Statushouders: huisvesting en integratie
Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten in de richting van integratie in de Nederlandse samenleving. Hierbij is gekeken naar statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2018 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. De meeste statushouders zijn hun verblijf in Nederland begonnen in de asielopvang. In totaal kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2018 bijna 129 duizend mensen een verblijfsvergunning.
In dit hoofdstuk kijken we onder andere hoe het statushouders vergaat op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit.
3.1Verblijfsvergunningen asiel
Aantal verleende vergunningen gedaald
In 2014 krijgen 20 duizend personen een zogeheten verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, in 2015 zijn dit er 33 duizend, in 2016 37 duizend, in 2017 29 duizend en in de eerste helft van 2018 11 duizend. Sinds de start van dit cohortonderzoek zien we voor het eerst dat het aantal verleende verblijfsvergunningen is gedaald (in 2017). Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders. Net als bij de asielverzoeken bestaat de groep statushouders vooral uit Syriërs en Eritreeërs. Van de in 2014 verleende verblijfsvergunningen werd 53 procent verleend aan personen met de Syrische nationaliteit.noot1 Dit percentage loopt op naar 71 procent in 2016 en daalt daarna naar 35 procent in de eerste helft van 2018. Ongeveer 20 procent van de verleende vergunningen in 2014 en 2015 werd verstrekt aan personen met Eritrese nationaliteit. Dit percentage daalt naar 14 in 2016, maar stijgt daarna weer naar 24 procent in de eerste helft van 2018.
In 2017 is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan Iraniërs grofweg verdubbeld ten opzichte van die in voorgaande jaren. Dit komt doordat staatssecretaris Dijkhoff in 2017 een aantal risicogroepen uit Iran heeft toegevoegd aan de groepen mensen die sneller kans maken op asiel in Nederland.noot2 Het gaat onder andere om afvallige moslims, politici, journalisten en mensenrechtenactivisten.
De groep statushouders met een ‘Overige’ (of onbekende) nationaliteitnoot3 is in 2018 relatief sterk gegroeid en bestaat voor een groot deel uit Turken en Somaliërs. In absolute zin is de groep nieuwe Somalische statushouders sinds 2014 afgenomen. De toename in het aantal verleende verblijfsvergunningen aan personen met een Turkse nationaliteit is opvallend. In de periode 2014 tot en met 2016 kregen 75 personen een verblijfsvergunning, in de periode 2017 tot en met de eerste helft van 2018 waren dat er 550. Dit hangt zeer waarschijnlijk samen met ontwikkelingen in Turkije na de mislukte staatsgreep in juli 2016.
3.2Nationaliteiten
Top 5 nationaliteitennoot4 nauwelijks veranderd
De tabel laat per jaar zien wat de top vijf van nationaliteiten is van de personen aan wie een vergunning is verleend. In alle jaren staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee. In alle jaren staan ook de Afghaanse en de Iraakse nationaliteiten in de top vijf. Het belangrijkste verschil is dat Somalië in 2014 en 2015 ook in de top vijf voorkomt, maar in 2016, 2017 en de eerste helft van 2018 uit de top vijf is verdreven door de Iraanse nationaliteit.
3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2018
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | eerste helft 2018 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Syrië | 10 375 | Syrië | 21 695 | Syrië | 26 060 | Syrië | 17 035 | Syrië | 3 640 |
| 2 | Eritrea | 3 960 | Eritrea | 6 235 | Eritrea | 5 070 | Eritrea | 4 990 | Eritrea | 2 545 |
| 3 | Somalië | 1 365 | Somalië | 580 | Irak | 1 325 | Irak | 1 310 | Afghanistan | 365 |
| 4 | Irak | 705 | Irak | 545 | Afghanistan | 750 | Iran | 1 015 | Iran | 340 |
| 5 | Afghanistan | 600 | Afghanistan | 535 | Iran | 585 | Afghanistan | 940 | Irak | 315 |
Bron:CBS.
3.3Nareis
Meer nareizigers onder verleende vergunningen Eritreeërs
Net als bij de asielverzoeken, betreffen ook de verleende verblijfsvergunningen een steeds groter aandeel nareizigers. In 2014 wordt 27 procent van de verblijfsvergunningen aan een nareiziger verleend. In 2017 is dat aandeel toegenomen tot 49 procent. Alleen in de eerste helft van 2018 daalt het aandeel naar 39 procent. Deze aandelen verschillen per nationaliteit.noot5 Van de verleende verblijfsvergunningen aan Iraniërs en ‘Overige’ betreft een klein deel nareizigers (in de eerste helft van 2018 respectievelijk 17 en 25 procent). Vooral onder Eritreeërs is het aandeel verleende vergunningen aan nareizigers toegenomen (van vier procent in 2014 naar 66 procent in de eerste helft van 2018).
3.4Wachttijd tot vergunning
Gemiddelde wachttijd Eritreeërs laagst door komst van nareizigers
Gemiddeld genomen hebben statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2018 een vergunning kregen (en via een COA-opvang locatie zijn ingestroomd), 109 dagen gewacht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel sinds het moment van eerste opvang in een COA-opvanglocatie. Vooral Syriërs en Eritreeërs kregen relatief snel een verblijfsvergunning (na respectievelijk 69 en 88 dagen). Irakezen, Iraniërs en Afghanen wachtten gemiddeld ongeveer 11 maanden. De wachttijd hangt samen met de kansen dat asielzoekers, uit de verschillende landen, hun asielverzoek gehonoreerd krijgen; voor Irakezen, Afghanen en Iraniërs worden lang niet alle verzoeken gehonoreerd. Voor deze groep geldt dat verblijfsvergunningen relatief vaak via tweede of volgende aanvragen of na een beroep zijn verkregen, waardoor de wachttijd tot het verkrijgen van de verblijfsvergunning langer is. Bovendien bestaan deze groepen voor een veel groter deel uit referenten dan de andere nationaliteitennoot6: nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij het COA instromen, referenten moeten daar nog op wachten. Nareizigers brengen de gemiddelde wachttijd dus omlaag. Voor vergunning-cohort 2016 liepen de wachttijden voor verschillende groepen behoorlijk op. Dit had te maken met de grote aantallen mensen die in het najaar van 2015 instroomden, waardoor de IND vervolgens veel aanvragen om een verblijfsvergunning asiel te verwerken had. De figuur laat zien hoe lang de statushouders per vergunning-cohort gemiddeld op hun verblijfsvergunning asiel hebben gewacht.
3.5Vestigingsgemeente
Statushouders wonen steeds een beetje stedelijker
Van de 129 duizend mensen die in 2014, 2015, 2016, 2017 en eerste helft van 2018 een verblijfsvergunning ontvingen, zijn er in deze periode 115 duizend gehuisvest in een gemeente (en zitten dus niet meer in de asielopvang van het COA). Onderstaande figuren laten zien dat statushouders in de tweede maand dat ze niet meer in de COA-opvang zitten, redelijk zijn verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein. De uitschieters die wel zichtbaar zijn, zijn gemeenten met een opvanglocatie (bijvoorbeeld Vlagtwedde), waar we statushouders kort na vertrek uit de COA-opvang nog terugvinden. Na een jaar is dat niet meer het geval. Wel zien we dat de statushouders naarmate ze langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker gaan wonen. Van het cohort 2014 woonde na twee maanden 51,6 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na 36 maanden is dat toegenomen naar 54,3 procent. Voor cohort 2015 zien we een vergelijkbare toename: van 53,4 procent na 2 maanden naar 55,8 procent na 24 maanden. Ook het vergunning-cohort van 2016 is al iets stedelijker gaan wonen: van 53,0 procent na twee maanden naar 54,1 procent na 12 maanden. Ter vergelijking: van alle Nederlanders woonde in 2017 53,9 procent in sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied.
3.6Huishoudenssamenstelling
Steeds minder alleenstaande statushouders
De figuur laat zien dat de jongere vergunning-cohorten (2016, 2017 en de eerste helft van 2018) voor een steeds groter deel bestaan uit thuiswonende kinderen en stellen (met en zonder kinderen). Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af.
Een groot deel van de asielzoekers is als ‘alleenstaande’ naar Nederland gekomen. Van de mensen die in 2017 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij de vergunning ontvangen. Op het moment dat statushouders uit 2017 worden gehuisvest in een gemeente (en zij dus uit de COA opvanglocatie vertrekken), is 12 procent alleenstaand. De afname van het aandeel alleenstaanden wordt enerzijds veroorzaakt door de nareis van familieleden. Het aandeel partners (zowel met als zonder kinderen) stijgt in de periode tussen het verkrijgen van de vergunning en het moment dat mensen een woning toegewezen krijgen. Anderzijds lijken gemeenten moeite te hebben met de huisvesting van alleenstaanden (Smits van Waesberghe, E.; Razenberg, I.; 2016). Er zijn minder geschikte woningen voor deze groep beschikbaar en daarnaast is het voor gemeenten moeilijk in te schatten hoeveel familieleden deze statushouders zullen nareizen. Gemeenten zouden daarom wachten met het toewijzen van een woning tot de familie herenigd is in de asielopvang.
3.7Onderwijs
Niet-leerplichtige statushouders volgen ook onderwijs
Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgt 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015 en een jaar later (op 1 oktober 2016) volgt 32 procent van hen onderwijs. Dit percentage blijft stijgen naar 37 procent in 2017 en naar 39 procent in 2018. Van de statushouders die in 2015 een vergunning kregen volgt 41 procent op 1 oktober 2018 onderwijs en voor degenen die in 2016 een vergunning kregen is dit 35 procent. Een interessant gegeven is dat niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar oud vaker onderwijs volgen naarmate ze langer in Nederland zijn.
Steeds meer mbo en hoger mbo-niveau
Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, stromen zij van het voortgezet onderwijs vooral door naar het middelbaar beroepsonderwijs en het praktijkonderwijs. Waar er van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen ongeveer 30 personen (1,3 procent van VO+) praktijkonderwijs volgen in 2015, zijn dat er in 2016 ongeveer 175 (6 procent). Deze aantallen stijgen naar 290 (7,7 procent) in 2017 en 300 (7,0 procent) in 2018. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen die beter zijn in het opdoen van praktische kennis dan van theoretische kennis, en moeite hebben om een vmbo-diploma te halen vanwege een leerachterstand op de gebieden taal en rekenen. Uit de data blijkt niet dat personen met een bepaalde nationaliteitnoot7 vaker doorstromen naar praktijkonderwijs dan personen met een andere nationaliteit.
Statushouders die het voortgezet onderwijs verlaten, stromen met name door naar het middelbaar beroepsonderwijs. Ongeveer 285 statushouders van het cohort 2014 volgen een mbo-opleiding in 2015. Dat aantal stijgt via 1 010 in 2016 en 1 955 in 2017 naar 2 385 in 2018. Met betrekking tot het niveau van de mbo-opleiding volgt men in de eerste jaren met name niveau 1 (ca. 71% van alle statushouders die mbo volgen in 2016), maar dat verandert geleidelijk naar niveau 2. In oktober 2018 volgen er meer statushouders niveau 2 dan niveau 1. Ook de andere niveaus (3 en 4) nemen in aantal toe, zij het niet zo hard als niveau 2. Er volgen overwegend veel statushouders uit Eritrea een mbo-opleiding (74 procent van alle onderwijsvolgende Eritrese statushouders in 2018). Dat heeft te maken met de leeftijdsverdeling van de statushouders: er zijn relatief veel Eritrese statushouders in de leeftijd van 18 tot 23 jaar.
3.8Inburgering
30 procent van cohort 2014 niet inburgeringsplichtig
De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig. De figuur laat per nationaliteitnoot8 zien hoe het met de inburgeringsplicht staat op 1 oktober 2018, voor iedereen die in 2014 een vergunning ontving. De groep niet-inburgeringsplichtigen betreft vrijwel altijd kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn. Zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht. De groep ontheffing/vrijstelling betreft alleen voor de Afghaanse statushouders relatief vaak vrijstellingen, voor de andere nationaliteiten vrijwel alleen ontheffingen. Een statushouder krijgt een ontheffing als hij of zij een psychische of lichamelijke beperking of een verstandelijke handicap heeft. Ook is het mogelijk om een ontheffing te krijgen als de inburgeraar aangetoond heeft zich voldoende ingespannen te hebben om aan de inburgeringsvereiste te voldoen. Een vrijstelling kun je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt van de universiteit, hbo, mbo (vanaf niveau 2), vwo, havo, mavo of vmbo. Slechts een klein deel van de statushouders heeft binnen de gestelde termijn van drie jaar het inburgeringsexamen nog niet gehaald: dit gaat om 250 mensen, of 1,3 procent van alle mensen in het totale vergunning-cohort van 2014. Deze personen hebben een overschrijding en krijgen een boete. In totaal 2 735 statushouders (14%) van het totale vergunning-cohort 2014 hebben nog niet voldaan aan de inburgeringsplicht, maar ook (nog) geen overschrijding. Bij enkelen lag de startdatum van de inburgeringstermijn later dan 1 oktober 2015 maar het grootste deel (93%) kreeg een verlenging van de inburgeringstermijn. Een statushouder kan bijvoorbeeld een verlenging krijgen als hij of zij bezig is met een alfabetiseringscursus, bij zwangerschap of als de aanmelding van het examen is vertraagd. Verlengingen komen het meest voor bij Eritreeërs. Bijna 30 procent van de Eritreeërs die op 1 oktober 2018 nog moesten voldoen aan hun inburgeringsplicht hebben een verlenging gekregen. Voor de totale groep ligt dit percentage op 15 procent.
58 procent van inburgeringsplichtigen cohort 2014 heeft het inburgeringsexamen behaald
Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen (inclusief mensen met ontheffing of vrijstelling), dan heeft 58 procent van het vergunning-cohort 2014 in oktober 2018 het inburgeringsexamen behaald. Bijna 19 procent heeft een ontheffing of vrijstelling gekregen. 21 procent heeft het examen nog niet gehaald, maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen. Twee procent van de inburgeringsplichtigen heeft het examen nog niet gehaald en heeft daarmee de inburgeringstermijn overschreden. Voor de jongere cohorten liggen de cijfers met geslaagden aanzienlijk lager: 24 procent van het vergunning-cohort van 2015 en vier procent van het vergunning-cohort van 2016 heeft in oktober 2018 het inburgeringsexamen gehaald of een ontheffing of vrijstelling gekregen. Dit komt doordat de recentere cohorten minder tijd hebben gehad om het examen te halen. Voor de meeste van hen is de inburgeringstermijn ook nog niet overschreden in oktober 2018.
3.9Werk
Aandeel werkende statushouders stijgt gestaag
Afghanen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen, hebben na het verkrijgen van de vergunning vaker een baan dan statushouders met een andere nationaliteit.noot9 Deze bevinding zagen we eerder terug bij de vluchtelingen uit de jaren negentig. Ook toen waren Afghanen twee jaar na aankomst in Nederland vaker aan het werk dan Irakezen of Iraniërs (Sprangers, A. et al; 2004).
Als we kijken na anderhalf jaar dan heeft het vergunning-cohort 2016 net iets vaker een baan dan het vergunning-cohort van 2015 (respectievelijk zeven en vijf procent). Het vergunning-cohort 2015 heeft op haar beurt weer iets vaker een baan na anderhalf jaar dan het vergunning-cohort van 2014 (respectievelijk vijf en vier procent).
Het vergunning-cohort 2014 kunnen we nu het langst in de tijd volgen. Voor dit cohort zien we dat na drie-en-een-half jaar ongeveer een kwart van alle 18 tot 65‑jarige statushouders een baan heeft. Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; we zien ook dat de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten kleiner worden.
Als we kijken naar de meest recente baan dan hebben de meeste statushouders een baan in deeltijd (81 procent) en met een tijdelijk contract (89 procent). Van de statushouders die een baan hebben, werkt gemiddeld één procent als zelfstandige. Bijna 30 procent van de statushouders met een baan werkt in de horeca, daarnaast komen banen in de uitzendbranche en de handel veel voor. Wel zijn er verschillen te zien tussen de cohorten: van diegenen die werken uit het vergunning-cohort 2017 werkt 38 procent in de horeca en 27 in de uitzendbranche. Voor het vergunning-cohort 2014 zijn die percentages respectievelijk 23 en 37 procent.
3.10Uitkering
Aandeel bijstandsgerechtigden onder Eritreeërs en Syriërs op zelfde niveau
Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18 tot 65‑jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een bijstandsuitkering. Twee jaar later – na in totaal drie-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage gedaald naar 67 procent. Dit kunnen ook statushouders met een (deeltijd) baan zijn. Zoals in de figuur is te zien, ontvangt niet iedereen meteen een bijstandsuitkering. Veel statushouders verblijven de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering ontvangen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders worden gehuisvest in een gemeente, komen ze in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Met het verstrijken van de tijd worden de verschillen tussen de verschillende groepen steeds kleiner. In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden, in de eerste drie-en-een-half jaar na verkrijgen van de vergunning nauwelijks voor (informatie over bijstands- en WW-uitkeringen is tot en met juni 2018 beschikbaar, over AO-uitkeringen tot en met december 2017).
3.11Voornaamste inkomstenbron
Bijstandsafhankelijkheid neemt iets af
Het aandeel statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron loopt voor cohort 2014 langzaam op tot 7 procent drie jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Voor de statushouders uit 2015 en 2016 zien we vergelijkbare patronen. Hoewel steeds meer statushouders een (deeltijd) baan hebben, leveren die banen vaak onvoldoende inkomsten op. Hierdoor kan een uitkering ook voor deze groep de voornaamste inkomstenbron zijn. Veel statushouders hebben nog geen inkomsten in de eerste maanden na het verkrijgen van een vergunning. Dit komt doordat veel van hen na het verkrijgen van hun vergunning nog in een opvanglocatie wonen, waar ze leefgeld ontvangen. In de loop van de tijd neemt het aandeel zonder inkomsten af en krijgen steeds meer statushouders een uitkering (of pensioen). Na anderhalf jaar geldt dat voor 63 procent van de statushouders uit 2014 een uitkering of pensioen de voornaamste bron van inkomsten is. Na drie jaar is het percentage gedaald naar 53 procent. Het gaat dan in de meeste gevallen om een bijstandsuitkering. Na 12 maanden is een iets kleiner deel van het cohort van 2016 afhankelijk van een uitkering (54 procent) dan de voorgaande cohorten (55 procent voor 2015 en 60 procent voor 2014). Het aandeel schoolgaandennoot10 is juist wat hoger voor het meest recente cohort (38 procent) dan voor die van 2015 (37 procent) en die van 2014 (33 procent).
Bijstandsafhankelijkheid Eritreeërs het hoogst
Als we naar de verschillen tussen de groepen uit 2014 kijken zien we dat 36 maanden na het verkrijgen van de vergunning het aandeel personen waarvan de voornaamste bron van inkomsten werk is, het hoogst is onder de Afghanen (13 procent) en het laagst onder de Eritreeërs (6 procent). Ongeveer 70 procent van de statushouders uit Eritrea heeft drie jaar na het verkrijgen van zijn of haar vergunning een uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron en 21 procent is schoolgaand. Van de Afghaanse statushouders heeft na drie jaar ongeveer 42 procent een uitkering als belangrijkste inkomstenbron en gaat 40 procent naar school. Syriërs liggen tussen de Eritreeërs en de Afghanen in wat betreft hun voornaamste bron van inkomsten: voor 7 procent van hen is dat werk, voor 52 procent een uitkering of pensioen en 37 procent gaat naar school.
3.12Inkomen
Weinig inkomensverschillen door hoge uitkeringsafhankelijkheid
Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van statushouders die een vergunning kregen in 2014 bedroeg 12,3 duizend euro in 2015, 12,7 duizend euro in 2016 en 13,5 duizend euro in 2017. Statushouders uit 2015 kregen in 2016 gemiddeld 12,3 duizend euro en 13 duizend euro in 2017. Zoals in de tabel te zien is, zijn er tussen de verschillende nationaliteitennoot11 geen grote verschillen in het gestandaardiseerd huishoudinkomen. Dit komt doordat verreweg het grootste deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie.
3.12.1Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro's, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar
| Cohort 2014 | Cohort 2015 | Cohort 2016 | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | N | 2016 | N | 2017 | N | 2016 | N | 2017 | N | 2017 | N | |
| Syrië | 12,0 | 4 295 | 12,6 | 9 645 | 13,3 | 9 920 | 12,2 | 12 815 | 12,9 | 20 340 | 12,8 | 17 235 |
| Irak | 12,2 | 450 | 13,0 | 635 | 13,7 | 655 | 12,5 | 285 | 13,4 | 490 | 13,2 | 805 |
| Afghanistan | 12,9 | 350 | 13,4 | 575 | 14,4 | 580 | 12,5 | 300 | 13,4 | 500 | 11,8 | 420 |
| Eritrea | 13,0 | 925 | 13,0 | 3 530 | 13,6 | 3 855 | 12,4 | 1 340 | 12,8 | 5 635 | 12,1 | 3 225 |
| Iran | 13,3 | 265 | 13,6 | 400 | 14,1 | 405 | 13,5 | 270 | 14,2 | 405 | 14,0 | 310 |
| Overig/onbekend | 12,4 | 2 090 | 12,8 | 3 165 | 13,7 | 3 220 | 12,7 | 1 920 | 13,5 | 2 880 | 13,1 | 1 760 |
| Totaal | 12,3 | 8 375 | 12,7 | 17 950 | 13,5 | 18 635 | 12,3 | 16 935 | 13,0 | 30 250 | 12,7 | 23 755 |
Bron:CBS.
3.13Zorggebruik
Zorggebruik neemt toe, vooral onder Eritreeërs
Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben verkregen en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen zij van de reguliere zorgsystemen gebruik maken. Zij zijn daarnaast ook verplicht een basisverzekering af te sluiten. Van alle statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 80 procent kosten gemaakt voor de huisarts in 2015, waarvan 77 procent ook daadwerkelijk een consult heeft gehad en 23 procent alleen inschrijvingskosten heeft gemaakt. Die 80 procent is minder dan de totale Nederlandse bevolkingnoot12, waarbij ruim 98 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Een jaar later (in 2016) heeft bijna 95 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Deze stijging wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door een stijging in inschrijvingen bij de huisarts; nagenoeg iedere statushouder die in 2014 een vergunning asiel ontving, 18 jaar of ouder is en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijft, staat in 2016 ingeschreven bij de huisarts. Het aantal statushouders uit die groep dat kosten maakt voor een consult bij de huisarts is gelijk gebleven. De figuur laat de duidelijke trend zien dat statushouders uit cohort 2014 meer kosten maken voor zorg in 2016 ten opzichte van 2015. Daarnaast maken de statushouders die in 2015 een vergunning hebben ontvangen na één jaar meer kosten voor zorg dan de statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen.
De vorige editie van dit onderzoek liet zien dat Eritrese statushouders de minste kosten maken voor gebruik van zorg. Deze bevinding werd al eerder geconstateerd door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS), waar zij in een rapportnoot13 schrijven dat ‘hun gebrek aan kennis over de oorzaken en medische risico’s van gezondheidsproblemen, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en hun onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg staan’. Het is echter ook zo dat Eritreeërs langer dan de mensen met een andere nationaliteitnoot14 in COA-opvang verblijven na het krijgen van hun vergunning, waardoor zij in 2015 een kortere periode hebben gehad om kosten te maken onder de basisverzekering. De nieuwe cijfers laten zien dat Eritrese statushouders veel meer kosten maken voor gebruik van zorg: in 2015 maakte 67 procent kosten voor de huisarts, in 2016 is dat voor dezelfde groep gestegen tot 90 procent. Niettemin maken zij nog steeds minder kosten voor zorg dan andere statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen.
3.14Jeugdzorg
Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt toe
Van alle jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 21 jaar, maakt ongeveer 3,5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Een jaar later is dat percentage gestegen tot 5 procent. Bij jeugdzorg betreft het hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische-, psychosociale- en of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan daarbij thuis verblijven, in het eigen gezin, en bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. Verreweg de meeste jongeren ontvangen jeugdhulp; slechts 0,3 procent maakt gebruik van jeugdbescherming en 0,1 procent ontvangt jeugdreclassering. De stijging van het gebruik van jeugdzorg zit ook bijna volledig in het gebruik van jeugdhulp: dat stijgt van 3,3 procent in 2016 naar 4,7 procent in 2017. Deze percentages liggen wel lager dan het aandeel onder Nederlandse jongeren dat jeugdhulp ontvangt (circa 9 procent in 2017). Jongeren uit Iran en Afghanistan maken het vaakst gebruik van jeugdhulp. Hun aandeel in jeugdhulp is relatief even groot als het aandeel jongeren met jeugdhulp in heel Nederland (circa 9 procent).
3.15Geregistreerde verdachten
Weinig ontwikkeling in aandeel geregistreerde verdachten
In deze figuur wordt het aandeel verdachten in 2017 onder statushouders die in 2015 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen, waarbij rekening is gehouden met geslacht en leeftijd. Hier zien we dat mannelijke statushouders in verhouding vaker verdacht zijn van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrond, maar minder vaak dan mannen met een niet-westerse migratie-achtergrond.noot15 De figuur met geregistreerde verdachten in het rapport van vorig jaarnoot16 betrof het aandeel verdachten in 2016 onder statushouders die in 2014 een vergunning ontvingen. De figuren zijn vrijwel identiek aan elkaar.
In dit onderzoek is geen rekening gehouden met andere factoren die oververtegenwoordiging in criminaliteitsstatistieken kunnen verklaren, zoals inkomen en opleidingsniveau. Het aantal verdachte statushouders is te klein om verder te kijken naar het type misdrijf of een verdere verdeling naar nationaliteit.noot17
3.16Dashboard
Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de integratie van statushouders. In dit dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteitennoot18 u cijfers (visueel) gepresenteerd wilt zien.
3.17Literatuur
Literatuur
Smits van Waesberghe, E. & Razenberg, I. (2016) De huisvesting van vergunninghouders. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Sprangers, A., Zorlu, A., Hartog, J. & Nicolaas, H. (2004) Immigranten op de arbeidsmarkt. Bevolkingstrends 2e kwartaal 2004. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Noten
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Hier wordt schoolgaand gedefinieerd als scholieren/studenten in door overheid bekostigd onderwijs, of met studiefinanciering van de Nederlandse overheid (WSF) in overige onderwijsinstellingen (evt. buitenland). Studenten ouder dan 16 jaar in particulier of buitenlands onderwijs zonder WSF ontbreken. De onderwijsvolgenden in voorgaande figuren zijn exclusief de personen die studiefinanciering krijgen van de Nederlandse overheid maar in ‘overige onderwijsinstellingen’ onderwijs volgen.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Omdat er onder het vergunning-cohort 2014 heel weinig ouderen zijn – slechts 1,5 procent is 65 jaar of ouder – hebben we voor de vergelijking met de Nederlandse bevolking gekeken naar de bevolking tussen 18 jaar en 65 jaar oud.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de mensen met een migratieachtergrond als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aantal verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland of land van herkomst indien de nationaliteit onbekend is.