Foto omschrijving: Vluchtelingenkinderen aan het tekenen in schoolklas.

Scroll naar Samenvatting

Samenvatting

Het CBS volgt sinds 2017 alle asielzoekers die vanaf 2014 bij COA-opvang zijn ingestroomd en de statushouders die vanaf 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen, inclusief hun nareizigers en gezinsherenigers. Deze zevende jaarlijkse rapportage van dit cohortonderzoek geeft inzicht in de instroom van asielzoekers bij het COA en in de samenstelling van de nieuwste groep statushouders, van 2014 tot en met de eerste helft van 2022. Daarnaast wordt in deze webpublicatie een actueel beeld geschetst van hoe het gaat met de statushouders die sinds 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. Er worden cijfers gepresenteerd over het verblijf in COA-opvang, de wachttijd tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, huisvesting, inburgering, huishoudenssamenstelling, gezinshereniging, onderwijs, naturalisatie, werk en inkomen, zorggebruik en criminaliteit. Tevens is er in deze rapportage speciale aandacht voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen en is een apart hoofdstuk toegevoegd over Oekraïners. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe instroom van asielzoekers bij het COA en de periode van het verblijf in COA-opvanglocaties:

  • Hoge jaarlijkse instroom COA-opvang sinds 2021 – Na een tijdelijke daling in 2020 is het totale aantal asielzoekers dat in 2021 werd opgevangen hoger dan het aantal in de jaren daarvoor. Ook het aantal asielzoekers dat in de eerste helft van 2022 door COA werd opgevangen lag hoger dan het aantal in de eerste helft van 2021 (9 500). De afname in met name de eerste helft van 2020 was een gevolg van de coronacrisis. Zo werden in tal van herkomstlanden en ook in Nederland grensmaatregelen ingevoerd, maar ook konden asielgehoren en rechterlijke uitspraken niet plaatsvinden en werden asielzoekers in noodopvang geplaatst in plaats van in de COA-opvang. In Ter Apel heeft de identificatie en registratie tijdelijk stilgelegen en konden asielaanvragen niet worden ingediend. Vanaf eind april 2020 werden voor veel tijdelijke maatregelen langzaam aan weer versoepelingen doorgevoerd waardoor de instroom in de COA-opvang weer toenam.
  • Meer asielzoekers uit Jemen – Vooral sinds 2020 zien we meer instroom vanuit Jemen. In 2018 en 2019 is het aandeel asielzoekers uit veilige landen zoals Marokko en Algerije groot. Sinds 2018 staat Turkije in de top vijf van nationaliteiten van ingestroomde asielzoekers in COA-opvang. Sinds 2021 bestaat de grootste groep na de Syriërs niet langer uit Eritreeërs maar uit Afghanen.
  • Aandeel nareizigers in 2022 licht gedaald – Nareis komt vooral voor onder Syriërs en Eritreeërs. Onder Syrische asielzoekers is het aandeel (en ook het absolute aantal) nareizigers tussen 2016 en 2021 gedaald (van 65 naar 41 procent). Van de ingestroomde Syrische asielzoekers in de eerste helft van 2022 betreft 31 procent een nareiziger.
  • Aandeel jonge mannen relatief groot – Nog altijd is ruim driekwart van alle asielzoekers jonger dan 35 jaar op het moment van aankomst in Nederland. Met 66 procent blijft het aandeel mannen ook in 2021 en de tweede helft van 2022 hoog. Het gaat, net als in de eerste jaren, vooral om jonge mannen.
  • Aandeel mannen uit Syrië weer gestegen – Sinds 2020 bedraagt het aandeel (jonge) mannen onder de Syrische asielzoekers ongeveer twee derde. Dit beeld lijkt op het beeld van de eerste twee cohorten uit 2014 en 2015. Vooral in 2016 en 2017 is het aandeel vrouwen en ook het aandeel jonge kinderen wat hoger dan in de voorgaande en de meest recente jaren. Dit komt vooral doordat het aantal nareizigers onder Syriërs in 2016 en 2017 relatief hoog is ten opzichte van de andere jaren. In de eerste helft van 2022 bedraagt het percentage mannen 64.
  • Minder alleenstaande mannen uit Syrië, minder kinderen uit Eritrea – In 2021 en de eerste helft van 2022 reisde 45 procent van alle asielzoekers in gezinsverband naar Nederland. In 2017 was dit aandeel nog 59 procent. Tussen 2020 en 2021 nam het aandeel alleenstaande mannen onder Syriërs weer af. Onder Eritreeërs nam juist het aandeel kinderen af tussen 2020 en de eerste helft van 2022.
  • Aantal verhuizingen in COA-opvang neemt voor recente cohorten iets toe – Asielzoekers die in de periode 2020–2021 bij het COA zijn binnengekomen verhuisden in de eerste 6 maanden gemiddeld bijna één keer naar een andere opvanglocatie. Asielzoekers die in 2014 instroomden verhuisden nog 1,7 keer. Tussen 2014 en 2019 is het aantal verhuizingen in het eerste half jaar gemiddeld steeds iets verder afgenomen.
  • Dalende aandelen met vergunning na 12 maanden maar in 2020 weer een stijging – Voor alle nationaliteiten gezamenlijk is het aandeel asielzoekers van cohorten 2018 en 2019 dat na twaalf maanden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gekregen gedaald ten opzichte van de voorgaande cohorten. In 2020 vindt er echter weer een stijging plaats naar 74 procent, iets boven het niveau van 2018. Voor de verschillende instroomcohorten en voor de verschillende nationaliteitennoot1 variëren de cijfers sterk: dit cijfer ligt tussen de 8 (Iran 2019) en 98 procent (Syrië 2014). Alleen asielzoekers uit Eritrea laten een lichte daling zien van het aandeel met verblijfs­vergunning voor cohort 2020 ten opzichte van een cohort eerder.
  • Na zeven-en-een-half jaar nog 240 asielzoekers van cohort 2014 zonder vergunning in COA-opvang – Dit betekent niet dat de IND de aanvraag nog in behandeling heeft voor al deze mensen. Na een afwijzing blijven sommigen in de opvang in afwachting van vertrek, of in afwachting van een uitspraak op beroep. Ook kunnen mensen na een afwijzing opnieuw een asielaanvraag indienen (tweede of volgende aanvraag), bijvoorbeeld wanneer er iets is veranderd in hun situatie, of omdat er nieuwe informatie is over het land van herkomst.
  • Eritreeërs ingestroomd in 2016 en 2017 gemiddeld korter in opvang door meer nareis – Voor de Eritreeërs die zijn ingestroomd in 2016 en 2017 is de woonsituatie verbeterd: van deze groep had 80 procent na twaalf maanden een eigen woonruimte. Voor Syriërs die in deze jaren zijn ingestroomd nam het aandeel met een eigen woning na twaalf maanden verder toe tot 87 procent. Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de asielzoekers in de meest recente jaren nareiziger was. Syriërs uit recentere cohorten moeten weer langer wachten op een eigen woonruimte. Minder dan de helft van Syrische asielzoekers ingestroomd in 2019 en 2020 had na twaalf maanden een eigen woonruimte.
  • Afghanen uit recente jaren minder vaak een eigen woning – Voor Afghanen geldt dat, ten opzichte van bijvoorbeeld Syriërs en Eritreeërs, relatief vaak de asielaanvraag wordt afgewezen. Hierdoor is er onder de Afghaanse asielzoekers een relatief groot aandeel dat na twaalf maanden nog zonder verblijfsvergunning in COA-opvang verblijft. Tevens zien we dat Afghanen na 2018 minder vaak doorstromen naar een eigen woning.
  • Minder nareis en meer vertrek onder recente cohorten – Ongeveer 20 procent van de asielzoekers uit de cohorten 2014 en 2015 heeft familieleden laten overkomen via de nareisregeling. Voor meer recente cohorten (2016–2019) daalt dat aandeel naar 2 tot 7 procent. Tegelijkertijd zien we het vertrek in de cohorten 2016–2019 toenemen ten opzichte van de eerste twee cohorten.
  • Ruim 18 duizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) – Sinds 2014 hebben 18 duizend jongeren gebruik gemaakt van de speciale regeling voor amv's. Van deze groep zijn ruim 16 duizend ingestroomd via een COA, het overige deel valt onder de verantwoordelijkheid van NIDOS. Bijna 60 procent van de amv's bestaat uit Syriërs (31 procent) en Eritreeërs (28 procent). Vooral in 2015 werd veel gebruik gemaakt van deze regeling (4 500 nieuwe amv's). In de eerste helft van 2022 zijn er bijna 1 500 jongeren die nieuw onder deze regeling vallen. Twee derde van alle amv's is 15, 16 of 17 jaar oud, 80 procent is man. Ook onder amv's wordt er in de recentere cohorten minder gebruik gemaakt van de nareisregeling, het aandeel ligt echter wel hoger dan voor de totale instroom in COA.

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot huisvesting en integratie van statushouders en hun nareizigers en gezinsherenigers:

  • Aantal verleende vergunningen neemt sinds 2020 weer toe – In de eerste helft van 2022 is het aantal verleende vergunningen (20 duizend) groter dan dat van 2018, 2019 of 2020. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders.
  • Top vijf nationaliteitennoot2 verandert, top twee vrijwel constant – In de periode 2014 t/‍m 2020 staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee, in 2021 staat Afghanistan op plek twee terwijl Turkije in de eerste helft van 2022 de tweede plaats bezet. In 2019 komen Turkije en Jemen nieuw binnen in de top vijf en zijn daar tot op heden gebleven, met een uitzondering voor Jemen in 2021.
  • Stijging nareizigers onder Syrische, Iraakse en Turkse statushouders in 2021, in 2022 weer een lichte daling – Net als bij de asielverzoeken betreffen ook de statushouders, na een aanvankelijke toename, in steeds mindere mate nareizigers. In 2014 wordt 27 procent van de verblijfsvergunningen aan een nareiziger verleend. In 2017 is dat aandeel toegenomen tot 51 procent. Dit aandeel is vervolgens gedaald tot 22 procent in 2020 waarna in 2021 een stijging volgde tot 36 procent. In de eerste helft van 2022 neemt het aandeel weer iets af (29 procent). Ditzelfde patroon zien we terug bij statushouders met een Syrische, Iraakse en Turkse nationaliteit. Wel is het aandeel nareizigers onder Syriërs in de eerste helft van 2022 met 50 procent nog steeds hoog en een stuk hoger dan onder de andere nationaliteiten.
  • Gemiddelde wachttijd Syriërs laagst door komst van nareizigers – Syriërs en Eritreeërs krijgen relatief snel een verblijfsvergunning. Nareizigers brengen de gemiddelde wachttijd omlaag. Onder het meest recente cohort zijn er vooral onder Syriërs relatief veel nareizigers.
  • Weinig regionale verschillen – Er is weinig verschil in spreiding van statushouders over Nederland tussen de diverse nationaliteiten en vergunningscohorten. Ook twee jaar na het verlaten van de COA-opvang wonen de statushouders nog steeds verspreid over Nederland.
  • Statushouders wonen steeds een beetje stedelijker – Wel zijn statushouders naarmate zij langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker gaan wonen. Van het vergunnings­cohort 2015 woonde na twee maanden 54 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na zes jaar is dat 58 procent.
  • Statushouders wonen vooral in huurwoningen – Het overgrote deel van de 215 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2022 een verblijfsvergunning ontvingen, woont op 1 juli 2022 samen in 74 duizend huishoudens in een huurwoning (95 procent).
  • Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aantal alleenstaanden neemt af – De vergunningscohorten vanaf 2016 bestaan voor een steeds groter deel uit met name thuiswonende kinderen maar ook uit stellen (met en zonder kinderen). Van het vergunningscohort 2014 is 28 procent een thuiswonend kind. Van het vergunningscohort 2022 (de eerste helft) is dit 64 procent. Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de mensen die in 2014 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij worden gehuisvest in een gemeente. Voor statushouders uit de eerste helft van 2022 is dit slechts 2 procent.
  • Steeds meer statushouders volgen onderwijs – Van de opeenvolgende cohorten met mensen die een verblijfsvergunning asiel ontvingen volgt een steeds groter aandeel onderwijs (55 procent op 1 oktober 2022 voor cohort 2018). Ook niet-leerplichtige jongeren vanaf achttien jaar oud volgen vaker onderwijs naarmate ze langer in Nederland zijn.
  • Hoge onderwijsdeelname voor recente cohorten amv’s – Onder de amv’s laten de diverse cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien op 1 oktober 2022. Zo volgde 44 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2022 onderwijs. Van cohort 2020 volgde 80 procent onderwijs op 1 oktober 2022.
  • Toename mbo gestopt, stijging deelname aan hbo en wo – Statushouders die het voortgezet onderwijs verlaten, stromen met name door naar het middelbaar beroeps­onderwijs. In oktober 2022 volgde 50 procent van het totaal aantal onderwijsvolgende statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen een mbo-opleiding. Dit is iets meer dan in oktober een jaar eerder (47 procent). De daling van het aandeel mbo gaat gepaard met een stijging van deelname aan hbo en wo (van 2 procent in 2015 naar 10 procent in 2022).
  • Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding en vinden steeds vaker de weg naar hbo en wo – Van alle amv’s uit cohort 2014 volgt 72 procent op 1 oktober 2017 een mbo-opleiding, in 2022 is dat percentage gestegen naar 82. Ook steeds meer amv’s volgen een hbo- of wo-opleiding. Van de amv’s die in 2014 een verblijfsvergunning kregen volgde 9 procent op 1 oktober 2022 een opleiding op hbo- of wo-niveau, op 1 oktober 2017 was dat nog minder dan 2 procent.
  • Steeds hoger mbo-niveau – Van de statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en een mbo-opleiding volgden, volgde aanvankelijk het grootste deel een opleiding op niveau 1. Sinds 2018 is het deel dat een niveau 2 opleiding volgt groter dan het deel dat een niveau 1 opleiding volgt. Voor cohorten 2016 en 2017 geldt hetzelfde maar dan respectievelijk vanaf 2020 en 2021. Ook volgen steeds meer statushouders een mbo-opleiding op niveau 3 en 4.
  • 44 procent van cohort 2014 heeft inburgeringsexamen behaald, 29 procent niet inburgeringsplichtig – Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfs­vergunning asiel ontvingen heeft 44 procent het inburgeringsexamen behaald, 29 procent was niet-inburgeringsplichtig (vrijwel allen kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn: zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht). Voor 19 procent van de statushouders van cohort 2014 geldt dat zij een ontheffing hebben. Slechts een klein deel van de statushouders uit het cohort 2014 heeft in oktober 2022 het inburgeringsexamen nog niet gehaald of heeft een verlenging van de inburgerings­termijn gehad.
  • Vrijwel alle inburgeringsplichtigen van cohort 2014 hebben voldaan aan de inburgeringsplicht – Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen, dan heeft 68 procent van de bijna 13 duizend inburgeringsplichtigen van het vergunnings­cohort 2014 in oktober 2022 het inburgeringsexamen behaald of een vrijstelling gekregen. Daarnaast heeft 29 procent een ontheffing, 2 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen) terwijl slechts 1 procent van de inburgeringsplichtigen het examen nog niet heeft gehaald en daarmee de inburgeringstermijn heeft overschreden.
  • Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs – Bij het volgen van een inburge­rings­cursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, wanneer zij bijvoorbeeld na hun inburgering willen studeren of werken. Van de mensen uit het vergunningscohort 2014 die het inburgeringsexamen haalden deed 86 procent dat op A2 niveau, onder Eritreeërs was dat 96 procent.
  • Naturalisaties nemen toe – Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland verblijven, kunnen zij onder voorwaarden het Nederlanderschap aanvragen. Van het vergunnings­cohort 2014 heeft 83 procent dat binnen 90 maanden succesvol gedaan. Het aandeel naturalisaties onder Syrische statushouders is met 91 procent binnen 90 maanden het grootst.
  • Stijging aandeel werkenden: effect coronacrisis lijkt voorbij – Voor vergunningscohort 2014 zien we dat na zeven-en-een-half jaar 45 procent van alle 18- tot 65‑jarige statushouders een baan heeft. Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; we zien ook dat de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten kleiner worden. De meeste werkende statushouders werken in deeltijd (53 procent) en met een tijdelijk contract (79 procent). Na een kleine daling die vermoedelijk te maken had met de coronacrisis (waarin mensen met een tijdelijk contract (en werkzaam in horeca en uitzendbranche) relatief hard worden geraakt), neemt het aandeel werkenden in de meest recente maanden weer toe.
    In vergelijking met de totale groep statushouders werken amv’s iets vaker in deeltijd, hebben ze vaker een baan met een tijdelijk contract, werken ze vaker in de uitzend­branche en in de horeca (maar minder in de handel) en werken ze minder vaak als zelfstandige.
  • Bijna 45 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 werkt uiteindelijk fulltime – Een aanzienlijk deel van de statushouders begint hun werkzame leven in een deeltijd baan. Twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning werkt ongeveer de helft van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Na zeven-en-een-half jaar is 44 procent van de werkende statushouders uit cohort 2014 werkzaam in een fulltime baan. Het aandeel dat minder dan een halve vte werkt bedraagt dan ongeveer een kwart.
  • Aandeel uitkeringsgerechtigden daalt verder – Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18- tot 65- jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een bijstandsuitkering. Zes jaar later – zeven-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit aandeel gedaald naar iets meer dan een derde en zijn ook de verschillen tussen nationaliteitennoot3 afgenomen.
  • Nog altijd weinig inkomensverschillen tussen de verschillende nationaliteiten – Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie.
  • Zorggebruik neemt niet verder toe – Van alle statushouders (18+) die in 2014 een vergunning hebben ontvangen en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 86 procent kosten gemaakt voor de huisarts. Twee jaar later (in 2017) heeft bijna 98 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Dit wil zeggen dat zij ingeschreven waren bij een huisarts. In 2018, 2019 en 2020 is het zorggebruik onder statushouders uit cohort 2014 vrijwel gelijk gebleven. Het zorggebruik onder Eritrese statushouders steeg het sterkst: in 2015 maakte 77 procent kosten voor de huisarts, in 2020 was dat 98 procent.
  • Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt licht toe – Van alle jongeren (tot en met 21 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van het COA verblijven maakte ongeveer 5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Twee jaar later is dat percentage gestegen tot 8 procent. In de jaren 2019 t/m 2021 is het aandeel vrijwel stabiel gebleven tussen 8,5 en 9,5 procent. Het gaat hier om zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedings­problemen van de ouders (jeugdhulp), om het onder voogdij plaatsen van alleenstaande minderjarige statushouders (jeugdbescherming), en om jeugdreclassering.
  • Gebruik jeugdzorg onder amv’s neemt toe – Het gebruik van jeugdzorg door amv’s wijkt nauwelijks af van dat van de totale groep jongere statushouders. Van alle amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvang­locatie van COA verblijven maakte 9,5 procent in 2021 gebruik van een vorm van jeugdzorg, hetzelfde percentage als voor de totale groep jongeren. Wel is het gebruik van jeugdzorg onder amv’s de laatste jaren sterker gestegen dan onder de totale groep jongeren.
  • Weinig ontwikkeling in aandeel geregistreerde verdachten – Mannelijke statushouders worden in verhouding (nog steeds) vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrond, maar minder vaak dan mannen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot Oekraïners die sinds 24 februari 2022 naar Nederland zijn gevlucht:

  • Meer vrouwen dan mannen – Op 1 juli 2022 verbleven 73 500 personen uit Oekraïne in Nederland. Hierbij gaat het om 67 660 personen met de Oekraïense nationaliteit en 5 740 personen met een niet-Oekraïense nationaliteit. Bijna twee op de drie Oekraïners is vrouw (64 procent) en onder de mannen is een meerderheid jonger dan 20 of ouder dan 60.
  • Iedereen in zelfstandige woning – Bijna iedere vluchteling uit Oekraïne woont zelfstandig in een gemeente. Slechts een enkeling verblijft op 1 juli 2022 in een opvanglocatie van COA en een paar personen zijn vertrokken uit Nederland.
  • Vooral alleenstaande en thuiswonende kinderen – Een maand na vestiging in Nederland is 39 procent van alle vluchtelingen uit Oekraïne alleenstaand. Bijna een kwart is een thuiswonend kind en nog eens ruim 10 procent is ouder in een eenouder­huishouden.
  • Ruim een derde werkt na 3 maanden in Nederland – Drie maanden na vestiging in Nederland werkt 36 procent van de vluchtelingen uit Oekraïne. In vergelijking met de reguliere statushouders asiel werken Oekraïners veel vaker. Dit is te verklaren doordat Oekraïense vluchtelingen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming meteen mogen werken zonder te moeten wachten op een tewerkstellingsvergunning. De meeste Oekraïense vluchtelingen werken in de uitzendbranche (41 procent) of de horeca (20 procent), net als reguliere statushouders asiel.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Zoë Driessen

Evelien Ebenau (projectleider)

Corina Huisman

Han Nicolaas

Isidora Stolwijk

Stephan Verschuren

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Nidos

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 8 februari 2024

Tijdens het maken van de update voor voorjaar 2024 is gebleken dat er personen missen in de data vanuit COA, en dat dit ook al het geval was in de levering voor de update van 2023 (maar niet eerder). In de uitstroom van personen uit COA-locaties in de eerste helft van 2022 is een deel van de populatie niet aangeleverd, waaronder in ieder geval de uitstroom van jongeren onder de 18 jaar. Voor het dashboard en de rapportage Asiel en Integratie 2023 betekent dit dat er momenteel geen conclusies getrokken kunnen worden over de uitstroom uit COA en de instroom/bezetting van COA in het eerste halfjaar van 2022. Met betrekking tot de verblijfssituatie na instroom in COA worden nu personen die onterecht niet zijn meegeleverd in de uitstroombestanden gerekend als ‘in COA’, terwijl ze eigenlijk tot een van de andere categorieën behoren. Bij de kenmerken die de situatie van een persoon weergeven X maanden na uitstroom uit COA, wordt deze groep onterecht buiten beschouwing gelaten.
 
Het cohort eerste halfjaar 2022 binnen het opvang-deel is daarmee nog niet volledig betrouwbaar en wordt hersteld in de publicatie in het tweede kwartaal van 2024, die betrekking zal hebben op de periode januari 2014 t/m de eerste helft van 2023.
 
Daarnaast is een kleine correctie gedaan op de indicator ‘aantal verschillende banen’ onder de baankenmerken. In gevallen waarin iemand voor de duur van meerdere maanden terug gaat naar een eerdere baan wordt ten onrechte een lager aantal banen geteld dan het daadwerkelijke aantal verschillende banen. Er was dus sprake van een kleine onderschatting. Dit is hersteld en geeft voor de meeste aandelen geen verschillen.
 
Oorspronkelijke tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 14 procent heeft 4 banen gehad terwijl 29 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.
 
Vernieuwde tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 15 procent heeft 4 banen gehad terwijl 30 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.