Foto omschrijving: Een lange rij bij het uitdelen van boodschappen door de voedselbank in Amsterdam-oost.

Risico op armoede bij huishoudens

Dit hoofdstuk laat zien hoe het aandeel huishoudens met (langdurig) een inkomen onder de lage-inkomensgrens zich in de periode 1977–2022 heeft ontwikkeld. Bevolkingsgroepen worden niet in gelijke mate getroffen door armoede: welke sociaaleconomische en demografische groepen lopen het meest risico op armoede en wat zijn de recente ontwikkelingen daarin? En hoe hoog zijn de armoederisico’s in de Nederlandse gemeenten?

Armoederisico sterk gedaald in 2022

In 2022 hadden volgens de nieuwe voorlopige inkomensgegevens (zie kader) 335 duizend van de bijna 7,7 miljoen huishoudens een inkomen onder de lage-inkomensgrens, wat overeen komt met een aandeel van 4,4 procent. Dat is beduidend minder dan in 2021 toen nog 6,3 procent van de huishoudens van een laag inkomen moest rondkomen. De sterke afname komt door de energiemaatregelen. Zo kregen bijstandsontvangers en andere huishoudens met weinig inkomen in 2022 naast korting op de energierekening een energietoeslag van veelal 1 300 euro (zie hoofdstuk 1). Daardoor steeg de koopkracht aan de onderkant van de inkomensladder (zie StatLine) en kwamen er minder huishoudens onder de lage-inkomensgrens terecht. Zonder de energiemaatregelen zou het armoederisico ten opzichte van 2021 gestegen zijn, naar 7,7 procent.

2.1.1 Risico op (langdurige) armoede1) (% huishoudens)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Tot 2000 '77, Tot 2000 13,1 .
Tot 2000 '81, Tot 2000 13,5 .
Tot 2000 '85, Tot 2000 22,4 .
Tot 2000 '89, Tot 2000 16,6 .
Tot 2000 '90, Tot 2000 14,8 .
Tot 2000 '91, Tot 2000 15,2 .
Tot 2000 '92, Tot 2000 15,4 7,5
Tot 2000 '93, Tot 2000 15,2 7,4
Tot 2000 '94, Tot 2000 15,9 7,7
Tot 2000 '95, Tot 2000 15,2 7,8
Tot 2000 '96, Tot 2000 15,4 7,8
Tot 2000 '97, Tot 2000 14,8 7,7
Tot 2000 '98, Tot 2000 13,2 6,9
Tot 2000 '99, Tot 2000 12,8 6,5
Vanaf 2000 '00, Vanaf 2000 10,9 5,8
Vanaf 2000 '01, Vanaf 2000 8,8 4,7
Vanaf 2000 '02, Vanaf 2000 8,2 4
Vanaf 2000 '03, Vanaf 2000 8,8 3,8
Vanaf 2000 '04, Vanaf 2000 8,5 3,4
Vanaf 2000 '05, Vanaf 2000 8,7 3,3
Vanaf 2000 '06, Vanaf 2000 7,9 3,1
Vanaf 2000 '07, Vanaf 2000 6,7 2,6
Vanaf 2000 '08, Vanaf 2000 6,5 2,5
Vanaf 2000 '09, Vanaf 2000 6,7 2,3
Vanaf 2000 '10, Vanaf 2000 6,5 2,3
Vanaf 2000 '11, Vanaf 2000 6,9 2,2
Vanaf 2000 '12, Vanaf 2000 8 2,4
Vanaf 2000 '13, Vanaf 2000 8,9 2,7
Vanaf 2000 '14, Vanaf 2000 8,5 2,7
Vanaf 2000 '15, Vanaf 2000 8,2 3,1
Vanaf 2000 '16, Vanaf 2000 7,9 3,2
Vanaf 2000 '17, Vanaf 2000 7,9 3,3
Vanaf 2000 '18, Vanaf 2000 7,9 3,3
Vanaf 2000 '19, Vanaf 2000 7,5 3,4
Vanaf 2000 '20, Vanaf 2000 6,8 3,1
Vanaf 2000 '21, Vanaf 2000 6,3 3
Vanaf 2000 22*, Vanaf 2000 4,4 1,8
1)Breuk in 2000 en in 2011 (zie UL/CBS, 2021).

De afname van het armoederisico uitte zich ook in een daling van het aandeel huishoudens dat in 2022 al ten minste vier jaar op rij een laag inkomen had. Bedroeg dat aandeel in 2021 nog 3,0 procent, in 2022 was afgenomen naar 1,8 procent. Dat was, net als bij het armoederisico, de verhoudingsgewijs grootste afname in jaren. Van de 335 duizend huishoudens met een laag inkomen in 2022, moesten er 129 duizend al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen.

2.1.2Huishoudens met een (langdurig) laag inkomen
Totaal Laag inkomen Langdurig laag inkomen
x 1 000 % x 1 000 %
2011 7 009 482 6,9 144 2,2
2012 7 066 562 8,0 161 2,4
2013 7 112 630 8,9 180 2,7
2014 7 128 608 8,5 185 2,7
2015 7 172 590 8,2 209 3,1
2016 7 240 572 7,9 221 3,2
2017 7 324 581 7,9 224 3,3
2018 7 393 581 7,9 230 3,3
2019 7 465 556 7,5 235 3,4
2020 7 539 509 6,8 221 3,1
2021 7 597 478 6,3 214 3,0
2022* 7 669 335 4,4 129 1,8

Voorlopige en definitieve cijfers

In de cyclus van de Inkomensstatistiek komen in jaar t de voorlopige inkomensgegevens over t–1 en de definitieve inkomensgegevens over t–2 beschikbaar. Dit betekent dat het CBS in het verslagjaar steeds de voorlopige armoedecijfers over t–1 en de definitieve armoedecijfers over t–2 publiceert. De meetfout van de voorlopige cijfers is groter dan die van de definitieve cijfers. Zo rapporteerde het CBS in 2022 op basis van de toen beschikbare, voorlopige inkomensgegevens 2021 een armoedepercentage van 6,8 procent. Volgens de in 2023 beschikbaar gekomen definitieve inkomensgegevens 2021 bedroeg het aandeel huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens evenwel 6,3 procent, dus 0,5 procentpunt minder. Ook in de voorafgaande verslagjaren bleek het latere definitieve cijfer veelal iets lager uit te komen dan het eerder, gepubliceerde voorlopige cijfer. Aanbevolen wordt de voorlopige cijfers van het armoederisico steeds in de context van de trendmatige ontwikkeling te bezien. Bij afwijkingen van de algemene trend past terughoudendheid in de conclusies vanwege het verhoogde aandeel meetfouten in de voorlopige cijfers. Bij het risico op langdurige armoede is er doorgaans geen of nauwelijks sprake van verschil. Zo was het voorlopige percentage huishoudens met een langdurig laag inkomen 0,1 procentpunt hoger dan het definitieve in 2021.

Ruim helft lage inkomens uit inkomensarmoede

Van de huishoudens met een laag inkomen in 2021 kwam 52 procent in 2022 boven de lage-inkomensgrens uit. Dat was beduidend meer dan het aandeel lage inkomens van 2020 dat in 2021 uit de inkomensarmoede geraakte: 30 procent. Ook kwamen meer huishoudens uit een langdurig penibele inkomenssituatie. Van de huishoudens die in 2021 al minstens vier jaar een laag inkomen hadden, had 48 procent in 2022 een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Daarmee raakten 3 keer zo veel huishoudens uit de langdurige inkomensarmoede als een jaar eerder.

2.1.3 Dynamiek armoederisico (% huishoudens)
Laag inkomen in jaar erna Boven lage-inkomensgrens in jaar erna
Laag
inkomen
2020, Laag
inkomen
69,7 30,3
Laag
inkomen
2021, Laag
inkomen
47,8 52,2
Langdurig
laag inkomen
2020, Langdurig
laag inkomen
83,6 16,4
Langdurig
laag inkomen
2021, Langdurig
laag inkomen
52,4 47,6
Boven lage-
inkomensgrens
2020, Boven lage-
inkomensgrens
1,4 98,6
Boven lage-
inkomensgrens
2021, Boven lage-
inkomensgrens
1 99

Vooral huishoudens met een uitkering raakten in 2022 vaker dan in 2021 uit inkomensarmoede. Van de risicohuishoudens met vooral inkomen uit een bijstandsuitkering in 2020, liep ruim 80 procent in 2021 opnieuw risico op armoede. Van 2021 op 2022 behield ruim 50 procent van de bijstandsontvangers met een laag inkomen hun armoederisico. Ook huishoudens met voornamelijk inkomen uit een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- of pensioenuitkering die in 2021 armoederisico liepen, hadden een jaar later beduidend minder vaak risico dan de uitkeringsontvangers met armoederisico in 2020: 43 tegen 66 procent.

2.1.4 Dynamiek armoederisico naar voornaamste inkomensbron (% huishoudens met armoederisico)
2021 2022*
Laag inkomen jaar eerder Werk, Laag inkomen jaar eerder 44,5 45,7
Laag inkomen jaar eerder Bijstands-
uitkering, Laag inkomen jaar eerder
81,4 50,8
Laag inkomen jaar eerder Andere
uitkering, Laag inkomen jaar eerder
66,6 43

Verhoogde armoederisico’s in crises

De ontwikkeling van het percentage huishoudens met een armoederisico (zie figuur 2.1.1) volgt in grote lijnen de conjunctuur: in tijden van economische neergang stijgt het percentage met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, in tijden van economische voorspoed daalt dit percentage. In 1985 piekte het armoederisico naar het historisch hoge niveau van 22,4 procent. Dat was pal na de economische crisis in het begin van de jaren tachtig. Met de eind jaren tachtig ingezette verbetering van de economie begon ook het armoederisico weer te dalen om in de jaren negentig van de vorige eeuw op gemiddeld bijna 15 procent uit te komen. Tussen 2000 en 2009 is het armoederisico sterk afgenomen. Onder invloed van een zwakke conjunctuur nam het aandeel met een laag inkomen tussen 2002 en 2005 wel licht toe, maar in 2006 en 2007 bloeide de economie weer op, daalde de werkloosheid en ging de koopkracht omhoog.

De economische crisis vanaf eind 2008 heeft de positieve ontwikkeling teniet gedaan en in vier jaar tijd nam het aandeel huishoudens met een laag inkomen sterk toe. In 2014 herstelde de economie, de werkloosheid begon te dalen en de koopkracht steeg voor het eerst weer. Deze positieve ontwikkelingen hebben zich in de hierop volgende jaren voortgezet en het aandeel huishoudens met een laag inkomen daalde tot 7,9 procent in 2016. In de twee jaren daarna bleef het aandeel op dit niveau steken. Dat kwam mede door de eerdere, massale toestroom van vluchtelingen. Zij zijn gaandeweg als statushouder deel uit gaan maken van de Nederlandse bevolking, maar bleven merendeels afhankelijk van een bijstandsuitkering (zie verder paragraaf 2.5). Ondanks de coronacrisis en de economische terugval zette de in 2019 begonnen daling van het armoederisico in 2020 en 2021 door. Dat kwam vooral door cao-afspraken over loonstijgingen en door overheidsbeleid, zoals fiscale maatregelen en het grootschalige pakket aan tijdelijke coronasteunmaatregelen (zie CBS, 2021).

637 duizend mensen met risico op armoede in 2022

Het aantal huishoudensleden dat in 2022 deel uitmaakte van de 335 duizend huishoudens met een laag inkomen bedroeg ruim 637 duizend. Dat komt overeen met 3,8 procent van de bevolking. Daarmee kwam het armoederisico onder de bevolking in 2022 een stuk lager uit dan in 2021. Het percentage met een langdurig laag inkomen was in 2022 met 1,5 procent eveneens veel lager dan in de voorgaande jaren.

2.1.5Personen met een (langdurig) laag inkomen
Totaal Laag inkomen Langdurig laag inkomen
x 1 000 % x 1 000 %
2011 15 877 929 5,8 286 1,9
2012 15 936 1 075 6,7 316 2,1
2013 15 971 1 187 7,4 349 2,3
2014 15 977 1 143 7,2 355 2,3
2015 16 014 1 103 6,9 391 2,5
2016 16 101 1 041 6,5 399 2,6
2017 16 227 1 029 6,3 391 2,5
2018 16 333 1 029 6,3 391 2,5
2019 16 441 972 5,9 392 2,5
2020 16 558 896 5,4 375 2,4
2021 16 634 825 5,0 356 2,3
2022* 16 715 637 3,8 241 1,5

2.2Spreiding rondom de armoedegrens

Naast het aantal huishoudens met risico op armoede is het van belang inzicht te hebben in de spreiding van de inkomens rondom de lage-inkomensgrens en van de intensiteit van het armoederisico. Bij de spreiding is (de ontwikkeling van) de verdeling van inkomens binnen de range van 20 procent boven en onder de lage-inkomensgrens in het vizier genomen. Bij de intensiteit van het armoederisico is gekeken naar het procentuele, mediane tekort van de inkomens ten opzichte van de lage-inkomensgrens. Hoe groter dit tekort, hoe hoger de intensiteit van het armoederisico.

Meer huishoudens met een inkomen rond de lage-inkomensgrens in 2022

In vergelijking met recente jaren waren er in 2022 meer huishoudens met een inkomen net onder of net boven de lage-inkomensgrens (maximaal 5 procent eronder of erboven). Een verschil van maximaal 5 procent met de grens gold voor 283 duizend huishoudens in 2022, 65 duizend meer dan in 2021. Vooral de groep huishoudens met een inkomenstekort tussen 5 en 10 procent van de lage-inkomensgrens nam aanzienlijk af in 2022. Dat komt doordat huishoudens met weinig inkomen in 2022 een energietoeslag ontvingen om de sterk gestegen energierekening te kunnen betalen. Hierdoor waren er in 2022 voor het eerst meer huishoudens met een inkomen dat maximaal 20 procent boven de lage-inkomensgrens lag dan huishoudens met een inkomen onder de grens.

2.2.1 Huishoudens tot 120% van de lage-inkomensgrens (antal huishoudens (x 1 000))
Tot 5% onder grens 5 tot 10% onder grens 10 tot 15% onder grens 15% of meer onder grens Tot 5% boven grens 5 tot 10% boven grens 10 tot 15% boven grens 15 tot 20% boven grens
2017 -123,8 -193 -73,3 -191 105 144,2 103,4 107,5
2018 -118,6 -192,4 -80 -189,7 108,6 139,6 100,8 107,3
2019 -115,9 -200,1 -64,8 -175,3 107 134,8 97,5 98,6
2020 -94,6 -199 -52,7 -163,1 128,4 91,1 133,5 96,4
2021 -93,4 -193,7 -48,7 -142,6 124,4 85,8 129 92,6
2022* -127,2 -45,2 -36,7 -126 156 120,1 108,3 138,8

Grote inkomenstekorten vooral onder zelfstandigen

Hoewel het aantal huishoudens met voornamelijk inkomen als zelfstandige en risico op armoede relatief klein is (iets meer dan 51 duizend in 2022), komen grotere inkomenstekorten van minimaal 15 procent het vaakst bij hen voor. Dit is een gebruikelijk beeld. De kans op eenmalige grote inkomenstekorten is het grootst onder zelfstandigen, zeker wanneer zij het jaar met een nettoverlies afsluiten.

2.2.2 Voornaamste inkomensbron huishoudens tot 120% van de lage-inkomensgrens, 2022* (aantal huishoudens (x 1 000))
Tot 5% onder grens 5 tot 10% onder grens 10 tot 15% onder grens 15% of meer onder grens Tot 5% boven grens 5 tot 10% boven grens 10 tot 15% boven grens 15 tot 20% boven grens
Inkomen als werknemer -13,2 -9,7 -7,2 -21,5 16,8 20,1 25 27,3
Inkomen als zelfstandige -4,4 -4,1 -3,9 -44,4 4,7 4,8 5,3 5,2
Uitkering bijstand -91,5 -19 -16 -22,5 91,7 52,8 21,5 13,7
Overig overdrachtsinkomen -18,1 -12,5 -9,6 -37,6 42,8 42,4 56,5 92,5

Meer tekort in 2022

Het mediane procentuele tekort van risicohuishoudens ten opzichte van de lage-inkomensgrens kwam uit op 9,4 procent in 2022. De mediaan is het middelste tekort, nadat ze alle van laag naar hoog gerangschikt zijn. Het tekort is groter dan in de twee voorgaande jaren, toen het 7,9 procent bedroeg. Dat komt doordat er in 2022 verhoudingsgewijs meer zelfstandigen en minder bijstandsontvangers in de groep huishoudens met armoederisico waren, zie StatLine. Het mediane tekort van zelfstandigen is groot: jaarlijks ligt het rond 40 procent.

2.2.3 Inkomenstekort t.o.v. lage-inkomensgrens (mediaan (%))
Totaal Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering bijstand Overig overdrachtsinkomen
2017 -9,6 -13,4 -42,6 -9,2 -10,5
2018 -9,8 -12,8 -42,1 -9,4 -10,1
2019 -9,3 -12,6 -41 -8,9 -9,9
2020 -7,9 -12,6 -39,3 -7,5 -10,5
2021 -7,9 -11,9 -38,3 -7,6 -9,6
2022* -9,4 -11,7 -37,8 -2,7 -14,2

Totale inkomenstekort daalt naar 1,5 miljard euro in 2022

In 2022 kwamen huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in totaal 1,5 miljard euro aan besteedbaar inkomen tekort om buiten de risicozone van armoede te blijven. In 2021 was dit nog 1,9 miljard euro. Het totale inkomenstekort van bijstandsontvangers werd bijna gehalveerd en nam met ruim 200 miljoen euro af door de ontvangen energietoeslag.

2.2.4 Totaal inkomenstekort (miljoen euro (in prijzen van 2022))
Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering bijstand Overig overdrachtsinkomen
2017 433 765 626 616
2018 433 708 631 629
2019 386 636 566 588
2020 363 555 568 636
2021 309 520 479 551
2022* 227 567 262 418

2.3Sociaaleconomische risicogroepen

Bijstandsontvangers lopen het meeste risico op armoede

Van elke 100 huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering of een verwante sociale voorziening (bijvoorbeeld een Wajong-uitkering) moesten rondkomen, hadden er 40 een laag inkomen in 2022. Het merendeel hiervan (27 procent van alle bijstandsontvangers) had bovendien al minstens vier jaar een laag inkomen. Ook onder ontvangers van een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering lag het aandeel huishoudens met een laag inkomen ruim boven het landelijk gemiddelde van 4,4 procent. Van alle huishoudens met een overdrachtsinkomen als belangrijkste inkomensbron, hebben de pensioenontvangers de meest gunstige positie. Van hen had 2,4 procent in 2022 een inkomen onder de lage-inkomensgrens; 1 op de 100 pensioenhuishoudens had een langdurig laag inkomen. Het betreft dan merendeels huishoudens met een onvolledige AOW-opbouw en geen of weinig aanvullend pensioen.

2.3.1 Risicohuishoudens naar voornaamste inkomensbron, 2022* (% huishoudens)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Inkomen uit werk 2,2 0,4
Inkomen als
werknemer
1,3 0,2
Inkomen als
zelfstandige
7,3 1,2
Overdrachtsinkomen 8,1 4,1
Werkloosheid 12,4 1
Arbeidsongeschiktheid 9,3 3,3
Pensioen 2,4 0,9
Sociale
voorziening
40,1 26,7

Voor mensen die vooral een sociale voorziening ontvangen, verbeterde de koopkracht niet in de eerste jaren van het economisch herstel dat vanaf 2014 intrad. Het aandeel met een laag inkomen was in de periode 2014–2019 dan ook vrijwel even hoog als in 2013. Dat had tot gevolg dat ook het aandeel bijstandshuishoudens met een langdurig laag inkomen in die jaren sterk toenam, en wel van 37 procent in 2014 naar 49 procent in 2019. In 2020 deed zich een sterke daling voor van het (langdurig) armoederisico onder ontvangers van een sociale voorziening. Dat had te maken met de relatief grote koopkrachtvooruitgang van bijstandsontvangers in 2020. Daardoor kwam, vergeleken met eerdere jaren, een deel van hen boven de lage-inkomensgrens terecht, zoals bijvoorbeeld eenoudergezinnen met alleen bijstand, kinderbijslag en kindgebonden budget. De grote daling van het armoederisico bij bijstandsontvangers in 2022 kwam door de energiemaatregelen (zie hoofdstuk 1).

2.3.2 (Langdurig) armoederisico ontvangers sociale voorziening (% huishoudens)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
'11 61,5 32,9
'12 68,7 34,3
'13 73,8 35,5
'14 72,8 36,6
'15 73,7 41,5
'16 73,1 44,2
'17 73,9 45,4
'18 75,1 47,7
'19 73,7 49
'20 64 42,6
21 63,5 43
22* 40,1 26,7

Ook bij de andere groepen uitkeringsontvangers nam het armoederisico van 2021 op 2022 af (zie StatLine). Bij huishoudens met voornamelijk een arbeidsongeschiktheidsuitkering ging het om een halvering.

Bijstandsontvangers grootste groep onder de (langdurig) lage inkomens

Niet alleen is het risico op (langdurige) armoede het grootst onder ontvangers van voornamelijk bijstand of een andere sociale voorziening. Ook vormen bijstandsontvangers de meerderheid van zowel de huishoudens met een laag inkomen als de huishoudens met een langdurig laag inkomen. Bijstandsontvangers (inclusief de verwante sociale voorzieningen) waren in 2022 goed voor bijna 45 procent van de huishoudens met een laag inkomen en bijna 66 procent van de huishoudens met een langdurig laag inkomen.

In de zeven jaar ervoor maakten bijstandsontvangers steeds ruim de helft van de lage inkomens uit. In de periode 2011–2014 tijdens de economische crisis, was het aandeel met ruim 40 procent kleiner. In die crisisjaren besloeg juist de groep huishoudens met vooral inkomen uit werk een groter deel van de lage inkomens dan na de crisis (zie StatLine).

2.3.3 Voornaamste inkomensbron van risicohuishoudens, 2022* (%)
Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Bijstand of andere
sociale voorziening
Overdrachtsinkomen
excl. sociale voorzieningen
Laag inkomen 15,4 17 44,5 23,2
Langdurig laag inkomen 7 6,7 65,6 20,7

Ook huishoudens met vooral inkomen uit werk lopen risico

Van de huishoudens met vooral inkomen als werknemer had 1,3 procent in 2022 een laag inkomen. Dat is een stuk minder dan het landelijk gemiddelde van 4,4 procent. Een langdurig laag inkomen kwam met 0,2 procent onder de werknemershuishoudens nauwelijks voor. Van de zelfstandigenhuishoudens moest 7,3 procent rondkomen van een laag inkomen. Het gaat dan om zelfstandigen die slechts een geringe winst boekten of met een verlies te kampen hadden. Een lage winst bij ondernemers (of een laag loon bij werknemers) is niet altijd de enige oorzaak van een laag inkomen. Negatieve inkomsten uit vermogen, zoals betaalde hypotheekrente, kunnen ook een rol spelen. Over het algemeen heeft een laag inkomen bij zelfstandigen geen langdurig karakter. Ruim 1 procent had in 2022 vier jaar of langer een laag inkomen.

Het armoederisico van huishoudens met voornamelijk inkomen uit werk veranderde niet van 2021 op 2022. In deze groep hadden vooral zelfstandigen te maken met koopkrachtverlies (zie CBS, 2023). Zij zagen als enige sociaaleconomische groep hun armoederisico stijgen ten opzichte van 2021. Na de crisis van beginjaren ’10 was er in beide groepen vrijwel ieder jaar een daling, die dus alleen bij werknemers doorzette in 2022 (zie StatLine).

Bij deze uitkomsten moet worden aangetekend dat de voorlopige inkomensgegevens (zie paragraaf 2.1) voorzien in daadwerkelijke waarnemingen bij ruim een derde deel van de zelfstandigen. Bij bijna twee derde van de zelfstandigen zijn de inkomensgegevens geschat, met een minder zuivere vaststelling van het armoederisicopercentage als gevolg.

Armoederisico tweeverdieners miniem

Hoe meer verdieners er zijn in een huishouden, hoe kleiner het armoederisico is. Zo liep nog geen 1 op de 100 tweeverdieners (zie kader) in 2022 risico op armoede, bij de eenverdieners waren dat er 5 van de 100 en bij de nulverdieners (de huishoudens die in hoofdzaak afhankelijk zijn van een uitkering) 28 van de 100. Bij de eenverdieners springen paren met kinderen waarin een ouder werkt en de ander niet er uit. Zij hebben bijna 2 keer zoveel armoederisico als gemiddeld. Ook bij huishoudens zonder verdiener valt het hoge risico van ouderparen op: 40 procent. Dat is 2 keer zo hoog als het armoederisico van een alleenstaande ouder die niet werkt. Hier speelt mee dat van de minima met kinderen eenoudergezinnen wel en ouderparen niet boven de lage-inkomensgrens uit komen (hoofdstuk 1). Overigens zijn de meeste paren tweeverdiener, en werkt de meerderheid van de alleenstaanden (al dan niet met kinderen).

Een langdurig laag inkomen komt bij tweeverdieners zo goed als niet voor (0,1 procent in 2022). Het aandeel was 1,2 procent bij eenverdieners en 17,2 procent bij huishoudens zonder verdiener.

2.3.4 Armoederisico naar aantal verdieners, 2022* (% huishoudens tot AOW-leeftijd)
Geen verdiener Eenverdiener Tweeverdiener
Totaal 28,5 5,1 0,7
Paar zonder kinderen 29,2 4,5 0,8
Paar met kinderen 40,2 8,4 0,7
Eenoudergezin 19,9 4,4 .
Alleenstaande 29,7 4,9 .

Een- en tweeverdieners

Tweeverdieners zijn afgebakend als de groep particuliere huishoudens bestaande uit (echt)paren – met of zonder kinderen – van wie beide partners in ieder geval inkomen uit werk hebben (met eventueel andere inkomsten). Alleen paren van wie beide partners op 1 januari van het verslagjaar niet de AOW-leeftijd hebben en deze ook niet zullen bereiken in de loop van het jaar, behoren tot de groep tweeverdieners. Heeft maar één partner of geen van beide inkomen uit werk, dan behoort het paar tot respectievelijk eenverdieners en nulverdieners. Alleenstaande ouders en alleenstaanden (tot AOW-leeftijd) kunnen logischerwijs alleen tot een van deze beide groepen behoren. Volwassen kinderen tellen niet mee in het aantal verdieners, bij ouderparen en eenoudergezinnen gaat het alleen om eventuele verdieninkomsten van de ouder(s).

Minder risico bij hoger onderwijsniveau

Van de huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner had 2,2 procent in 2022 een laag inkomen. Dit is minder dan bij middelbaar (3,8 procent) en vooral laagopgeleiden (7,5 procent). De armoederisico’s bij de drie opleidingsgroepen waren het grootst op het hoogtepunt van de economische crisis beginjaren ’10, in 2013. Daarna daalde onder middelbaar en hoogopgeleiden het armoederisico vrijwel voortdurend. Bij laagopgeleiden nam het risico tussen 2016 en 2018 nog toe, om vervolgens te dalen. De daling was vooral sterk in 2020 en 2022. Dat komt doordat zich onder laagopgeleiden relatief veel bijstandsontvangers bevinden, een groep waarvan het armoederisico in die jaren relatief sterk daalde.

2.3.5 Armoederisico naar onderwijsniveau hoofdkostwinner (% huishoudens)
Laag Middelbaar Hoog
'11 10,9 6 3,5
'12 13 6,9 3,7
'13 14,7 7,8 4
'14 14,4 7,7 3,8
'15 14 7,5 3,6
'16 13,7 6,9 3,5
'17 14 6,8 3,4
'18 14,1 6,8 3,4
'19 13,6 6,4 3,3
'20 12,1 6 3,1
'21 11,6 5,7 2,9
'22* 7,5 3,8 2,2

Ook een langdurig laag inkomen komt het meest voor onder laagopgeleiden. In 2022 had 3,9 procent er mee te maken, tegen 1,4 procent van de middelbaar opgeleiden en 0,7 procent van de hoogopgeleiden.

2.4Demografische risicogroepen

Alleenstaanden tot AOW-leeftijd lopen grootste armoederisico

Van alle huishoudenstypen is het armoederisico onder alleenstaanden tot de AOW-gerechtigde leeftijd met bijna 10 procent het grootst. Daarna volgen de eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen: iets meer dan 9 procent van hen liep in 2022 risico op armoede. De laagste risico’s zijn voorbehouden aan paren vanaf AOW-leeftijd zonder kinderen (1,2 procent) en aan paren onder de AOW-leeftijd met ten minste één meerderjarig kind (1,3 procent in 2022).

2.4.1 Armoederisico per huishoudenstype, 2022* (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Alleenstaand . .
tot AOW-leeftijd 9,7 4,8
vanaf AOW-
leeftijd
2,1 0,8
Eenoudergezin . .
uitsluitend
kinderen <18 jaar
9,2 3,1
minstens 1
kind>=18 jaar
5,6 1,6
Paar zonder
kinderen
. .
tot AOW-leeftijd 2,5 0,9
vanaf AOW-
leeftijd
1,2 0,5
Paar met
kinderen
. .
uitsluitend
kinderen <18 jaar
3,6 1,5
minstens 1
kind>=18 jaar
1,3 0,4
Overig
huishouden
3,4 0,8

Armoederisico onder eenoudergezinnen en alleenstaanden daalt

Lange tijd bezetten eenoudergezinnen de eerste plek in de rangorde van huishoudens met een hoog armoederisico, gevolgd door alleenstaanden tot de AOW-leeftijd (zie ook UL/CBS, 2021). Na 2013, toen het aandeel met een laag inkomen bij eenoudergezinnen als gevolg van de toenmalige economische crisis een hoogtepunt had bereikt (bijna 30 procent), daalde het voortdurend. De daling houdt mede verband met een belangrijke verandering in de kindregelingen: vanaf 2015 krijgen alleenstaande ouders een extra hoog kindgebonden budget waardoor met name werkende alleenstaande ouders vaker dan voorheen boven de kritische grens uitkomen. Door het sterk gedaalde armoederisico bij eenoudergezinnen is sinds 2019 het armoederisico onder alleenstaanden tot AOW-leeftijd het grootst. In 2022 waren de risico’s van beide groepen vrijwel even groot. Het risico van alleenstaanden was toen sterker gedaald ten opzichte van 2021, mede doordat alleenstaande minima door de voor hen meest gunstig uitpakkende energietoeslag in 2022 anders dan voorheen niet onder de lage-inkomensgrens vielen (zie hoofdstuk 1).

2.4.2 Armoederisico onder alleenstaanden1) en eenoudergezinnen2) (%)
Alleenstaande met laag inkomen Eenoudergezin met laag inkomen Alleenstaande met langdurig
laag inkomen
Eenoudergezin met langdurig
laag inkomen
'11 16,4 22,3 6,3 7
'12 18,5 25,8 6,9 7,5
'13 20,6 29,4 7,7 8,2
'14 20,4 27,6 8 7,8
'15 20,4 24,4 9,2 7,9
'16 20 22,5 10 7,9
'17 20,4 21,3 10,4 7,7
'18 19,7 19,7 10,6 7,2
'19 18,9 17,8 10,8 6,3
'20 16,7 14,9 9,7 5,4
'21 16,1 13,7 9,5 4,9
22* 9,7 9,2 4,8 3,1
1)Tot AOW-leeftijd.
2) Met alleen minderjarige kinderen.

Langdurig armoederisico onder alleenstaanden grootst

Bijna 1 op de 20 alleenstaanden onder de AOW-leeftijd ging in 2022 langdurig gebukt onder een laag inkomen. Daarmee staat deze groep eveneens aan kop als het gaat om langdurige armoedeproblematiek. Het aandeel met een langdurig laag inkomen was aanvankelijk nog vrijwel gelijk aan dat onder eenoudergezinnen, maar steeg tussen 2014 en 2019. In 2020 daalde het aandeel, in 2021 bleef het gelijk om vervolgens in 2022 opnieuw te dalen. Het merendeel van de alleenstaanden met een langdurig armoederisico moet voornamelijk van een bijstandsuitkering rondkomen. Bij alleenstaanden onder de AOW-leeftijd en bijstandsontvangers (zie figuur 2.3.2) lopen de ontwikkelingen van het langdurige armoederisico dan ook relatief synchroon.

Ook bij eenoudergezinnen is het risico op langdurige armoede gedaald, al zette die daling mede door de aangepaste kindregelingen al vanaf 2017 in. Het aandeel dat al minstens vier jaar achtereen van een laag inkomen moet rondkomen blijft met 3,1 procent in 2022 relatief groot.

Alleenstaanden bepalend voor omvang armoedeproblematiek

Van alle huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in 2022 kwam 51 procent voor rekening van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd, van de huishoudens met een langdurig laag inkomen was dat 56 procent. Eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen maken met respectievelijk 7 en 6 procent een veel kleiner deel uit van de risicohuishoudens (zie StatLine). Dat komt doordat het aantal eenoudergezinnen met minderjarige kinderen in Nederland met nog geen 300 duizend in 2022 verhoudingsgewijs klein is. Het aantal alleenstaanden onder de AOW-leeftijd is met ruim 2 miljoen aanzienlijk groter, zodat het relatief hoge aandeel van deze groep met een armoederisico doorslaggevend is in het totale aantal huishoudens met armoedeproblematiek.

Betrekkelijk veel lage inkomens onder 55- tot 65‑jarigen

De hoogte van het huishoudensinkomen en daarmee het risico op armoede varieert per levensfase. Zo stijgt het arbeidsinkomen aanvankelijk op grond van werk, werkervaring en het aanvaarden van beter betaalde functies. Op latere leeftijd, tussen 55 en 65 jaar, raken echter steeds meer mensen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk van een uitkering. In deze leeftijdsgroep is het aandeel met een armoederisico dan ook hoger. Met de pensionering verbetert de inkomenssituatie voor velen doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast de AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65‑plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.

2.4.3 (Langdurig) armoederisico, 2022* (% huishoudens)
leeftijd hoofdkostwinner Laag inkomen Langdurig laag inkomen
25 5,7 0,7
26 4,9 0,7
27 4,4 0,7
28 4,3 0,8
29 4,3 0,9
30 4,4 1
31 4,3 1,1
32 4,5 1,3
33 4,6 1,4
34 4,6 1,5
35 4,7 1,6
36 4,8 1,6
37 4,8 1,7
38 4,8 1,7
39 4,7 1,7
40 4,5 1,5
41 4,4 1,6
42 4,3 1,6
43 4,1 1,5
44 4,1 1,4
45 3,9 1,4
46 3,9 1,3
47 3,9 1,4
48 3,8 1,4
49 4,7 2
50 4,6 2
51 4,6 2
52 4,6 2,1
53 4,8 2,2
54 5,4 2,7
55 5,7 2,9
56 5,9 3,1
57 6,1 3,4
58 6,3 3,5
59 6,7 3,8
60 6,9 4
61 7,4 4,4
62 7,3 4,4
63 7,7 4,7
64 7,8 4,8
65 5,9 3,3
66 2,4 0,5
67 2,2 0,5
68 1,9 0,5
69 1,9 0,8
70 1,7 0,8
71 1,8 0,8
72 1,5 0,7
73 1,5 0,7
74 1,4 0,6
75 1,4 0,6
76 1,5 0,7
77 1,6 0,7
78 1,5 0,7
79 1,7 0,8
80 1,6 0,7
81 1,8 0,8
82 1,8 0,8
83 1,7 0,7
84 1,7 0,7
85 1,8 0,8

Armoederisico 55- tot 65‑jarigen minst gedaald na vorige crisis

Na de vorige economische crisis bleef tot 2019 in de leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar en in de groep van 65 jaar of ouder het armoederisico stijgen. De andere leeftijdsgroepen hadden profijt van het economisch herstel en zagen hun risico dalen. Een deel van de 55- tot 65‑jarigen werd door de toenmalige crisis langdurig afhankelijk van een uitkering, waarmee er veelal sprake was van een armoederisico. Daarnaast speelde de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd een rol in het oplopende armoederisico van 55- tot 65‑jarigen (zie CBS, 2019). Pas vanaf 2019 is onder hen een daling in het armoederisico te zien, mede doordat de koopkracht van de meeste uitkeringsontvangers toen verbeterde of relatief weinig verslechterde (zie StatLine).

In de groep 65‑plussers daalde na de vorige crisis aanvankelijk het armoederisico. De stijging van het armoederisico in 2017 en 2018 had te maken met een vergeleken met andere bevolkingsgroepen ongunstige koopkrachtontwikkeling, ook als gevolg van het beperkt of niet indexeren van pensioenuitkeringen. In 2019 en 2020 trok de koopkracht van pensioenontvangers aan, met een stabilisatie van het armoederisico als gevolg. In 2021 en vooral in 2022 nam het armoederisico – net als in de hele bevolking (zie paragraaf 2.1) – in elke leeftijdsgroep af.

2.4.4 Armoederisico per leeftijdsgroep hoofdkostwinner (% huishoudens)
Tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 55 tot 65 jaar 65 jaar of ouder
2011 19,5 8,9 8,3 7,4 7,5 2,3
2012 22,5 10,6 9,6 8,4 8,2 3,2
2013 24,7 12 10,7 9,4 9,3 3,6
2014 23,5 11,6 10,5 9,2 9,3 3,2
2015 21,8 11,2 10,2 9,2 9,6 2,6
2016 20,7 10,6 9,5 8,8 9,8 2,5
2017 21 10,4 9,3 8,7 10,3 2,7
2018 19,3 9,8 9 8,5 10,6 3
2019 17,9 8,9 8,4 8 10,3 3,1
2020 15,7 7,5 7,4 7,3 9,8 3,1
2021 14 6,9 6,9 6,8 9,4 2,7
2022* 12 4,6 4,5 4,5 6,8 2

In de meeste leeftijdsgroepen bleef na de vorige economische crisis het risico op langdurige armoede enige jaren stabiel, zie StatLine. Bij 55- tot 65‑jarigen nam het langdurig risico echter toe tot 2020. Daarna liep het terug, wat kwam door de daling van het jaarlijkse armoederisico. Bij 65‑plussers daalde het langdurig armoederisico om die reden pas in 2022. Toen steeg door de energiemaatregelen de koopkracht van 65‑plussers met weinig inkomen (CBS, 2023), waardoor het armoederisico in deze leeftijdsgroep afnam.

2.5Demografische risicogroepen: herkomst

Grootste armoederisico bij niet-Europese migranten

Huishoudens met een hoofdkostwinner geboren in het buitenland (kortweg migranten, zie kader) lopen meer risico op armoede dan wanneer de hoofdkostwinner (en beide ouders) in Nederland geboren is. Met een hoofdkostwinner geboren in een land buiten Europa liepen huishoudens met 13,0 procent in 2022 bijna 3 keer zo vaak een armoederisico als gemiddeld (4,4 procent). Is de hoofdkostwinner in Europa geboren, dan was het ruim 1,5 keer zo vaak. Ook bij in Nederland geboren hoofdkostwinners met één of beide ouders geboren in een niet-Europees land (de tweede generatie met een niet-Europese herkomst) was het armoederisico bovengemiddeld. De tweede generatie met een Europese herkomst heeft echter een relatief klein armoederisico, net als de huishoudens met een hoofdkostwinner van Nederlandse herkomst.

2.5.1 Armoederisico naar herkomst hoofdkostwinner, 2022* (% huishoudens)
Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland
Europa 3,8 7,2 2,8
België 3,7 4,8 .
Duitsland 3 5,4 .
Verenigd Koninkrijk 4,5 5,6 .
Polen 4,5 6,5 .
Oekraïne 6,3 6,7 .
Roemenië 6,7 8,7 .
Bulgarije 7,3 15,8 .
Overig Europa 5,2 7,6 .
Buiten-Europa 6,3 13 .
Indonesië 4,3 3,2 .
Suriname 6,6 7,8 .
Turkije 7,7 13,6 .
Nederlandse Cariben 6,6 13,6 .
Marokko 11,3 15,6 .
Overig buiten-Europa 5,8 15,1 .

Bovengemiddeld armoederisico bij Oost-Europese herkomst

Van de tweede generatie huishoudens met een Europese herkomst waren alleen de armoederisico’s van de Nederlands-Belgische en Nederlands-Duitse huishoudens minder dan gemiddeld. De tweede generaties uit andere Europese landen kwamen op of boven het gemiddelde uit. Van migrantenhuishoudens uit elk onderscheiden Europees land was het armoederisico hoger dan gemiddeld. Vooral huishoudens van migranten uit Bulgarije en Roemenië liepen risico op armoede, gevolgd door migrantenhuishoudens uit Oekraïne en Polen. Arbeidsmigranten met een Oost-Europese herkomst doen meestal laaggeschoold werk, terwijl migranten met een West-Europese herkomst vaak (hoogopgeleide) kenniswerkers zijn. Bulgaarse migrantenhuishoudens liepen met 15,8 procent het meeste risico op armoede. Wel ging het, net als bij Roemeense migranten, om een relatief kleine groep van ongeveer 20 duizend huishoudens. De groep Oekraïense migrantenhuishoudens is nog kleiner (circa 7 duizend): de immigratie als gevolg van de oorlog in dit land speelde nog niet begin 2022.

Kleinste armoederisico bij Indonesische herkomst

Van de vijf grootste groepen huishoudens met een niet-Europese herkomst (Turkije, Marokko, Suriname, Nederlandse Cariben en Indonesië) liepen vooral Turkse en Marokkaanse migrantenhuishoudens risico op armoede: meer dan 15 procent in 2022. Ook de Marokkaanse tweede generatie had met ruim 11 procent een relatief groot risico. Het armoederisico van huishoudens met een Indonesische herkomst was verhoudingsgewijs klein. Bovendien liep bij hen de tweede generatie meer risico dan de groep immigranten van het eerste uur. De immigratie uit Indonesië is voornamelijk na de dekolonisatie (na de Tweede Wereldoorlog) op gang gekomen. Het aandeel pensioenontvangers onder huishoudens met een Indonesische herkomst is daarom substantieel hoger dan in andere herkomstgroepen (CBS, 2022). Pensioenontvangers lopen weinig risico doordat de AOW-uitkering boven de lage-inkomensgrens ligt (zie hoofdstuk 1).

Nieuwe herkomstindeling

Het CBS hanteert sinds begin 2022 een nieuwe herkomstindeling. De nieuwe herkomstindeling bestaat uit twee onderdelen: wel of niet geboren in Nederland, en herkomstland. De indeling kijkt eerst of een inwoner zelf in Nederland of het buitenland geboren is, en vervolgens waar de ouders geboren zijn. In het buitenland geboren inwoners duidt het CBS ook met migranten aan. In Nederland geboren inwoners met een of twee in het buitenland geboren ouders behoren tot de zogenoemde tweede generatie. Is iemand zelf en zijn ook beide ouders geboren in Nederland, dan heeft diegene een Nederlandse herkomst. Voor herkomstland is een nieuwe hoofdindeling gemaakt op basis van werelddelen en veelvoorkomende immigratielanden.

Bij een migrant is het herkomstland het geboorteland. Het herkomstland van iemand die tot de tweede generatie behoort is het geboorteland van de moeder, tenzij dat ook Nederland is of onbekend. In dat geval is het herkomstland het geboorteland van de vader.

Zelfde risicogroepen bij langdurige armoede

Herkomstgroepen die relatief veel of juist weinig armoederisico lopen, vallen ook op in het risico op langdurige armoede. Huishoudens van Marokkaanse, Nederlands-Caribische en Turkse migranten hadden in 2022 ongeveer 4 keer zo vaak te maken met een langdurig laag inkomen als gemiddeld. Ook huishoudens van Bulgaarse migranten sprongen er uit met een groot langdurig armoederisico, terwijl dat van Indonesische migrantenhuishoudens in verhouding klein was. Van de onderscheiden herkomstlanden verschilde het risico op langdurige armoede van de tweede generatie weinig met het gemiddelde, behalve voor Nederlands-Marokkaanse huishoudens die bijna twee keer zo hoog uitkwamen.

2.5.2 Langdurig armoederisico naar herkomst hoofdkostwinner, 2022* (% huishoudens)
Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland
Europa 1,5 2,9 1,1
België 1,5 2 .
Polen 1,9 2,1 .
Duitsland 1,3 2,2 .
Verenigd Koninkrijk 1,5 2,4 .
Roemenië 1,2 3 .
Oekraïne 2,1 3,6 .
Bulgarije 1,9 4,6 .
Overig Europa 1,9 3,7 .
Buiten-Europa 2 6,9 .
Indonesië 1,9 1,4 .
Suriname 1,9 4,1 .
Turkije 2,1 7,1 .
Nederlandse Cariben 1,7 7,9 .
Marokko 3,4 8,4 .
Overig buiten-Europa 1,1 8,3 .

(Langdurig) armoederisico vluchtelingenhuishoudens groot

Tot de vluchtelingengroepen rekent het CBS personen met een Afghaanse, Irakese, Iraanse en Somalische herkomst. Met de vluchtelingencrisis zijn daar Syrië en Eritrea bijgekomen. Vluchtelingen zijn vrijwel altijd migranten, de tweede generatie maakt nog geen 3 procent uit van alle vluchtelingenhuishoudens. Daarom blijft het onderscheid tussen armoederisico’s van huishoudens van migranten en van de tweede generatie hier achterwege. De meeste vluchtelingen doen zodra ze een verblijfsvergunning krijgen een beroep op de bijstand en vluchtelinghuishoudens hebben daardoor vaak een laag inkomen. Zo liep ruim 34 procent van de huishoudens met een hoofdkostwinner van Syrische herkomst risico op armoede in 2022. Dat was bijna 8 keer zo vaak als gemiddeld in Nederland. Een langdurige armoederisico kwam bij een Syrische herkomst 12 keer zo vaak voor als gemiddeld. Ook bij huishoudens met een hoofdkostwinner uit een van de andere vluchtelingenlanden was het (langdurig) armoederisico relatief groot.

2.5.3 (Langdurig) armoederisico vluchtelingenlanden, 2022* (% huishoudens)
Gemiddeld Syrië Somalië Irak Afghanistan Eritrea Iran
Armoederisico 4,4 34,1 23,2 22,1 18,9 16,5 16,2
Langdurig armoederisico 1,8 21,5 14,3 13,3 9,2 9,8 9,3

Onderwijsniveau speelt beperkte rol in verhoogd armoederisico migranten

De Nederlandse samenleving kent steeds meer diversiteit in cultuur, religie en leefgewoonten. Deze verschillen spelen een rol in de hoogte van het armoederisico. Daarnaast houdt het armoederisico veelal ook verband met het onderwijsniveau en leeftijd (zie paragraaf 2.4). Aanvullend is daarom onderzocht of en in hoeverre verschillen in onderwijsniveau en in leeftijd van de hoofdkostwinner een rol spelen in de hoogte van het armoederisico van huishoudens. De uitkomsten laten zien dat wanneer rekening wordt gehouden met deze verschillen de armoederisico’s, ook de langdurige, iets kleiner worden. Ondanks dat blijft er sprake van bovenmatige risico’s van migranten en de tweede generatie in de onderscheiden herkomstgroepen, volgens een vrijwel vergelijkbaar patroon als in de gepresenteerde figuren.

Armoederisico Europese migranten minst gedaald in 2022

Niet in elke herkomstgroep was de afname van het (langdurig) armoederisico van 2021 op 2022 even sterk. Zo was de afname van het armoederisico bij Europese migrantenhuishoudens minder uitgesproken dan in de andere groepen. In de huishoudens van de niet-Europese tweede generatie nam het (langdurig) armoederisico in 2022 relatief het meest af. In de andere herkomstgroepen daalde het (langdurig) armoederisico in verhouding vrijwel even hard als gemiddeld.

2.5.4 (Langdurig) armoederisico naar herkomst hoofdkostwinner (% huishoudens)
Totaal Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander Europees land Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land Geboren in buitenland, binnen Europa Geboren in buitenland, buiten Europa
Armoederisico 2021, Armoederisico 6,3 4,2 5,6 9,6 8,8 19,1
Armoederisico 2022*, Armoederisico 4,4 2,8 3,8 6,3 7,2 13
Langdurig armoederisico 2021, Langdurig armoederisico 3 1,9 2,5 4 4,5 11,4
Langdurig armoederisico 2022*, Langdurig armoederisico 1,8 1,1 1,5 2 2,9 6,9

Helft risicohuishoudens van Europese migranten heeft inkomen uit werk

Dat het armoederisico bij huishoudens van Europese migranten in 2022 het minst sterk daalde, heeft deels te maken met het relatief grote aandeel huishoudens dat vooral inkomen uit werk heeft en het relatief kleine aandeel met vooral inkomen uit bijstand of een andere sociale voorziening. Ruim de helft van de Europese migrantenhuishoudens met een laag inkomen betrok het inkomen voornamelijk uit loon of winst in 2022. Bij Bulgaarse en Roemeense migranten was dat met drie kwart nog meer. Werknemers en zelfstandigen hadden in 2022 te maken met koopkrachtverlies, terwijl de koopkracht van bijstandsontvangers steeg (CBS, 2023). Dit vertaalt zich in een minder sterk afgenomen armoederisico bij Europese migranten.

Het merendeel van de risicohuishoudens met als herkomst een vluchtelingenland haalt hun inkomen voornamelijk uit een bijstandsuitkering. Bij huishoudens van Somalische, Eritrese of Syrische herkomst varieerde het aandeel met vooral bijstand van 75 tot 80 procent in 2022. Onder huishoudens met een hoofdkostwinner van Turkse of Marokkaanse herkomst ging het hebben van een laag inkomen minder vaak samen met bijstand ontvangen. Daarentegen kwam een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering bij deze groepen relatief vaak voor.

2.5.5 Voornaamste inkomensbron risicohuishoudens, 2022* (% huishoudens met laag inkomen)
Werk Werkloos of arbeidsongeschikt Pensioen Bijstand
Europa 35,8 8,3 17,7 38,2
Tweede generatie 31,6 8,1 16,9 43,3
Migranten 51,3 8 15,3 25,4
Duitsland 30,7 7,8 23,5 37,9
Nederland 33,3 8,3 18,2 40,1
België 33,7 7 21,5 37,7
Oekraïne 41,7 4,2 9,9 44,2
Verenigd Koninkrijk 41,9 6,8 26 25,3
Polen 57,5 14,9 9,6 17,9
Bulgarije 73,9 6,7 2,8 16,6
Roemenië 76,3 3,4 5,8 14,4
Overig Europa 43,7 6,6 16 33,7
Buiten-Europa 27,2 7,6 11,2 53,9
Tweede generatie 42,6 10,3 4,4 42,7
Migranten 23,8 7 12,8 56,4
Somalië 14 3,2 2 80,8
Syrië 19,2 1,2 0,6 78,7
Iran 21,2 4,6 4,8 69,5
Nederlandse Cariben 21,4 4,4 22 52,1
Irak 21,7 4,6 4,3 69,3
Eritrea 22,7 0,8 0,8 75,7
Marokko 24,2 14,8 12,2 48,7
Suriname 24,4 7,7 12,6 55,2
Turkije 26,1 13,5 15 45,4
Indonesië 30,7 7,7 20,9 40,8
Afghanistan 31,6 3,4 4,3 60,6
Overig buiten-Europa 37 5 10,8 47,1

Steeds meer migrantenhuishoudens met armoederisico

De toestroom van vluchtelingen uit met name Syrië in 2015 ging gepaard met een toename van het aantal bijstandsontvangers. Daarmee steeg ook het aandeel niet-Europese migranten onder de huishoudens met een laag inkomen. De toename speelde tussen 2015 en 2018, waarna het aandeel stabiliseerde tot 2020. Daarna was opnieuw sprake van groei. Ook het aandeel Europese migranten onder de risicohuishoudens steeg vanaf 2020, nadat het enige jaren vrijwel niet veranderd was. De groei van het aandeel migranten was het sterkst in 2022, na het opheffen van de reisbeperkingen die tijdens de coronapandemie waren ingesteld. De groei van de groep migranten onder de huishoudens met een laag inkomen speelde ook al voor 2011. Zo verdubbelde tussen 1995 en 2010 het aandeel huishoudens van migranten met een niet-westerse achtergrond (UL/CBS, 2021).

Niet-Europese migranten maakten in 2022 een derde uit van alle huishoudens met een laag inkomen. Ruim 4 op de 10 niet Europese migrantenhuishoudens met een laag inkomen waren afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname of de Nederlandse Cariben. Bijna 3 op de 10 hadden als herkomst een vluchtelingenland. Van de Europese migrantenhuishoudens met een laag inkomen was 36 procent afkomstig uit Polen, Bulgarije of Roemenië.

2.5.6 Risicohuishoudens naar herkomst (% huishoudens met laag inkomen)
Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander Europees land Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land Geboren in buitenland, binnen Europa Geboren in buitenland, buiten Europa
2011 56,4 2,9 5,8 6,3 28,6
2012 54,7 2,8 6 6,6 29,9
2013 54,6 2,8 6,2 6,5 29,9
2014 54,2 2,7 6,6 6,5 29,9
2015 54,8 2,8 6,9 6,2 29,3
2016 53,5 2,7 7,1 6,3 30,4
2017 53 2,7 7 6,1 31,2
2018 52,7 2,7 7 6,1 31,5
2019 52,7 2,7 7,2 6,2 31,2
2020 51,5 2,6 7,1 6,7 32,1
2021 50,6 2,6 7,4 6,9 32,5
2022* 49 2,5 7,3 8,4 32,7

2.6Armoederisico in gemeenten

Grootste armoederisico in Rotterdam

Per gemeente liep het aandeel huishoudens met een laag inkomen in 2022 uiteen van 1,3 tot 8,7 procent, tegen 4,4 procent gemiddeld voor heel Nederland. De top tien van gemeenten met het hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen werd aangevoerd door Rotterdam (8,7 procent), gevolgd door Den Haag (8,1 procent), Heerlen (7,2 procent), Vaals (6,9 procent) en Enschede (6,8 procent). De overige gemeenten in de top tien waren: Nijmegen, Leeuwarden, Maastricht, Amsterdam en Kerkrade.

De laagste percentages huishoudens met risico op armoede zijn vooral te vinden in kleinere gemeenten. In 2022 stond Rozendaal (1,3 procent) onderaan op de ranglijst, gevolgd door Woudenberg (1,8 procent), en Renswoude, Zoeterwoude en Boekel met elk 1,9 procent.

In Rotterdam was ook het risico op langdurige armoede het grootst, met 4,4 procent lag het ver boven het landelijk gemiddelde van 1,8 procent. Den Haag, Vaals, Heerlen en Enschede volgden met percentages rond 3,5 procent. De gemeente Ameland had in 2022 het kleinste aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen (0,3 procent).

Gemeentelijke maatregelen

Aanvullend op het landelijke beleid treffen gemeenten specifieke maatregelen ter bestrijding van armoede in hun gemeente. Het betreft een brede waaier aan sociale voorzieningen in natura buiten de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag om. De regelingen zijn nogal divers, veelal incidenteel en soms (beperkt) structureel. Het CBS heeft geen zicht hierop. Eventuele inkomensprofijten als gevolg van deze aanvullende regelingen zijn niet in het inkomen en dus ook niet in de regionale specificaties van het (langdurig) armoederisico verdisconteerd.

2.6.1Tien gemeenten1) met het hoogste en laagste aandeel huishoudens met een (langdurig) laag inkomen, 2022*
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Hoogste aandeel % Hoogste aandeel %
1 Rotterdam 8,7 1 Rotterdam 4,4
2 ’s-Gravenhage 8,1 2 ’s-Gravenhage 3,6
3 Heerlen 7,2 3 Vaals 3,6
4 Vaals 6,9 4 Heerlen 3,5
5 Enschede 6,8 5 Enschede 3,4
6 Nijmegen 6,8 6 Nijmegen 3,3
7 Leeuwarden 6,5 7 Leeuwarden 3,1
8 Maastricht 6,3 8 Maastricht 2,9
9 Amsterdam 6,1 9 Delft 2,9
10 Kerkrade 6,1 10 Vlissingen 2,9
Laagste aandeel Laagste aandeel
1 Rozendaal 1,3 1 Ameland 0,3
2 Woudenberg 1,8 2 Terschelling 0,4
3 Renswoude 1,9 3 Stein 0,4
4 Zoeterwoude 1,9 4 Boekel 0,4
5 Boekel 1,9 5 Drimmelen 0,5
6 Hellendoorn 2,0 6 Urk 0,6
7 Hattem 2,0 7 Opmeer 0,6
8 Hilvarenbeek 2,0 8 Bunschoten 0,6
9 Son en Breugel 2,0 9 Oirschot 0,6
10 Veldhoven 2,0 10 Bergeijk 0,6

1)Gemeentelijke indeling van 1-1-2023.

Vooral in noordoosten van Nederland risicogemeenten

Een hoog percentage huishoudens met een laag inkomen komt niet alleen voor in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en andere grote gemeenten, maar ook in kleinere gemeenten in met name het noordoosten van het land. Ook in Limburg is in enkele gemeenten sprake van een relatief groot armoederisico. Behalve de al genoemde top-tiengemeenten Heerlen, Vaals, Maastricht en Kerkrade zijn dat Venlo, Roermond en Sittard-Geleen. In het midden van het land hebben Arnhem, Lelystad en Deventer een armoederisico dat ruim boven het landelijk gemiddelde ligt. In het westen van het land zijn er, buiten de grote steden, relatief weinig gemeenten met een bovengemiddeld aandeel huishoudens met een laag inkomen.

2.6.2 Huishoudens met een laag inkomen, 2022*
Percentage laag inkomen
Groningen 5,6
Almere 4,8
Stadskanaal 4,4
Veendam 4,7
Zeewolde 3,1
Achtkarspelen 4,0
Ameland 2,1
Harlingen 5,3
Heerenveen 4,4
Leeuwarden 6,5
Ooststellingwerf 3,9
Opsterland 3,2
Schiermonnikoog 4,4
Smallingerland 4,7
Terschelling 3,4
Vlieland 4,7
Weststellingwerf 3,9
Assen 4,3
Coevorden 3,8
Emmen 4,5
Hoogeveen 3,6
Meppel 3,5
Almelo 5,6
Borne 2,4
Dalfsen 2,5
Deventer 5,1
Enschede 6,8
Haaksbergen 2,7
Hardenberg 2,8
Hellendoorn 2,0
Hengelo 4,7
Kampen 3,3
Losser 3,1
Noordoostpolder 3,5
Oldenzaal 3,1
Ommen 2,9
Raalte 2,4
Staphorst 2,6
Tubbergen 2,3
Urk 2,8
Wierden 2,1
Zwolle 4,6
Aalten 2,4
Apeldoorn 4,4
Arnhem 5,3
Barneveld 2,6
Beuningen 2,8
Brummen 2,8
Buren 2,7
Culemborg 3,5
Doesburg 4,7
Doetinchem 4,1
Druten 2,6
Duiven 2,7
Ede 3,3
Elburg 2,8
Epe 3,4
Ermelo 3,1
Harderwijk 3,6
Hattem 2,0
Heerde 2,3
Heumen 3,1
Lochem 3,0
Maasdriel 3,1
Nijkerk 2,5
Nijmegen 6,8
Oldebroek 2,6
Putten 2,8
Renkum 3,6
Rheden 4,3
Rozendaal 1,3
Scherpenzeel 2,1
Tiel 4,9
Voorst 2,6
Wageningen 4,7
Westervoort 3,6
Winterswijk 3,7
Wijchen 3,2
Zaltbommel 3,2
Zevenaar 3,4
Zutphen 4,6
Nunspeet 3,0
Dronten 3,3
Amersfoort 4,3
Baarn 3,6
De Bilt 3,7
Bunnik 2,1
Bunschoten 2,3
Eemnes 2,6
Houten 2,3
Leusden 2,3
Lopik 2,7
Montfoort 2,1
Renswoude 1,9
Rhenen 2,2
Soest 3,7
Utrecht 5,7
Veenendaal 3,5
Woudenberg 1,8
Wijk bij Duurstede 2,4
IJsselstein 2,8
Zeist 4,6
Nieuwegein 3,7
Aalsmeer 2,6
Alkmaar 4,2
Amstelveen 4,2
Amsterdam 6,1
Bergen (NH.) 3,4
Beverwijk 4,4
Blaricum 3,0
Bloemendaal 3,0
Castricum 2,5
Diemen 4,5
Edam-Volendam 2,1
Enkhuizen 3,5
Haarlem 4,5
Haarlemmermeer 3,1
Heemskerk 3,3
Heemstede 2,6
Heiloo 3,8
Den Helder 4,6
Hilversum 4,8
Hoorn 3,9
Huizen 2,8
Landsmeer 3,2
Laren 3,9
Medemblik 3,0
Oostzaan 2,6
Opmeer 2,5
Ouder-Amstel 3,7
Purmerend 3,5
Schagen 2,7
Texel 3,5
Uitgeest 2,8
Uithoorn 3,1
Velsen 4,0
Zandvoort 5,6
Zaanstad 4,9
Alblasserdam 3,4
Alphen aan den Rijn 3,0
Barendrecht 2,4
Drechterland 2,3
Capelle aan den IJssel 5,0
Delft 6,0
Dordrecht 5,2
Gorinchem 4,4
Gouda 4,5
's-Gravenhage 8,1
Hardinxveld-Giessendam 2,2
Hendrik-Ido-Ambacht 2,5
Stede Broec 2,2
Hillegom 2,9
Katwijk 2,7
Krimpen aan den IJssel 3,4
Leiden 5,5
Leiderdorp 2,9
Lisse 2,3
Maassluis 4,2
Nieuwkoop 2,2
Noordwijk 3,1
Oegstgeest 3,0
Oudewater 2,6
Papendrecht 2,9
Ridderkerk 3,7
Rotterdam 8,7
Rijswijk 5,0
Schiedam 5,9
Sliedrecht 3,9
Albrandswaard 2,7
Vlaardingen 5,2
Voorschoten 3,0
Waddinxveen 2,7
Wassenaar 4,9
Woerden 2,9
Zoetermeer 3,9
Zoeterwoude 1,9
Zwijndrecht 4,1
Borsele 2,6
Goes 3,8
West Maas en Waal 2,7
Hulst 3,0
Kapelle 2,1
Middelburg 4,3
Reimerswaal 2,7
Terneuzen 3,7
Tholen 2,9
Veere 2,4
Vlissingen 5,7
De Ronde Venen 2,9
Tytsjerksteradiel 3,1
Asten 2,9
Baarle-Nassau 3,0
Bergen op Zoom 4,8
Best 2,5
Boekel 1,9
Boxtel 2,9
Breda 4,8
Deurne 2,8
Pekela 4,8
Dongen 2,1
Eersel 2,3
Eindhoven 5,4
Etten-Leur 3,3
Geertruidenberg 3,1
Gilze en Rijen 2,9
Goirle 2,5
Helmond 4,7
's-Hertogenbosch 4,3
Heusden 3,0
Hilvarenbeek 2,0
Loon op Zand 2,5
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 2,3
Oirschot 2,2
Oisterwijk 2,8
Oosterhout 3,5
Oss 3,4
Rucphen 3,5
Sint-Michielsgestel 2,3
Someren 2,5
Son en Breugel 2,0
Steenbergen 3,4
Waterland 2,8
Tilburg 5,6
Valkenswaard 3,1
Veldhoven 2,0
Vught 2,8
Waalre 2,6
Waalwijk 3,5
Woensdrecht 3,1
Zundert 3,3
Wormerland 2,9
Landgraaf 4,3
Beek 3,4
Beesel 3,0
Bergen (L.) 2,6
Brunssum 4,1
Gennep 3,7
Heerlen 7,2
Kerkrade 6,1
Maastricht 6,3
Meerssen 2,4
Mook en Middelaar 2,6
Nederweert 2,2
Roermond 5,3
Simpelveld 3,3
Stein 2,6
Vaals 6,9
Venlo 5,3
Venray 3,6
Voerendaal 2,6
Weert 3,7
Valkenburg aan de Geul 4,1
Lelystad 5,2
Horst aan de Maas 2,2
Oude IJsselstreek 3,2
Teylingen 2,7
Utrechtse Heuvelrug 3,6
Oost Gelre 2,0
Koggenland 2,3
Lansingerland 2,5
Leudal 2,5
Maasgouw 2,5
Gemert-Bakel 3,1
Halderberge 3,5
Heeze-Leende 2,4
Laarbeek 2,5
Reusel-De Mierden 2,4
Roerdalen 2,7
Roosendaal 4,7
Schouwen-Duiveland 3,1
Aa en Hunze 3,2
Borger-Odoorn 3,2
De Wolden 2,6
Noord-Beveland 3,4
Wijdemeren 2,9
Noordenveld 2,9
Twenterand 2,8
Westerveld 3,4
Lingewaard 2,5
Cranendonck 2,6
Steenwijkerland 3,5
Moerdijk 3,3
Echt-Susteren 3,2
Sluis 3,4
Drimmelen 2,0
Bernheze 2,3
Alphen-Chaam 2,9
Bergeijk 2,2
Bladel 2,2
Gulpen-Wittem 2,9
Tynaarlo 2,8
Midden-Drenthe 2,7
Overbetuwe 2,7
Hof van Twente 2,8
Neder-Betuwe 2,8
Rijssen-Holten 2,3
Geldrop-Mierlo 3,0
Olst-Wijhe 2,2
Dinkelland 2,0
Westland 2,8
Midden-Delfland 2,3
Berkelland 2,6
Bronckhorst 2,5
Sittard-Geleen 5,0
Kaag en Braassem 2,8
Dantumadiel 4,1
Zuidplas 2,8
Peel en Maas 2,2
Oldambt 5,7
Zwartewaterland 2,4
S�dwest-Frysl�n 4,3
Bodegraven-Reeuwijk 2,7
Eijsden-Margraten 2,3
Stichtse Vecht 3,0
Hollands Kroon 2,7
Leidschendam-Voorburg 4,5
Goeree-Overflakkee 2,5
Pijnacker-Nootdorp 2,2
Nissewaard 4,1
Krimpenerwaard 2,8
De Fryske Marren 3,3
Gooise Meren 4,0
Berg en Dal 3,9
Meierijstad 2,5
Waadhoeke 3,7
Westerwolde 4,1
Midden-Groningen 5,0
Beekdaelen 3,1
Montferland 3,0
Altena 2,5
West Betuwe 2,5
Vijfheerenlanden 3,0
Hoeksche Waard 2,2
Het Hogeland 3,9
Westerkwartier 2,7
Noardeast-Frysl�n 4,4
Molenlanden 2,1
Eemsdelta 5,2
Dijk en Waard 2,8
Land van Cuijk 2,4
Maashorst 2,9
Voorne aan Zee 3,2

2.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2019). Armoede en sociale uitsluiting 2019.

CBS (2021). Armoede en sociale uitsluiting 2021.

CBS (2022). Integratie en Samenleven 2022.

CBS (2023). Energietoeslag dempt koopkrachtverlies in 2022. CBS-nieuwsbericht, 14 september.

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2021. UnivLeiden/CBS.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten