 2019 7,0 miljoen mensen met een Nederlandse achtergrond aan het werk, naast 1,0 miljoen mensen met een niet-westerse en 915 duizend met een westerse migratieachtergrond. De 15- tot 75‑jarigen met een Nederlandse achtergrond hadden met 70,1 procent het vaakst betaald werk. Daarna volgden personen met een westerse achtergrond (67,6 procent) en die met een niet-westerse migratieachtergrond (61,7 procent).

Na 2008, het begin van de financiële crisis, nam de arbeidsparticipatie van personen met een niet-westerse migratieachtergrond relatief veel af, waardoor het verschil met de groep met een Nederlandse achtergrond groter werd (55,3 procent versus 67,1 procent in 2015). In 2019 was de arbeidsparticipatie van zowel personen met een Nederlandse als met een niet-westerse achtergrond hoger dan het niveau vlak voor het begin van de financiële crisis. Het verschil tussen deze groepen was in 2019 bijna weer hetzelfde als elf jaar eerder.

StatLine: Arbeidsdeelname; migratieachtergrond.

In 2019 waren er 7,5 miljoen werknemers. De meesten, 5,6 miljoen, hadden een vaste arbeidsrelatie, dat wil zeggen een contract voor onbepaalde tijd en een vast aantal uren per week. Het aantal vaste werknemers nam vanaf 2016 weer toe, maar was in 2019 nog wel lager dan voor het begin van de financiële crisis. Het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie is vrijwel voortdurend gegroeid, maar laat in 2019 een daling zien. In 2019 hadden 1,9 miljoen werknemers een flexibele arbeidsrelatie, 47 duizend minder dan een jaar eerder. Deze daling kwam vooral door een afname van het aantal uitzendkrachten en het aantal werknemers met een tijdelijk dienstverband. De rest van de werkenden, 1,5 miljoen, verrichtte geen arbeid in loondienst, maar werkte voor eigen rekening of risico. De meeste van hen waren zzp’er.

3.7 Werkzame beroepsbevolking (15 tot 75 jaar) (x 1 000)
Jaar Zelfstandigen met personeel Zelfstandigen zonder personeel Werknemers flexibele arbeidsrelatie Werknemers vaste arbeidsrelatie
2009 341 843 1431 5703
2010 331 865 1450 5585
2011 322 875 1471 5560
2012 321 906 1556 5501
2013 320 957 1639 5309
2014 325 988 1688 5172
2015 316 1022 1767 5143
2016 338 1028 1841 5158
2017 342 1055 1948 5206
2018 349 1074 1970 5352
2019 344 1101 1923 5552

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Vast en flexibel werk: verschillen in uitkomsten

De gegevens over de arbeidsrelatie van werknemers zijn gebaseerd op de Enquête beroepsbevolking (EBB). In 2019 liet de EBB een toename zien van het percentage werknemers met een vaste arbeidsrelatie en een afname van het percentage met een flexibele arbeidsrelatie.

Daarnaast publiceert het CBS op basis van de Statistiek werkgelegenheid en lonen (SWL) over banen van werknemers, waarbij eveneens onderscheid wordt gemaakt tussen vast en flex. Bij vaste banen gaat het om reguliere werknemersbanen met een contract voor onbepaalde tijd; bij flexibele banen gaat het om reguliere werknemersbanen met een contract voor bepaalde tijd, uitzendbanen, oproepbanen en stagebanen.

Anders dan de EBB liet de SWL tot medio 2019 geen toename van het percentage vaste banen zien. Tot 2019 nam het percentage vaste banen volgens de SWL af en gedurende de eerste helft van 2019 bleef het vrijwel stabiel. Sinds de tweede helft van 2019 liet de SWL een toename zien.

Op dit moment onderzoekt het CBS in hoeverre de verschillen tussen EBB en SWL een rol spelen bij het uiteenlopende beeld van de recente ontwikkeling in vast en flexibel werk die niet te maken hebben met populatieverschillen.

3.8 Verandering samenstelling werkzame beroepsbevolking, 2019 t.o.v. 2018 (x 1 000)
Verandering
Totaal 179
.
Geslacht .
Mannen 77
Vrouwen 102
Leeftijd .
15 tot 25 jaar 38
25 tot 35 jaar 35
35 tot 45 jaar 14
45 tot 55 jaar -14
55 tot 65 jaar 74
65 tot 75 jaar 32
Onderwijsniveau .
Laag 11
Middelbaar 37
Hoog 117
Positie werkkring .
Werknemer 153
Zelfstandige 25
Arbeidsduur .
< 12 uur 5
12 tot 20 uur 6
20 tot 35 uur 96
>= 35 uur 72

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

3,0 miljoen flexwerkers

In 2019 waren er 3,0 miljoen flexwerkers (15 tot 75 jaar) in Nederland. Het aantal flexibele werknemers is sinds 2003 toegenomen van 1,1 naar 1,9 miljoen. Wel is dit aantal ten opzichte van 2018 gedaald. In 2018 waren er bijna 2,0 miljoen flexibele werknemers. Het aantal zzp’ers groeide van ruim 630 duizend in 2003 naar 1,1 miljoen in 2019. De meesten (890 duizend) bieden eigen arbeid of diensten aan. De rest van de zzp’ers verkoopt producten. Daarmee is zzp-eigen arbeid de meest voorkomende flexvorm, gevolgd door de oproepkracht (545 duizend). De flexvormen die tussen 2003 en 2019 naar verhouding het meest zijn toegenomen, zijn de werknemers met een vast contract zonder vaste uren, de oproepkrachten en de tijdelijke werknemers zonder vaste uren.

Flexibel Vast - geen vaste uren Uitzicht op vast Jaar of langer Vast Korter dan een jaar Uitzendkracht Oproep-/invalkracht Werknemer Zonder personeel (zzp) Met personeel Meewerkend gezinslid Zzp-eigen arbeid Zzp-producten Zelfstandige Flexibel 3.9 Overzicht van arbeidsrelaties Tijdelijk - geen vaste uren
3.10 Ontwikkeling flexwerkers (x 1 000)
2019 2003
Werknemer
tijdelijk >= 1 jaar
149 102
Werknemer vast,
geen vaste uren
152 67
Werknemer
tijdelijk < 1 jaar
191 162
Werknemer tijdelijk,
geen vaste uren
237 118
Uitzendkracht 266 185
Werknemer tijdelijk,
uitzicht op vast
383 200
Oproep/-invalkracht 545 258
Zelfstandige zonder
personeel (zzp)
1101 634

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Het Dossier flexwerk geeft een actueel beeld van flexwerk in Nederland en bevat ook een rubriek met veel gestelde vragen.

Zelfstandigen zonder personeel

In 2019 nam, net als in de voorafgaande jaren, het aantal zelfstandigen zonder personeel toe. Dat jaar telde Nederland 1,1 miljoen zelfstandigen zonder personeel, drie kwart van alle mensen die in hun voornaamste werkkring als zelfstandige werkten. Een zelfstandige zonder personeel is iemand die arbeid verricht voor eigen rekening of risico en geen mensen in dienst heeft. Dat kan in een eigen bedrijf of praktijk zijn, of als directeur-grootaandeelhouder. Overige zelfstandigen, zoals freelancers, worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend. Van de zelfstandigen zonder personeel bood 81 procent vooral eigen arbeid of diensten aan, terwijl 19 procent vooral producten verkocht of grondstoffen aanbood.

In 2019 waren zelfstandigen zonder personeel voor het merendeel mannen, namelijk 6 op de 10. Daarnaast waren ze gemiddeld ouder dan werknemers: 59 procent was 45 tot 75 jaar, tegen 41 procent van de werknemers. Ook waren hoogopgeleiden oververtegenwoordigd. Van de zelfstandigen zonder personeel was 46 procent hoogopgeleid, tegen 37 procent van de werknemers. Ze werkten in 2018 in vergelijking met werknemers relatief vaak in de specialistische zakelijke dienstverlening, bouwnijverheid, landbouw en visserij en cultuur, sport en recreatie.

StatLine: Zelfstandigen zonder personeel en Zelfstandigen zonder personeel naar bedrijfstak.

Vanuit de Inkomensstatistiek worden eveneens uitkomsten gepubliceerd over het aantal zzp’ers en over hun inkomen en vermogen, zie StatLine: Zzp’ers o.b.v. de Inkomensstatistiek.

Het Dossier zzp geeft een actueel beeld van zzp’ers in Nederland en omvat ook een rubriek met veel gestelde vragen.

Meer ‘grote’, minder ‘kleine’ anderhalfverdieners

In 2019 waren er 3,3 miljoen paren waarvan één of beide partners werkten. Anderhalfverdieners, waarbij de ene partner voltijds (35 uur of meer) en de andere in deeltijd werkt, is het verdienerstype dat bij deze stellen het meest voorkomt. Steeds vaker gaat het om ‘grote’ anderhalfverdieners, waarbij de deeltijder 20 tot 35 uur per week werkt. Het aandeel ‘grote’ anderhalfverdieners nam sinds 2003 toe van 27 procent naar 37 procent. Tegelijkertijd daalde het aandeel ‘kleine’ anderhalfverdieners, met een partner in een deeltijdbaan van minder dan 20 uur per week. Ook het percentage eenverdieners was in 2019 aanzienlijk lager dan in 2003.

StatLine: Arbeidsdeelname paren.

Meer mensen werken vanuit huis

Tussen 2013 en 2019 is een groter deel van de werkende bevolking vanuit huis gaan werken. Het aantal nam toe met 652 duizend. De stijging was groter bij vrouwen dan bij mannen. In 2019 werkten 3,5 miljoen Nederlanders gewoonlijk of incidenteel thuis. Dat is 39 procent van alle werkenden. In 2013 was dat ruim 34 procent.

Mannen werkten vaker thuis dan vrouwen, maar dit verschil is in de afgelopen jaren wel kleiner geworden. In 2019 werkte 40 procent van de mannen thuis en 38 procent van de vrouwen. In 2013 was dat respectievelijk 37 procent en bijna 32 procent.

De meeste thuiswerkers – ruim 6 op de 10 – werkten incidenteel thuis, al dan niet op een vaste dag. De rest werkte gewoonlijk thuis, dat wil zeggen doorgaans in of vanuit de eigen woning. Het aantal incidentele thuiswerkers nam tussen 2013 en 2019 meer toe dan het aantal mensen die gewoonlijk thuiswerken.

StatLine: Thuiswerkers.

Jongeren zonder startkwalificatie zonder werk

Van de 181 duizend jongeren van 15 tot 27 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten, hadden 70 duizend geen werk in 2019. Dat is 39 procent. Dat zijn er relatief veel, vergeleken met de jongeren die wel een startkwalificatie hebben. Van de 625 duizend jongeren die geen onderwijs volgden, maar wel een startkwalificatie hadden, hadden 66 duizend jongeren vorig jaar geen werk (ruim 10 procent).

Bijna 32 duizend niet-werkende en niet-onderwijsvolgende 15- tot 27‑jarigen zonder startkwalificatie wilden wel werken, maar konden geen werk vinden. Van de 70 duizend jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten en geen werk hadden, gaven er bijna 39 duizend aan niet te willen of kunnen werken. Een veel voorkomende reden om niet te werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid. Als ze werk hebben, is dat vaker op een lager beroepsniveau dan werkende leeftijdgenoten met een startkwalificatie.

StatLine: Arbeidsdeelname; jongeren (15 tot 27 jaar).

Werkloosheid in 2019 op het laagste niveau sinds 2001

In 2014 piekte de werkloosheid met 7,4 procent, waarna een daling inzette die vorig jaar resulteerde in een lager percentage dan in 2008, net voor het uitbreken van de financiële crisis. Hiermee was de werkloosheid met 3,4 procent in 2019 ook op het laagste niveau sinds 2001. Toen was 3,3 procent van de beroepsbevolking werkloos.

Bij een vergelijking van 2019 en 2008 valt vooral het grotere aantal werkloze mannen op. In 2019 waren 168 duizend mannen werkloos, tegenover 141 duizend in 2008. Van de mannelijke beroepsbevolking van 25 tot 45 jaar was vorig jaar 2,7 procent werkloos. Dat percentage is bijna tweeënhalf keer zo hoog als in 2008, toen dat 1,1 procent was. Ook was in 2019 het aantal werkloze hoogopgeleiden, 25- tot 35‑jarigen en 55‑plussers hoger dan in 2008.

3.11 Samenstelling werkloze beroepsbevolking (15 tot 75 jaar) (x 1 000)
2019 2008
Geslacht . .
Mannen 168 141
Vrouwen 146 176
. .
Leeftijd . .
15 tot 25 jaar 100 119
25 tot 35 jaar 60 42
35 tot 45 jaar 43 55
45 tot 55 jaar 46 54
55 tot 65 jaar 54 43
65 tot 75 jaar 11 3
. .
Onderwijsniveau . .
Laag 111 141
Middelbaar 118 117
Hoog 81 56

StatLine: Werkloze beroepsbevolking, persoonskenmerken en Werkloosheidsduur.

In 2019 waren 95 duizend werklozen een jaar of langer op zoek naar werk. Daarmee was 30 procent van alle werklozen langdurig werkloos. In 2015 kende het aandeel langdurig werklozen nog een piek met 43 procent.

Aantal werklozen afgenomen met 36 duizend

Voortdurend komen er mensen bij op de arbeidsmarkt, anderen trekken zich terug. Tegenover degenen die hun werk kwijtraken, staan werklozen die betaald werk vinden. Mensen kunnen werkloos raken doordat ze hun werk verliezen. Maar ook mensen die de arbeidsmarkt op komen en op zoek gaan naar werk, zoals schoolverlaters en herintreders, worden tot de werklozen gerekend.

In 2019 waren gemiddeld 314 duizend mensen werkloos. Een jaar eerder waren dat er 350 duizend. In die periode is het aantal werklozen dus met 36 duizend afgenomen. Deze ontwikkeling is een resultaat van stromen tussen de werkzame en werkloze beroepsbevolking, en tussen de werkloze en niet-beroepsbevolking.

In 2019 vonden meer werklozen werk dan dat er mensen met werk werkloos werden: 161 duizend werklozen vonden een betaalde baan, terwijl 106 duizend werkenden werkloos werden. Daarmee verminderde het aantal werklozen met 55 duizend. Anders gezegd: de netto-instroom in werkloosheid vanuit de werkzame beroepsbevolking was negatief.

In dezelfde periode was het aantal mensen dat de arbeidsmarkt op kwam en werkloos werd groter dan het aantal werklozen dat de arbeidsmarkt verliet. Tegenover de 135 duizend personen die toetraden tot de arbeidsmarkt en werkloos werden, stonden 116 duizend werklozen die zich terugtrokken van de arbeidsmarkt. Bij het werkloosheidscijfer moest 19 duizend worden opgeteld. De netto-instroom in werkloosheid vanuit de niet-beroepsbevolking was dus positief.

StatLine: Wisselingen arbeidspositie.

Meer mensen wisselen van beroep

Meer werkenden wisselden de laatste jaren van beroep. Na een hoogtepunt in 2008 van meer dan een miljoen beroepswisselaars, daalde het aantal tot 777 duizend in 2014. Sinds 2015 is het aantal mensen dat naar een ander beroep overstapt weer toegenomen.

In 2019 waren er 1,1 miljoen mensen tussen 15 en 75 jaar met een ander beroep dan het jaar ervoor. In de meeste gevallen (813 duizend) ging het om een overstap naar een andere beroepsklasse, bijvoorbeeld van een pedagogisch beroep naar een zorgberoep. Deze beroepsklassewisselaars wisselden in 2019 naar verhouding het vaakst vanuit transport- en logistieke beroepen, commerciële beroepen en dienstverlenende beroepen. Het overige deel van de beroepswisselaars (324 duizend) oefende wel een ander beroep uit, maar bleef werken binnen dezelfde beroepsklasse.

Wisseling van beroep komt naar verhouding vaak voor onder jongeren van 15 tot 25 jaar. Van alle beroepswisselaars in 2019 waren er 352 duizend in die leeftijdsgroep. Deels gaat het om schoolgaande jongeren met een bijbaan. Denk aan kassamedewerkers (ingedeeld bij de commerciële beroepen), horecapersoneel (dienstverlenende beroepen) of vakkenvullers en dagbladbezorgers (transport en logistieke beroepen). Iemand die kassamedewerker is en overstapt naar een baan als vakkenvuller, verandert dus van beroepsklasse.

StatLine: Werkzame beroepsbevolking naar beroep en Beroepswisseling; beroepsklasse.

Onbenut arbeidspotentieel

In 2019 waren er 4,1 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar die niet werkten. Uiteraard zijn die niet allemaal werkloos. Volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO) telt iemand als werkloos als die recent naar werk heeft gezocht en direct aan de slag kan. Verreweg de meeste mensen (3,2 miljoen) die geen betaald werk hebben, willen of kunnen niet werken, bijvoorbeeld omdat ze een opleiding volgen, moeten zorgen voor een gezin, ziek zijn of te oud.

Naast de 314 duizend werklozen waren er in 2019 mensen die óf recent hebben gezocht (154 duizend) óf direct beschikbaar zijn voor werk (212 duizend). Deze twee groepen worden niet tot de werklozen gerekend. Die moeten namelijk aan beide voorwaarden voldoen. Samen met de werklozen zijn dat 680 duizend mensen die geen betaald werk hebben, maar wel beschikbaar zijn voor werk en/of hiernaar hebben gezocht. Zij vormen het onbenut arbeidspotentieel zonder werk.

Hiermee was het aantal personen in het onbenut arbeidspotentieel zonder werk vorig jaar het laagste na 2008. Het onbenut arbeidspotentieel zonder werk nam sinds het begin van de financiële crisis in 2008 toe tot bijna 1,2 miljoen personen in 2014. Hierna is dat aantal met 486 duizend afgenomen. Met 346 duizend was de daling in de werkloze beroepsbevolking duidelijk groter dan die van het overige arbeidspotentieel zonder werk, dat met 140 duizend afnam.

Deeltijders die meer uren willen werken

Ook onder werkenden is er onbenut potentieel. Het gaat dan om mensen die in deeltijd werken, maar graag het aantal uren zouden willen uitbreiden en ook beschikbaar zijn. Zij worden ook wel onderbenutte deeltijdwerkers genoemd en vormen het onbenut arbeidspotentieel met werk. In 2019 ging het om 335 duizend mensen. Dat is bijna 4 procent van de werkzame beroepsbevolking. Het totale onbenut arbeidspotentieel – dus met én zonder werk – kwam daarmee uit op iets meer dan 1,0 miljoen mensen. Aan het eind van de crisis in 2014, toen de arbeidsmarkt ruim was, ging het nog om 1,7 miljoen. Sindsdien nam het aantal onderbenutte deeltijdwerkers af met 248 duizend.

B e ro e p s b e v olking 9 267 du i zend ( + 142 du i zend) B e v olking 15 74 jaa r 13 015 du i zend ( +79 du i zend) Niet-beroeps- bevolking 3 749 duizend (–63 duizend) Werkzame beroeps- bevolking: voltijd 4 557 duizend (+72 duizend) Wil meer uren werken, beschikbaar 335 duizend (–47 duizend) Vanwege weinig resultaat 65 duizend (–3 duizend) Vanwege andere reden 147 duizend (–14 duizend) Wil wel werken 204 duizend (–3 duizend) Wil/kan niet werken 3 179 duizend (–41 duizend) Werkzame beroeps- bevolking: deeltijd 4 395 duizend (+106 duizend) Werkloze beroepsbevolking 314 duizend (–36 duizend) Beschikbaar, niet gezocht 212 duizend (–17 duizend) Gezocht, niet beschikbaar 154 duizend (–1 duizend) Niet gezocht, niet beschikbaar 3 383 duizend (–44 duizend) 3.13 Binding van de bevolking met de arbeidsmarkt, 2019

StatLine: Arbeidsdeelname, binding met de arbeidsmarkt.

3,2 miljoen mensen willen of kunnen niet werken

Naast de werkzamen, werklozen en het overig onbenut arbeidspotentieel zonder werk, waren er in 2019 dus ook nog 3,2 miljoen personen die niet op zoek waren naar werk, niet op korte termijn konden beginnen en niet wilden of konden werken. Bijna de helft noemde pensioen of hoge leeftijd als reden om niet te willen werken. Daarbij gaat het vooral om 65‑plussers.

Andere redenen om geen betaald werk te willen of kunnen doen, zijn opleiding of studie, ziekte of arbeidsongeschiktheid en zorg voor gezin of huishouden. Jongeren wijzen vooral op een opleiding of studie. Bij 25- tot 65‑jarigen speelt relatief vaak dat zij niet kunnen werken vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Verder wijzen 25- tot 45‑jarigen, voornamelijk vrouwen, vaak op zorgtaken voor het gezin of huishouden.

Het aantal mensen, met name vrouwen, die vanwege zorgtaken niet willen werken, is afgenomen tot 207 duizend, in 2003 was dat nog meer dan een half miljoen. Het aantal mensen van 55 tot 65 jaar die niet willen werken wegens pensioen of hoge leeftijd nam nog sterker af, van ruim een half miljoen in 2003 naar 130 duizend in 2019.

3.14 Personen die niet willen of kunnen werken, 2019 (%)
Leeftijd Vanwege zorg gezin/huishouden Vanwege opleiding/studie Vanwege vut/pensioen/hoge leeftijd Vanwege ziekte/arbeidsongeschiktheid Vanwege andere redenen
15 tot 25 jaar 1 82 0 8 9
25 tot 35 jaar 21 28 0 39 11
35 tot 45 jaar 28 4 0 57 10
45 tot 55 jaar 17 2 1 68 12
55 tot 65 jaar 10 0 23 54 13
65 tot 75 jaar 2 0 89 6 3

StatLine: Arbeidsdeelname, binding met de arbeidsmarkt.

Arbeidsmarkt regionaal

Veel arbeidsmarktcijfers zijn ook per regio bekend. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat het werkloosheidspercentage in 2019 het hoogst was in de gemeenten Rotterdam (5,9) en Groningen (5,4) en het laagst in de gemeenten Edam-Volendam, Renswoude, Staphorst en Tubbergen (2,2).

Meer cijfers:

Arbeidsmarkt internationaal

Eurostat, het bureau voor de statistiek van de Europese Unie, publiceert voor alle EU-lidstaten onder meer cijfers over:

Door de ILO, de International Labour Organization, worden cijfers gepubliceerd over landen in de hele wereld (zie www.ilo.org).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg

Linda Fernandez Beiro

Willem Gielen

Redactie

Kees Groenenboom