Foto omschrijving: Contant geld uit portemonnee tellen. Vrouw telt vooraf aan boodschappen doen haar geld, om niet voor verrassingen te staan aan de kassa.

Perspectieven op armoede en sociale uitsluiting

Armoede wordt doorgaans afgebakend op basis van het inkomen. De daarbij gehanteerde inkomensgrenzen worden in dit hoofdstuk besproken. Ook is er aandacht voor een afbakening van armoede waarbij naast inkomen bezittingen en schulden van huishoudens meetellen. Armoede is meer dan alleen een tekort aan materiële welvaart. Weinig financiële middelen gaan vaak samen met ongunstige levensomstandigheden en werken sociale uitsluiting in de hand. Vanuit dit brede leefsituatieperspectief wordt de armoedeproblematiek eveneens tegen het licht gehouden.

1.1Risico op armoede als een tekort van inkomen

Uiteenlopende definities

Er is veel discussie over de definitie van armoede. Vragen over welke leefsituatie als armoede moet worden aangemerkt en welke mensen nu daadwerkelijk arm zijn, laten zich niet eenduidig beantwoorden. De opvattingen – of ze nu afkomstig zijn van wetenschappers, maatschappelijke hulpverleners, politici, beleidsmakers of een willekeurige burger – zijn hierover verdeeld. Dat armoede in West-Europese landen, anders dan in veel ontwikkelingslanden, niet zozeer een kwestie van fysiek overleven is, maar veeleer in relatie staat tot het algemeen welvaartsniveau van de samenleving, daarover bestaat grotendeels wel overeenstemming. In Nederland is dit welvaartsniveau dusdanig dat in beginsel iedere burger een dak boven zijn hoofd heeft, geen honger hoeft te lijden, zich deugdelijk kan kleden en toegang heeft tot medische zorg. In dit opzicht bestaat er geen armoede in Nederland. Toch zijn er wel degelijk verschillen in levensstandaard: niet iedereen beschikt over toereikend inkomen om in voldoende mate in de maatschappij te kunnen participeren. De in Nederland gebruikte armoededefinities beogen alle op hun manier inhoud te geven aan een minimaal noodzakelijk geacht pakket van levensbehoeften.

De concrete, operationele invulling van het normatieve concept armoede loopt nationaal en ook internationaal uiteen. Het gaat hierbij niet alleen om verschillen ten aanzien van de hoogte van de inkomensgrens, maar ook hoe deze voor diverse huishoudenstypen vastgesteld wordt en hoe deze zich van jaar tot jaar ontwikkelt, welk inkomensbegrip centraal staat en hoe de onderzoekspopulatie wordt afgebakend. Bij het samenstellen van deze publicatie zijn de in Nederland meest gebruikte criteria om inkomensarmoede af te bakenen de lage-inkomensgrens van het CBS, de beleidsmatige inkomensgrens, de Europese armoedegrens, en de budgetgrens van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het CBS ontwikkelt sinds 2022 samen met het SCP en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) een nieuwe armoedegrens, die medio 2024 in gebruik genomen wordt (CBS/SCP/Nibud, 2023). De nieuwe grens zal vanaf dan het centrale criterium zijn in de CBS-statistieken en -publicaties over armoede.

Lage-inkomensgrens

De lage-inkomensgrens van het CBS weerspiegelt een vast koopkrachtbedrag in de tijd. Doordat de lage-inkomensgrens alleen voor de prijsontwikkeling wordt geïndexeerd, is dit criterium bij uitstek geschikt voor vergelijkingen in de tijd. Bij de start van de statistiek over (personen in) huishoudens met een laag inkomen is bij het bepalen van de hoogte van lage-inkomensgrens rekening gehouden met de hoogte van het sociaal minimum (Bos, 1996). Daarbij is de lage-inkomensgrens juist boven de bijstandsuitkering van een alleenstaande gelegd. Uitgangspunt hiervoor was het bijstandsniveau in 1979, dat toen relatief hoog was. Hiermee werd beoogd dat huishoudens die uitsluitend of vooral op bijstand of AOW (Algemene ouderdomswet) zijn aangewezen, tot de categorie met een laag inkomen gerekend worden. Vanaf verslagjaar 2021 gebeurt de inflatiecorrectie van de destijds vastgesteld lage-inkomensgrens op basis van consumentenprijsindexcijfers volgens de nieuwe methode, waarin de daadwerkelijk betaalde energieprijzen zijn verdisconteerd. In 2022 bedroeg de lage-inkomensgrens voor een alleenstaande 14 450 euro per jaar. Per maand komt dit neer op 1 200 euro. Voor meerpersoonshuishoudens is de lage-inkomensgrens met behulp van een equivalentiefactor aangepast voor de omvang en samenstelling van het huishouden (zie kader). De aldus gecorrigeerde inkomens(grenzen) zijn daarmee vergelijkbaar gemaakt met de besteedbare ruimte van een alleenstaande.

De inzichten over wat precies onder armoede verstaan moet worden, lopen sterk uiteen. Daarom spreekt het CBS bij hantering van de lage-inkomensgrens niet van arme huishoudens of huishoudens die in armoede leven, maar van huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens (kortweg huishoudens met een laag inkomen) of van huishoudens met kans op armoede. De CBS-Inkomensstatistiek is de bron voor uitkomsten over lage inkomens in Nederland.

1.1.1Hoogte van de lage-inkomensgrens en equivalentiefactor van enkele huishoudenstypen
Alleen­staande Paar Eenoudergezin
zonder kind 1 kind 2 kinderen 3 kinderen 1 kind 2 kinderen 3 kinderen
  Netto maandbedrag in euro (lopende prijzen)
Lage-inkomens­grens
2000 770 1 060 1 290 1 450 1 590 1 030 1 160 1 360
2005 870 1 190 1 460 1 640 1 800 1 160 1 320 1 530
2010 940 1 290 1 570 1 770 1 940 1 250 1 420 1 660
2015 1 030 1 410 1 710 1 930 2 120 1 370 1 550 1 810
2020 1 100 1 550 1 870 2 110 2 310 1 460 1 680 1 910
2021 1 130 1 580 1 910 2 150 2 360 1 490 1 710 1 950
2022 1 200 1 690 2 030 2 300 2 520 1 590 1 830 2 080
Equivalentie­factor                
Tot 2018 1,00 1,37 1,67 1,88 2,06 1,33 1,51 1,76
Vanaf 2018 1,00 1,40 1,69 1,91 2,09 1,32 1,52 1,73

Onderliggend inkomensbegrip

Voor het meten van het risico op armoede vormt het besteedbaar huishoudensinkomen het uitgangspunt. Dit omvat inkomen uit arbeid, eigen onderneming en vermogen, en overdrachtsinkomen bestaande uit uitkeringen, pensioen en ontvangen partneralimentatie. Betaalde partneralimentatie en premies en belastingen op het inkomen zijn in mindering gebracht. Kinderalimentatie en ouderlijke bijdragen aan uitwonende kinderen worden niet waargenomen in de Inkomensstatistiek en kunnen daardoor niet in het inkomensbegrip worden opgenomen. De verplichte premie basiszorgverzekering die huishoudens aan de zorgverzekeraar betalen en het verplicht eigen risico zijn op het inkomen in mindering gebracht. Bij huishoudens die zorgtoeslag ontvangen, is die bij het inkomen geteld. Bij hantering van de lage-inkomensgrens wordt de huurtoeslag niet meegeteld in het inkomen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de besteedbare ruimte aan de onderkant van de inkomensverdeling optimaal vergelijkbaar is tussen de huishoudens en dat huishoudens die volledig afhankelijk zijn van de bijstand, ongeacht of ze nu wel of niet huurtoeslag ontvangen, per definitie tot de groep met een laag inkomen behoren.

Equivalentieschaal: standaardiseren van inkomens(grenzen)

Het maakt veel uit hoeveel mensen in een huishouden van een bepaald inkomen moeten leven. Inkomens(grenzen) van huishoudens van verschillende grootte en samenstelling worden met behulp van een equivalentiefactor vergelijkbaar gemaakt (CBS, 2004; 2020). Daaruit resulteert het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen oftewel de koopkracht van het huishouden. De equivalentiefactor geeft weer hoe groot het schaalvoordeel is bij het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Hierbij is het eenpersoonshuishouden als norm gekozen met een bijbehorende factor gelijk aan 1. Bij elke extra volwassene en bij elk extra minderjarig kind is de factor groter. Naarmate huishoudens groter zijn, verschillen de factoren onderling minder omdat het schaalvoordeel van de gemeenschappelijke huishouding ook steeds groter is. Voor een echtpaar zonder kinderen bedraagt de factor bijvoorbeeld 1,40. Een alleenstaande met een besteedbaar inkomen van 1 200 euro per maand en een echtpaar met één kind en een besteedbaar inkomen van (afgerond) 2 030 (= 1 200 × 1,69) euro per maand bevinden zich dus op een even hoog welvaartsniveau. Voor de meest voorkomende huishoudenstypen is de equivalentiefactor opgenomen in tabel 1.1.1. Vanaf verslagjaar 2018 werkt het CBS met geactualiseerde factoren op basis van het op dat moment recentste Budgetonderzoek (CBS, 2020).

Onderzoekspopulatie armoederisico

In 2022 is 95 procent van de totale bevolking van 17,6 miljoen mensen in de onderzoekspopulatie opgenomen. Buiten beschouwing bleven de mensen in instellingen, inrichtingen en tehuizen (263 duizend personen), en in studenten­huishoudens en particuliere huishoudens die niet het hele jaar door inkomen hadden (613 duizend personen). Dat gebeurt niet omdat deze groepen geen risico op armoede zouden kunnen lopen, maar omdat de besteding van hun inkomen grotendeels vastligt (de verzorgingsbijdrage van tehuisbewoners) of niet volledig wordt waargenomen (het ontbreken van gegevens over de financiële ondersteuning van ouders aan hun uitwonende studerende kinderen). De onderzoekspopulatie bestond in 2022 daardoor uit ruim 16,7 miljoen personen die samen in bijna 7,7 miljoen huishoudens leefden.

Koopkracht sommige minima boven de lage-inkomensgrens

De overheid stelt ieder jaar het minimale bedrag vast dat iemand nodig heeft om in het levensonderhoud te kunnen voorzien: het sociaal minimum. Het CBS berekent op basis daarvan de koopkracht van minima. Uitgangspunt hierbij is dat het sociaal minimum bestaat uit een bijstandsuitkering of (voor ouderen) een AOW-uitkering, aangevuld met eventuele kinderbijslag, kindgebonden budget, huurtoeslag, en zorgtoeslag. De nominale zorgpremie voor het basispakket en het verplicht eigen risico worden daarbij in mindering gebracht (zie bijlage A1). In sommige jaren zijn er incidentele koopkrachttegemoetkomingen. Zo kregen bijstandsontvangers en andere huishoudens met weinig inkomen in 2022 een energietoeslag (veelal 1 300 euro, zie kader) om de sterk gestegen energierekening te kunnen betalen. In november en december 2022 ontvingen alle huishoudens in Nederland met een kleinverbruiksaansluiting bovendien 190 euro korting op de energierekening (380 euro in totaal).

Door de energiemaatregelen (zie kader) gingen de minima er in 2022 in koopkracht op vooruit (CBS, 2023a). Voor het eerst in ruim twintig jaar lag de koopkracht (exclusief huurtoeslag) van een alleenstaande bijstandsontvanger op de lage-inkomensgrens. Bij eenoudergezinnen met één of twee kinderen kwam de koopkracht boven de grens uit. Met drie kinderen was de koopkracht net iets lager. Bij alleenstaande AOW’ers en AOW-paren op het sociaal minimum ligt de koopkracht al sinds 2007 boven de grens. De koopkracht van ouderparen op het sociaal minimum lag in de periode 2000–2022 steeds het verst onder de lage-inkomensgrens, vooral met drie kinderen.

1.1.2 Koopkracht (excl. huurtoeslag) minima zonder kinderen (maandbedrag in euro (prijzen 2022))
Alleenstaande tot AOW-leeftijd Paar tot AOW-leeftijd Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd Paar vanaf AOW-leeftijd
2000 1060 1090 1110 1140
2001 1090 1130 1150 1180
2002 1100 1140 1170 1200
2003 1100 1140 1170 1190
2004 1100 1130 1180 1200
2005 1070 1100 1160 1180
2006 1090 1140 1200 1200
2007 1110 1160 1220 1230
2008 1090 1140 1220 1220
2009 1110 1130 1260 1270
2010 1100 1120 1250 1250
2011 1100 1130 1250 1250
2012 1090 1110 1240 1240
2013 1070 1090 1240 1240
2014 1080 1100 1260 1250
2015 1080 1100 1270 1250
2016 1100 1110 1290 1270
2017 1090 1110 1290 1270
2018 1090 1080 1290 1240
2019 1090 1090 1300 1260
2020 1110 1110 1330 1280
2021 1110 1110 1330 1280
2022 1200 1160 1420 1330
1.1.3 Koopkracht (excl. huurtoeslag) minima met kinderen (maandbedrag in euro (prijzen 2022))
Alleenstaande ouder (1 kind) Alleenstaande ouder (2 kinderen) Alleenstaande ouder (3 kinderen) Ouderpaar (1 kind) Ouderpaar (2 kinderen) Ouderpaar (3 kinderen)
2000 1100 1060 980 960 920 900
2001 1160 1100 1010 1010 960 930
2002 1190 1130 1030 1030 980 950
2003 1200 1130 1040 1030 980 950
2004 1200 1130 1040 1030 980 950
2005 1190 1110 1020 1010 960 930
2006 1220 1140 1030 1060 990 960
2007 1240 1160 1060 1080 1020 980
2008 1230 1150 1040 1060 1000 960
2009 1240 1180 1080 1060 1010 980
2010 1230 1170 1080 1050 1000 970
2011 1230 1180 1090 1060 1020 990
2012 1210 1160 1060 1040 1000 960
2013 1190 1140 1040 1020 980 950
2014 1200 1160 1050 1030 990 960
2015 1200 1160 1060 1030 1000 970
2016 1200 1170 1070 1040 1020 990
2017 1200 1180 1080 1040 1020 990
2018 1200 1170 1090 1030 1000 970
2019 1210 1170 1100 1040 1020 990
2020 1220 1190 1120 1050 1030 1000
2021 1220 1180 1140 1050 1030 1020
2022 1270 1220 1180 1090 1060 1050

Energietoeslag

Voor de energietoeslag in 2022 kwamen huishoudens in aanmerking met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum. De eenmalige toeslag werd uitgekeerd door gemeenten en bedroeg in beginsel 1 300 euro per adres. In sommige gemeenten werd de inkomensgrens nog iets hoger gelegd en/of werd maximaal 500 euro extra van de energietoeslag 2023 boven op de toeslag voor 2022 uitgekeerd.

De energietoeslag is niet rechtstreeks waargenomen op basis van brondata, maar heeft het CBS geschat. De energietoeslag is toegerekend aan alle huishoudens die daar recht op hadden. Dat kan een overschatting betekenen, omdat niet alle rechthebbenden de toeslag hebben aangevraagd. Bijstandsontvangers hoefden zelf geen aanvraag voor energietoeslag te doen, ze kregen die automatisch van hun gemeente. Per gemeente is in ieder geval rekening gehouden met de toegepaste inkomensgrens ten opzichte van het sociaal minimum, eventuele toepassing van een vermogensgrens, afwijkende toeslagbedragen en een afwijkende leeftijdsgrens.

Beleidsmatige inkomensgrens

De beleidsmatige grens is gebaseerd op het wettelijk bestaansminimum dat zoals gezegd jaarlijks in de politieke besluitvorming wordt vastgesteld. Uitgangspunt van de grens is het sociaal minimum zoals het CBS dat berekent. Anders dan bij de lage-inkomensgrens wordt om te bepalen of het inkomen van een huishouden onder of boven de beleidsmatige grens ligt, ook de huurtoeslag meegenomen. Omdat het bedrag van de huurtoeslag varieert, ook op het niveau van bijstand en AOW, wordt het besteedbaar inkomen van een huishouden daartoe afgezet tegen een normbedrag met daarbij opgeteld de eventueel ontvangen huurtoeslag. Is het besteedbaar inkomen minder dan 101 procent van dit opgetelde bedrag, dan heeft het huishouden een risico op armoede. De grens is op 101 procent gelegd en niet op 100 procent om te voorkomen dat door afrondingen van inkomensposten huishoudens onterecht boven de 100 procent uitkomen en daarmee als ‘niet-arm’ worden geregistreerd. In de uitvoering van het gemeentelijk armoedebeleid wordt vaak uitgegaan van een inkomensgrens die gelijkgesteld is aan een hoger percentage (meestal 120 procent) van het sociaal minimum. Dit betekent dat bijstands- of AOW-ontvangers met relatief beperkte aanvullende inkomsten ook onder deze drempel vallen. De doelpopulatie bij de beleidsmatige grens is dezelfde als bij de lage-inkomensgrens. In de Bijlage staan nadere uitleg en enkele uitkomsten van de beleidsmatige inkomensgrens, in relatie tot de lage-inkomensgrens. Op StatLine zijn nog meer cijfers over huishoudens onder (101, 110 of 120 procent van) de beleidsmatige grens te vinden.

Aan het beleidsmatig minimum als armoedecriterium kleven twee bezwaren. In de eerste plaats verschilt de koopkracht (bepaald aan de hand van de equivalentieschaal van het CBS) tussen de verschillende groepen van sociale minima. Zo is de koopkracht van een alleenstaande met alleen AOW een stuk groter dan van een alleenstaande die uitsluitend bijstand ontvangt: in 2022 maandelijks 1 420 euro tegen 1 200 euro (zie ook figuur 1.1.2). Ook is de koopkracht van eenoudergezinnen met bijstand, kinderbijslag en kindgebonden budget groter dan die van minimagezinnen rondom paren. Daarnaast fluctueert de koopkracht bij minimagezinnen met het aantal kinderen. Hoe meer kinderen, hoe lager de koopkracht is. Eenoudergezinnen met één kind hebben de hoogste koopkracht (figuur 1.1.3).

Een tweede bezwaar is dat een verlaging (verhoging) van het sociaal minimum – en daarmee de hieraan gekoppelde armoedegrens – betekent, dat onder verder gelijkblijvende omstandigheden de gemeten armoede afneemt (toeneemt). Een verlaging of verhoging van het sociaal minimum is bovendien ingegeven door de economische situatie: dat maakt deze grens als meetinstrument minder geschikt.

Europese armoedegrens

De Europese armoedegrens is vastgesteld op 60 procent van het mediane gestandaardiseerd besteedbare huishoudensinkomen van de bevolking. Daarbij is aan ieder individu het gestandaardiseerd inkomen van het huishouden toegekend. De grens wordt elk jaar opnieuw bepaald, en volgt daarmee zowel de prijs- als welvaartsontwikkeling. De grens wordt per land vastgesteld. Dit betekent dat voor welvarende landen de armoedegrens doorgaans hoger ligt dan in landen met een geringe welstand. Maar dit betekent niet per se dat verhoudingsgewijs weinig personen kans op armoede hebben in het meer welvarende land. Deze uitkomst wordt vooral bepaald door de scheefheid van de inkomensverdeling. De Europese grens krijgt dan ook vaak de kritiek dat deze veeleer een maat van inkomensongelijkheid is dan een geschikt armoedecriterium.

Eurostat, het statistisch bureau van de EU, publiceert de uitkomsten omtrent de kans op armoede voor de Europese lidstaten (zie hoofdstuk 7). De resultaten voor Nederland zijn gebaseerd op een ander inkomensbegrip en een andere equivalentieschaal dan het CBS gebruikt. Ook laat het CBS anders dan Eurostat onder meer studentenhuishoudens buiten beschouwing.

Onderscheid in duurcriteria

Weinig inkomen is voor veel huishoudens vaak een tijdelijke, incidentele kwestie. Denk bijvoorbeeld aan zelfstandigen die een op zich goed lopende onderneming hebben maar ook wel eens een slecht jaar draaien. Of aan jonge mensen bij wie de overstap van een opleiding naar een betaalde baan niet altijd rimpelloos verloopt, en die daarom tussentijds een beroep op een sociale voorziening moeten doen. Het inkomen kan dan voor een jaar laag uitvallen. Van een serieuze inkomensproblematiek is echter nauwelijks sprake als deze financiële malaise binnen afzienbare tijd voorbij is. Als de beperkte inkomsten evenwel structureel van aard zijn en dus langer aanhouden, is de problematiek ernstiger. Een belang­rijke aanvulling is dan ook om naast cijfers over de kans op armoede op basis van het inkomen in één jaar, ook uitkomsten te presenteren waarbij de inkomenssituatie over opeenvolgende jaren in ogenschouw wordt genomen. Het langdurigheidscriterium kan op verschillende manieren worden afgebakend. Het CBS spreekt van een langdurig laag inkomen als deze weinig rooskleurige inkomenspositie vier jaar of langer wordt ingenomen, terwijl Eurostat een periode van ten minste drie jaar achtereen als langdurig beschouwt.

1.2Een bredere afbakening van materiële armoede

Aanvullende materiële indicatoren

De beoordeling van het armoederisico alleen op basis van de hoogte van het inkomen is een pragmatische keuze die geen volledig financieel beeld van de armoedeproblematiek geeft. De welvaartspositie van een huishouden kan ook worden afgelezen aan andere indicatoren van de materiële welvaart. Zo kan er gekeken worden naar de omvang van de bestedingen. Die geven aan in welke mate een huishouden – los van het inkomen – in zijn behoeften heeft kunnen voorzien. Verder vormt het vermogen een mogelijk aanvullende financiële bron op het inkomen. Wie meer uitgeeft dan zijn inkomen, kan daarbij zijn vermogen aanspreken. Wie niet over dergelijke buffers beschikt, bouwt betalingsachterstanden of schulden op. Tot slot vormen subjectieve indicatoren zoals de inschatting van de eigen financiële situatie en zelfgerapporteerde financiële problemen een aanvulling op inkomensarmoede.

Voor een vollediger beeld van de financiële positie van huishoudens rapporteert het CBS voor huishoudens met (langdurig) een laag inkomen daarom gewoonlijk ook de bijbehorende bestedingen, de stand van het vermogen (uitgesplitst naar bezittingen en schulden), eventuele schuldsaneringen, en de beoordeling van de eigen financiële positie. Aangezien het volgende Budgetonderzoek pas in 2026 plaatsvindt, komen bestedingen in deze editie niet aan de orde.

Een laag inkomen én weinig vermogen

Tot in de editie van Armoede & Sociale uitsluiting 2018 bleven CBS-cijfers over achterstanden in materiële welvaart beperkt tot het verband tussen het risico op inkomensarmoede en aanvullende indicatoren van materiële welvaart. Zo ook op het vlak van vermogen: bezittingen en schulden zijn niet opgenomen in of verrekend met het gehanteerde inkomen(scriterium). Dat is gedaan omdat bezittingen en schulden geen geldstromen (transacties) betreffen en daardoor buiten de reguliere definitie van inkomen vallen. In de discussie over armoedeproblematiek wordt aangevoerd dat het wel degelijk uitmaakt of een huishouden ten tijde van inkomensproblemen een beroep kan doen op vrij opneembare vermogensmiddelen of dat dit juist niet mogelijk is. Het laatste vanwege het ontbreken van vrij opneembare buffers of, nog ongunstiger, vanwege het torsen van een schuldenlast.

Vanuit de literatuur zijn er ruwweg twee hoofdmethodieken waarmee componenten van het vermogen bij het bepalen van materiële armoede betrokken kunnen worden. Het betreft de annuïteitenmethode en de instelling van een vermogensplafond (Citro & Michael, 1995). In 2019 publiceerde het CBS voor het eerst over een criterium voor armoede op basis van inkomen en vermogen (Van den Brakel en Gidding, 2019). Daarbij is uitgegaan van een vermogensplafond en werd een huishouden met risico op inkomensarmoede als niet-arm aangemerkt als het bijbehorende vrij opneembare vermogen boven een bepaalde grens ligt. Als kritisch plafond is gekozen voor de helft van de lage-inkomensgrens, wat jaarlijks ongeveer gelijk is aan het maximale vrijstellingsbedrag van eigen vermogen volgens de Bijstandswetgeving. Tot het vrij opneembaar vermogen behoren alleen de beschikbare liquide vermogensmiddelen. Deze omvatten het saldo van bezittingen en schulden exclusief de eigen woning (woningwaarde minus hypotheekschuld), het ondernemingsvermogen en het aanmerkelijk belang. Een financieel-arm huishouden is dus afgebakend als een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens en een vrij opneembaar vermogen tot maximaal de helft van deze grens. Vanaf de editie van 2019 wordt gerapporteerd over financieel arme huishoudens. Behalve de ontwikkeling in de omvang van de groep komen ook kenmerken van financieel arme huishoudens aan bod (zie paragraaf 3.1).

1.3Sociale uitsluiting: cumulatie van achterstelling in de leefsituatie

Ongunstige leefsituatie

Naast de financiële situatie geeft ook de algehele leefsituatie uitdrukking aan het welzijn van huishoudens. Financiële beperkingen in combinatie met minder gunstige leefsituatie-omstandigheden kunnen tot armoede en sociale uitsluiting leiden. Bij sociale uitsluiting raken mensen geïsoleerd en vervreemd van de samenleving omdat ze niet of slechts in beperkte mate kunnen meedoen. Sociale uitsluiting wordt gekenmerkt door beperkte maatschappelijke participatie, financiële beperkingen, vervagend normbesef en achterstelling in toegang tot hulpverlening, zorginstanties en huisvesting (Coumans, 2012; Coumans en Schmeets, 2020). Ook ongezonde leefstijlen en een minder goede gezondheid gaan vaak samen met een achtergestelde financiële positie.

Dakloze mensen

Vanwege de aard van hun leefsituatie behoren dakloze mensen tot de meest sociaal uitgesloten groepen in de samenleving. Op 1 januari 2022 waren er in Nederland naar schatting bijna 27 duizend mensen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar zonder vaste verblijfplaats die sliepen in de openbare ruimte of in de noodopvang, of verbleven op niet-conventionele woonplekken (bijvoorbeeld kraakpanden) of op niet-structurele basis bij vrienden, kennissen of familie (CBS, 2023b). Dit komt neer op 25 dakloze mensen op elke 10 duizend inwoners van 18 tot 65 jaar.

De groep dakloze mensen bestond voor 81 procent uit mannen en 38 procent stond ingeschreven in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag of Utrecht. Ruim 4 op de 10 dakloze mensen waren in het buitenland geboren, en ruim 2 op de 10 waren in Nederland geboren met ouder(s) geboren in het buitenland. Een relatief groot deel van de dakloze mensen, zo’n 6 op de 10, was tussen de 27 en 50 jaar. Het aandeel jongvolwassenen (18 tot 27 jaar) onder de dakloze mensen was bijna 2 op 10.

Armoede in breed leefsituatieperspectief

Insteek van het CBS is de armoedeproblematiek ook vanuit het brede perspectief van (achterstelling in) de leefsituatie te beschrijven. Daarmee wordt zichtbaar gemaakt in hoeverre hardnekkige financiële problemen samengaan met sociale uitsluiting en gezondheidsbeperkingen en bij wie er in welke mate sprake is van stapeling van de problematiek. De beschrijving hiervan is gebonden aan de beschikbare gegevensbronnen binnen het CBS, deels registers en deels steekproeven, en er zijn beperkingen in de meting van leefsituatieaspecten en de onderlinge relateerbaarheid. Gegevens van sociale uitsluiting zijn beschikbaar op het vlak van maatschappelijke participatie, materiële condities, woonomgeving en -kwaliteit, en dader- en slachtofferschap van misdrijven. Op het vlak van gezondheid en leefstijlen is er onder meer informatie beschikbaar over gezondheidsstatus, beperkingen, roken, drinken en overgewicht. Voor de beschrijving van armoede in het brede leefsituatieperspectief worden in deze publicatie de genoemde kenmerken in verband gebracht met het (langdurige) armoederisico volgens de lage-inkomensgrens van het CBS.

1.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W. (1996). Lage inkomens 1990–1993. In: Sociaal-economische maandstatistiek, jg. 13, nr. 3, p. 16–18. Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Brakel, M. van den en K. Gidding (2019). Hoe is de financiële welvaart verdeeld? Statistische Trends.

CBS (2004). Equivalentiefactoren 1995–2000. Voorburg/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2020). Wat is mijn koopkracht? Wat is mijn koopkracht? (cbs.nl)

CBS (2023a). Energietoeslag dempt koopkrachtverlies in 2022. CBS-nieuwsbericht, 14 september.

CBS (2023b). 26,6 duizend dakloze mensen begin 2022 (cbs.nl). CBS-nieuwsbericht, 27 september.

CBS, Nibud en SCP (2023). Op weg naar een nieuwe armoedegrens. Tussenrapport van het gezamenlijke project ‘Uniformering armoedeafbakening’. Den Haag/Utrecht: Centraal Bureau voor de Statistiek, Nibud & Sociaal en Cultureel Planbureau.

Citro, C.F. & R.T. Michael (red.) (1995). Measuring poverty: a new approach. Washington, DC: National Academy Press.

Coumans, A. M. (2012). Sociale uitsluiting, beschrijvende analyses. CBS-paper, 21 december 2012.

Coumans, A.M. en Schmeets, H. (2020). Sociale uitsluiting in Nederland: wie staat aan de kant? Statistische Trends.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten