Foto omschrijving: Taalcafé helpt mensen die minder taalvaardig zijn de taal beter te beheersen

Huisvesting en integratie van statushouders

Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten richting integratie in de Nederlandse samenleving. Het richt zich op statushouders die tussen 2014 en de eerste helft van 2024 een verblijfsvergunning asiel kregen. De meeste statushouders begonnen hun verblijf in Nederland in de asielopvang. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en vallen, net als gezinsherenigers, onder de statushouders binnen dit onderzoek. In totaal kregen tussen 2014 en de eerste helft van 2024 ruim 280 duizend personen een verblijfsvergunning.

Er is onder andere gekeken naar de situatie van statushouders op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Ook komen een paar baankenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) aan bod net als de situatie op het gebied van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Aandelen worden steeds berekend op het totale aantal statushouders uit het originele cohort, inclusief eventuele statushouders die op het peilmoment inmiddels vertrokken of overleden zijn.

3.1Verblijfsvergunningen asiel

Aantal verleende vergunningen in 2023 lager dan jaar ervoor

In 2014 kregen bijna 20 duizend personen een verblijfsvergunning asiel. Dit aantal groeide tot bijna 37 duizend in 2016, en daalde daarna tot 15 duizend in 2019, het laagste aantal sinds 2014. Hierna steeg het aantal verblijfsvergunningen tot bijna 33 duizend in 2022 en bijna 31 duizend in 2023. In de eerste helft van 2024 ontvingen 22 duizend asielzoekers een verblijfsvergunning. De grootste groep waren statushouders van Syrische nationaliteit (63 procent), gevolgd door Jemenitische nationaliteit (5 procent). Gekeken naar alle cohorten samen, bestaat de groep statushouders vooral uit Syriërs (56 procent) en Eritreeërs (13 procent).

3.1.1 Verleende vergunningen naar nationaliteit, cohortjaar 2014 tot en met eerste helft 2024
Vergunningscohort Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Jemen Somalië Overig/onbekend
Eerste helft 2024 14070 465 320 815 240 960 1175 385 3985
2023 17165 615 1055 1650 600 2425 2755 775 3585
2022 16770 750 2945 1715 1060 3280 1830 695 3735
2021 12460 630 3135 2205 1800 2070 1160 305 3730
2020 7990 475 475 2765 585 1825 1105 105 2170
2019 6560 350 475 3600 560 1075 685 135 2035
2018 6690 525 725 4135 605 420 285 265 2490
2017 16980 1310 940 4980 1020 375 235 265 2510
2016 26200 1330 750 5065 585 20 25 410 2295
2015 21645 550 540 6265 430 20 30 590 2710
2014 10445 705 600 3980 425 35 30 1375 2060

3.2Nationaliteiten

Top vijf nationaliteitennoot1 van statushouders verandert, maar Syrië blijft op plek één

In alle jaren hebben de meeste personen die een verblijfsvergunning asiel kregen de Syrische nationaliteit. In de periode 2014–2020 werd dit gevolgd door statushouders met de Eritrese nationaliteit. In 2021 stonden personen met Afghaanse nationaliteit op de tweede plaats, in 2022 ging het om personen met de Turkse nationaliteit. Vanaf 2023 staan personen met de Jemenitische nationaliteit op de tweede plaats.

3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2024
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 Eerste helft 2024
1 Syrië 10 445 Syrië 21 645 Syrië 26 200 Syrië 16 980 Syrië 6 690 Syrië 6 560 Syrië 7 990 Syrië 12 460 Syrië 16 770 Syrië 17 165 Syrië 14 070
2 Eritrea 3 980 Eritrea 6 265 Eritrea 5 065 Eritrea 4 980 Eritrea 4 135 Eritrea 3 600 Eritrea 2 765 Afghanistan 3 135 Turkije 3 280 Jemen 2 755 Jemen 1 175
3 Somalië 1 375 Somalië 590 Irak 1 330 Irak 1 310 Afghanistan 725 Turkije 1 075 Turkije 1 825 Eritrea 2 205 Afghanistan 2 945 Turkije 2 425 Turkije 960
4 Irak 705 Irak 550 Afghanistan 750 Iran 1 020 Iran 605 Jemen 685 Jemen 1 105 Turkije 2 070 Jemen 1 830 Eritrea 1 650 Eritrea 815
5 Afghanistan 600 Afghanistan 540 Iran 585 Afghanistan 940 Irak 525 Iran 560 Iran 585 Iran 1 800 Eritrea 1 715 Afghanistan 1 055 Irak 465

Bron:CBS.

3.3Nareis

Aantal nareizigers verandert laatste jaren weinig

Sinds 2014 heeft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) aan bijna 97 duizend nareizigers een vergunning verleend. Dit betreft alleen personen die een status krijgen via de nareisregeling. Twee derde van deze groep zijn nareizigers uit Syrië. Het aandeel nareizigers in het totaal aantal verleende vergunningen verschilt sterk per nationaliteit. Zo was 47 procent van de verleende vergunningen aan Irakezen in de eerste helft van 2024 een nareiziger en onder Eritreeërs was dat 12 procent. Over alle cohorten heen, komen uit Somalië in verhouding de meeste nareizigers. Het aandeel nareiziger onder de groep Somaliërs is 45 procent. Onder de groep Afghanen en Iraniërs vallen de minste nareizigers, 11 en 12 procent respectievelijk.

Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. In 2017 was meer dan de helft van de nieuwe statushouders een nareiziger (51 procent). Daarna nam dat af tot 22 procent in 2020. In 2021 nam de groep nareizigers onder de statushouders weer toe (37 procent), maar daalde daarna weer tot 26 procent in het eerste halfjaar van 2024. In absolute aantallen veranderde het aantal verleende vergunningen aan nareizigers van 2021 tot 2023 niet zo veel, met ruim 10 duizend per jaar.

3.3.1 Verleende vergunningen uitgesplitst naar wel/geen nareis* en nationaliteit**, 2014 tot en met eerste helft 2024, Totaal
Vergunningscohort Geen nareis, Totaal Wel nareis, Totaal
2014 14300 5350
2015 19290 13495
2016 24965 11710
2017 14140 14485
2018 9700 6450
2019 11305 4175
2020 13640 3860
2021 17380 10110
2022 21815 10970
2023 20445 10180
Eerste helft 2024 16505 5920
* De onderste (helder gekleurde) balken betreffen niet-nareizigers, de bovenste (donkerdere) balken betreffen nareizigers.
** Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

3.4Nareis en (reguliere) gezinshereniging

Meer nareis na twee-en-een-half jaar voor recente cohorten dan voor 2017–2019

Van alle statushouders tussen 2014 en 2021 (exclusief nareizigers) liet 18 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 8 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis (Cleton et al., 2017). De percentages van nareis en gezinshereniging zijn het laagst in cohorten 2017, 2018 en 2019. In deze cohorten ligt het aandeel dat familieleden liet overkomen via de nareisregeling tussen 8 en 12 procent en via reguliere gezinshereniging tussen 5 en 6 procent. Bij de statushouders uit cohort 2020 en cohort 2021 ligt dit hoger. Bij 10 procent van de statushouders vindt een gezinsuitbreiding plaats in de vorm van de geboorte van een kind in Nederland. Bij de meeste statushouders (62 procent) veranderde de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na krijgen van de vergunning.

3.4.1 Gezinsvorming- en hereniging onder statushouders (exclusief nareizigers) naar vergunningscohort, 30 maanden na verkrijgen vergunning (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Overleden²⁾ -0,2 -0,2 -0,2 -0,3 -0,2 -0,2 -0,2 -0,1
Vertrokken -1,9 -3,5 -2,5 -3,8 -3,3 -1,6 -1,9 -4,0
Geboorte kind in Nederland 14,5 13,9 11,9 10,2 7,8 7,7 10,1 9,4
Overige gezinshereniging/ vorming¹⁾ 13,9 12,8 9,7 6,4 5,2 4,8 6,9 6,8
Nareizigers 23,6 29,9 24,5 8,4 8,9 11,6 21,7 18,7
Geen wijziging in gezinssituatie 63,1 57,5 64,0 77,9 80,6 80,0 69,2 69,1
¹⁾ door immigratie partner/kinderen²⁾ Aantallen zijn zeer laag en daarom niet zichtbaar in de figuur

Aandeel nareizigers bij amv’s stijgt vanaf 2018

Van alle amv’s met een verleende vergunning liet 39 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 13 procent via reguliere gezinshereniging. In cohorten 2014 en 2017 liet minder dan een derde van statushouders onder de amv’s familieleden komen via de nareisregeling. In cohort 2016 en 2021 was dit meer dan de helft. In absolute aantallen lieten amv's uit vergunningscohort 2016 het vaakst familieleden via de nareisregeling en de reguliere gezinshereniging komen (respectievelijk 1 300 en 350). In 2021 was dit aantal twee keer zo klein. Van alle amv’s veranderde voor 43 procent de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na het verlenen van de vergunning. Alleen voor cohort 2020 en 2021 ligt dit aandeel onder 40 procent.

3.4.2 Gezinsvorming- en hereniging onder alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar vergunningscohort, 30 maanden na verkrijgen vergunning (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Overleden¹⁾ . . . . . . . .
Vertrokken -1,5 -3,4 -1,0 -5,1 -5,9 -2,7 -2,5 -2,5
Geboorte kind in Nederland 4,6 3,1 2,4 4,3 3,0 4,1 3,3 2,9
Overige gezinshereniging/ vorming²⁾ 23,0 14,2 14,1 11,1 10,9 9,6 14,9 11,9
Nareizigers 26,5 43,8 51,0 28,2 34,7 38,4 48,8 54,9
Geen wijziging in gezinssituatie 59,7 45,9 42,4 60,3 52,5 52,7 39,7 37,3
¹⁾ De gegevens zijn niet zichtbaar vanwege onderdrukking van kleine aantallen²⁾ door immigratie partner/kinderen

3.5Wachttijd tot vergunning

Gemiddelde wachttijd langer in 2020 en 2021

Gemiddeld, over alle vergunningscohorten, wachtten statushouders 195 dagen op een verblijfsvergunning. Het gaat dan om de tijd vanaf het moment dat ze voor het eerst in een COA-opvanglocatie kwamen tot het moment dat ze een vergunning kregen. Dit is opnieuw een toename vergeleken met de gemiddelde wachttijd die in de vorige rapportage werd geregistreerd, die was namelijk 175 dagen.

Asielzoekers met de Eritrese en Syrische nationaliteitnoot2 kregen in verhouding snel een verblijfs­vergunning (gemiddeld na 122 en 125 dagen). Personen met de Afghaanse en Irakese nationaliteit wachtten gemiddeld 397 en 392 dagen. Voor asielzoekers uit Iran was de gemiddelde wachttijd het langst met 667 dagen (21 maanden). Terwijl een grote groep van de Syriërs (42 procent) bestaat uit nareizigers, is dit niet het geval voor Iraniërs (12 procent) en Afghanen (11 procent). Deze laatste twee groepen bestaan voor een groot deel uit initiële asielaanvragers (de groep die in Nederland een eerste of volgende asielaanvraag doet). Nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij COA instromen, initiële aanvragers moeten daar nog op wachten. Nareizigers hebben daarom gemiddeld een kortere wachttijd. Zo wachten initiële aanvragers en gezinsherenigers gemiddeld respectievelijk 316 en 369 dagen, terwijl nareizigers 8 dagen wachten.

3.5.1 Wachttijd (in dagen) tot verkrijgen vergunning voor statushouders naar nationaliteit* en vergunningscohort, Totaal (dagen)
2014, Totaal 2014, Totaal 2015, Totaal 2016, Totaal 2017, Totaal 2018, Totaal 2019, Totaal 2020, Totaal 2021, Totaal 2022, Totaal 2023, Totaal Eerste helft 2024, Totaal
Vergunningscohort 110 79 139 106 137 213 282 264 242 307 361
* Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit.

3.6Vestigingsgemeente

Weinig regionale verschillen

Tussen 2014 en de eerste helft van 2024 ontvingen 280 duizend personen een verblijfs­vergunning. Bijna 249 duizend van hen wonen in de tussentijd zelfstandig en dus niet meer in de asielopvang van het COA. Twee jaar nadat ze uit de opvang van het COA zijn vertrokken, wonen statushouders verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein.

3.6.1 Aantal statushouders per 10 duizend inwoners, twee maanden na verlaten van COA-opvang, cohort 2021
Gemeentenaam Aantal statushouders per 10 000 inwoners
Groningen 13,7
Almere 14,3
Stadskanaal 18,4
Veendam 13,0
Zeewolde 23,2
Achtkarspelen 12,8
Ameland .
Harlingen 12,4
Heerenveen 13,2
Leeuwarden 15,0
Ooststellingwerf 25,5
Opsterland 20,3
Schiermonnikoog .
Smallingerland 22,3
Terschelling .
Vlieland .
Weststellingwerf 9,8
Assen 17,9
Coevorden 19,6
Emmen 14,1
Hoogeveen 16,1
Meppel 13,8
Almelo 12,4
Borne 13,5
Dalfsen 13,5
Deventer 10,4
Enschede 15,0
Haaksbergen 13,5
Hardenberg 15,5
Hellendoorn 11,3
Hengelo 15,9
Kampen 9,2
Losser 22,3
Noordoostpolder 14,9
Oldenzaal 19,1
Ommen 17,4
Raalte 18,2
Staphorst 9,1
Tubbergen 13,1
Urk 16,5
Wierden 7,2
Zwolle 13,4
Aalten 18,7
Apeldoorn 10,2
Arnhem 9,8
Barneveld 14,1
Beuningen 12,8
Brummen 17,5
Buren 17,7
Culemborg 12,4
Doesburg 11,7
Doetinchem 11,5
Druten 20,0
Duiven 16,0
Ede 11,2
Elburg 18,7
Epe 13,2
Ermelo 18,2
Harderwijk 13,9
Hattem 11,1
Heerde 23,9
Heumen 16,6
Lochem 14,6
Maasdriel 15,0
Nijkerk 17,3
Nijmegen 12,1
Oldebroek 17,7
Putten 10,4
Renkum 15,6
Rheden 13,5
Rozendaal .
Scherpenzeel 22,1
Tiel 17,6
Voorst 15,9
Wageningen 11,5
Westervoort 19,2
Winterswijk 19,5
Wijchen 15,6
Zaltbommel 14,8
Zevenaar 16,4
Zutphen 17,9
Nunspeet 14,3
Dronten 14,0
Amersfoort 13,9
Baarn 15,6
De Bilt 14,8
Bunnik 18,1
Bunschoten 9,3
Eemnes 14,6
Houten 15,0
Leusden 12,1
Lopik 15,0
Montfoort 19,4
Renswoude 24,4
Rhenen 21,6
Soest 17,3
Utrecht 16,3
Veenendaal 14,0
Woudenberg 23,0
Wijk bij Duurstede 17,5
IJsselstein 11,9
Zeist 21,3
Nieuwegein 17,7
Aalsmeer 16,3
Alkmaar 23,7
Amstelveen 15,7
Amsterdam 13,7
Bergen (NH.) 12,9
Beverwijk 17,8
Blaricum 20,0
Bloemendaal 23,8
Castricum 10,2
Diemen 18,0
Edam-Volendam 16,3
Enkhuizen 7,4
Haarlem 15,7
Haarlemmermeer 13,7
Heemskerk 20,0
Heemstede 22,3
Heiloo 17,3
Den Helder 17,7
Hilversum 15,6
Hoorn 11,4
Huizen 17,0
Landsmeer 16,2
Laren 16,2
Medemblik 12,4
Oostzaan 12,3
Opmeer 14,0
Ouder-Amstel 14,0
Purmerend 13,6
Schagen 13,3
Texel 20,0
Uitgeest 17,1
Uithoorn 15,3
Velsen 14,4
Zandvoort 16,5
Zaanstad 15,0
Alblasserdam 9,8
Alphen aan den Rijn 11,9
Barendrecht 9,4
Drechterland 10,8
Capelle aan den IJssel 11,3
Delft 10,9
Dordrecht 15,6
Gorinchem 11,4
Gouda 15,3
's-Gravenhage 15,6
Hardinxveld-Giessendam 12,8
Hendrik-Ido-Ambacht 15,5
Stede Broec 13,1
Hillegom 12,5
Katwijk 14,9
Krimpen aan den IJssel 14,6
Leiden 13,8
Leiderdorp 13,7
Lisse 12,8
Maassluis 12,5
Nieuwkoop 14,6
Noordwijk 19,5
Oegstgeest 11,7
Oudewater 14,7
Papendrecht 8,7
Ridderkerk 16,0
Rotterdam 15,6
Rijswijk 11,7
Schiedam 15,3
Sliedrecht 14,5
Albrandswaard 9,9
Vlaardingen 16,1
Voorschoten 13,6
Waddinxveen 22,4
Wassenaar 13,3
Woerden 18,0
Zoetermeer 14,3
Zoeterwoude 13,8
Zwijndrecht 19,8
Borsele 16,4
Goes 16,2
West Maas en Waal 11,0
Hulst 20,3
Kapelle 25,3
Middelburg 16,2
Reimerswaal 17,2
Terneuzen 14,4
Tholen 12,7
Veere 17,2
Vlissingen 15,9
De Ronde Venen 16,5
Tytsjerksteradiel 16,4
Asten 25,5
Baarle-Nassau 21,2
Bergen op Zoom 18,2
Best 20,1
Boekel 21,5
Boxtel 13,6
Breda 13,1
Deurne 15,5
Pekela 10,5
Dongen 14,3
Eersel 14,5
Eindhoven 13,0
Etten-Leur 13,2
Geertruidenberg 17,2
Gilze en Rijen 28,3
Goirle 15,3
Helmond 15,0
's-Hertogenbosch 16,3
Heusden 16,8
Hilvarenbeek 18,8
Loon op Zand 19,3
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 20,4
Oirschot 14,6
Oisterwijk 18,5
Oosterhout 10,8
Oss 15,0
Rucphen 9,3
Sint-Michielsgestel 18,3
Someren 19,9
Son en Breugel 19,4
Steenbergen 19,5
Waterland 14,2
Tilburg 9,7
Valkenswaard 14,3
Veldhoven 13,6
Vught 12,1
Waalre 8,9
Waalwijk 6,8
Woensdrecht 17,6
Zundert 11,5
Wormerland 14,4
Landgraaf 16,4
Beek 16,7
Beesel 12,6
Bergen (L.) 14,5
Brunssum 9,8
Gennep 16,3
Heerlen 15,0
Kerkrade 16,7
Maastricht 16,5
Meerssen 15,6
Mook en Middelaar .
Nederweert 16,0
Roermond 15,0
Simpelveld .
Stein 17,8
Vaals 20,6
Venlo 12,5
Venray 18,8
Voerendaal 13,7
Weert 13,8
Valkenburg aan de Geul 9,1
Lelystad 22,9
Horst aan de Maas 14,4
Oude IJsselstreek 15,7
Teylingen 18,7
Utrechtse Heuvelrug 12,9
Oost Gelre 18,4
Koggenland 20,0
Lansingerland 12,8
Leudal 5,8
Maasgouw 13,6
Gemert-Bakel 15,6
Halderberge 17,4
Heeze-Leende 21,1
Laarbeek 15,9
Reusel-De Mierden 22,2
Roerdalen 14,5
Roosendaal 15,1
Schouwen-Duiveland 16,8
Aa en Hunze 16,7
Borger-Odoorn 17,4
De Wolden 13,0
Noord-Beveland 15,3
Wijdemeren 16,2
Noordenveld 11,7
Twenterand 8,3
Westerveld 15,1
Lingewaard 12,1
Cranendonck 22,5
Steenwijkerland 15,4
Moerdijk 12,7
Echt-Susteren 16,9
Sluis 16,3
Drimmelen 15,0
Bernheze 17,7
Alphen-Chaam 15,3
Bergeijk 22,0
Bladel 15,2
Gulpen-Wittem 21,1
Tynaarlo 11,0
Midden-Drenthe 13,8
Overbetuwe 12,5
Hof van Twente 10,7
Neder-Betuwe 15,3
Rijssen-Holten 14,3
Geldrop-Mierlo 15,1
Olst-Wijhe 15,5
Dinkelland 20,6
Westland 14,5
Midden-Delfland 23,1
Berkelland 14,1
Bronckhorst 16,8
Sittard-Geleen 16,5
Kaag en Braassem 12,6
Dantumadiel 18,2
Zuidplas 16,8
Peel en Maas 13,9
Oldambt 8,2
Zwartewaterland 19,3
Súdwest-Fryslân 17,3
Bodegraven-Reeuwijk 17,1
Eijsden-Margraten 12,3
Stichtse Vecht 16,3
Hollands Kroon 13,4
Leidschendam-Voorburg 14,7
Goeree-Overflakkee 14,5
Pijnacker-Nootdorp 12,0
Nissewaard 15,8
Krimpenerwaard 18,5
De Fryske Marren 11,3
Gooise Meren 13,4
Berg en Dal 18,1
Meierijstad 14,2
Waadhoeke 16,7
Westerwolde 49,7
Midden-Groningen 12,5
Beekdaelen 13,6
Montferland 20,1
Altena 13,2
West Betuwe 16,5
Vijfheerenlanden 16,2
Hoeksche Waard 16,9
Het Hogeland 19,0
Westerkwartier 12,8
Noardeast-Fryslân 16,8
Molenlanden 16,2
Eemsdelta 9,9
Dijk en Waard 13,1
Land van Cuijk 16,3
Maashorst 15,3
Voorne aan Zee 16,8
3.6.2 Aantal statushouders per 10 duizend inwoners, 24 maanden na verlaten van COA-opvang, cohort 2021
Gemeentenaam Aantal statushouders per 10 000 inwoners
Groningen 13,3
Almere 9,6
Stadskanaal 16,8
Veendam 13,4
Zeewolde 18,1
Achtkarspelen 11,0
Ameland .
Harlingen 12,4
Heerenveen 13,0
Leeuwarden 12,8
Ooststellingwerf 22,4
Opsterland 20,3
Schiermonnikoog .
Smallingerland 18,9
Terschelling .
Vlieland .
Weststellingwerf 8,3
Assen 16,7
Coevorden 18,5
Emmen 12,7
Hoogeveen 14,2
Meppel 13,3
Almelo 11,9
Borne 12,2
Dalfsen 8,4
Deventer 8,0
Enschede 14,9
Haaksbergen 12,7
Hardenberg 14,7
Hellendoorn 8,5
Hengelo 14,8
Kampen 7,0
Losser 16,3
Noordoostpolder 12,1
Oldenzaal 15,0
Ommen 16,4
Raalte 16,1
Staphorst .
Tubbergen 10,3
Urk 14,2
Wierden 6,4
Zwolle 13,3
Aalten 19,5
Apeldoorn 9,2
Arnhem 9,2
Barneveld 12,7
Beuningen 12,8
Brummen 12,3
Buren 14,4
Culemborg 9,8
Doesburg .
Doetinchem 7,8
Druten 17,4
Duiven 13,2
Ede 10,8
Elburg 18,3
Epe 11,7
Ermelo 16,7
Harderwijk 11,0
Hattem .
Heerde 17,7
Heumen 13,7
Lochem 12,2
Maasdriel 6,5
Nijkerk 16,7
Nijmegen 12,4
Oldebroek 12,8
Putten 8,0
Renkum 12,4
Rheden 9,2
Rozendaal .
Scherpenzeel 14,4
Tiel 15,7
Voorst 13,1
Wageningen 11,7
Westervoort 13,9
Winterswijk 16,1
Wijchen 15,9
Zaltbommel 9,2
Zevenaar 14,4
Zutphen 15,5
Nunspeet 12,5
Dronten 10,3
Amersfoort 11,4
Baarn 15,2
De Bilt 13,2
Bunnik 15,6
Bunschoten 8,4
Eemnes 11,5
Houten 11,9
Leusden 9,9
Lopik 11,6
Montfoort 11,5
Renswoude 20,9
Rhenen 17,2
Soest 12,2
Utrecht 11,6
Veenendaal 13,7
Woudenberg 17,4
Wijk bij Duurstede 12,9
IJsselstein 10,2
Zeist 13,2
Nieuwegein 15,3
Aalsmeer 16,0
Alkmaar 23,2
Amstelveen 15,9
Amsterdam 10,5
Bergen (NH.) 13,3
Beverwijk 17,6
Blaricum 11,2
Bloemendaal 18,4
Castricum 11,8
Diemen 18,3
Edam-Volendam 7,9
Enkhuizen .
Haarlem 14,5
Haarlemmermeer 10,8
Heemskerk 18,5
Heemstede 19,1
Heiloo 12,3
Den Helder 14,3
Hilversum 15,2
Hoorn 10,0
Huizen 16,7
Landsmeer 16,2
Laren 11,1
Medemblik 10,0
Oostzaan 13,4
Opmeer 12,3
Ouder-Amstel 14,7
Purmerend 12,2
Schagen 13,5
Texel 16,5
Uitgeest 15,6
Uithoorn 15,3
Velsen 14,1
Zandvoort 14,8
Zaanstad 15,2
Alblasserdam 9,3
Alphen aan den Rijn 11,4
Barendrecht 5,5
Drechterland 10,3
Capelle aan den IJssel 12,7
Delft 11,9
Dordrecht 15,6
Gorinchem 10,9
Gouda 14,6
's-Gravenhage 13,9
Hardinxveld-Giessendam 13,4
Hendrik-Ido-Ambacht 14,0
Stede Broec 13,1
Hillegom 12,5
Katwijk 15,2
Krimpen aan den IJssel 16,3
Leiden 12,8
Leiderdorp 13,7
Lisse 11,1
Maassluis 12,2
Nieuwkoop 12,9
Noordwijk 17,3
Oegstgeest 10,5
Oudewater 12,7
Papendrecht 7,7
Ridderkerk 15,0
Rotterdam 14,6
Rijswijk 10,0
Schiedam 14,1
Sliedrecht 15,3
Albrandswaard 8,7
Vlaardingen 16,0
Voorschoten 9,0
Waddinxveen 19,6
Wassenaar 11,8
Woerden 16,0
Zoetermeer 11,4
Zoeterwoude 13,8
Zwijndrecht 18,2
Borsele 14,2
Goes 17,5
West Maas en Waal 11,0
Hulst 15,2
Kapelle 18,4
Middelburg 14,8
Reimerswaal 15,5
Terneuzen 14,5
Tholen 9,7
Veere 11,8
Vlissingen 16,4
De Ronde Venen 15,6
Tytsjerksteradiel 12,7
Asten 23,8
Baarle-Nassau 21,2
Bergen op Zoom 14,5
Best 14,6
Boekel 19,7
Boxtel 13,6
Breda 10,1
Deurne 15,2
Pekela 8,1
Dongen 14,3
Eersel 14,0
Eindhoven 13,7
Etten-Leur 13,0
Geertruidenberg 16,3
Gilze en Rijen 17,5
Goirle 10,8
Helmond 15,4
's-Hertogenbosch 15,9
Heusden 14,8
Hilvarenbeek 15,7
Loon op Zand 16,0
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 19,6
Oirschot 13,0
Oisterwijk 12,1
Oosterhout 10,1
Oss 14,3
Rucphen 6,8
Sint-Michielsgestel 14,9
Someren 18,4
Son en Breugel 12,2
Steenbergen 20,7
Waterland 14,8
Tilburg 10,7
Valkenswaard 12,7
Veldhoven 12,7
Vught 10,6
Waalre 7,8
Waalwijk 7,6
Woensdrecht 14,9
Zundert 7,5
Wormerland 14,4
Landgraaf 11,6
Beek 14,3
Beesel 8,9
Bergen (L.) 10,7
Brunssum 7,6
Gennep 15,8
Heerlen 14,7
Kerkrade 15,1
Maastricht 12,8
Meerssen 12,9
Mook en Middelaar .
Nederweert 14,3
Roermond 13,5
Simpelveld .
Stein 15,3
Vaals 18,6
Venlo 12,4
Venray 18,4
Voerendaal 9,7
Weert 13,2
Valkenburg aan de Geul 7,9
Lelystad 21,8
Horst aan de Maas 13,1
Oude IJsselstreek 14,6
Teylingen 16,9
Utrechtse Heuvelrug 11,3
Oost Gelre 14,4
Koggenland 19,1
Lansingerland 11,7
Leudal 4,2
Maasgouw 12,3
Gemert-Bakel 15,0
Halderberge 17,1
Heeze-Leende 18,6
Laarbeek 13,3
Reusel-De Mierden 17,0
Roerdalen 10,6
Roosendaal 11,1
Schouwen-Duiveland 13,3
Aa en Hunze 9,7
Borger-Odoorn 13,9
De Wolden 13,8
Noord-Beveland .
Wijdemeren 15,0
Noordenveld 10,4
Twenterand 6,8
Westerveld 13,1
Lingewaard 6,1
Cranendonck 17,3
Steenwijkerland 12,1
Moerdijk 11,7
Echt-Susteren 14,1
Sluis 15,5
Drimmelen 12,1
Bernheze 15,8
Alphen-Chaam 15,3
Bergeijk 18,9
Bladel 15,2
Gulpen-Wittem 14,8
Tynaarlo 7,8
Midden-Drenthe 11,2
Overbetuwe 10,7
Hof van Twente 9,0
Neder-Betuwe 13,8
Rijssen-Holten 10,1
Geldrop-Mierlo 11,4
Olst-Wijhe 14,5
Dinkelland 17,2
Westland 12,1
Midden-Delfland 12,3
Berkelland 12,9
Bronckhorst 16,3
Sittard-Geleen 13,6
Kaag en Braassem 9,1
Dantumadiel 16,2
Zuidplas 14,3
Peel en Maas 12,8
Oldambt 4,1
Zwartewaterland 12,8
Súdwest-Fryslân 15,1
Bodegraven-Reeuwijk 11,0
Eijsden-Margraten 5,8
Stichtse Vecht 12,8
Hollands Kroon 13,4
Leidschendam-Voorburg 10,9
Goeree-Overflakkee 12,2
Pijnacker-Nootdorp 10,1
Nissewaard 14,7
Krimpenerwaard 17,5
De Fryske Marren 8,1
Gooise Meren 12,4
Berg en Dal 10,4
Meierijstad 13,4
Waadhoeke 16,3
Westerwolde 15,1
Midden-Groningen 11,4
Beekdaelen 12,2
Montferland 18,7
Altena 13,2
West Betuwe 14,0
Vijfheerenlanden 13,3
Hoeksche Waard 11,5
Het Hogeland 14,5
Westerkwartier 12,3
Noardeast-Fryslân 14,4
Molenlanden 11,7
Eemsdelta 7,3
Dijk en Waard 9,7
Land van Cuijk 14,5
Maashorst 14,3
Voorne aan Zee 15,1

Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker

Statushouders wonen als ze langer in Nederland verblijven steeds vaker in stedelijke gebieden. Van het cohort 2014 woonde twee maanden na verlaten van de COA-opvang 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied. Na 108 maanden (negen jaar) is dat 61 procent. Cohort 2015 laat een vergelijkbare stijging zien: van 55 procent na twee maanden naar 62 procent na 96 maanden (acht jaar). Ook de andere cohorten zijn in de loop van de tijd iets stedelijker gaan wonen. Ter vergelijking: in 2015 woonde 48 procent van alle Nederlanders in een sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied, in 2024 was dat 50 procent. noot3

Deze stijging in het wonen in stedelijk gebied betekent niet altijd dat statushouders ook echt naar een verstedelijkt gebied zijn verhuisd. Door gemeentelijke herindelingen kan een gemeente in een andere categorie vallen waardoor de inwoners van die gemeente ‘automatisch’ in een ander stedelijkheidsgebied terechtkomen.

3.6.3 Aandeel statushouders dat (zeer) sterk stedelijk woont, naar vergunningscohort en aantal maanden na verlaten COA-opvang (%)
Vergunningscohort 2 12 24 36 48 60 72 84 96 108
2014 53,4 54,1 55,0 56,7 57,9 58,8 59,7 60,6 60,9 60,9
2015 55,2 56,5 57,6 58,6 59,5 60,1 60,8 61,4 62,2 .

Statushouders wonen vooral in huurwoningen

De 280 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2024 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2024 104 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2024 het overgrote deel (93 procent) van de huishoudens in een huurwoning. Ongeveer 5 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend (2 procent). Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde woningen in 2024 was een huurwoning en 58 procent een eigen woning.noot4 Er zijn verschillen tussen nationaliteiten: 11 procent van Afghanen van cohort 2014 woont in een eigen woning in 2023 en 2024, terwijl dit percentage bij Eritreeërs onder de 2 procent is. Uit cohort 2015 en 2016 hebben Iraniërs het vaakst een eigen woning (respectievelijk 15 en 12 procent) op 1 juli 2024. Van cohort 2017 en 2018 hebben statushouders met een Turkse nationaliteit op dat moment het vaakst een eigen woning (respectievelijk 13 en 9 procent).

3.6.4 Aandeel huishoudens in eigen woning voor vergunningscohort 2014 per nationaliteit* (%)
Meetmoment Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Jemen Somalië Overig/onbekend
2015 0,6 . . . . . . . 1,3
2016 0,6 . 2,8 . . . . . 1,2
2017 0,6 . 2,8 . . . . . 2,0
2018 1,0 . 4,2 0,4 . . . . 2,0
2019 1,6 3,8 4,1 0,4 . . . 2,2 2,4
2020 2,1 3,7 6,8 0,6 5,1 . . 1,4 3,6
2021 2,9 6,0 6,9 0,7 6,8 . . 1,4 4,4
2022 3,8 6,0 8,2 1,1 8,6 . . 2,1 6,1
2023 4,6 7,2 11,0 1,4 8,6 . . 1,4 7,0
2024 5,9 8,3 11,1 1,7 8,5 . . . 7,4
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

3.7Huishoudenssamenstelling

Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aandeel alleenstaanden neemt af

Vanaf vergunningscohort 2017 bestaat een groter deel van de statushouders uit thuiswonende kinderen. Dit percentage is 40 procent of meer in de tweede maand na het verlaten van de COA-opvang. Bij het vergunningscohort van 2014 was dit percentage, gemeten in de tweede maand buiten de asielopvang, 29 procent.

Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, was 38 procent twee maanden na uitstroom alleenstaand. Voor vergunningscohort 2023 was dit percentage 24 procent, en 10 procent in de eerste helft van 2024.

Er zijn verschillen tussen vrouwen en mannen in huishoudenssamenstelling. Voor de totale groep statushouders geldt dat 10 procent van de vrouwen alleenstaand is, tegenover 35 procent van de mannen. Vrouwen zijn vaker partner in paar met kinderen (28 tegen 15 procent) en ouder in eenouderhuishouden (6 tegen 1 procent).

3.7.1 Plaats in het huishouden van personen met verblijfsvergunning asiel, twee maanden na verlaten COA-opvang, naar vergunningscohort
Vergunningscohort Alleenstaande Thuiswonend kind Partner in paar met kinderen Partner in paar zonder kinderen Ouder in eenouderhuishouden Overig lid huishouden
Eerste helft 2024 445 2620 860 265 70 290
2023 5635 10155 4040 1565 605 1210
2022 7765 12075 6675 1670 815 1490
2021 5275 12000 5770 1600 805 1120
2020 4480 7120 3310 940 605 580
2019 2715 7785 2830 760 450 570
2018 2180 8095 3205 990 615 605
2017 3700 13460 7085 1570 840 1225
2016 10370 13000 6725 2545 1245 1910
2015 9880 10740 6315 2285 825 1855
2014 7325 5525 3730 1200 520 1105

3.8Onderwijs

Statushouders van recente vergunningscohorten volgen vaker onderwijs

Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vaker onderwijs (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo of wo). Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning, was dit gestegen naar 39 procent voor cohort 2014 en daalt vervolgens weer naar 31 procent op 1 oktober 2024. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit percentage hoger voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2019 is dit aandeel tussen de 49 en 53 procent.

Vooral jongeren tussen 18 en 22 jaar uit cohort 2014 volgen vaker onderwijs. In 2015 volgde 19 procent van hen onderwijs. Dit loopt op tot 86 procent op 1 oktober 2024. Ook in alle andere cohorten neemt deelname aan het onderwijs onder niet-leerplichtige jongeren toe over tijd.

Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten amv’s

Onder de amv’s laten de cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien. Zo volgde, op 1 oktober 2015, 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen onderwijs. Voor de overige cohorten ligt dat aandeel, het jaar na verkrijgen van de verblijfsvergunning, tussen de 72 en 80 procent. Alleen in cohort 2023 is dit aandeel 68 procent.

Toename mbo gestopt

Er zijn 2 360 personen die in cohort 2014 een verblijfsvergunning ontvingen en een onderwijsniveau vanaf voorgezet onderwijs hadden in 2015. Dit aantal stijgt tot 5 350 in 2024, wat vooral verklaard wordt door meer mbo-studenten. Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij namelijk vooral onderwijs op mbo-niveau. Van de onderwijsvolgende personen (vanaf het niveau voorgezet onderwijs) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, volgde ongeveer 12 procent mbo in 2015 (285 personen). In 2024 was dat 53 procent (ongeveer 2 830 personen).

3.8.1 Onderwijspositie vier jaar na verkrijgen vergunning, naar onderwijssoort, leeftijd en vergunningscohort*, 2014
Leeftijdsgroep Geen onderwijs, 2014 Basisonderwijs, 2014 Voortgezet onderwijs, 2014 Mbo, 2014 Hbo, 2014 Wo, 2014 Vertrokken/overleden, 2014
5 t/m 11 jaar 15 2510 . . . . 40
12 t/m 17 jaar 15 435 1375 170 . . 50
18 t/m 22 jaar 820 . 125 1150 60 25 70
23 jaar en ouder 10585 . 15 1085 225 115 395
* Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per cohort vanwege onderdrukking van cijfers.

Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding en vindt steeds vaker de weg naar hbo en wo

De grootste groep amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten voor gemiddeld 78 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s met een onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs het geval.

Steeds hoger mbo-niveau

Op het mbo volgen statushouders in de eerste jaren vooral een opleiding op niveau 1. Zo volgde 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die op 1 oktober 2015 een mbo-opleiding deden dit op niveau 1. In 2024 is dit nog 11 procent. De meeste statushouders in 2024 volgen een mbo-opleiding op niveau 4 (40 procent). De andere cohorten laten een vergelijkbaar beeld zien: een daling van niveau 1 en een stijging van de overige niveaus. Voor amv’s is een vergelijkbare ontwikkeling te zien.

3.9Inburgering

1 procent van de statushouders uit cohort 2014 nog inburgeringsplichtig met overschrijding

Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 28 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2024. De groep niet-inburgeringsplichtigen bestaat grotendeels uit kinderen tot 18 jaar of personen van 65 jaar of ouder. Zij hebben geen inburgeringsplicht. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Deze groep vormt de basis voor de cijfers in figuur 3.9.1 en figuur 3.9.2.

Een statushouder kan een ontheffing krijgen wanneer hij of zij een psychische, lichamelijke of verstandelijke beperking heeft. Ook als een statushouder met inburgeringsplicht kan bewijzen genoeg moeite te hebben gedaan om aan de inburgeringsvereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgeringsplicht mogelijk. Voor 26 procent van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet Inburgering 2013, geldt dat zij zo’n ontheffing hebben op 1 oktober 2024. Van dit cohort heeft 61 procent het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is 98 procent van de groep die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden. Een vrijstelling kan je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete. Minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen). Tot slot is 10 procent van de statushouders vertrokken of overleden en voor minder dan 0,5 procent van de statushouders geldt dat er wel een inburgeringsplicht is vastgesteld maar deze nog niet is ingegaan óf inmiddels is vervallen.

74 procent van de Iraniërs van cohort 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 heeft in oktober 2024 het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen. Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 34 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 32 procent van deze groep een volledige ontheffing heeft tegenover 17 procent van de Iraniërs.

3.9.1 Inburgeringsstatus (Wet inburgering 2013) van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, gemeten op 1 oktober 2024*
Nationaliteit Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling Volledige ontheffing Nog geen examen behaald, geen overschrijding Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden
Syrië 4670 1760 10 30 15 600
Irak 210 160 . . . 60
Afghanistan 240 95 . . . 60
Eritrea 2170 1105 20 90 . 215
Iran 250 60 . . . 30
Turkije** . . . . . .
Jemen** . . . . . .
Somalië 230 215 . . 10 215
Overig/onbekend 805 310 . 20 . 285
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden.

Voor de nieuwste cohorten liggen de cijfers met geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen natuurlijk lager. Deze inburgeringsplichtigen hebben ook minder tijd gehad om het examen te halen. Voor de vergunningscohorten 2017 tot en met 2020 is het aandeel geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen tussen 51 en 54 procent. Voor de personen uit de laatste cohorten was de inburgeringstermijn in oktober 2024 ook nog niet overschreden.

Op 1 januari 2022 trad de Wet inburgering 2021 in werking. Deze wet geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig wordt. Ook statushouders uit eerdere cohorten dan 2022 kunnen onder de Wet inburgering 2021 vallen, als zij na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden doordat zij bijvoorbeeld daarna de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Meer informatie over de groep statushouders die volgens de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is geworden, is te vinden in het dashboard en in de rapportage Statistiek Wet Inburgering (CBS, 2024).

3.9.2 Inburgeringsstatus (Wet inburgering 2013) van personen met verblijfsvergunning asiel, gemeten op 1 oktober 2024 naar cohort
Vergunningscohort Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling Volledige ontheffing Nog geen examen behaald, geen overschrijding Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden
2021 5200 1265 8015 25 30 910
2020 5535 2305 1995 20 15 440
2019 4290 2440 645 125 25 415
2018 4360 3005 250 155 60 705
2017 8765 6015 275 295 80 1285
2016 15095 7515 220 325 105 1800
2015 14215 5860 120 270 115 2105
2014 8590 3710 45 160 45 1470

Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs

Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op minimaal taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen personen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, bijvoorbeeld als ze na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor personen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor personen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot5

De meeste statushouders (92 procent) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen en hun inburgeringsexamen hadden behaald (gemeten op 1 oktober 2024), deed dat op taalniveau A2. Ook voor andere cohorten geldt dat de meesten (83 procent of meer) het inburgerings­examen haalden op niveau A2. Dit geldt voor alle nationaliteiten.noot6 Voor personen uit cohort 2014 met een Iraanse herkomst is dit aandeel het laagst (82 procent) en voor Eritrese personen het hoogst (98 procent). Dit betekent dat personen met een Iraanse herkomst vaker hun inburgeringsexamen op een hoger niveau halen dan andere nationaliteiten.

Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen aan de Nederlandse maatschappij. Er zijn drie leerroutes om in te burgeren. Bij twee van deze routes leren inburgeringsplichtigen de Nederlandse taal op minimaal niveau B1.noot7 In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (personen die vanaf 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden) nog geen gegevens beschikbaar over het taalniveau.

3.9.3 Taalniveau op 1 oktober 2024 van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014 tot en met 2019 naar nationaliteit*
Nationaliteit Vergunningscohort Niveau A2 Niveau B1 Niveau B2
Syrië '14, Syrië 4160 210 250
Syrië '15, Syrië 8405 350 455
Syrië '16, Syrië 10085 340 475
Syrië '17, Syrië 4345 215 205
Syrië '18, Syrië 1525 85 125
Syrië '19, Syrië 1440 105 130
Irak '14, Irak 180 10 .
Afghanistan '14, Afghanistan 180 20 .
Afghanistan '16, Afghanistan 245 10 .
Afghanistan '17, Afghanistan 355 15 10
Afghanistan '18, Afghanistan 225 . 10
Eritrea '14, Eritrea 2055 30 15
Eritrea '15, Eritrea 2875 45 10
Eritrea '16, Eritrea 1860 25 10
Eritrea '17, Eritrea 1115 . 10
Eritrea '18, Eritrea 615 10 .
Eritrea '19, Eritrea 390 15 .
Iran '14, Iran 200 25 20
Iran '15, Iran 245 10 20
Iran '16, Iran 365 15 15
Iran '17, Iran 585 40 40
Iran '18, Iran 295 30 35
Iran '19, Iran 240 25 30
Turkije '17, Turkije 115 . 55
Turkije '18, Turkije 140 10 45
Turkije '19, Turkije 400 45 175
Jemen '18, Jemen 125 . 15
Jemen '19, Jemen 300 10 15
Overig/onbekend '14, Overig/onbekend 690 45 30
Overig/onbekend '15, Overig/onbekend 915 45 30
Overig/onbekend '16, Overig/onbekend 710 20 20
Overig/onbekend '17, Overig/onbekend 730 25 35
Overig/onbekend '18, Overig/onbekend 605 40 35
Overig/onbekend '19, Overig/onbekend 525 30 40
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

Naturalisaties nemen vooral toe vanaf zes jaar na ontvangen vergunning

Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland zijn met een geldige verblijfsvergunning en hun inburgeringsexamen hebben gehaald, kunnen zij, onder voorwaardennoot8, de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturaliseren). Van het vergunningscohort 2014 is na negen-en-een-half jaar 89 procent van de statushouders genaturaliseerd en officieel Nederlander geworden. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 94 procent na negen-en-een-half jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor personen uit Turkije en Eritrea duurt meestal wat langer voordat zij naturaliseren. Na negen-en-een-half jaar heeft 71 procent van de vluchtelingen uit Turkije en 82 procent van die uit Eritrea de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor alle cohorten die zes-en-een-half jaar of langer gevolgd worden, is meer dan 80 procent genaturaliseerd.

* Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per uitsplitsing vanwege onderdrukking van cijfers.

3.9.4 Aandeel genaturaliseerden onder statushouders per nationaliteit en vergunningscohort*, aantal maanden na ontvangen vergunning, 2014 (%)
Aantal maanden na ontvangen vergunning Totaal, 2014 Syrië, 2014 Irak, 2014 Afghanistan, 2014 Eritrea, 2014 Iran, 2014 Turkije, 2014 Jemen, 2014 Somalië, 2014 Overig/onbekend, 2014
36 1,6 . . . . . . . 19,6 1,0
42 2,7 1,1 1,4 . . . . . 25,1 1,9
48 6,4 6,6 2,1 1,7 0,4 . . . 29,5 6,1
54 11,6 13,9 4,3 2,5 0,5 4,7 . . 33,5 12,9
60 14,5 17,0 5,7 5,0 1,0 7,1 . 33,3 38,5 18,7
66 19,8 23,8 12,8 10,0 2,6 11,8 . 33,3 41,5 25,2
72 50,8 64,6 36,9 27,5 25,9 36,5 28,6 66,7 55,6 40,5
78 76,6 87,6 78,0 59,2 60,3 74,1 42,9 83,3 72,4 60,2
84 81,0 90,2 83,7 69,2 67,1 80,0 57,1 83,3 76,0 67,2
90 83,1 91,3 85,8 73,3 71,1 81,2 57,1 83,3 78,9 69,7
96 84,7 92,2 87,9 76,7 74,4 81,2 57,1 83,3 80,4 71,8
102 86,3 92,9 88,7 79,2 77,8 83,5 57,1 83,3 82,5 73,5
108 87,6 93,5 89,4 81,7 79,8 84,7 71,4 83,3 84,7 75,7
114 88,6 94,0 90,8 84,2 81,7 85,9 71,4 100,0 86,5 76,9

3.10Sociaal-economische positie

Werk belangrijkste inkomstenbron voor 4 op de 10 statushouders negen jaar na verkrijgen verblijfsvergunning

Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen. Zes maanden na het krijgen van de verblijfsvergunning heeft 28 procent van de statushouders uit het cohort 2014 geen inkomen. In de loop van de tijd krijgen steeds meer statushouders een uitkering (waaronder ook pensioen valt). Het aandeel statushouders dat een uitkering ontvangt is meestal het hoogst anderhalf jaar na het verkrijgen van een vergunning. Daarna daalt dit aandeel weer. Twee jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning heeft 2 procent van de statushouders uit het originele cohort geen inkomen en is voor 62 procent een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Het gaat dan meestal om een bijstandsuitkering. Na negen jaar is dit gedaald tot 25 procent van de statushouders uit het originele cohort. Als alleen gekeken wordt naar statushouders die nog in Nederland zijn (dus niet vertrokken of overleden), is dit 27 procent.

Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Bij cohort 2014 is dit 38 procent negen jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 41 procent. Bij personen uit Eritrea is dat nog een stuk hoger: 61 procent van de Eritreeërs die in Nederland verblijven heeft werk als belangrijkste inkomstenbron negen jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning.

Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders. Bijvoorbeeld, negen jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft 50 procent van de mannelijke statushouders uit het originele cohort 2014 werk als belangrijkste inkomstenbron, tegen 18 procent van de vrouwen. Vrouwelijke statushouders zijn dan vaker schoolgaand (34 procent tegen 17 procent van de mannen) of hebben een uitkering als belangrijkste inkomstenbron (31 procent tegen 22 procent van de mannen). Ook hebben zij vaker geen inkomen, namelijk 10 procent, terwijl dit voor mannelijke statushouders 4 procent is.

De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk. Voor het originele cohort 2014 geldt dat, na negen jaar, meer dan de helft van de statushouders tussen 25 en 45 jaar werk als belangrijkste inkomstenbron heeft: 58 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 52 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Tot 18 jaar gaan bijna alle statushouders naar school (95 procent). Voor 18- tot 25‑jarigen is dit bijna de helft (47 procent). Vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Dit geldt voor bijna de helft van de 45 tot 55‑jarigen en driekwart van statushouders tussen 55 en 65 jaar oud.

Wanneer verschillende cohorten en maanden worden bekeken, blijken personen uit Iran het vaakst inkomen uit werk te hebben. Bijvoorbeeld, drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft 29 procent van de Iraanse statushouders die op dat moment in Nederland verblijven uit cohort 2020 werk als belangrijkste inkomstenbron. Gemiddeld is dit 13 procent onder alle statushouders uit dit cohort dat op dat moment nog in Nederland verblijft.

De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Twee jaar na de vergunning volgt iets meer dan de helft van de amv’s uit cohort 2014 nog onderwijs. De rest ontvangt vooral een uitkering (41 procent) en 1 procent heeft op dat moment werk als belangrijkste inkomstenbron. Dit percentage neemt toe als ze langer in Nederland zijn. Na negen jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 58 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 14 procent. Amv’s hebben daarmee een stuk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron vergeleken met de totale groep statushouders. Ook zijn ze minder afhankelijk van een uitkering. Als alleen de statushouders uit cohort 2014 die in nog Nederland zijn worden meegerekend, heeft 62 procent van de amv’s werk als belangrijkste inkomensbron, tegen 41 procent van alle statushouders.

3.10.1 Belangrijkste bron van inkomen van personen die verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 3000 125 6290 9025 160 1055
6 7420 130 6410 5475 135 80
12 11455 145 6510 1355 180 .
18 12200 185 6585 410 270 .
24 12095 335 6570 300 350 .
30 11520 665 6765 305 400 .
36 10435 1360 6990 410 455 .
42 9145 2335 7120 530 515 .
48 7890 3490 7000 700 570 .
54 6945 4440 6815 830 620 .
60 6300 5130 6570 1010 640 .
66 6330 5330 6345 945 700 .
72 6435 5470 6090 905 750 .
78 6320 5630 5885 955 860 .
84 5890 6190 5605 990 970 .
90 5390 6770 5370 1040 1075 .
96 5145 7130 5085 1125 1165 .
102 5015 7325 4860 1185 1260 .
108 4990 7510 4575 1220 1355 .

Steeds meer statushouders werken

Een jaar na het krijgen van de verblijfsvergunning is ongeveer 3 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam als werknemer of zelfstandige.noot9 Voor latere cohorten zijn dat er meer met 12 procent in cohort 2022. Als statushouders langer in Nederland zijn, hebben ze zij vaker betaald werk. Van cohort 2014 heeft 55 procent van de statushouders na negen jaar werk. Dit is 59 procent wanneer alleen naar statushouders gekeken wordt die in Nederland verblijven. Voor alle cohorten stijgt het aandeel werkenden naarmate statushouders langer in Nederland zijn. Meer informatie over verschillen naar nationaliteiten in werkenden zijn te vinden in het dashboard.

Dezelfde patronen zijn te zien bij alleen de groep werknemers (zonder zelfstandigen). Nieuwere cohorten hebben twaalf maanden na ontvangen vergunning vaker een dienstverband. Zo is bijna 3 procent van cohort 2014 werknemer, tegen 12 procent van cohort 2022. Eritrese statushouders uit cohort 2014 en Turkse statushouders uit cohort 2017 werken in verhouding vaak in loondienst. Na negen jaar heeft 61 procent van de Eritreeërs uit cohort 2014 een dienstverband, terwijl dit bij de totale groep statushouders 45 procent is. Na zes jaar is 60 procent van de Turken uit cohort 2017 werknemer, tegen 36 procent van alle statushouders.

* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.

3.10.2 Aandeel werknemers onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning* (%)
Aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Jemen** Somalië Overig/onbekend
3 0,2 3,5 5,2 . . . . . 4,2
6 0,5 4,6 10,4 . . . . . 5,7
12 1,5 5,6 16,3 0,9 2,9 . . . 7,0
18 3,0 5,6 19,8 0,9 5,7 . . 2,0 8,8
24 5,8 9,9 26,2 2,8 7,1 . . 3,7 13,1
30 10,6 14,1 29,4 5,8 12,9 . . 8,8 18,1
36 17,1 18,3 34,5 14,5 15,7 . . 14,5 24,9
42 23,7 25,5 34,1 24,6 21,1 . . 23,7 30,6
48 30,3 30,2 40,4 40,2 25,7 . . 29,5 35,0
54 34,0 32,7 45,6 48,0 29,6 . . 35,4 40,8
60 36,3 33,7 44,0 55,9 33,8 . . 38,6 42,1
66 35,7 34,0 45,1 53,5 36,6 . . 41,9 42,6
72 34,2 32,7 44,6 54,6 35,2 . . 41,0 41,9
78 33,9 36,3 43,0 54,0 35,2 . . 37,7 39,9
84 36,4 35,0 42,6 59,8 36,6 . . 39,0 42,6
90 37,9 35,2 48,4 61,6 39,4 . . 40,7 46,1
96 38,4 37,4 47,9 62,0 39,4 . . 42,9 47,9
102 39,2 39,8 46,4 61,0 43,1 . . 40,2 46,8
108 38,8 38,9 44,9 60,9 43,1 . . 42,9 48,3
114 38,2 40,4 42,0 59,2 41,7 . . 41,7 46,4

In hun laatst bekende baan werken de meeste statushouders in deeltijd (65 procent) en met een tijdelijk contract (73 procent). Vrouwen werken vaker in deeltijd (82 procent) dan mannen (59 procent). Van de werkenden werkt 8 procent als zelfstandige. Bijna een kwart van de statushouders (22 procent) met een baan werkt in de uitzendbranche. Ook komen banen in de handel (20 procent) en horeca (16 procent) veel voor. Personen met een Turkse en Iraanse herkomst werken het minst vaak in de uitzendbranche (beide 13 procent). Voor statushouders uit Jemen en Somalië ligt dit aandeel met 38 en 43 procent een stuk hoger. Andere verschillen tussen nationaliteiten zijn in het dashboard te vinden.

Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract

Amv’s zijn bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar en stromen later de arbeidsmarkt op. Op 1 juli 2024 verschilt de totale groep amv’s van de totale groep statushouders op de volgende punten betreffende de laatste bekende baan:

  • Amv’s werken iets vaker in deeltijd (68 tegen 65 procent).
  • Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (80 tegen 73 procent).
  • Amv’s werken vaker in de uitzendbranche (32 tegen 22 procent), en in de horeca (22 tegen 16 procent) en iets minder vaak in de handel (18 tegen 20 procent).
  • Amv’s werken iets minder vaak als zelfstandige (5 tegen 8 procent).

Statushouders eerst vaak als oproepkracht aan het werk

De meeste statushouders werken als oproepkracht of als werknemer. In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. In de nieuwste cohorten is dit nog vaker. Van cohort 2014 werkt twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning 34 procent van de statushouders als oproepkracht. Voor cohort 2021 is dit 42 procent. Het deel dat als oproepkracht werkt wordt kleiner wanneer statushouders langer in Nederland zijn. Na negen jaar werkt 18 procent van cohort 2014 nog als oproepkracht. De meeste statushouders, namelijk 66 procent, zijn dan werknemer.

Meer dan een derde van werkende statushouders van cohort 2014 heeft vijf of meer banen gehad

Statushouders uit nieuwere cohorten hebben meer banen gehad. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft 28 procent van de statushouders uit cohort 2014 meer dan één baan gehad en 49 procent van cohort 2021 heeft meer dan één baan gehad. Het aantal banen dat statushouders in hun loopbaan hebben neemt langzaam toe over tijd. Na negen jaar heeft 37 procent van cohort 2014 vijf of meer banen gehad.

Steeds vaker voltijdbaan onder werkende statushouders

Een groot deel van de statushouders, in de leeftijdsgroep van 18 tot 65 jaar, begint hun werkzame leven in een deeltijdbaan. Dit is voor eerdere cohorten vaker het geval dan voor latere. Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 86 procent van cohort 2014 in deeltijdnoot10 (tot 1 voltijdsequivalent) tegen 77 procent van cohort 2021. Dit verschil is vooral groot bij de groep met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 49 procent van het cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Bij cohort 2021 is dat 29 procent. Nieuwere cohorten hebben wel vaker een voltijdbaan (1 vte) twee maanden na het krijgen van een vergunning: 23 procent van cohort 2021 tegen 14 procent van cohort 2014. De groep die deeltijd werkt wordt bij alle cohorten met de tijd kleiner. Na negen jaar werkt 54 procent van cohort 2014 nog deeltijd en 46 procent werkt voltijd.

Drie jaar na het krijgen van een vergunning verdient 11 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 gemiddeld 15 euro per uur of meer. De meesten (47 procent) verdienen op dat moment minder dan 11 euro per uur. In nieuwere cohorten is de groep die meer dan 15 euro per uur verdient groter. Bijna de helft van cohort 2020 verdiende 15 euro per uur of meer drie jaar na het krijgen van een vergunning. De rest verdienden vooral tussen 13 en 15 euro (ruim een derde). Als statushouders langer in Nederland zijn en werken, dan neemt hun gemiddeld uurloon toe. Na negen jaar verdient 63 procent van cohort 2014 15 euro of meer en 27 procent tussen 13 en 15 euro per uur. Mannelijke statushouders verdienen vaker 15 euro of meer (66 procent) dan vrouwelijke statushouders (52 procent). Vrouwelijke statushouders verdienen vaker minder dan 11 euro, namelijk 14 procent. Voor mannen is dit percentage 4 procent. De stijging is minder sterk, maar nog wel zichtbaar, voor het gemiddeld uurloon gecorrigeerd voor inflatie. Daarnaast blijft er een verschil bestaan tussen recentere en oudere cohorten.

Opnieuw minder uitkeringsgerechtigden in cohort 2014

Twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning, krijgt 89 procent van cohort 2014 een uitkering. Voor nieuwere cohorten is dit percentage lager. Van cohort 2021 heeft 73 procent een uitkering, twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning. Als statushouders langer in Nederland zijn, wordt de groep die een uitkering heeft steeds kleiner. Dit geldt voor alle cohorten. Negen jaar na het ontvangen van een verblijfsvergunning krijgt 31 procent van cohort 2014 een uitkering. Dit is 33 procent van de statushouders uit 2014 die op dat moment in Nederland wonen. Niet iedereen ontvangt meteen een uitkering. Veel statushouders wonen de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering krijgen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig wonen en ingeschreven zijn in een gemeente, kunnen ze een bijstandsuitkering aanvragen. Meestal gaat het om een bijstandsuitkering. Andere uitkeringen, zoals werkloosheids- en arbeids­ongeschiktheids­uitkeringen, komen niet vaak voor. Dit komt doordat statushouders nog geen lang arbeidsverleden in Nederland hebben. Van alle uitkerings­gerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014 krijgt 94 procent een bijstandsuitkering, 5 procent een werkloosheids­uitkering en 3 procent een arbeids­ongeschiktheids­uitkering.

* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.

3.10.3 Aandeel uitkeringsgerechtigden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning* (%)
Aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Jemen** Somalië Overig/onbekend
3 21,9 34,9 24,7 12,2 26,1 . . 28,6 28,6
6 59,0 69,0 54,5 43,1 57,1 . . 60,7 64,2
12 89,9 85,4 73,8 79,0 85,7 . . 80,6 85,9
18 93,0 86,7 71,6 92,1 87,1 . . 80,0 86,8
24 90,7 86,8 67,9 91,4 85,7 . . 75,7 83,3
30 86,2 81,5 63,5 89,0 81,4 . . 67,5 76,5
36 78,1 77,4 58,6 79,9 77,1 . . 60,5 68,0
42 69,3 71,3 53,4 70,5 69,0 . . 53,4 58,8
48 60,2 64,6 48,3 57,2 62,9 . . 47,5 52,8
54 54,0 60,2 43,3 48,2 57,7 . . 43,5 46,4
60 49,0 56,1 40,7 40,3 52,1 . . 41,8 43,2
66 47,1 53,0 39,6 39,9 47,9 . . 38,8 40,2
72 46,6 51,5 39,1 38,2 49,3 . . 35,5 40,3
78 45,1 51,0 37,6 38,4 45,1 . . 34,3 38,9
84 41,9 49,5 35,1 31,5 43,7 . . 31,9 36,6
90 39,0 45,7 29,5 29,5 39,4 . . 30,2 32,4
96 36,7 43,0 30,2 27,5 36,6 . . 27,0 30,7
102 35,0 40,7 26,8 27,7 33,3 . . 25,5 28,8
108 33,7 39,8 27,6 27,1 31,9 . . 24,3 27,6
114 32,6 38,5 25,0 27,6 29,2 . . 24,5 27,1

3.11Huishoudinkomen en zorggebruik

Inkomensverschillen tussen verschillende nationaliteiten blijven klein

Voor statushouders uit alle cohorten geldt dat het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomennoot11 stijgt als zij langer in Nederland wonen. Statushouders die in 2014 een vergunning kregen, hadden in 2015 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 12,3 duizend euro. In 2023 was dit gestegen naar 23,3 duizend euro. De verschillen in huishoudinkomen van verschillende nationaliteitennoot12 zijn klein. Dit komt doordat veel statushouders een bijstandsuitkering krijgen. De hoogte van deze uitkering hangt af van de gezinssituatie en bestaat uit vaste bedragen. Statushouders uit Iran hebben vaak het hoogste inkomen, zonder te letten op het cohort of meetmoment. Dit sluit aan bij onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) (Huijnk et al., 2021). Daaruit blijkt dat statushouders uit Iran later aan het werk gaan, maar wel een hoger uurloon verdienen.

3.11.1 Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen voor statushouders niet meer in COA-opvang per vergunningscohort (euro)
Verslagjaar 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
2015 12300 . . . . . . . .
2016 12700 12300 . . . . . . .
2017 13500 12900 12700 . . . . . .
2018 14500 13700 13300 12800 . . . . .
2019 15800 15000 14600 13900 13500 . . . .
2020 17000 16200 15600 14900 14500 13900 . . .
2021 18400 17900 17100 16400 16100 15300 14900 . .
2022 20600 20000 19300 18600 18400 17800 17000 16100 .
2023 23300 22900 22100 21600 21300 21000 20100 19000 17900

Zorggebruik blijft gelijk na ongeveer twee jaar

Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben kregen en niet meer in een COA- opvanglocatie verblijven, kunnen ze gebruikmaken van de reguliere zorg. Ze moeten dan ook een basisverzekering afsluiten. Van de statushouders die in 2014 een vergunning kregen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verbleven, had 86 procent in 2015 zorgkosten bij de huisarts. Een jaar later was dat gestegen naar 96 procent. Voor alle cohorten geldt dat twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning meer dan 96 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Ter vergelijking, ongeveer 98 procent van de Nederlandse bevolking maakt jaarlijks kosten bij de huisarts. Dit hoge percentage komt omdat iedereen die ingeschreven staat bij een huisarts kosten maakt, ook als zij geen zorg afnemen.

Eritrese statushouders maken de minste kosten voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en medicijnen. Dit werd eerder vastgesteld door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). Zij wijzen op factoren zoals weinig kennis over gezondheidsrisico’s, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling. Dit zit de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg.noot13 Iraanse statushouders maken gemiddeld het vaakst kosten voor zorggebruik. Voor de vergunningscohorten 2014 tot en met 2020 had bijna driekwart van de Iraniërs in 2022 kosten gemaakt voor medicijnen, terwijl dit bij Eritreeërs voor ongeveer de helft het geval was. Dit geldt ook voor ziekenhuiszorg: 58 tot 66 procent van de Iraniërs maakte zorgkosten tegen 40 tot 50 procent van de Eritrese statushouders.

3.11.2 Zorggebruik in 2015 tot en met 2022 onder statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
Type zorg 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Huisartsenzorg 86,0 95,5 97,5 98,3 98,6 98,4 98,7 98,8
Farmacie 54,6 63,3 63,9 65,4 65,2 62,1 63,6 64,9
Ziekenhuiszorg 46,5 53,0 54,2 56,1 56,4 51,3 54,3 55,8

Iets meer jongeren met jeugdzorg

Bijna 5 procent van de jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 22, maakte in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg.noot14 In 2023 is dat gestegen naar 9 procent. Voor Afghaanse jonge statushouders is dit met 13 procent het hoogst. De meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Bij jeugdhulp gaat het om hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan thuis wonen in het eigen gezin, maar bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. In 2016 gold dit voor meer dan 4 procent van de jongeren en vanaf 2019 is dit 8 procent. In 2023 kreeg 1,4 procent van de jongeren hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is ongeveer hetzelfde als onder alle Nederlandse jongeren: 1,2 procent. Van de jonge statushouders heeft 1 procent in 2023 te maken met jeugd­reclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen).

3.11.3 Gebruik van jeugdzorg in 2016 tot en met 2023 onder jongeren (0 tot 23 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
Type jeugdzorg 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Jeugdhulp 4,4 6,6 7,4 7,6 7,6 8,2 8,5 8,4
Jeugdbescherming 0,3 0,4 0,6 0,9 1,2 1,4 1,5 1,4
Jeugdreclassering 0,1 0,3 0,4 0,4 0,5 0,5 0,6 0,9

3.12Geregistreerde verdachten

Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst

Mannelijke statushouders zijn in verhouding iets vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomst.noot15 In figuur 3.12.1 wordt het aandeel mannelijke verdachten tussen 18 en 45 jaar in 2023 onder statushouders die in 2021 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen. De bevolkingsgroepen zijn gebaseerd op de nieuwe herkomstindeling. Om bevolkingsgroepen te kunnen vergelijken, wordt hier gebruik gemaakt van relatieve cijfers. Er waren 70 verdachte statushouders uit cohort 2021 in verslagjaar 2023 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. Dit komt neer op 420 verdachten per 10 duizend statushouders. In de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar zijn 140 verdachte statushouders, dit is relatief gezien 250 verdachten per 10 duizend statushouders.

In de figuur wordt dit omgerekend naar relatieve cijfers om de verschillende bevolkings­groepen te vergelijken. Als het totale aantal personen dat in een categorie zit (bijvoorbeeld mannelijke statushouders die een vergunning ontvingen in 2021 en 18 tot 23 jaar oud zijn) lager is dan 10 duizend, is het relatieve aantal verdachte statushouders per 10 duizend hoger dan het absolute aantal. Een rekenvoorbeeld: als er in totaal 5 duizend mannelijke statushouders zijn met een verleende vergunning uit 2021 tussen 18 en 23 jaar en 30 van hen zijn geregistreerd als verdachte in 2023, is het absolute aantal verdachte statushouders voor deze groep 30, en het relatieve aantal 60 per 10 duizend statushouders.

Er is in het rapport gekozen voor een weergave van alleen cohort 2021 en geregistreerd verdachtenschap in 2023 om aan te sluiten bij de weergave van de afgelopen jaren. In het dashboard zijn de populaties en kenmerken die hier in acht kunnen worden genomen ondertussen uitgebreid, maar vanwege de kleine aantallen is er in de rapportage voor gekozen om geen verdere uitsplitsingen te tonen. In het dashboard kan nog verder geselecteerd worden naar type delict en inkomen, gezien deze beide factoren relevant kunnen zijn.

3.12.1 Het aantal verdachten in 2023 onder mannelijke statushouders die in 2021 een verblijfsvergunning asiel ontvingen per 10 duizend mannen naar leeftijd (Per 10 duizend mannen)
Leeftijdsgroep Statushouders Geboren buiten Nederland, herkomst Totaal Nederlandse achtergrond Geboren buiten Nederland, herkomst Buiten Europa (excl. 5 grote herkomstlanden) Geboren buiten Nederland, herkomst Marokko Geboren buiten Nederland, herkomst Turkije Geboren buiten Nederland, herkomst Suriname Geboren buiten Nederland, herkomst Indonesië Geboren buiten Nederland, herkomst Nederlandse Cariben Geboren buiten Nederland, herkomst Europa (exclusief Nederland)
18 tot 23 jaar 420 280 230 375 1060 155 475 55 585 165
23 tot 45 jaar 250 245 140 220 440 210 510 75 740 195

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard. Daarin staan nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers. In het dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteiten u cijfers (visueel) wilt zien.

3.13Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS. (2024). Statistiek Wet Inburgering (SWI) 2023. Centraal Bureau Voor de Statistiek.

Cleton, L., Seiffert, L. & Wörmann, H. (2017). Gezinshereniging van derdelanders in Nederland. Europees Migratienetwerk.

Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & De Mooij, M. (Eds.) (2021). Met beleid van start. Sociaal en Cultureel Planbureau.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederland is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Zie in het dashboard voor meer toelichtingen en verschillen tussen cohorten en nationaliteiten.

Onder deeltijd wordt alles onder 1 vte verstaan.

Het gestandaardiseerd huishoudinkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Jongeren kunnen meerdere vormen van jeugdzorg tegelijkertijd ontvangen.

Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de personen met een niet-Nederlandse herkomst als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aandeel verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Medewerkers van CBS uit team Rechtsbescherming en Veiligheid en team Demografie

Vragen over deze publicatie kunnen gesteld worden via de Infoservice: https://www.cbs.nl/nl-nl/over-ons/contact/infoservice

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het onderzoek Asiel en Integratie:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Nidos

Ministerie van Asiel en Migratie (AenM)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)