Foto omschrijving: Vrouw die net geld heeft gepind bij automaat.

Lonen en loonkosten

Loonstijging blijft laag

De brutolonen, zoals vastgelegd in cao’s, namen in 2018 toe met gemiddeld 2,0 procent. Dat is de grootste stijging na 2009. Hierdoor kwam de stijging van de cao-lonen uit boven de stijging van consumentenprijzen, die in 2018 op 1,7 procent uitkwam. Dit was het vierde jaar op rij dat de cao-loonstijging groter of gelijk was aan de stijging van de consumentenprijzen.

Sinds 2009 zijn de cao-lonen met gemiddeld 1,4 procent per jaar toegenomen, terwijl de stijging van de consumentenprijzen 1,5 procent per jaar bedroeg. De ontwikkeling van de consumentenprijzen is een belangrijke indicator voor inflatie. Werknemers die voor hun loonsverhoging uitsluitend afhankelijk zijn van cao-veranderingen, zijn er dus sinds 2009 reëel gezien op achteruit gegaan. Dat was tussen 2000 en 2009 wel anders. Toen stegen de cao-lonen nog met gemiddeld 2,5 procent per jaar, terwijl de stijging van de consumentenprijzen gemiddeld 2,1 procent bedroeg.

De lage cao-loonstijging was een rechtstreeks gevolg van de financiële crisis, waardoor de arbeidsmarkt snel ruimer werd. Begin 2011 was de gemiddelde cao-loonstijging afgenomen tot 1,0 procent. In de tweede helft van 2018 was de cao-loonstijging voor het eerst weer opgelopen tot boven de 2 procent. Op basis van de eerste cijfers over begin 2019 lijkt het er nog niet op dat die stijging verder doorzet.

De werkelijke brutolonen van werknemers veranderen van jaar op jaar niet alleen doordat er loonsverhogingen in de cao’s worden afgesproken, maar ook doordat werknemers korter of langer gaan werken, opklimmen in hun loonschaal, promotie maken of bijzondere beloningen krijgen. De gemiddelde brutolonen van werknemers per gewerkt uur stegen in 2018 met 1,6 procent, een half procent meer dan in het voorgaande jaar. In deze cijfers is ook de loonontwikkeling begrepen van werknemers die niet onder een cao vallen. Ongeveer 8 op de 10 werknemers vallen onder een cao.

Bovenop de brutolonen komen de sociale premies ten laste van de werkgevers. In 2018 bedroeg de stijging van deze premies per gewerkt uur ruim 4 procent, dus beduidend meer dan de stijging van de lonen. De werkgevers betaalden meer voor de Zorgverzekering, arbeidsongeschiktheid en de werkloosheid. Ook de pensioenpremies bij de overheid gingen omhoog.

Alle looncijfers hebben alleen betrekking op werknemers; het inkomen van zelfstandigen wordt niet gezien als loon, maar als gemengd inkomen uit arbeid, waartoe ook de winst uit bedrijfsvoering behoort.

StatLine: Cao-lonen en contractuele loonkosten, Cao-lonen en contractuele loonkosten (2000=100) en Prijsindex consumentenprijzen.

StatLine: Prijsindex consumentenprijzen, Cao-lonen en contractuele loonkosten, Lonen en loonkosten en Prijsindex arbeid.

Waarom trekt de loonstijging niet aan?

Sinds eind 2017 is sprake van een krappe arbeidsmarkt. Het aantal vacatures staat inmiddels op recordhoogte en bijna een kwart van de bedrijven met vijf of meer werkzame personen geeft aan dat een tekort aan arbeidskrachten hun productie of activiteiten belemmert. Verwacht zou mogen worden dat in zo’n situatie de lonen oplopen, om werknemers aan te trekken. Toch gebeurt dat nog steeds niet echt.

In 2018 bedroeg de stijging van de cao-lonen 2,0 procent, terwijl de consumentenprijzen met 1,7 procent omhooggingen. Dat is een reële cao-loonstijging van 0,3 procent. In 2006–2009 bedroeg de reële cao-loonstijging nog 1 procent per jaar, terwijl in de eerste helft van de jaren ’70 zelfs reële cao-loonstijgingen van 5 procent werden genoteerd.

Hierbij moet wel worden aangetekend dat cao-lonen niet voor alle werknemers gelden, terwijl daarnaast de werkelijke brutolonen van werknemers ook kunnen veranderen door extra toeslagen, periodieken en dergelijke. De CBS-cijfers over de ontwikkeling van de werkelijk verdiende brutolonen van alle werknemers komen evenwel niet hoger uit dan die over de cao-lonen. Dit komt voor een deel doordat dit cijfer beïnvloed wordt door veranderingen in de samenstelling van de werknemerspopulatie; als bijvoorbeeld relatief veel laagbetaalde werknemers instromen, drukt dat de ontwikkeling van het gemiddeld loon.

De diverse onderzoeksbureaus noemen verschillende redenen waarom de loonstijging niet aantrekt. Zo wordt onder meer gewezen op het grote aandeel zzp’ers, mondialisering en het vrij verkeer van werknemers binnen de EU en de tanende macht van de vakbonden. Daarnaast speelt een rol dat het totale onbenut arbeidspotentieel meer mensen omvat dan alleen de werkloze beroepsbevolking. Verder is voor veel werknemers het binnenhalen van een vaste baan waarschijnlijk belangrijker dan een hoge loonstijging. Ook kunnen bedrijven gunstige secundaire arbeidsvoorwaarden bieden die niet in de looncijfers tot uitdrukking komen.

Leden vakverenigingen

Bij de cao-onderhandelingen worden de werknemers meestal vertegenwoordigd door de vakbonden. In 2017 waren iets meer dan 1,7 miljoen mensen lid van een vakvereniging. De FNV is met ruim 1 miljoen leden de grootste. Rond de eeuwwisseling waren nog ruim 1,9 miljoen mensen lid van een vakbond. Bijna een op de vijf vakbondsleden is 65 jaar of ouder.

StatLine: Leden van vakverenigingen.

De totale loonkosten bedroegen in 2018 bijna 370 miljard euro. Dat is de optelsom van 291 miljard euro aan brutolonen, 80 miljard euro aan sociale premies ten laste van werkgevers en 0,5 miljard euro aan eindheffingen, verminderd met 2 miljard euro aan loonkostensubsidies. De loonkosten stegen in 2018 met 18 miljard euro (5,1 procent). Dit cijfer is opgebouwd uit een stijging van de lonen (12,7 miljard euro) en een toename van de sociale premies ten laste van werkgevers (5,4 miljard euro). Het bedrag aan loonkostensubsidies en eindheffingen bleef stabiel. Dat het totale bedrag aan loonkosten stijgt, komt vooral doordat de werkgelegenheid groeit. Het aantal banen van werknemers nam met 2,9 procent toe, evenals het totale volume aan gewerkte uren van werknemers. Daardoor stegen de totale loonkosten 5,1 procent, maar de loonkosten per gewerkt uur met 2,2 procent.

Opbouw arbeidskosten

Voor iedere euro die werknemers netto verdienen, moet de werkgever het dubbele betalen. Een groot deel van wat de werkgever betaalt, gaat naar sociale zekerheid. Daarnaast worden loonbelasting en de premie volksverzekeringen ingehouden.

Nettoloon = brutoloon –/– loonbelasting/premie volksverzekeringen –/– werknemerspremie pensioen –/– ingehouden bijdrage ZVW

Bovenop de brutolonen komen de sociale premies ten laste van werkgevers. Tezamen is dit de beloning van werknemers.

Beloning van werknemers = brutoloon + sociale premies ten laste van werkgevers

Verder hebben werkgevers te maken met eindheffingen, zoals de belastingen die werkgevers betalen in het kader van de werkkostenregeling. Anderzijds ontvangen bedrijven en instellingen ook loonkostensubsidies, zoals tegenwoordig onder meer het lage-inkomensvoordeel (LIV). In 2018 bedroeg de totale beloning van werknemers 371 miljard euro, zodat na bijtelling van de eindheffingen en aftrek van loonkostensubsidies een bedrag van bijna 370 miljard euro resulteert aan loonkosten.

Loonkosten = beloning van werknemers + eindheffingen –/– loonkostensubsidies

Naast loonkosten maken bedrijven en instellingen ook kosten die niet direct aan de individuele werknemers kunnen worden toegerekend, zoals kosten voor scholing, de exploitatie van kantines en de werving en selectie van personeel. Deze kosten maken 3 procent uit van de totale arbeidskosten.

Arbeidskosten = loonkosten + overige arbeidskosten

Loonkosten in 2018 (in mln euro)

Lonen van werknemers 291 055
 
Sociale premies t.l.v. werkgevers 80 415
Pensioenpremies t.l.v. werkgevers 26 380
Zorgverzekeringswet (ZVW) 15 590
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA, Whk) 15 683
Werkloosheidswet (WW, WKO) 8 760
Uitvoeringswet voor de overheid (UFO) 678
Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers 13 324
 
Beloning van werknemers 371 470
 
Eindheffingen 543
Loonkostensubsidies (–) 2 293
 
Loonkosten 369 720
0503 5.3 O p b o u w arb e i d s k o s t e n , 2018 0 20 40 60 80 100 % O v erige arbeids k osten (3%) Eindheffingen -/- loon k ostensubsidies (-0,5%) Sociale p r emies ten laste v an wer k ge v e r s (21%) Netto loon (51%) Bruto loon (76%) Beloning v an werkneme r s (97 %) L oon k osten (97 %) Arbeids k osten (100 %)

StatLine: Loonkosten per gewerkt uur.

De gemiddelde loonkosten per gewerkt uur kwamen in 2018 uit op bijna 35 euro. Ze waren het hoogst in de bedrijfstak financiële dienstverlening (56 euro) en het laagst in de horeca (20 euro). In de kleinere bedrijfsgroep aardolie-industrie liggen de gemiddelde loonkosten nog hoger (circa 64 euro per gewerkt uur). Een deel van deze verschillen wordt veroorzaakt door de specifieke personeelsopbouw per bedrijfstak. Zo werken bij de financiële instellingen naar verhouding veel meer hoger opgeleiden en ouderen dan in de horeca, waardoor de gemiddelde loonkosten een stuk hoger liggen.

Eurostat: Loonkosten per gewerkt uur, EU.

StatLine: Loonkosten per gewerkt uur, prijsindex arbeid en structuureffect.

StatLine: Loonkosten per gewerkt uur, prijsindex arbeid en structuureffect.

De stijging van de loonkosten per gewerkt uur verschilde in 2018 flink per bedrijfstak. Terwijl de loonkosten bij de verhuur en handel van onroerend goed met 4,0 procent toenamen, bleef de stijging in de financiële dienstverlening beperkt tot 1,4 procent.

Dat de loonkostenstijging in een jaar relatief hoog of laag uitpakt, heeft soms incidentele oorzaken, zoals nabetalingen bij het uitbetalen van een cao-loonsverhoging met terugwerkende kracht, of door het wel of niet doen van extra betalingen van bedrijven aan pensioenfondsen in een bepaald jaar. Daarom is het beter om te kijken naar de ontwikkeling over een langere periode. Gemeten over de afgelopen tien jaar zijn de loonkosten per gewerkt uur van werknemers in totaal met 17 procent gestegen. De stijging was het grootst in het onderwijs (25 procent) en het kleinst in de horeca en de zakelijke dienstverlening (beide 9 procent).

Als de samenstelling van het personeelsbestand verandert, beïnvloedt dit de gemiddelde loonkostenstijging. Zo heeft de sterke groei van het aantal uitzendkrachten invloed op de ontwikkeling van de gemiddelde loonkosten in Nederland, omdat de gemiddelde loonkosten per gewerkt uur in de uitzendbranche 40 procent lager zijn dan voor de overige bedrijfstakken. Exclusief de uitzendbureaus kwam de totale stijging van de loonkosten per gewerkt uur in Nederland in de afgelopen tien jaar niet uit op 17 procent, maar op ruim 18 procent. Daarnaast is het zo dat naarmate er meer ouderen en hoger opgeleiden deel uitmaken van het personeelsbestand, de gemiddelde loonkosten toenemen, omdat deze groepen in de regel meer betaald krijgen. Gecorrigeerd voor deze veranderingen in de werknemerspopulatie kwam de zuivere prijsstijging tussen 2008 en 2018 uit op 14 procent. Dat is de zogeheten prijs van arbeid. Dit betekent dat de loonkostenstijging van 17 procent per saldo voor 3 procent is toe te schrijven aan de structuurveranderingen: enerzijds een toename van het aandeel oudere werknemers en hoogopgeleiden, anderzijds een toename van laagbetaald uitzendwerk. De consumentenprijzen zijn de afgelopen tien jaar met bijna 16 procent gestegen, dus net iets minder dan de prijs van arbeid.

Het verschil tussen de ontwikkeling van de loonkosten per gewerkt uur en de prijs van arbeid is het structuureffect. Dit bedroeg –0,3 procent in 2018. Het was voor het vierde opeenvolgende jaar dat veranderingen in de personeelssamenstelling hebben geleid tot een daling van de gemiddelde loonkosten. Dit negatieve structuureffect duidt erop dat er naar verhouding veel nieuwe werknemers zijn aangenomen met relatief lage loonkosten. Dit is in overeenstemming met de banengroei in de laatste jaren. Direct na het begin van de financiële crisis in 2008 liepen de loonstijgingen terug en nam het aantal banen van werknemers af. Het structuureffect was in die periode groot (+1,2 procent in 2009), omdat toen betrekkelijk weinig nieuwe werknemers werden aangenomen

Gecorrigeerd voor veranderingen in de werknemersstructuur, blijkt de loonkostenstijging in 2008–2018 het kleinst te zijn geweest in de verhuur en handel van onroerend goed, de zakelijke dienstverlening en de bouwnijverheid (8 procent). Veranderingen in de personeelssamenstelling hebben het meeste effect in de financiële dienstverlening. Hier bedraagt de gecorrigeerde loonkostenontwikkeling maar de helft van de totale loonkostenstijging in deze bedrijfstak. Dit komt mede doordat in deze bedrijfstak het aantal banen van werknemers de laatste tien jaar met een kwart is afgenomen.

StatLine: Gewerkte uren per bedrijfstak en Gewerkte uren naar geslacht.

De samenstelling van de populatie werknemers is de laatste tien jaar fors veranderd. Gemeten in gewerkte uren is het aandeel van de zakelijke dienstverlening (inclusief uitzendbedrijven), de horeca en de zorg gestegen, ten koste van de bouwnijverheid, de industrie en de financiële dienstverlening. In samenhang hiermee is ook het aandeel vrouwen toegenomen. Tegelijkertijd is er sprake van vergrijzing en stijgt het onderwijsniveau gestaag. Zo is het aandeel 55‑plussers met 7 procent gestegen tot 19 procent en wordt inmiddels een derde van alle gewerkte uren gemaakt door werknemers met een hbo-diploma of wetenschappelijk onderwijs (+5 procent).

Aandeel arbeid in de economie

Van elke euro die in 2018 in Nederland werd verdiend, ging 76 cent naar de werknemers en zelfstandigen als arbeidsinkomen. Het arbeidsinkomen is hierbij gelijkgesteld aan de totale beloning van werknemers plus de inkomsten uit arbeid van zelfstandigen. De overige 24 cent van elke verdiende euro vormden de winsten van bedrijven. De arbeidsinkomensquote (aiq) geeft aan waar het geld terechtkomt dat in Nederland verdiend wordt.

De aiq wordt berekend als het aandeel van de beloning voor arbeid in de netto toegevoegde waarde. Voor werknemers staat het arbeidsinkomen gelijk aan de beloning van werknemers. De beloning moet hierbij niet verward worden met nettolonen: het betreft de brutolonen plus de sociale premies ten laste van werkgevers. Het nettoloon is maar iets meer dan de helft van de totale beloning van werknemers. Voor zelfstandigen wordt het netto gemengd inkomen als benadering voor het arbeidsinkomen genomen. Het netto gemengd inkomen bevat in de praktijk naast de beloning van arbeid echter ook de beloning voor kapitaal en ondernemerschap (winst). Voor een deel van de zelfstandigen is het gemengd inkomen negatief.

De aiq is doorgaans het hoogst in arbeidsintensieve bedrijfstakken, zoals de zorg, en het laagst in de kapitaalintensieve bedrijfstakken, zoals de industrie. Voor het openbaar bestuur is de winst gelijkgesteld aan 0, zodat de aiq hier per definitie 100 procent is. Dit zijn de uitkomsten volgens de vernieuwde aiq. Behalve de aiq berekent het CBS ook de loonquote. De loonquote betreft alleen het arbeidsinkomen van werknemers.

De afgelopen twintig jaar bereikte de aiq de hoogste stand in 2003 (78,2 procent) en daalde daarna naar 72,9 procent in 2007. Aan deze daling kwam in de jaren 2008–2009 een einde. Daarbij speelt een rol dat de economie in 2009 fors kromp. Hierdoor vielen de bedrijfswinsten sterk terug en werd het relatieve aandeel van de arbeidsinkomsten dus groter. In de periode van economisch herstel vanaf 2014 herstelden de bedrijfswinsten en liep de aiq weer terug. In 2018 was de aiq vrijwel gelijk aan het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar.

StatLine: Arbeidsinkomensquote.

Lonen van mannen en vrouwen

In 2018 was het gemiddelde jaarloon inclusief bijzondere beloningen van vrouwen 38 procent lager dan dat van mannen. Twee derde van dit loonverschil komt doordat vrouwen minder uren werken. Mannen werken gemiddeld 33 uur per week, vrouwen 24 uur. Het verschil in uurlonen is dus veel kleiner: het gemiddelde uurloon van vrouwen was 15 procent lager dan dat van mannen. Voor een deel is dit verschil in uurlonen het gevolg van een andere samenstelling van de groepen mannen en vrouwen: de gemiddelde leeftijd van mannelijke werknemers is iets hoger. Omdat ouderen gemiddeld meer verdienen dan jongeren, is het gemiddelde loon van mannen hoger dan dat van vrouwen. Sowieso geldt dat mannen en vrouwen vaak niet hetzelfde werk doen, waardoor de gemiddelde lonen van mannen en vrouwen niet goed met elkaar te vergelijken zijn.

Opvallend is dat het gemiddelde uurloon van jonge mannen en vrouwen weinig verschilt. Bij vrouwen van 25 tot 30 jaar is dat zelfs iets hoger dan bij mannen uit dezelfde leeftijdsgroep. In de leeftijdsgroep van 30 tot 35 jaar is het verschil nog maar 1 procent. Hoe ouder de werknemer, des te groter het loonverschil tussen mannen en vrouwen. Bij 50‑plussers is het uurloon van vrouwen gemiddeld vier vijfde van dat van mannen. In de loop van de tijd is het gemiddelde verschil in uurlonen steeds kleiner geworden. Hierbij speelt een rol dat vrouwelijke werknemers tegenwoordig hoger opgeleid zijn dan mannelijke. Onder de werknemers tot 45 jaar zijn er meer hoogopgeleide vrouwen dan hoogopgeleide mannen. Voor de 45‑plussers geldt het tegenovergestelde. Tien jaar geleden lag die grens nog bij 35 jaar (zie ook StatLine: Verschil bruto uurlonen mannen en vrouwen en Werknemers naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau). Mede als gevolg hiervan is het verschil in de gemiddelde uurlonen van mannen en vrouwen in tien jaar tijd teruggelopen van 20 procent naar 15 procent.

StatLine: Brutolonen en arbeidsduur van werknemers.

StatLine: Brutolonen en arbeidsduur van werknemers.

StatLine: Brutolonen en arbeidsduur van werknemers.

StatLine: Brutolonen en arbeidsduur van werknemers.

Aantal minimumloners

In Nederland is wettelijk vastgelegd hoeveel een bedrijf minimaal moet betalen aan zijn werknemers. In januari 2019 bedroeg het bruto wettelijk minimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder bij een volledig dienstverband 1 615,80 euro per maand. Doordat veel werknemers een deeltijdbaan hebben, verdienen zij een loon dat lager is dan dit bedrag. Daarnaast gelden voor jongeren lagere minimumloonbedragen dan voor volwas­senen. Zo bedraagt het minimumjeugdloon van een 17‑jarige 39,5 pro­cent van het wettelijk minimumloon van volwassenen. Bij het tellen van het aantal minimumloners wordt hiermee rekening gehouden. Voor deeltijdbanen wordt een vergelijking gemaakt naar evenredigheid van de arbeidsduur van de baan. Overwerkloon en eenmalige beloningen tellen hierbij niet mee.

In 2017 werden ruim een half miljoen banen van werknemers tegen maximaal het minimumloon per uur betaald. Dat is 6,3 procent van alle werknemersbanen. In nog eens 7 procent van alle werknemersbanen wordt maximaal 10 procent boven het minimumloon betaald.

Meer vrouwen dan mannen zijn minimumloner. Bekeken naar leeftijd is de helft van alle minimumloners jonger dan 25 jaar. Ook 65‑plussers werken relatief vaak tegen maximaal het minimumloon. De gemiddelde minimumloner is veel jonger dan de gemiddelde werknemer: 1 op de 6 jongeren verdient het minimumloon. Van alle vrouwelijke werknemers verdient 6,3 procent het minimumloon, bij de mannelijke werknemers is dat 5,9 procent.

Van de werknemers die 35 uur of meer per week werken, verdient bijna 4 procent het minimumloon. Hoe korter werknemers werken, hoe hoger het percentage minimumloners. Van de werknemers die 30 tot 35 uur per week werken is dat 6 procent, van degenen die korter dan 12 uur per week werken 13 procent. Van alle minimumloners heeft slechts een kwart een voltijdbaan.

Per bedrijfstak bezien is het percentage minimumloners het hoogst in de zakelijke dienstverlening (11 procent) en de horeca (11 procent). Absoluut gezien werken de meesten in de bedrijfstakken zakelijke dienstverlening (171 duizend, waaronder 102 duizend uitzendkrachten), de handel (90 dui­zend) en de zorg (59 duizend, inclusief 37 duizend stageplekken). In deze drie bedrijfstakken zijn 2 op de 3 minimumloners te vinden.

In juli 2017 is het minimumjeugdloon van 22‑jarigen opgetrokken van 85 procent naar 100 procent van het wettelijk minimumloon. Vanaf juli 2019 gaan ook de minimumjeugdlonen voor 21‑jarigen naar 100 procent. Tot en met juni 2017 hadden zij nog recht op 72,5 procent van het minimumloon voor volwassenen. Voor de hand ligt dat hierdoor het aantal jongeren dat het minimumloon verdient toeneemt. Terwijl van 2016 op 2017 in alle andere leeftijdsgroepen het aantal minimumloners afnam, steeg het aantal minimumloners bij de werknemers van 20, 21 en 22 jaar. Hierdoor waren er in 2017 gemiddeld 31 duizend 20‑jarigen, 33 duizend 21‑jarigen en 36 duizend 22‑jarigen die hooguit het minimum(jeugd)loon verdienden.

StatLine: Aantal minimumloners.

Topverdieners

In 2018 hadden 210 duizend werknemers een baan met een brutojaarloon van minstens 100 duizend euro. Dat is 2,5 procent van alle banen van werknemers. In 2010 waren er maar 133 duizend werknemersbanen waarin minstens een ton werd verdiend.

In totaal telde Nederland 8,3 miljoen werknemersbanen in 2018. Het gemiddelde jaarloon bedroeg 34,6 duizend euro. Dit is inclusief bijzondere beloningen zoals eindejaarsuitkeringen, prestatiebeloningen en andere bonussen. In vergelijking met 2010 is het gemiddeld jaarloon met bijna 12 procent toegenomen, terwijl de stijging van de consumentenprijzen 13 procent bedroeg.

Voor 4,6 miljoen banen van werknemers kwam het jaarloon uit op minder dan 30 duizend euro. Dit is 55 procent van alle werknemersbanen. Deze categorie omvat veel deeltijdbanen. In 1 op de 3 banen lag het verdiende loon tussen 30 duizend en 60 duizend euro. Daarbovenuit kwamen 210 duizend banen met een loon van 100 duizend euro of meer. Hiervan lag het loon bij 24 duizend banen tussen 200 duizend en 400 duizend euro. Bij 5 duizend banen bedroeg het loon 400 duizend euro of meer.

De meeste banen met een loon van een ton of meer, zijn te vinden in de zakelijke dienstverlening (42 duizend), de industrie (32 duizend) en de financiële dienstverlening (30 duizend). Relatief gezien is het aandeel topverdieners het hoogst in de financiële dienstverlening, waar in 11 procent van de werknemersbanen minstens een ton wordt verdiend. Daarnaast ontvangen ook in de kleine bedrijfsklasse delfstoffenwinning relatief veel werknemers een hoog loon (bijna een kwart). Dit in tegenstelling tot de horeca, waar in slechts 0,2 procent van de werknemersbanen minstens een ton wordt verdiend.

In 2010 was 1 op de 10 werknemers met een loon van 100 duizend euro of meer vrouw, terwijl bijna de helft van alle werknemersbanen door vrouwen wordt bezet. Inmiddels is dat opgelopen tot 1 op de 6. De ondervertegenwoordiging van vrouwen onder topverdieners hangt samen met het feit dat de meeste vrouwen in deeltijd werken.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg

Henk-Jan Dirven

Willem Gielen

Redactie

Kees Groenenboom

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 2 september 2019

Door een correctie in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018, een van de bronnen voor deze publicatie, is in hoofdstuk 4 onder ‘Repeterende bewegingen meest voorkomende vorm fysieke arbeidsbelasting’ een wijziging doorgevoerd. Er stond dat 14 procent van alle werknemers aangeeft vaak of altijd gevaarlijk werk te doen. Dit moet zijn: 16 procent.

Ook de bijbehorende grafiek 4.1 is aangepast.