Huisvesting en integratie van statushouders
Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten richting integratie in de Nederlandse samenleving. Het richt zich op statushouders die tussen 2014 en de eerste helft van 2024 een verblijfsvergunning asiel kregen. De meeste statushouders begonnen hun verblijf in Nederland in de asielopvang. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en vallen, net als gezinsherenigers, onder de statushouders binnen dit onderzoek. In totaal kregen tussen 2014 en de eerste helft van 2024 ruim 280 duizend personen een verblijfsvergunning.
Er is onder andere gekeken naar de situatie van statushouders op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Ook komen een paar baankenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) aan bod net als de situatie op het gebied van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Aandelen worden steeds berekend op het totale aantal statushouders uit het originele cohort, inclusief eventuele statushouders die op het peilmoment inmiddels vertrokken of overleden zijn.
3.1Verblijfsvergunningen asiel
Aantal verleende vergunningen in 2023 lager dan jaar ervoor
In 2014 kregen bijna 20 duizend personen een verblijfsvergunning asiel. Dit aantal groeide tot bijna 37 duizend in 2016, en daalde daarna tot 15 duizend in 2019, het laagste aantal sinds 2014. Hierna steeg het aantal verblijfsvergunningen tot bijna 33 duizend in 2022 en bijna 31 duizend in 2023. In de eerste helft van 2024 ontvingen 22 duizend asielzoekers een verblijfsvergunning. De grootste groep waren statushouders van Syrische nationaliteit (63 procent), gevolgd door Jemenitische nationaliteit (5 procent). Gekeken naar alle cohorten samen, bestaat de groep statushouders vooral uit Syriërs (56 procent) en Eritreeërs (13 procent).
| Vergunningscohort | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije | Jemen | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste helft 2024 | 14070 | 465 | 320 | 815 | 240 | 960 | 1175 | 385 | 3985 |
| 2023 | 17165 | 615 | 1055 | 1650 | 600 | 2425 | 2755 | 775 | 3585 |
| 2022 | 16770 | 750 | 2945 | 1715 | 1060 | 3280 | 1830 | 695 | 3735 |
| 2021 | 12460 | 630 | 3135 | 2205 | 1800 | 2070 | 1160 | 305 | 3730 |
| 2020 | 7990 | 475 | 475 | 2765 | 585 | 1825 | 1105 | 105 | 2170 |
| 2019 | 6560 | 350 | 475 | 3600 | 560 | 1075 | 685 | 135 | 2035 |
| 2018 | 6690 | 525 | 725 | 4135 | 605 | 420 | 285 | 265 | 2490 |
| 2017 | 16980 | 1310 | 940 | 4980 | 1020 | 375 | 235 | 265 | 2510 |
| 2016 | 26200 | 1330 | 750 | 5065 | 585 | 20 | 25 | 410 | 2295 |
| 2015 | 21645 | 550 | 540 | 6265 | 430 | 20 | 30 | 590 | 2710 |
| 2014 | 10445 | 705 | 600 | 3980 | 425 | 35 | 30 | 1375 | 2060 |
3.2Nationaliteiten
Top vijf nationaliteitennoot1 van statushouders verandert, maar Syrië blijft op plek één
In alle jaren hebben de meeste personen die een verblijfsvergunning asiel kregen de Syrische nationaliteit. In de periode 2014–2020 werd dit gevolgd door statushouders met de Eritrese nationaliteit. In 2021 stonden personen met Afghaanse nationaliteit op de tweede plaats, in 2022 ging het om personen met de Turkse nationaliteit. Vanaf 2023 staan personen met de Jemenitische nationaliteit op de tweede plaats.
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | Eerste helft 2024 | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Syrië | 10 445 | Syrië | 21 645 | Syrië | 26 200 | Syrië | 16 980 | Syrië | 6 690 | Syrië | 6 560 | Syrië | 7 990 | Syrië | 12 460 | Syrië | 16 770 | Syrië | 17 165 | Syrië | 14 070 |
| 2 | Eritrea | 3 980 | Eritrea | 6 265 | Eritrea | 5 065 | Eritrea | 4 980 | Eritrea | 4 135 | Eritrea | 3 600 | Eritrea | 2 765 | Afghanistan | 3 135 | Turkije | 3 280 | Jemen | 2 755 | Jemen | 1 175 |
| 3 | Somalië | 1 375 | Somalië | 590 | Irak | 1 330 | Irak | 1 310 | Afghanistan | 725 | Turkije | 1 075 | Turkije | 1 825 | Eritrea | 2 205 | Afghanistan | 2 945 | Turkije | 2 425 | Turkije | 960 |
| 4 | Irak | 705 | Irak | 550 | Afghanistan | 750 | Iran | 1 020 | Iran | 605 | Jemen | 685 | Jemen | 1 105 | Turkije | 2 070 | Jemen | 1 830 | Eritrea | 1 650 | Eritrea | 815 |
| 5 | Afghanistan | 600 | Afghanistan | 540 | Iran | 585 | Afghanistan | 940 | Irak | 525 | Iran | 560 | Iran | 585 | Iran | 1 800 | Eritrea | 1 715 | Afghanistan | 1 055 | Irak | 465 |
Bron:CBS.
3.3Nareis
Aantal nareizigers verandert laatste jaren weinig
Sinds 2014 heeft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) aan bijna 97 duizend nareizigers een vergunning verleend. Dit betreft alleen personen die een status krijgen via de nareisregeling. Twee derde van deze groep zijn nareizigers uit Syrië. Het aandeel nareizigers in het totaal aantal verleende vergunningen verschilt sterk per nationaliteit. Zo was 47 procent van de verleende vergunningen aan Irakezen in de eerste helft van 2024 een nareiziger en onder Eritreeërs was dat 12 procent. Over alle cohorten heen, komen uit Somalië in verhouding de meeste nareizigers. Het aandeel nareiziger onder de groep Somaliërs is 45 procent. Onder de groep Afghanen en Iraniërs vallen de minste nareizigers, 11 en 12 procent respectievelijk.
Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. In 2017 was meer dan de helft van de nieuwe statushouders een nareiziger (51 procent). Daarna nam dat af tot 22 procent in 2020. In 2021 nam de groep nareizigers onder de statushouders weer toe (37 procent), maar daalde daarna weer tot 26 procent in het eerste halfjaar van 2024. In absolute aantallen veranderde het aantal verleende vergunningen aan nareizigers van 2021 tot 2023 niet zo veel, met ruim 10 duizend per jaar.
| Vergunningscohort | Geen nareis, Totaal | Wel nareis, Totaal |
|---|---|---|
| 2014 | 14300 | 5350 |
| 2015 | 19290 | 13495 |
| 2016 | 24965 | 11710 |
| 2017 | 14140 | 14485 |
| 2018 | 9700 | 6450 |
| 2019 | 11305 | 4175 |
| 2020 | 13640 | 3860 |
| 2021 | 17380 | 10110 |
| 2022 | 21815 | 10970 |
| 2023 | 20445 | 10180 |
| Eerste helft 2024 | 16505 | 5920 |
| * De onderste (helder gekleurde) balken betreffen niet-nareizigers, de bovenste (donkerdere) balken betreffen nareizigers. | ||
| ** Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | ||
3.4Nareis en (reguliere) gezinshereniging
Meer nareis na twee-en-een-half jaar voor recente cohorten dan voor 2017–2019
Van alle statushouders tussen 2014 en 2021 (exclusief nareizigers) liet 18 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 8 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis (Cleton et al., 2017). De percentages van nareis en gezinshereniging zijn het laagst in cohorten 2017, 2018 en 2019. In deze cohorten ligt het aandeel dat familieleden liet overkomen via de nareisregeling tussen 8 en 12 procent en via reguliere gezinshereniging tussen 5 en 6 procent. Bij de statushouders uit cohort 2020 en cohort 2021 ligt dit hoger. Bij 10 procent van de statushouders vindt een gezinsuitbreiding plaats in de vorm van de geboorte van een kind in Nederland. Bij de meeste statushouders (62 procent) veranderde de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na krijgen van de vergunning.
| Categorie | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Overleden²⁾ | -0,2 | -0,2 | -0,2 | -0,3 | -0,2 | -0,2 | -0,2 | -0,1 |
| Vertrokken | -1,9 | -3,5 | -2,5 | -3,8 | -3,3 | -1,6 | -1,9 | -4,0 |
| Geboorte kind in Nederland | 14,5 | 13,9 | 11,9 | 10,2 | 7,8 | 7,7 | 10,1 | 9,4 |
| Overige gezinshereniging/ vorming¹⁾ | 13,9 | 12,8 | 9,7 | 6,4 | 5,2 | 4,8 | 6,9 | 6,8 |
| Nareizigers | 23,6 | 29,9 | 24,5 | 8,4 | 8,9 | 11,6 | 21,7 | 18,7 |
| Geen wijziging in gezinssituatie | 63,1 | 57,5 | 64,0 | 77,9 | 80,6 | 80,0 | 69,2 | 69,1 |
| ¹⁾ door immigratie partner/kinderen²⁾ Aantallen zijn zeer laag en daarom niet zichtbaar in de figuur | ||||||||
Aandeel nareizigers bij amv’s stijgt vanaf 2018
Van alle amv’s met een verleende vergunning liet 39 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 13 procent via reguliere gezinshereniging. In cohorten 2014 en 2017 liet minder dan een derde van statushouders onder de amv’s familieleden komen via de nareisregeling. In cohort 2016 en 2021 was dit meer dan de helft. In absolute aantallen lieten amv's uit vergunningscohort 2016 het vaakst familieleden via de nareisregeling en de reguliere gezinshereniging komen (respectievelijk 1 300 en 350). In 2021 was dit aantal twee keer zo klein. Van alle amv’s veranderde voor 43 procent de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na het verlenen van de vergunning. Alleen voor cohort 2020 en 2021 ligt dit aandeel onder 40 procent.
| Categorie | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Overleden¹⁾ | . | . | . | . | . | . | . | . |
| Vertrokken | -1,5 | -3,4 | -1,0 | -5,1 | -5,9 | -2,7 | -2,5 | -2,5 |
| Geboorte kind in Nederland | 4,6 | 3,1 | 2,4 | 4,3 | 3,0 | 4,1 | 3,3 | 2,9 |
| Overige gezinshereniging/ vorming²⁾ | 23,0 | 14,2 | 14,1 | 11,1 | 10,9 | 9,6 | 14,9 | 11,9 |
| Nareizigers | 26,5 | 43,8 | 51,0 | 28,2 | 34,7 | 38,4 | 48,8 | 54,9 |
| Geen wijziging in gezinssituatie | 59,7 | 45,9 | 42,4 | 60,3 | 52,5 | 52,7 | 39,7 | 37,3 |
| ¹⁾ De gegevens zijn niet zichtbaar vanwege onderdrukking van kleine aantallen²⁾ door immigratie partner/kinderen | ||||||||
3.5Wachttijd tot vergunning
Gemiddelde wachttijd langer in 2020 en 2021
Gemiddeld, over alle vergunningscohorten, wachtten statushouders 195 dagen op een verblijfsvergunning. Het gaat dan om de tijd vanaf het moment dat ze voor het eerst in een COA-opvanglocatie kwamen tot het moment dat ze een vergunning kregen. Dit is opnieuw een toename vergeleken met de gemiddelde wachttijd die in de vorige rapportage werd geregistreerd, die was namelijk 175 dagen.
Asielzoekers met de Eritrese en Syrische nationaliteitnoot2 kregen in verhouding snel een verblijfsvergunning (gemiddeld na 122 en 125 dagen). Personen met de Afghaanse en Irakese nationaliteit wachtten gemiddeld 397 en 392 dagen. Voor asielzoekers uit Iran was de gemiddelde wachttijd het langst met 667 dagen (21 maanden). Terwijl een grote groep van de Syriërs (42 procent) bestaat uit nareizigers, is dit niet het geval voor Iraniërs (12 procent) en Afghanen (11 procent). Deze laatste twee groepen bestaan voor een groot deel uit initiële asielaanvragers (de groep die in Nederland een eerste of volgende asielaanvraag doet). Nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij COA instromen, initiële aanvragers moeten daar nog op wachten. Nareizigers hebben daarom gemiddeld een kortere wachttijd. Zo wachten initiële aanvragers en gezinsherenigers gemiddeld respectievelijk 316 en 369 dagen, terwijl nareizigers 8 dagen wachten.
| 2014, Totaal | 2014, Totaal | 2015, Totaal | 2016, Totaal | 2017, Totaal | 2018, Totaal | 2019, Totaal | 2020, Totaal | 2021, Totaal | 2022, Totaal | 2023, Totaal | Eerste helft 2024, Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Vergunningscohort | 110 | 79 | 139 | 106 | 137 | 213 | 282 | 264 | 242 | 307 | 361 |
| * Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. | |||||||||||
3.6Vestigingsgemeente
Weinig regionale verschillen
Tussen 2014 en de eerste helft van 2024 ontvingen 280 duizend personen een verblijfsvergunning. Bijna 249 duizend van hen wonen in de tussentijd zelfstandig en dus niet meer in de asielopvang van het COA. Twee jaar nadat ze uit de opvang van het COA zijn vertrokken, wonen statushouders verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein.
| Gemeentenaam | Aantal statushouders per 10 000 inwoners |
|---|---|
| Groningen | 13,7 |
| Almere | 14,3 |
| Stadskanaal | 18,4 |
| Veendam | 13,0 |
| Zeewolde | 23,2 |
| Achtkarspelen | 12,8 |
| Ameland | . |
| Harlingen | 12,4 |
| Heerenveen | 13,2 |
| Leeuwarden | 15,0 |
| Ooststellingwerf | 25,5 |
| Opsterland | 20,3 |
| Schiermonnikoog | . |
| Smallingerland | 22,3 |
| Terschelling | . |
| Vlieland | . |
| Weststellingwerf | 9,8 |
| Assen | 17,9 |
| Coevorden | 19,6 |
| Emmen | 14,1 |
| Hoogeveen | 16,1 |
| Meppel | 13,8 |
| Almelo | 12,4 |
| Borne | 13,5 |
| Dalfsen | 13,5 |
| Deventer | 10,4 |
| Enschede | 15,0 |
| Haaksbergen | 13,5 |
| Hardenberg | 15,5 |
| Hellendoorn | 11,3 |
| Hengelo | 15,9 |
| Kampen | 9,2 |
| Losser | 22,3 |
| Noordoostpolder | 14,9 |
| Oldenzaal | 19,1 |
| Ommen | 17,4 |
| Raalte | 18,2 |
| Staphorst | 9,1 |
| Tubbergen | 13,1 |
| Urk | 16,5 |
| Wierden | 7,2 |
| Zwolle | 13,4 |
| Aalten | 18,7 |
| Apeldoorn | 10,2 |
| Arnhem | 9,8 |
| Barneveld | 14,1 |
| Beuningen | 12,8 |
| Brummen | 17,5 |
| Buren | 17,7 |
| Culemborg | 12,4 |
| Doesburg | 11,7 |
| Doetinchem | 11,5 |
| Druten | 20,0 |
| Duiven | 16,0 |
| Ede | 11,2 |
| Elburg | 18,7 |
| Epe | 13,2 |
| Ermelo | 18,2 |
| Harderwijk | 13,9 |
| Hattem | 11,1 |
| Heerde | 23,9 |
| Heumen | 16,6 |
| Lochem | 14,6 |
| Maasdriel | 15,0 |
| Nijkerk | 17,3 |
| Nijmegen | 12,1 |
| Oldebroek | 17,7 |
| Putten | 10,4 |
| Renkum | 15,6 |
| Rheden | 13,5 |
| Rozendaal | . |
| Scherpenzeel | 22,1 |
| Tiel | 17,6 |
| Voorst | 15,9 |
| Wageningen | 11,5 |
| Westervoort | 19,2 |
| Winterswijk | 19,5 |
| Wijchen | 15,6 |
| Zaltbommel | 14,8 |
| Zevenaar | 16,4 |
| Zutphen | 17,9 |
| Nunspeet | 14,3 |
| Dronten | 14,0 |
| Amersfoort | 13,9 |
| Baarn | 15,6 |
| De Bilt | 14,8 |
| Bunnik | 18,1 |
| Bunschoten | 9,3 |
| Eemnes | 14,6 |
| Houten | 15,0 |
| Leusden | 12,1 |
| Lopik | 15,0 |
| Montfoort | 19,4 |
| Renswoude | 24,4 |
| Rhenen | 21,6 |
| Soest | 17,3 |
| Utrecht | 16,3 |
| Veenendaal | 14,0 |
| Woudenberg | 23,0 |
| Wijk bij Duurstede | 17,5 |
| IJsselstein | 11,9 |
| Zeist | 21,3 |
| Nieuwegein | 17,7 |
| Aalsmeer | 16,3 |
| Alkmaar | 23,7 |
| Amstelveen | 15,7 |
| Amsterdam | 13,7 |
| Bergen (NH.) | 12,9 |
| Beverwijk | 17,8 |
| Blaricum | 20,0 |
| Bloemendaal | 23,8 |
| Castricum | 10,2 |
| Diemen | 18,0 |
| Edam-Volendam | 16,3 |
| Enkhuizen | 7,4 |
| Haarlem | 15,7 |
| Haarlemmermeer | 13,7 |
| Heemskerk | 20,0 |
| Heemstede | 22,3 |
| Heiloo | 17,3 |
| Den Helder | 17,7 |
| Hilversum | 15,6 |
| Hoorn | 11,4 |
| Huizen | 17,0 |
| Landsmeer | 16,2 |
| Laren | 16,2 |
| Medemblik | 12,4 |
| Oostzaan | 12,3 |
| Opmeer | 14,0 |
| Ouder-Amstel | 14,0 |
| Purmerend | 13,6 |
| Schagen | 13,3 |
| Texel | 20,0 |
| Uitgeest | 17,1 |
| Uithoorn | 15,3 |
| Velsen | 14,4 |
| Zandvoort | 16,5 |
| Zaanstad | 15,0 |
| Alblasserdam | 9,8 |
| Alphen aan den Rijn | 11,9 |
| Barendrecht | 9,4 |
| Drechterland | 10,8 |
| Capelle aan den IJssel | 11,3 |
| Delft | 10,9 |
| Dordrecht | 15,6 |
| Gorinchem | 11,4 |
| Gouda | 15,3 |
| 's-Gravenhage | 15,6 |
| Hardinxveld-Giessendam | 12,8 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 15,5 |
| Stede Broec | 13,1 |
| Hillegom | 12,5 |
| Katwijk | 14,9 |
| Krimpen aan den IJssel | 14,6 |
| Leiden | 13,8 |
| Leiderdorp | 13,7 |
| Lisse | 12,8 |
| Maassluis | 12,5 |
| Nieuwkoop | 14,6 |
| Noordwijk | 19,5 |
| Oegstgeest | 11,7 |
| Oudewater | 14,7 |
| Papendrecht | 8,7 |
| Ridderkerk | 16,0 |
| Rotterdam | 15,6 |
| Rijswijk | 11,7 |
| Schiedam | 15,3 |
| Sliedrecht | 14,5 |
| Albrandswaard | 9,9 |
| Vlaardingen | 16,1 |
| Voorschoten | 13,6 |
| Waddinxveen | 22,4 |
| Wassenaar | 13,3 |
| Woerden | 18,0 |
| Zoetermeer | 14,3 |
| Zoeterwoude | 13,8 |
| Zwijndrecht | 19,8 |
| Borsele | 16,4 |
| Goes | 16,2 |
| West Maas en Waal | 11,0 |
| Hulst | 20,3 |
| Kapelle | 25,3 |
| Middelburg | 16,2 |
| Reimerswaal | 17,2 |
| Terneuzen | 14,4 |
| Tholen | 12,7 |
| Veere | 17,2 |
| Vlissingen | 15,9 |
| De Ronde Venen | 16,5 |
| Tytsjerksteradiel | 16,4 |
| Asten | 25,5 |
| Baarle-Nassau | 21,2 |
| Bergen op Zoom | 18,2 |
| Best | 20,1 |
| Boekel | 21,5 |
| Boxtel | 13,6 |
| Breda | 13,1 |
| Deurne | 15,5 |
| Pekela | 10,5 |
| Dongen | 14,3 |
| Eersel | 14,5 |
| Eindhoven | 13,0 |
| Etten-Leur | 13,2 |
| Geertruidenberg | 17,2 |
| Gilze en Rijen | 28,3 |
| Goirle | 15,3 |
| Helmond | 15,0 |
| 's-Hertogenbosch | 16,3 |
| Heusden | 16,8 |
| Hilvarenbeek | 18,8 |
| Loon op Zand | 19,3 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 20,4 |
| Oirschot | 14,6 |
| Oisterwijk | 18,5 |
| Oosterhout | 10,8 |
| Oss | 15,0 |
| Rucphen | 9,3 |
| Sint-Michielsgestel | 18,3 |
| Someren | 19,9 |
| Son en Breugel | 19,4 |
| Steenbergen | 19,5 |
| Waterland | 14,2 |
| Tilburg | 9,7 |
| Valkenswaard | 14,3 |
| Veldhoven | 13,6 |
| Vught | 12,1 |
| Waalre | 8,9 |
| Waalwijk | 6,8 |
| Woensdrecht | 17,6 |
| Zundert | 11,5 |
| Wormerland | 14,4 |
| Landgraaf | 16,4 |
| Beek | 16,7 |
| Beesel | 12,6 |
| Bergen (L.) | 14,5 |
| Brunssum | 9,8 |
| Gennep | 16,3 |
| Heerlen | 15,0 |
| Kerkrade | 16,7 |
| Maastricht | 16,5 |
| Meerssen | 15,6 |
| Mook en Middelaar | . |
| Nederweert | 16,0 |
| Roermond | 15,0 |
| Simpelveld | . |
| Stein | 17,8 |
| Vaals | 20,6 |
| Venlo | 12,5 |
| Venray | 18,8 |
| Voerendaal | 13,7 |
| Weert | 13,8 |
| Valkenburg aan de Geul | 9,1 |
| Lelystad | 22,9 |
| Horst aan de Maas | 14,4 |
| Oude IJsselstreek | 15,7 |
| Teylingen | 18,7 |
| Utrechtse Heuvelrug | 12,9 |
| Oost Gelre | 18,4 |
| Koggenland | 20,0 |
| Lansingerland | 12,8 |
| Leudal | 5,8 |
| Maasgouw | 13,6 |
| Gemert-Bakel | 15,6 |
| Halderberge | 17,4 |
| Heeze-Leende | 21,1 |
| Laarbeek | 15,9 |
| Reusel-De Mierden | 22,2 |
| Roerdalen | 14,5 |
| Roosendaal | 15,1 |
| Schouwen-Duiveland | 16,8 |
| Aa en Hunze | 16,7 |
| Borger-Odoorn | 17,4 |
| De Wolden | 13,0 |
| Noord-Beveland | 15,3 |
| Wijdemeren | 16,2 |
| Noordenveld | 11,7 |
| Twenterand | 8,3 |
| Westerveld | 15,1 |
| Lingewaard | 12,1 |
| Cranendonck | 22,5 |
| Steenwijkerland | 15,4 |
| Moerdijk | 12,7 |
| Echt-Susteren | 16,9 |
| Sluis | 16,3 |
| Drimmelen | 15,0 |
| Bernheze | 17,7 |
| Alphen-Chaam | 15,3 |
| Bergeijk | 22,0 |
| Bladel | 15,2 |
| Gulpen-Wittem | 21,1 |
| Tynaarlo | 11,0 |
| Midden-Drenthe | 13,8 |
| Overbetuwe | 12,5 |
| Hof van Twente | 10,7 |
| Neder-Betuwe | 15,3 |
| Rijssen-Holten | 14,3 |
| Geldrop-Mierlo | 15,1 |
| Olst-Wijhe | 15,5 |
| Dinkelland | 20,6 |
| Westland | 14,5 |
| Midden-Delfland | 23,1 |
| Berkelland | 14,1 |
| Bronckhorst | 16,8 |
| Sittard-Geleen | 16,5 |
| Kaag en Braassem | 12,6 |
| Dantumadiel | 18,2 |
| Zuidplas | 16,8 |
| Peel en Maas | 13,9 |
| Oldambt | 8,2 |
| Zwartewaterland | 19,3 |
| Súdwest-Fryslân | 17,3 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 17,1 |
| Eijsden-Margraten | 12,3 |
| Stichtse Vecht | 16,3 |
| Hollands Kroon | 13,4 |
| Leidschendam-Voorburg | 14,7 |
| Goeree-Overflakkee | 14,5 |
| Pijnacker-Nootdorp | 12,0 |
| Nissewaard | 15,8 |
| Krimpenerwaard | 18,5 |
| De Fryske Marren | 11,3 |
| Gooise Meren | 13,4 |
| Berg en Dal | 18,1 |
| Meierijstad | 14,2 |
| Waadhoeke | 16,7 |
| Westerwolde | 49,7 |
| Midden-Groningen | 12,5 |
| Beekdaelen | 13,6 |
| Montferland | 20,1 |
| Altena | 13,2 |
| West Betuwe | 16,5 |
| Vijfheerenlanden | 16,2 |
| Hoeksche Waard | 16,9 |
| Het Hogeland | 19,0 |
| Westerkwartier | 12,8 |
| Noardeast-Fryslân | 16,8 |
| Molenlanden | 16,2 |
| Eemsdelta | 9,9 |
| Dijk en Waard | 13,1 |
| Land van Cuijk | 16,3 |
| Maashorst | 15,3 |
| Voorne aan Zee | 16,8 |
| Gemeentenaam | Aantal statushouders per 10 000 inwoners |
|---|---|
| Groningen | 13,3 |
| Almere | 9,6 |
| Stadskanaal | 16,8 |
| Veendam | 13,4 |
| Zeewolde | 18,1 |
| Achtkarspelen | 11,0 |
| Ameland | . |
| Harlingen | 12,4 |
| Heerenveen | 13,0 |
| Leeuwarden | 12,8 |
| Ooststellingwerf | 22,4 |
| Opsterland | 20,3 |
| Schiermonnikoog | . |
| Smallingerland | 18,9 |
| Terschelling | . |
| Vlieland | . |
| Weststellingwerf | 8,3 |
| Assen | 16,7 |
| Coevorden | 18,5 |
| Emmen | 12,7 |
| Hoogeveen | 14,2 |
| Meppel | 13,3 |
| Almelo | 11,9 |
| Borne | 12,2 |
| Dalfsen | 8,4 |
| Deventer | 8,0 |
| Enschede | 14,9 |
| Haaksbergen | 12,7 |
| Hardenberg | 14,7 |
| Hellendoorn | 8,5 |
| Hengelo | 14,8 |
| Kampen | 7,0 |
| Losser | 16,3 |
| Noordoostpolder | 12,1 |
| Oldenzaal | 15,0 |
| Ommen | 16,4 |
| Raalte | 16,1 |
| Staphorst | . |
| Tubbergen | 10,3 |
| Urk | 14,2 |
| Wierden | 6,4 |
| Zwolle | 13,3 |
| Aalten | 19,5 |
| Apeldoorn | 9,2 |
| Arnhem | 9,2 |
| Barneveld | 12,7 |
| Beuningen | 12,8 |
| Brummen | 12,3 |
| Buren | 14,4 |
| Culemborg | 9,8 |
| Doesburg | . |
| Doetinchem | 7,8 |
| Druten | 17,4 |
| Duiven | 13,2 |
| Ede | 10,8 |
| Elburg | 18,3 |
| Epe | 11,7 |
| Ermelo | 16,7 |
| Harderwijk | 11,0 |
| Hattem | . |
| Heerde | 17,7 |
| Heumen | 13,7 |
| Lochem | 12,2 |
| Maasdriel | 6,5 |
| Nijkerk | 16,7 |
| Nijmegen | 12,4 |
| Oldebroek | 12,8 |
| Putten | 8,0 |
| Renkum | 12,4 |
| Rheden | 9,2 |
| Rozendaal | . |
| Scherpenzeel | 14,4 |
| Tiel | 15,7 |
| Voorst | 13,1 |
| Wageningen | 11,7 |
| Westervoort | 13,9 |
| Winterswijk | 16,1 |
| Wijchen | 15,9 |
| Zaltbommel | 9,2 |
| Zevenaar | 14,4 |
| Zutphen | 15,5 |
| Nunspeet | 12,5 |
| Dronten | 10,3 |
| Amersfoort | 11,4 |
| Baarn | 15,2 |
| De Bilt | 13,2 |
| Bunnik | 15,6 |
| Bunschoten | 8,4 |
| Eemnes | 11,5 |
| Houten | 11,9 |
| Leusden | 9,9 |
| Lopik | 11,6 |
| Montfoort | 11,5 |
| Renswoude | 20,9 |
| Rhenen | 17,2 |
| Soest | 12,2 |
| Utrecht | 11,6 |
| Veenendaal | 13,7 |
| Woudenberg | 17,4 |
| Wijk bij Duurstede | 12,9 |
| IJsselstein | 10,2 |
| Zeist | 13,2 |
| Nieuwegein | 15,3 |
| Aalsmeer | 16,0 |
| Alkmaar | 23,2 |
| Amstelveen | 15,9 |
| Amsterdam | 10,5 |
| Bergen (NH.) | 13,3 |
| Beverwijk | 17,6 |
| Blaricum | 11,2 |
| Bloemendaal | 18,4 |
| Castricum | 11,8 |
| Diemen | 18,3 |
| Edam-Volendam | 7,9 |
| Enkhuizen | . |
| Haarlem | 14,5 |
| Haarlemmermeer | 10,8 |
| Heemskerk | 18,5 |
| Heemstede | 19,1 |
| Heiloo | 12,3 |
| Den Helder | 14,3 |
| Hilversum | 15,2 |
| Hoorn | 10,0 |
| Huizen | 16,7 |
| Landsmeer | 16,2 |
| Laren | 11,1 |
| Medemblik | 10,0 |
| Oostzaan | 13,4 |
| Opmeer | 12,3 |
| Ouder-Amstel | 14,7 |
| Purmerend | 12,2 |
| Schagen | 13,5 |
| Texel | 16,5 |
| Uitgeest | 15,6 |
| Uithoorn | 15,3 |
| Velsen | 14,1 |
| Zandvoort | 14,8 |
| Zaanstad | 15,2 |
| Alblasserdam | 9,3 |
| Alphen aan den Rijn | 11,4 |
| Barendrecht | 5,5 |
| Drechterland | 10,3 |
| Capelle aan den IJssel | 12,7 |
| Delft | 11,9 |
| Dordrecht | 15,6 |
| Gorinchem | 10,9 |
| Gouda | 14,6 |
| 's-Gravenhage | 13,9 |
| Hardinxveld-Giessendam | 13,4 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 14,0 |
| Stede Broec | 13,1 |
| Hillegom | 12,5 |
| Katwijk | 15,2 |
| Krimpen aan den IJssel | 16,3 |
| Leiden | 12,8 |
| Leiderdorp | 13,7 |
| Lisse | 11,1 |
| Maassluis | 12,2 |
| Nieuwkoop | 12,9 |
| Noordwijk | 17,3 |
| Oegstgeest | 10,5 |
| Oudewater | 12,7 |
| Papendrecht | 7,7 |
| Ridderkerk | 15,0 |
| Rotterdam | 14,6 |
| Rijswijk | 10,0 |
| Schiedam | 14,1 |
| Sliedrecht | 15,3 |
| Albrandswaard | 8,7 |
| Vlaardingen | 16,0 |
| Voorschoten | 9,0 |
| Waddinxveen | 19,6 |
| Wassenaar | 11,8 |
| Woerden | 16,0 |
| Zoetermeer | 11,4 |
| Zoeterwoude | 13,8 |
| Zwijndrecht | 18,2 |
| Borsele | 14,2 |
| Goes | 17,5 |
| West Maas en Waal | 11,0 |
| Hulst | 15,2 |
| Kapelle | 18,4 |
| Middelburg | 14,8 |
| Reimerswaal | 15,5 |
| Terneuzen | 14,5 |
| Tholen | 9,7 |
| Veere | 11,8 |
| Vlissingen | 16,4 |
| De Ronde Venen | 15,6 |
| Tytsjerksteradiel | 12,7 |
| Asten | 23,8 |
| Baarle-Nassau | 21,2 |
| Bergen op Zoom | 14,5 |
| Best | 14,6 |
| Boekel | 19,7 |
| Boxtel | 13,6 |
| Breda | 10,1 |
| Deurne | 15,2 |
| Pekela | 8,1 |
| Dongen | 14,3 |
| Eersel | 14,0 |
| Eindhoven | 13,7 |
| Etten-Leur | 13,0 |
| Geertruidenberg | 16,3 |
| Gilze en Rijen | 17,5 |
| Goirle | 10,8 |
| Helmond | 15,4 |
| 's-Hertogenbosch | 15,9 |
| Heusden | 14,8 |
| Hilvarenbeek | 15,7 |
| Loon op Zand | 16,0 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 19,6 |
| Oirschot | 13,0 |
| Oisterwijk | 12,1 |
| Oosterhout | 10,1 |
| Oss | 14,3 |
| Rucphen | 6,8 |
| Sint-Michielsgestel | 14,9 |
| Someren | 18,4 |
| Son en Breugel | 12,2 |
| Steenbergen | 20,7 |
| Waterland | 14,8 |
| Tilburg | 10,7 |
| Valkenswaard | 12,7 |
| Veldhoven | 12,7 |
| Vught | 10,6 |
| Waalre | 7,8 |
| Waalwijk | 7,6 |
| Woensdrecht | 14,9 |
| Zundert | 7,5 |
| Wormerland | 14,4 |
| Landgraaf | 11,6 |
| Beek | 14,3 |
| Beesel | 8,9 |
| Bergen (L.) | 10,7 |
| Brunssum | 7,6 |
| Gennep | 15,8 |
| Heerlen | 14,7 |
| Kerkrade | 15,1 |
| Maastricht | 12,8 |
| Meerssen | 12,9 |
| Mook en Middelaar | . |
| Nederweert | 14,3 |
| Roermond | 13,5 |
| Simpelveld | . |
| Stein | 15,3 |
| Vaals | 18,6 |
| Venlo | 12,4 |
| Venray | 18,4 |
| Voerendaal | 9,7 |
| Weert | 13,2 |
| Valkenburg aan de Geul | 7,9 |
| Lelystad | 21,8 |
| Horst aan de Maas | 13,1 |
| Oude IJsselstreek | 14,6 |
| Teylingen | 16,9 |
| Utrechtse Heuvelrug | 11,3 |
| Oost Gelre | 14,4 |
| Koggenland | 19,1 |
| Lansingerland | 11,7 |
| Leudal | 4,2 |
| Maasgouw | 12,3 |
| Gemert-Bakel | 15,0 |
| Halderberge | 17,1 |
| Heeze-Leende | 18,6 |
| Laarbeek | 13,3 |
| Reusel-De Mierden | 17,0 |
| Roerdalen | 10,6 |
| Roosendaal | 11,1 |
| Schouwen-Duiveland | 13,3 |
| Aa en Hunze | 9,7 |
| Borger-Odoorn | 13,9 |
| De Wolden | 13,8 |
| Noord-Beveland | . |
| Wijdemeren | 15,0 |
| Noordenveld | 10,4 |
| Twenterand | 6,8 |
| Westerveld | 13,1 |
| Lingewaard | 6,1 |
| Cranendonck | 17,3 |
| Steenwijkerland | 12,1 |
| Moerdijk | 11,7 |
| Echt-Susteren | 14,1 |
| Sluis | 15,5 |
| Drimmelen | 12,1 |
| Bernheze | 15,8 |
| Alphen-Chaam | 15,3 |
| Bergeijk | 18,9 |
| Bladel | 15,2 |
| Gulpen-Wittem | 14,8 |
| Tynaarlo | 7,8 |
| Midden-Drenthe | 11,2 |
| Overbetuwe | 10,7 |
| Hof van Twente | 9,0 |
| Neder-Betuwe | 13,8 |
| Rijssen-Holten | 10,1 |
| Geldrop-Mierlo | 11,4 |
| Olst-Wijhe | 14,5 |
| Dinkelland | 17,2 |
| Westland | 12,1 |
| Midden-Delfland | 12,3 |
| Berkelland | 12,9 |
| Bronckhorst | 16,3 |
| Sittard-Geleen | 13,6 |
| Kaag en Braassem | 9,1 |
| Dantumadiel | 16,2 |
| Zuidplas | 14,3 |
| Peel en Maas | 12,8 |
| Oldambt | 4,1 |
| Zwartewaterland | 12,8 |
| Súdwest-Fryslân | 15,1 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 11,0 |
| Eijsden-Margraten | 5,8 |
| Stichtse Vecht | 12,8 |
| Hollands Kroon | 13,4 |
| Leidschendam-Voorburg | 10,9 |
| Goeree-Overflakkee | 12,2 |
| Pijnacker-Nootdorp | 10,1 |
| Nissewaard | 14,7 |
| Krimpenerwaard | 17,5 |
| De Fryske Marren | 8,1 |
| Gooise Meren | 12,4 |
| Berg en Dal | 10,4 |
| Meierijstad | 13,4 |
| Waadhoeke | 16,3 |
| Westerwolde | 15,1 |
| Midden-Groningen | 11,4 |
| Beekdaelen | 12,2 |
| Montferland | 18,7 |
| Altena | 13,2 |
| West Betuwe | 14,0 |
| Vijfheerenlanden | 13,3 |
| Hoeksche Waard | 11,5 |
| Het Hogeland | 14,5 |
| Westerkwartier | 12,3 |
| Noardeast-Fryslân | 14,4 |
| Molenlanden | 11,7 |
| Eemsdelta | 7,3 |
| Dijk en Waard | 9,7 |
| Land van Cuijk | 14,5 |
| Maashorst | 14,3 |
| Voorne aan Zee | 15,1 |
Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker
Statushouders wonen als ze langer in Nederland verblijven steeds vaker in stedelijke gebieden. Van het cohort 2014 woonde twee maanden na verlaten van de COA-opvang 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied. Na 108 maanden (negen jaar) is dat 61 procent. Cohort 2015 laat een vergelijkbare stijging zien: van 55 procent na twee maanden naar 62 procent na 96 maanden (acht jaar). Ook de andere cohorten zijn in de loop van de tijd iets stedelijker gaan wonen. Ter vergelijking: in 2015 woonde 48 procent van alle Nederlanders in een sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied, in 2024 was dat 50 procent. noot3
Deze stijging in het wonen in stedelijk gebied betekent niet altijd dat statushouders ook echt naar een verstedelijkt gebied zijn verhuisd. Door gemeentelijke herindelingen kan een gemeente in een andere categorie vallen waardoor de inwoners van die gemeente ‘automatisch’ in een ander stedelijkheidsgebied terechtkomen.
| Vergunningscohort | 2 | 12 | 24 | 36 | 48 | 60 | 72 | 84 | 96 | 108 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2014 | 53,4 | 54,1 | 55,0 | 56,7 | 57,9 | 58,8 | 59,7 | 60,6 | 60,9 | 60,9 |
| 2015 | 55,2 | 56,5 | 57,6 | 58,6 | 59,5 | 60,1 | 60,8 | 61,4 | 62,2 | . |
Statushouders wonen vooral in huurwoningen
De 280 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2024 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2024 104 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2024 het overgrote deel (93 procent) van de huishoudens in een huurwoning. Ongeveer 5 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend (2 procent). Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde woningen in 2024 was een huurwoning en 58 procent een eigen woning.noot4 Er zijn verschillen tussen nationaliteiten: 11 procent van Afghanen van cohort 2014 woont in een eigen woning in 2023 en 2024, terwijl dit percentage bij Eritreeërs onder de 2 procent is. Uit cohort 2015 en 2016 hebben Iraniërs het vaakst een eigen woning (respectievelijk 15 en 12 procent) op 1 juli 2024. Van cohort 2017 en 2018 hebben statushouders met een Turkse nationaliteit op dat moment het vaakst een eigen woning (respectievelijk 13 en 9 procent).
| Meetmoment | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije | Jemen | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | 0,6 | . | . | . | . | . | . | . | 1,3 |
| 2016 | 0,6 | . | 2,8 | . | . | . | . | . | 1,2 |
| 2017 | 0,6 | . | 2,8 | . | . | . | . | . | 2,0 |
| 2018 | 1,0 | . | 4,2 | 0,4 | . | . | . | . | 2,0 |
| 2019 | 1,6 | 3,8 | 4,1 | 0,4 | . | . | . | 2,2 | 2,4 |
| 2020 | 2,1 | 3,7 | 6,8 | 0,6 | 5,1 | . | . | 1,4 | 3,6 |
| 2021 | 2,9 | 6,0 | 6,9 | 0,7 | 6,8 | . | . | 1,4 | 4,4 |
| 2022 | 3,8 | 6,0 | 8,2 | 1,1 | 8,6 | . | . | 2,1 | 6,1 |
| 2023 | 4,6 | 7,2 | 11,0 | 1,4 | 8,6 | . | . | 1,4 | 7,0 |
| 2024 | 5,9 | 8,3 | 11,1 | 1,7 | 8,5 | . | . | . | 7,4 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | |||||||||
3.7Huishoudenssamenstelling
Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aandeel alleenstaanden neemt af
Vanaf vergunningscohort 2017 bestaat een groter deel van de statushouders uit thuiswonende kinderen. Dit percentage is 40 procent of meer in de tweede maand na het verlaten van de COA-opvang. Bij het vergunningscohort van 2014 was dit percentage, gemeten in de tweede maand buiten de asielopvang, 29 procent.
Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, was 38 procent twee maanden na uitstroom alleenstaand. Voor vergunningscohort 2023 was dit percentage 24 procent, en 10 procent in de eerste helft van 2024.
Er zijn verschillen tussen vrouwen en mannen in huishoudenssamenstelling. Voor de totale groep statushouders geldt dat 10 procent van de vrouwen alleenstaand is, tegenover 35 procent van de mannen. Vrouwen zijn vaker partner in paar met kinderen (28 tegen 15 procent) en ouder in eenouderhuishouden (6 tegen 1 procent).
| Vergunningscohort | Alleenstaande | Thuiswonend kind | Partner in paar met kinderen | Partner in paar zonder kinderen | Ouder in eenouderhuishouden | Overig lid huishouden |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste helft 2024 | 445 | 2620 | 860 | 265 | 70 | 290 |
| 2023 | 5635 | 10155 | 4040 | 1565 | 605 | 1210 |
| 2022 | 7765 | 12075 | 6675 | 1670 | 815 | 1490 |
| 2021 | 5275 | 12000 | 5770 | 1600 | 805 | 1120 |
| 2020 | 4480 | 7120 | 3310 | 940 | 605 | 580 |
| 2019 | 2715 | 7785 | 2830 | 760 | 450 | 570 |
| 2018 | 2180 | 8095 | 3205 | 990 | 615 | 605 |
| 2017 | 3700 | 13460 | 7085 | 1570 | 840 | 1225 |
| 2016 | 10370 | 13000 | 6725 | 2545 | 1245 | 1910 |
| 2015 | 9880 | 10740 | 6315 | 2285 | 825 | 1855 |
| 2014 | 7325 | 5525 | 3730 | 1200 | 520 | 1105 |
3.8Onderwijs
Statushouders van recente vergunningscohorten volgen vaker onderwijs
Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vaker onderwijs (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo of wo). Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning, was dit gestegen naar 39 procent voor cohort 2014 en daalt vervolgens weer naar 31 procent op 1 oktober 2024. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit percentage hoger voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2019 is dit aandeel tussen de 49 en 53 procent.
Vooral jongeren tussen 18 en 22 jaar uit cohort 2014 volgen vaker onderwijs. In 2015 volgde 19 procent van hen onderwijs. Dit loopt op tot 86 procent op 1 oktober 2024. Ook in alle andere cohorten neemt deelname aan het onderwijs onder niet-leerplichtige jongeren toe over tijd.
Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten amv’s
Onder de amv’s laten de cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien. Zo volgde, op 1 oktober 2015, 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen onderwijs. Voor de overige cohorten ligt dat aandeel, het jaar na verkrijgen van de verblijfsvergunning, tussen de 72 en 80 procent. Alleen in cohort 2023 is dit aandeel 68 procent.
Toename mbo gestopt
Er zijn 2 360 personen die in cohort 2014 een verblijfsvergunning ontvingen en een onderwijsniveau vanaf voorgezet onderwijs hadden in 2015. Dit aantal stijgt tot 5 350 in 2024, wat vooral verklaard wordt door meer mbo-studenten. Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij namelijk vooral onderwijs op mbo-niveau. Van de onderwijsvolgende personen (vanaf het niveau voorgezet onderwijs) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, volgde ongeveer 12 procent mbo in 2015 (285 personen). In 2024 was dat 53 procent (ongeveer 2 830 personen).
| Leeftijdsgroep | Geen onderwijs, 2014 | Basisonderwijs, 2014 | Voortgezet onderwijs, 2014 | Mbo, 2014 | Hbo, 2014 | Wo, 2014 | Vertrokken/overleden, 2014 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 5 t/m 11 jaar | 15 | 2510 | . | . | . | . | 40 |
| 12 t/m 17 jaar | 15 | 435 | 1375 | 170 | . | . | 50 |
| 18 t/m 22 jaar | 820 | . | 125 | 1150 | 60 | 25 | 70 |
| 23 jaar en ouder | 10585 | . | 15 | 1085 | 225 | 115 | 395 |
| * Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per cohort vanwege onderdrukking van cijfers. | |||||||
Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding en vindt steeds vaker de weg naar hbo en wo
De grootste groep amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten voor gemiddeld 78 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s met een onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs het geval.
Steeds hoger mbo-niveau
Op het mbo volgen statushouders in de eerste jaren vooral een opleiding op niveau 1. Zo volgde 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die op 1 oktober 2015 een mbo-opleiding deden dit op niveau 1. In 2024 is dit nog 11 procent. De meeste statushouders in 2024 volgen een mbo-opleiding op niveau 4 (40 procent). De andere cohorten laten een vergelijkbaar beeld zien: een daling van niveau 1 en een stijging van de overige niveaus. Voor amv’s is een vergelijkbare ontwikkeling te zien.
3.9Inburgering
1 procent van de statushouders uit cohort 2014 nog inburgeringsplichtig met overschrijding
Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 28 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2024. De groep niet-inburgeringsplichtigen bestaat grotendeels uit kinderen tot 18 jaar of personen van 65 jaar of ouder. Zij hebben geen inburgeringsplicht. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Deze groep vormt de basis voor de cijfers in figuur 3.9.1 en figuur 3.9.2.
Een statushouder kan een ontheffing krijgen wanneer hij of zij een psychische, lichamelijke of verstandelijke beperking heeft. Ook als een statushouder met inburgeringsplicht kan bewijzen genoeg moeite te hebben gedaan om aan de inburgeringsvereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgeringsplicht mogelijk. Voor 26 procent van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet Inburgering 2013, geldt dat zij zo’n ontheffing hebben op 1 oktober 2024. Van dit cohort heeft 61 procent het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is 98 procent van de groep die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden. Een vrijstelling kan je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete. Minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen). Tot slot is 10 procent van de statushouders vertrokken of overleden en voor minder dan 0,5 procent van de statushouders geldt dat er wel een inburgeringsplicht is vastgesteld maar deze nog niet is ingegaan óf inmiddels is vervallen.
74 procent van de Iraniërs van cohort 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 heeft in oktober 2024 het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen. Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 34 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 32 procent van deze groep een volledige ontheffing heeft tegenover 17 procent van de Iraniërs.
| Nationaliteit | Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling | Volledige ontheffing | Nog geen examen behaald, geen overschrijding | Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) | Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen | Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Syrië | 4670 | 1760 | 10 | 30 | 15 | 600 |
| Irak | 210 | 160 | . | . | . | 60 |
| Afghanistan | 240 | 95 | . | . | . | 60 |
| Eritrea | 2170 | 1105 | 20 | 90 | . | 215 |
| Iran | 250 | 60 | . | . | . | 30 |
| Turkije** | . | . | . | . | . | . |
| Jemen** | . | . | . | . | . | . |
| Somalië | 230 | 215 | . | . | 10 | 215 |
| Overig/onbekend | 805 | 310 | . | 20 | . | 285 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | ||||||
| ** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden. | ||||||
Voor de nieuwste cohorten liggen de cijfers met geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen natuurlijk lager. Deze inburgeringsplichtigen hebben ook minder tijd gehad om het examen te halen. Voor de vergunningscohorten 2017 tot en met 2020 is het aandeel geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen tussen 51 en 54 procent. Voor de personen uit de laatste cohorten was de inburgeringstermijn in oktober 2024 ook nog niet overschreden.
Op 1 januari 2022 trad de Wet inburgering 2021 in werking. Deze wet geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig wordt. Ook statushouders uit eerdere cohorten dan 2022 kunnen onder de Wet inburgering 2021 vallen, als zij na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden doordat zij bijvoorbeeld daarna de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Meer informatie over de groep statushouders die volgens de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is geworden, is te vinden in het dashboard en in de rapportage Statistiek Wet Inburgering (CBS, 2024).
| Vergunningscohort | Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling | Volledige ontheffing | Nog geen examen behaald, geen overschrijding | Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) | Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen | Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2021 | 5200 | 1265 | 8015 | 25 | 30 | 910 |
| 2020 | 5535 | 2305 | 1995 | 20 | 15 | 440 |
| 2019 | 4290 | 2440 | 645 | 125 | 25 | 415 |
| 2018 | 4360 | 3005 | 250 | 155 | 60 | 705 |
| 2017 | 8765 | 6015 | 275 | 295 | 80 | 1285 |
| 2016 | 15095 | 7515 | 220 | 325 | 105 | 1800 |
| 2015 | 14215 | 5860 | 120 | 270 | 115 | 2105 |
| 2014 | 8590 | 3710 | 45 | 160 | 45 | 1470 |
Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs
Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op minimaal taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen personen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, bijvoorbeeld als ze na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor personen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor personen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot5
De meeste statushouders (92 procent) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen en hun inburgeringsexamen hadden behaald (gemeten op 1 oktober 2024), deed dat op taalniveau A2. Ook voor andere cohorten geldt dat de meesten (83 procent of meer) het inburgeringsexamen haalden op niveau A2. Dit geldt voor alle nationaliteiten.noot6 Voor personen uit cohort 2014 met een Iraanse herkomst is dit aandeel het laagst (82 procent) en voor Eritrese personen het hoogst (98 procent). Dit betekent dat personen met een Iraanse herkomst vaker hun inburgeringsexamen op een hoger niveau halen dan andere nationaliteiten.
Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen aan de Nederlandse maatschappij. Er zijn drie leerroutes om in te burgeren. Bij twee van deze routes leren inburgeringsplichtigen de Nederlandse taal op minimaal niveau B1.noot7 In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (personen die vanaf 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden) nog geen gegevens beschikbaar over het taalniveau.
| Nationaliteit | Vergunningscohort | Niveau A2 | Niveau B1 | Niveau B2 |
|---|---|---|---|---|
| Syrië | '14, Syrië | 4160 | 210 | 250 |
| Syrië | '15, Syrië | 8405 | 350 | 455 |
| Syrië | '16, Syrië | 10085 | 340 | 475 |
| Syrië | '17, Syrië | 4345 | 215 | 205 |
| Syrië | '18, Syrië | 1525 | 85 | 125 |
| Syrië | '19, Syrië | 1440 | 105 | 130 |
| Irak | '14, Irak | 180 | 10 | . |
| Afghanistan | '14, Afghanistan | 180 | 20 | . |
| Afghanistan | '16, Afghanistan | 245 | 10 | . |
| Afghanistan | '17, Afghanistan | 355 | 15 | 10 |
| Afghanistan | '18, Afghanistan | 225 | . | 10 |
| Eritrea | '14, Eritrea | 2055 | 30 | 15 |
| Eritrea | '15, Eritrea | 2875 | 45 | 10 |
| Eritrea | '16, Eritrea | 1860 | 25 | 10 |
| Eritrea | '17, Eritrea | 1115 | . | 10 |
| Eritrea | '18, Eritrea | 615 | 10 | . |
| Eritrea | '19, Eritrea | 390 | 15 | . |
| Iran | '14, Iran | 200 | 25 | 20 |
| Iran | '15, Iran | 245 | 10 | 20 |
| Iran | '16, Iran | 365 | 15 | 15 |
| Iran | '17, Iran | 585 | 40 | 40 |
| Iran | '18, Iran | 295 | 30 | 35 |
| Iran | '19, Iran | 240 | 25 | 30 |
| Turkije | '17, Turkije | 115 | . | 55 |
| Turkije | '18, Turkije | 140 | 10 | 45 |
| Turkije | '19, Turkije | 400 | 45 | 175 |
| Jemen | '18, Jemen | 125 | . | 15 |
| Jemen | '19, Jemen | 300 | 10 | 15 |
| Overig/onbekend | '14, Overig/onbekend | 690 | 45 | 30 |
| Overig/onbekend | '15, Overig/onbekend | 915 | 45 | 30 |
| Overig/onbekend | '16, Overig/onbekend | 710 | 20 | 20 |
| Overig/onbekend | '17, Overig/onbekend | 730 | 25 | 35 |
| Overig/onbekend | '18, Overig/onbekend | 605 | 40 | 35 |
| Overig/onbekend | '19, Overig/onbekend | 525 | 30 | 40 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | ||||
Naturalisaties nemen vooral toe vanaf zes jaar na ontvangen vergunning
Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland zijn met een geldige verblijfsvergunning en hun inburgeringsexamen hebben gehaald, kunnen zij, onder voorwaardennoot8, de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturaliseren). Van het vergunningscohort 2014 is na negen-en-een-half jaar 89 procent van de statushouders genaturaliseerd en officieel Nederlander geworden. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 94 procent na negen-en-een-half jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor personen uit Turkije en Eritrea duurt meestal wat langer voordat zij naturaliseren. Na negen-en-een-half jaar heeft 71 procent van de vluchtelingen uit Turkije en 82 procent van die uit Eritrea de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor alle cohorten die zes-en-een-half jaar of langer gevolgd worden, is meer dan 80 procent genaturaliseerd.
* Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per uitsplitsing vanwege onderdrukking van cijfers.
| Aantal maanden na ontvangen vergunning | Totaal, 2014 | Syrië, 2014 | Irak, 2014 | Afghanistan, 2014 | Eritrea, 2014 | Iran, 2014 | Turkije, 2014 | Jemen, 2014 | Somalië, 2014 | Overig/onbekend, 2014 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 36 | 1,6 | . | . | . | . | . | . | . | 19,6 | 1,0 |
| 42 | 2,7 | 1,1 | 1,4 | . | . | . | . | . | 25,1 | 1,9 |
| 48 | 6,4 | 6,6 | 2,1 | 1,7 | 0,4 | . | . | . | 29,5 | 6,1 |
| 54 | 11,6 | 13,9 | 4,3 | 2,5 | 0,5 | 4,7 | . | . | 33,5 | 12,9 |
| 60 | 14,5 | 17,0 | 5,7 | 5,0 | 1,0 | 7,1 | . | 33,3 | 38,5 | 18,7 |
| 66 | 19,8 | 23,8 | 12,8 | 10,0 | 2,6 | 11,8 | . | 33,3 | 41,5 | 25,2 |
| 72 | 50,8 | 64,6 | 36,9 | 27,5 | 25,9 | 36,5 | 28,6 | 66,7 | 55,6 | 40,5 |
| 78 | 76,6 | 87,6 | 78,0 | 59,2 | 60,3 | 74,1 | 42,9 | 83,3 | 72,4 | 60,2 |
| 84 | 81,0 | 90,2 | 83,7 | 69,2 | 67,1 | 80,0 | 57,1 | 83,3 | 76,0 | 67,2 |
| 90 | 83,1 | 91,3 | 85,8 | 73,3 | 71,1 | 81,2 | 57,1 | 83,3 | 78,9 | 69,7 |
| 96 | 84,7 | 92,2 | 87,9 | 76,7 | 74,4 | 81,2 | 57,1 | 83,3 | 80,4 | 71,8 |
| 102 | 86,3 | 92,9 | 88,7 | 79,2 | 77,8 | 83,5 | 57,1 | 83,3 | 82,5 | 73,5 |
| 108 | 87,6 | 93,5 | 89,4 | 81,7 | 79,8 | 84,7 | 71,4 | 83,3 | 84,7 | 75,7 |
| 114 | 88,6 | 94,0 | 90,8 | 84,2 | 81,7 | 85,9 | 71,4 | 100,0 | 86,5 | 76,9 |
3.10Sociaal-economische positie
Werk belangrijkste inkomstenbron voor 4 op de 10 statushouders negen jaar na verkrijgen verblijfsvergunning
Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen. Zes maanden na het krijgen van de verblijfsvergunning heeft 28 procent van de statushouders uit het cohort 2014 geen inkomen. In de loop van de tijd krijgen steeds meer statushouders een uitkering (waaronder ook pensioen valt). Het aandeel statushouders dat een uitkering ontvangt is meestal het hoogst anderhalf jaar na het verkrijgen van een vergunning. Daarna daalt dit aandeel weer. Twee jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning heeft 2 procent van de statushouders uit het originele cohort geen inkomen en is voor 62 procent een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Het gaat dan meestal om een bijstandsuitkering. Na negen jaar is dit gedaald tot 25 procent van de statushouders uit het originele cohort. Als alleen gekeken wordt naar statushouders die nog in Nederland zijn (dus niet vertrokken of overleden), is dit 27 procent.
Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Bij cohort 2014 is dit 38 procent negen jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 41 procent. Bij personen uit Eritrea is dat nog een stuk hoger: 61 procent van de Eritreeërs die in Nederland verblijven heeft werk als belangrijkste inkomstenbron negen jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning.
Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders. Bijvoorbeeld, negen jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft 50 procent van de mannelijke statushouders uit het originele cohort 2014 werk als belangrijkste inkomstenbron, tegen 18 procent van de vrouwen. Vrouwelijke statushouders zijn dan vaker schoolgaand (34 procent tegen 17 procent van de mannen) of hebben een uitkering als belangrijkste inkomstenbron (31 procent tegen 22 procent van de mannen). Ook hebben zij vaker geen inkomen, namelijk 10 procent, terwijl dit voor mannelijke statushouders 4 procent is.
De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk. Voor het originele cohort 2014 geldt dat, na negen jaar, meer dan de helft van de statushouders tussen 25 en 45 jaar werk als belangrijkste inkomstenbron heeft: 58 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 52 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Tot 18 jaar gaan bijna alle statushouders naar school (95 procent). Voor 18- tot 25‑jarigen is dit bijna de helft (47 procent). Vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Dit geldt voor bijna de helft van de 45 tot 55‑jarigen en driekwart van statushouders tussen 55 en 65 jaar oud.
Wanneer verschillende cohorten en maanden worden bekeken, blijken personen uit Iran het vaakst inkomen uit werk te hebben. Bijvoorbeeld, drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft 29 procent van de Iraanse statushouders die op dat moment in Nederland verblijven uit cohort 2020 werk als belangrijkste inkomstenbron. Gemiddeld is dit 13 procent onder alle statushouders uit dit cohort dat op dat moment nog in Nederland verblijft.
De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Twee jaar na de vergunning volgt iets meer dan de helft van de amv’s uit cohort 2014 nog onderwijs. De rest ontvangt vooral een uitkering (41 procent) en 1 procent heeft op dat moment werk als belangrijkste inkomstenbron. Dit percentage neemt toe als ze langer in Nederland zijn. Na negen jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 58 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 14 procent. Amv’s hebben daarmee een stuk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron vergeleken met de totale groep statushouders. Ook zijn ze minder afhankelijk van een uitkering. Als alleen de statushouders uit cohort 2014 die in nog Nederland zijn worden meegerekend, heeft 62 procent van de amv’s werk als belangrijkste inkomensbron, tegen 41 procent van alle statushouders.
| Aantal maanden na ontvangen vergunning | Uitkering/pensioen | Werk | Schoolgaand | Geen inkomen | Vertrokken/overleden | Onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 3000 | 125 | 6290 | 9025 | 160 | 1055 |
| 6 | 7420 | 130 | 6410 | 5475 | 135 | 80 |
| 12 | 11455 | 145 | 6510 | 1355 | 180 | . |
| 18 | 12200 | 185 | 6585 | 410 | 270 | . |
| 24 | 12095 | 335 | 6570 | 300 | 350 | . |
| 30 | 11520 | 665 | 6765 | 305 | 400 | . |
| 36 | 10435 | 1360 | 6990 | 410 | 455 | . |
| 42 | 9145 | 2335 | 7120 | 530 | 515 | . |
| 48 | 7890 | 3490 | 7000 | 700 | 570 | . |
| 54 | 6945 | 4440 | 6815 | 830 | 620 | . |
| 60 | 6300 | 5130 | 6570 | 1010 | 640 | . |
| 66 | 6330 | 5330 | 6345 | 945 | 700 | . |
| 72 | 6435 | 5470 | 6090 | 905 | 750 | . |
| 78 | 6320 | 5630 | 5885 | 955 | 860 | . |
| 84 | 5890 | 6190 | 5605 | 990 | 970 | . |
| 90 | 5390 | 6770 | 5370 | 1040 | 1075 | . |
| 96 | 5145 | 7130 | 5085 | 1125 | 1165 | . |
| 102 | 5015 | 7325 | 4860 | 1185 | 1260 | . |
| 108 | 4990 | 7510 | 4575 | 1220 | 1355 | . |
Steeds meer statushouders werken
Een jaar na het krijgen van de verblijfsvergunning is ongeveer 3 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam als werknemer of zelfstandige.noot9 Voor latere cohorten zijn dat er meer met 12 procent in cohort 2022. Als statushouders langer in Nederland zijn, hebben ze zij vaker betaald werk. Van cohort 2014 heeft 55 procent van de statushouders na negen jaar werk. Dit is 59 procent wanneer alleen naar statushouders gekeken wordt die in Nederland verblijven. Voor alle cohorten stijgt het aandeel werkenden naarmate statushouders langer in Nederland zijn. Meer informatie over verschillen naar nationaliteiten in werkenden zijn te vinden in het dashboard.
Dezelfde patronen zijn te zien bij alleen de groep werknemers (zonder zelfstandigen). Nieuwere cohorten hebben twaalf maanden na ontvangen vergunning vaker een dienstverband. Zo is bijna 3 procent van cohort 2014 werknemer, tegen 12 procent van cohort 2022. Eritrese statushouders uit cohort 2014 en Turkse statushouders uit cohort 2017 werken in verhouding vaak in loondienst. Na negen jaar heeft 61 procent van de Eritreeërs uit cohort 2014 een dienstverband, terwijl dit bij de totale groep statushouders 45 procent is. Na zes jaar is 60 procent van de Turken uit cohort 2017 werknemer, tegen 36 procent van alle statushouders.
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.
| Aantal maanden na ontvangen vergunning | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije** | Jemen** | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 0,2 | 3,5 | 5,2 | . | . | . | . | . | 4,2 |
| 6 | 0,5 | 4,6 | 10,4 | . | . | . | . | . | 5,7 |
| 12 | 1,5 | 5,6 | 16,3 | 0,9 | 2,9 | . | . | . | 7,0 |
| 18 | 3,0 | 5,6 | 19,8 | 0,9 | 5,7 | . | . | 2,0 | 8,8 |
| 24 | 5,8 | 9,9 | 26,2 | 2,8 | 7,1 | . | . | 3,7 | 13,1 |
| 30 | 10,6 | 14,1 | 29,4 | 5,8 | 12,9 | . | . | 8,8 | 18,1 |
| 36 | 17,1 | 18,3 | 34,5 | 14,5 | 15,7 | . | . | 14,5 | 24,9 |
| 42 | 23,7 | 25,5 | 34,1 | 24,6 | 21,1 | . | . | 23,7 | 30,6 |
| 48 | 30,3 | 30,2 | 40,4 | 40,2 | 25,7 | . | . | 29,5 | 35,0 |
| 54 | 34,0 | 32,7 | 45,6 | 48,0 | 29,6 | . | . | 35,4 | 40,8 |
| 60 | 36,3 | 33,7 | 44,0 | 55,9 | 33,8 | . | . | 38,6 | 42,1 |
| 66 | 35,7 | 34,0 | 45,1 | 53,5 | 36,6 | . | . | 41,9 | 42,6 |
| 72 | 34,2 | 32,7 | 44,6 | 54,6 | 35,2 | . | . | 41,0 | 41,9 |
| 78 | 33,9 | 36,3 | 43,0 | 54,0 | 35,2 | . | . | 37,7 | 39,9 |
| 84 | 36,4 | 35,0 | 42,6 | 59,8 | 36,6 | . | . | 39,0 | 42,6 |
| 90 | 37,9 | 35,2 | 48,4 | 61,6 | 39,4 | . | . | 40,7 | 46,1 |
| 96 | 38,4 | 37,4 | 47,9 | 62,0 | 39,4 | . | . | 42,9 | 47,9 |
| 102 | 39,2 | 39,8 | 46,4 | 61,0 | 43,1 | . | . | 40,2 | 46,8 |
| 108 | 38,8 | 38,9 | 44,9 | 60,9 | 43,1 | . | . | 42,9 | 48,3 |
| 114 | 38,2 | 40,4 | 42,0 | 59,2 | 41,7 | . | . | 41,7 | 46,4 |
In hun laatst bekende baan werken de meeste statushouders in deeltijd (65 procent) en met een tijdelijk contract (73 procent). Vrouwen werken vaker in deeltijd (82 procent) dan mannen (59 procent). Van de werkenden werkt 8 procent als zelfstandige. Bijna een kwart van de statushouders (22 procent) met een baan werkt in de uitzendbranche. Ook komen banen in de handel (20 procent) en horeca (16 procent) veel voor. Personen met een Turkse en Iraanse herkomst werken het minst vaak in de uitzendbranche (beide 13 procent). Voor statushouders uit Jemen en Somalië ligt dit aandeel met 38 en 43 procent een stuk hoger. Andere verschillen tussen nationaliteiten zijn in het dashboard te vinden.
Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract
Amv’s zijn bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar en stromen later de arbeidsmarkt op. Op 1 juli 2024 verschilt de totale groep amv’s van de totale groep statushouders op de volgende punten betreffende de laatste bekende baan:
- Amv’s werken iets vaker in deeltijd (68 tegen 65 procent).
- Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (80 tegen 73 procent).
- Amv’s werken vaker in de uitzendbranche (32 tegen 22 procent), en in de horeca (22 tegen 16 procent) en iets minder vaak in de handel (18 tegen 20 procent).
- Amv’s werken iets minder vaak als zelfstandige (5 tegen 8 procent).
Statushouders eerst vaak als oproepkracht aan het werk
De meeste statushouders werken als oproepkracht of als werknemer. In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. In de nieuwste cohorten is dit nog vaker. Van cohort 2014 werkt twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning 34 procent van de statushouders als oproepkracht. Voor cohort 2021 is dit 42 procent. Het deel dat als oproepkracht werkt wordt kleiner wanneer statushouders langer in Nederland zijn. Na negen jaar werkt 18 procent van cohort 2014 nog als oproepkracht. De meeste statushouders, namelijk 66 procent, zijn dan werknemer.
Meer dan een derde van werkende statushouders van cohort 2014 heeft vijf of meer banen gehad
Statushouders uit nieuwere cohorten hebben meer banen gehad. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft 28 procent van de statushouders uit cohort 2014 meer dan één baan gehad en 49 procent van cohort 2021 heeft meer dan één baan gehad. Het aantal banen dat statushouders in hun loopbaan hebben neemt langzaam toe over tijd. Na negen jaar heeft 37 procent van cohort 2014 vijf of meer banen gehad.
Steeds vaker voltijdbaan onder werkende statushouders
Een groot deel van de statushouders, in de leeftijdsgroep van 18 tot 65 jaar, begint hun werkzame leven in een deeltijdbaan. Dit is voor eerdere cohorten vaker het geval dan voor latere. Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 86 procent van cohort 2014 in deeltijdnoot10 (tot 1 voltijdsequivalent) tegen 77 procent van cohort 2021. Dit verschil is vooral groot bij de groep met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 49 procent van het cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Bij cohort 2021 is dat 29 procent. Nieuwere cohorten hebben wel vaker een voltijdbaan (1 vte) twee maanden na het krijgen van een vergunning: 23 procent van cohort 2021 tegen 14 procent van cohort 2014. De groep die deeltijd werkt wordt bij alle cohorten met de tijd kleiner. Na negen jaar werkt 54 procent van cohort 2014 nog deeltijd en 46 procent werkt voltijd.
Gemiddeld uurloon werkende statushouders neemt flink toe
Drie jaar na het krijgen van een vergunning verdient 11 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 gemiddeld 15 euro per uur of meer. De meesten (47 procent) verdienen op dat moment minder dan 11 euro per uur. In nieuwere cohorten is de groep die meer dan 15 euro per uur verdient groter. Bijna de helft van cohort 2020 verdiende 15 euro per uur of meer drie jaar na het krijgen van een vergunning. De rest verdienden vooral tussen 13 en 15 euro (ruim een derde). Als statushouders langer in Nederland zijn en werken, dan neemt hun gemiddeld uurloon toe. Na negen jaar verdient 63 procent van cohort 2014 15 euro of meer en 27 procent tussen 13 en 15 euro per uur. Mannelijke statushouders verdienen vaker 15 euro of meer (66 procent) dan vrouwelijke statushouders (52 procent). Vrouwelijke statushouders verdienen vaker minder dan 11 euro, namelijk 14 procent. Voor mannen is dit percentage 4 procent. De stijging is minder sterk, maar nog wel zichtbaar, voor het gemiddeld uurloon gecorrigeerd voor inflatie. Daarnaast blijft er een verschil bestaan tussen recentere en oudere cohorten.
Opnieuw minder uitkeringsgerechtigden in cohort 2014
Twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning, krijgt 89 procent van cohort 2014 een uitkering. Voor nieuwere cohorten is dit percentage lager. Van cohort 2021 heeft 73 procent een uitkering, twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning. Als statushouders langer in Nederland zijn, wordt de groep die een uitkering heeft steeds kleiner. Dit geldt voor alle cohorten. Negen jaar na het ontvangen van een verblijfsvergunning krijgt 31 procent van cohort 2014 een uitkering. Dit is 33 procent van de statushouders uit 2014 die op dat moment in Nederland wonen. Niet iedereen ontvangt meteen een uitkering. Veel statushouders wonen de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering krijgen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig wonen en ingeschreven zijn in een gemeente, kunnen ze een bijstandsuitkering aanvragen. Meestal gaat het om een bijstandsuitkering. Andere uitkeringen, zoals werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, komen niet vaak voor. Dit komt doordat statushouders nog geen lang arbeidsverleden in Nederland hebben. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014 krijgt 94 procent een bijstandsuitkering, 5 procent een werkloosheidsuitkering en 3 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.
| Aantal maanden na ontvangen vergunning | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije** | Jemen** | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 21,9 | 34,9 | 24,7 | 12,2 | 26,1 | . | . | 28,6 | 28,6 |
| 6 | 59,0 | 69,0 | 54,5 | 43,1 | 57,1 | . | . | 60,7 | 64,2 |
| 12 | 89,9 | 85,4 | 73,8 | 79,0 | 85,7 | . | . | 80,6 | 85,9 |
| 18 | 93,0 | 86,7 | 71,6 | 92,1 | 87,1 | . | . | 80,0 | 86,8 |
| 24 | 90,7 | 86,8 | 67,9 | 91,4 | 85,7 | . | . | 75,7 | 83,3 |
| 30 | 86,2 | 81,5 | 63,5 | 89,0 | 81,4 | . | . | 67,5 | 76,5 |
| 36 | 78,1 | 77,4 | 58,6 | 79,9 | 77,1 | . | . | 60,5 | 68,0 |
| 42 | 69,3 | 71,3 | 53,4 | 70,5 | 69,0 | . | . | 53,4 | 58,8 |
| 48 | 60,2 | 64,6 | 48,3 | 57,2 | 62,9 | . | . | 47,5 | 52,8 |
| 54 | 54,0 | 60,2 | 43,3 | 48,2 | 57,7 | . | . | 43,5 | 46,4 |
| 60 | 49,0 | 56,1 | 40,7 | 40,3 | 52,1 | . | . | 41,8 | 43,2 |
| 66 | 47,1 | 53,0 | 39,6 | 39,9 | 47,9 | . | . | 38,8 | 40,2 |
| 72 | 46,6 | 51,5 | 39,1 | 38,2 | 49,3 | . | . | 35,5 | 40,3 |
| 78 | 45,1 | 51,0 | 37,6 | 38,4 | 45,1 | . | . | 34,3 | 38,9 |
| 84 | 41,9 | 49,5 | 35,1 | 31,5 | 43,7 | . | . | 31,9 | 36,6 |
| 90 | 39,0 | 45,7 | 29,5 | 29,5 | 39,4 | . | . | 30,2 | 32,4 |
| 96 | 36,7 | 43,0 | 30,2 | 27,5 | 36,6 | . | . | 27,0 | 30,7 |
| 102 | 35,0 | 40,7 | 26,8 | 27,7 | 33,3 | . | . | 25,5 | 28,8 |
| 108 | 33,7 | 39,8 | 27,6 | 27,1 | 31,9 | . | . | 24,3 | 27,6 |
| 114 | 32,6 | 38,5 | 25,0 | 27,6 | 29,2 | . | . | 24,5 | 27,1 |
3.11Huishoudinkomen en zorggebruik
Inkomensverschillen tussen verschillende nationaliteiten blijven klein
Voor statushouders uit alle cohorten geldt dat het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomennoot11 stijgt als zij langer in Nederland wonen. Statushouders die in 2014 een vergunning kregen, hadden in 2015 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 12,3 duizend euro. In 2023 was dit gestegen naar 23,3 duizend euro. De verschillen in huishoudinkomen van verschillende nationaliteitennoot12 zijn klein. Dit komt doordat veel statushouders een bijstandsuitkering krijgen. De hoogte van deze uitkering hangt af van de gezinssituatie en bestaat uit vaste bedragen. Statushouders uit Iran hebben vaak het hoogste inkomen, zonder te letten op het cohort of meetmoment. Dit sluit aan bij onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) (Huijnk et al., 2021). Daaruit blijkt dat statushouders uit Iran later aan het werk gaan, maar wel een hoger uurloon verdienen.
| Verslagjaar | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | 12300 | . | . | . | . | . | . | . | . |
| 2016 | 12700 | 12300 | . | . | . | . | . | . | . |
| 2017 | 13500 | 12900 | 12700 | . | . | . | . | . | . |
| 2018 | 14500 | 13700 | 13300 | 12800 | . | . | . | . | . |
| 2019 | 15800 | 15000 | 14600 | 13900 | 13500 | . | . | . | . |
| 2020 | 17000 | 16200 | 15600 | 14900 | 14500 | 13900 | . | . | . |
| 2021 | 18400 | 17900 | 17100 | 16400 | 16100 | 15300 | 14900 | . | . |
| 2022 | 20600 | 20000 | 19300 | 18600 | 18400 | 17800 | 17000 | 16100 | . |
| 2023 | 23300 | 22900 | 22100 | 21600 | 21300 | 21000 | 20100 | 19000 | 17900 |
Zorggebruik blijft gelijk na ongeveer twee jaar
Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben kregen en niet meer in een COA- opvanglocatie verblijven, kunnen ze gebruikmaken van de reguliere zorg. Ze moeten dan ook een basisverzekering afsluiten. Van de statushouders die in 2014 een vergunning kregen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verbleven, had 86 procent in 2015 zorgkosten bij de huisarts. Een jaar later was dat gestegen naar 96 procent. Voor alle cohorten geldt dat twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning meer dan 96 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Ter vergelijking, ongeveer 98 procent van de Nederlandse bevolking maakt jaarlijks kosten bij de huisarts. Dit hoge percentage komt omdat iedereen die ingeschreven staat bij een huisarts kosten maakt, ook als zij geen zorg afnemen.
Eritrese statushouders maken de minste kosten voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en medicijnen. Dit werd eerder vastgesteld door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). Zij wijzen op factoren zoals weinig kennis over gezondheidsrisico’s, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling. Dit zit de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg.noot13 Iraanse statushouders maken gemiddeld het vaakst kosten voor zorggebruik. Voor de vergunningscohorten 2014 tot en met 2020 had bijna driekwart van de Iraniërs in 2022 kosten gemaakt voor medicijnen, terwijl dit bij Eritreeërs voor ongeveer de helft het geval was. Dit geldt ook voor ziekenhuiszorg: 58 tot 66 procent van de Iraniërs maakte zorgkosten tegen 40 tot 50 procent van de Eritrese statushouders.
| Type zorg | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Huisartsenzorg | 86,0 | 95,5 | 97,5 | 98,3 | 98,6 | 98,4 | 98,7 | 98,8 |
| Farmacie | 54,6 | 63,3 | 63,9 | 65,4 | 65,2 | 62,1 | 63,6 | 64,9 |
| Ziekenhuiszorg | 46,5 | 53,0 | 54,2 | 56,1 | 56,4 | 51,3 | 54,3 | 55,8 |
Iets meer jongeren met jeugdzorg
Bijna 5 procent van de jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 22, maakte in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg.noot14 In 2023 is dat gestegen naar 9 procent. Voor Afghaanse jonge statushouders is dit met 13 procent het hoogst. De meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Bij jeugdhulp gaat het om hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan thuis wonen in het eigen gezin, maar bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. In 2016 gold dit voor meer dan 4 procent van de jongeren en vanaf 2019 is dit 8 procent. In 2023 kreeg 1,4 procent van de jongeren hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is ongeveer hetzelfde als onder alle Nederlandse jongeren: 1,2 procent. Van de jonge statushouders heeft 1 procent in 2023 te maken met jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen).
| Type jeugdzorg | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jeugdhulp | 4,4 | 6,6 | 7,4 | 7,6 | 7,6 | 8,2 | 8,5 | 8,4 |
| Jeugdbescherming | 0,3 | 0,4 | 0,6 | 0,9 | 1,2 | 1,4 | 1,5 | 1,4 |
| Jeugdreclassering | 0,1 | 0,3 | 0,4 | 0,4 | 0,5 | 0,5 | 0,6 | 0,9 |
3.12Geregistreerde verdachten
Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst
Mannelijke statushouders zijn in verhouding iets vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomst.noot15 In figuur 3.12.1 wordt het aandeel mannelijke verdachten tussen 18 en 45 jaar in 2023 onder statushouders die in 2021 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen. De bevolkingsgroepen zijn gebaseerd op de nieuwe herkomstindeling. Om bevolkingsgroepen te kunnen vergelijken, wordt hier gebruik gemaakt van relatieve cijfers. Er waren 70 verdachte statushouders uit cohort 2021 in verslagjaar 2023 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. Dit komt neer op 420 verdachten per 10 duizend statushouders. In de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar zijn 140 verdachte statushouders, dit is relatief gezien 250 verdachten per 10 duizend statushouders.
In de figuur wordt dit omgerekend naar relatieve cijfers om de verschillende bevolkingsgroepen te vergelijken. Als het totale aantal personen dat in een categorie zit (bijvoorbeeld mannelijke statushouders die een vergunning ontvingen in 2021 en 18 tot 23 jaar oud zijn) lager is dan 10 duizend, is het relatieve aantal verdachte statushouders per 10 duizend hoger dan het absolute aantal. Een rekenvoorbeeld: als er in totaal 5 duizend mannelijke statushouders zijn met een verleende vergunning uit 2021 tussen 18 en 23 jaar en 30 van hen zijn geregistreerd als verdachte in 2023, is het absolute aantal verdachte statushouders voor deze groep 30, en het relatieve aantal 60 per 10 duizend statushouders.
Er is in het rapport gekozen voor een weergave van alleen cohort 2021 en geregistreerd verdachtenschap in 2023 om aan te sluiten bij de weergave van de afgelopen jaren. In het dashboard zijn de populaties en kenmerken die hier in acht kunnen worden genomen ondertussen uitgebreid, maar vanwege de kleine aantallen is er in de rapportage voor gekozen om geen verdere uitsplitsingen te tonen. In het dashboard kan nog verder geselecteerd worden naar type delict en inkomen, gezien deze beide factoren relevant kunnen zijn.
| Leeftijdsgroep | Statushouders | Geboren buiten Nederland, herkomst Totaal | Nederlandse achtergrond | Geboren buiten Nederland, herkomst Buiten Europa (excl. 5 grote herkomstlanden) | Geboren buiten Nederland, herkomst Marokko | Geboren buiten Nederland, herkomst Turkije | Geboren buiten Nederland, herkomst Suriname | Geboren buiten Nederland, herkomst Indonesië | Geboren buiten Nederland, herkomst Nederlandse Cariben | Geboren buiten Nederland, herkomst Europa (exclusief Nederland) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 18 tot 23 jaar | 420 | 280 | 230 | 375 | 1060 | 155 | 475 | 55 | 585 | 165 |
| 23 tot 45 jaar | 250 | 245 | 140 | 220 | 440 | 210 | 510 | 75 | 740 | 195 |
Naast deze rapportage is er een interactief dashboard. Daarin staan nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers. In het dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteiten u cijfers (visueel) wilt zien.
3.13Literatuur
Literatuur
CBS. (2024). Statistiek Wet Inburgering (SWI) 2023. Centraal Bureau Voor de Statistiek.
Cleton, L., Seiffert, L. & Wörmann, H. (2017). Gezinshereniging van derdelanders in Nederland. Europees Migratienetwerk.
Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & De Mooij, M. (Eds.) (2021). Met beleid van start. Sociaal en Cultureel Planbureau.
Noten
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederland is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Zie in het dashboard voor meer toelichtingen en verschillen tussen cohorten en nationaliteiten.
Onder deeltijd wordt alles onder 1 vte verstaan.
Het gestandaardiseerd huishoudinkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Jongeren kunnen meerdere vormen van jeugdzorg tegelijkertijd ontvangen.
Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de personen met een niet-Nederlandse herkomst als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aandeel verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.