Foto omschrijving: Een zwaarlijvige vrouw rookt een sigaretje.

De sociale context van armoede

In dit hoofdstuk staat de samenhang tussen risico op armoede en leefsituatie centraal. Hoe maatschappelijk actief zijn mensen met een laag inkomen? Hoe is het gesteld met hun sociale contacten? In welke mate is er verband tussen de inkomenspositie en het plegen of ondervinden van criminaliteit? Hoe staat het met de gezondheid en met roken, drinken en overgewicht in de lage-inkomensgroep? En in welke type woning huizen zij vooral?

5.1Maatschappelijke participatie en sociale contacten

Minder vrijwilligerswerk door mensen met armoederisico

Het meedoen in de samenleving wordt onder meer gekenmerkt door de vrijwillige inzet voor een organisatie zoals de school of sportclub, het actief zijn in een vereniging (bijvoorbeeld een muziekvereniging, een voetbalclub, een politieke partij of een vakbond) en het verlenen van informele hulp of mantelzorg (bijvoorbeeld boodschappen doen voor oudere buren of het verzorgen van een zieke ouder). Mensen van 15 jaar of ouder in huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens zijn minder vaak vrijwilliger dan mensen in huishoudens met een hoger inkomen. Van zowel de groep met een laag inkomen als de groep met een langdurig laag inkomen verrichtte in de jaren 2020–2022 rond de 34 procent ten minste een keer per jaar vrijwilligerswerk. Bij degenen met een hoger inkomen lag dat percentage 8 procentpunt hoger. In de jaren 2018–2019 lag het percentage vrijwilligers in de drie inkomensgroepen substantieel hoger. De beperkende coronamaatregelen in 2020 en 2021 gingen gepaard met een sterke terugval. Het verschil in vrijwilligerswerk tussen de inkomensgroepen komt vooral door verschillen in leeftijd en onderwijsniveau.

De lage-inkomensgrens maakt ook verschil in het (minstens een keer per maand) actief zijn in verenigingen. Zowel de groep met een laag inkomen als de groep met een langdurig laag inkomen was in 2020–2022 minder actief in verenigingen dan de groep met een hoger inkomen. De percentages bedroegen respectievelijk 24 en 17 procent, tegen 42 procent bij de groep met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. In de jaren 2018–2019 lagen de percentages bij de lage inkomens en de hogere inkomens op een vergelijkbaar niveau. Alleen de groep met een langdurig laag inkomen was in deze jaren voor corona vaker actief in verenigingen dan in 2020–2022.

Het ten minste een keer per maand verlenen van informele hulp verschilde niet tussen de onderscheiden inkomensgroepen in 2020–2022. Het percentage lag in deze jaren rond de 33 procent.

5.1.1 Maatschappelijke activiteiten (% in bevolking ≥ 15 jaar)
Jaar Participatievorm Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2020/2022 Vrijwilligerswerk, 2020/2022 33,5 34,1 41,9
2020/2022 Actief in
verenigingen, 2020/2022
23 16,8 42,2
2020/2022 Informele hulp, 2020/2022 32,6 34,1 35
2018/2019 Vrijwilligerswerk, 2018/2019 42,9 38,8 47,6
2018/2019 Actief in
verenigingen, 2018/2019
26,7 20,8 44,7
2018/2019 Informele hulp, 2018/2019 32,7 27,7 35,4

Verschillen in sociale contacten verhoudingsgewijs klein

Mensen met een (langdurig) laag inkomen verschilden in de jaren 2020–2022 relatief beperkt van mensen met een hoger inkomen in sociale contacten. Minstens een keer per week contact met buren kwam bij (langdurig) lage inkomens vrijwel even vaak voor dan bij hogere inkomens (53 tegen 57 procent). In de wekelijkse contacten met de familie kwamen mensen met een laag en een langdurig laag inkomen iets lager uit dan mensen met een hoger inkomen (respectievelijk 77 en 80 procent tegen 83 procent). Er waren nauwelijks verschillen in contacten met vrienden en kennissen tussen de inkomensgroepen.

In de jaren 2018–2019, dus de jaren voorafgaand aan corona, kwamen in alle drie inkomensgroepen de percentages van wekelijks contact met de buren iets hoger uit, het hoogst bij personen met een langdurig laag inkomen (63 procent).

5.1.2 Sociale contacten (% met minstens wekelijks contact (≥15 jaar))
Jaar Contactvorm Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2020/2022 Familie, 2020/2022 80 76,8 83,3
2020/2022 Vrienden, 2020/2022 76,6 73,9 74,3
2020/2022 Buren, 2020/2022 53,4 52,9 56,9
2018/2019 Familie, 2018/2019 76,4 74,2 83,1
2018/2019 Vrienden, 2018/2019 74,8 72,5 75,7
2018/2019 Buren, 2018/2019 59,1 62,7 59

Eenzaamheid

Mensen met een (langdurig) laag inkomen voelen zich ruim 2 keer zo vaak sterk eenzaam als mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens (23 procent tegen 10 procent). Gevoelens van leegte, het missen van mensen en het zich in de steek gelaten voelen (samengevat als emotionele eenzaamheid) zijn daarbij minder prevalent dan het ontbreken van gevoelens van verbondenheid met mensen om zich heen en het vertrouwen in die mensen (samengevat als sociale eenzaamheid).

Eenzaamheid, 2021/20221) (% sterk eenzame mensen van 15 jaar of ouder)
Eenzaamheid Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Eenzaam 22,5 22,7 10,2
Emotioneel eenzaam 20,3 20,4 10
Sociaal eenzaam 28,1 30,2 13,1
1)In 2020 heeft het CBS eenzaamheid niet bevraagd.

5.2Verdachten en slachtoffers van criminaliteit

Wie een misdrijf pleegt, schendt de gangbare normen en waarden van de Nederlandse samenleving. Het door de politie verdacht worden van het plegen van een misdrijf kan daarom een directe aanwijzing zijn voor vervagend normbesef of verminderde normatieve integratie, beiden kenmerken van sociale uitsluiting oftewel het niet mee kunnen doen in de samenleving. Hoewel de relatie tussen sociale uitsluiting en slachtofferschap van een misdrijf minder voor de hand ligt, komen verdachten en slachtoffers van misdrijven vaak uit dezelfde maatschappelijke risicogroepen en zijn dader- en slachtofferschap tot op zekere hoogte aan elkaar gerelateerd. Sociale uitsluiting hangt sterk samen met een risico op armoede (CBS, 2021). Centraal in deze paragraaf staat daarom de vraag in welke mate dader- en slachtofferschap samengaat met een risico op armoede.

Verdachte

Een persoon wordt door de politie als verdachte van een misdrijf geregistreerd wanneer een redelijk vermoeden van schuld aan dat misdrijf bestaat. Niet alle verdachten die door de politie worden geregistreerd, worden ook daadwerkelijk aangehouden. Tegen een deel van de geregistreerde verdachten wordt geen proces-verbaal opgemaakt, bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan bewijs of omdat de verdachte later onschuldig blijkt.

Meer verdachten bij lage dan hogere inkomens

In 2021 kwam het aantal verdachten (12 jaar of ouder) van een misdrijf uit op 146 duizend, dat is 6 procent minder dan in 2020 en 12 procent minder dan in 2019 (CBS StatLine, 2023a). De daling in 2020 en 2021 deed zich voor in alle drie inkomensgroepen. Wel is, net als in eerdere jaren, het percentage verdachten onder personen met een (langdurig) risico op armoede aanzienlijk groter dan onder personen zonder armoederisico. Van alle personen die deel uitmaken van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens werd in 2021 2,7 procent verdacht van een misdrijf, tegenover 0,6 procent van de personen behorende tot een huishouden met een hoger inkomen. Het percentage verdachten onder personen die met een langdurig armoederisico leven was met 2,4 procent iets lager dan bij alle personen met een armoederisico.

5.2.1 Verdachten van misdrijven (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2014 4,3 4,2 1
2015 4 3,8 0,9
2016 3,8 3,6 0,8
2017 3,4 3,2 0,7
2018 3,2 3 0,7
2019 3,2 3 0,7
2020 3 2,7 0,7
2021* 2,7 2,4 0,6

De politie onderscheidt verschillende typen misdrijven. De meest voorkomende misdrijven zijn vermogensmisdrijven (diefstal en inbraak), geweldsmisdrijven, en vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde en gezag. Ook onder personen met een (langdurig) laag inkomen komen deze typen misdrijven het vaakst voor. Vermogensmisdrijven – zoals inbraak en diefstal – staan hierbij bovenaan: 1,0 procent van de personen met armoederisico en 0,9 procent van de personen met langdurig armoederisico werden verdacht van een of meerdere vermogensmisdrijven. Het aandeel verdachten van geweldsmisdrijven bedroeg respectievelijk 0,8 en 0,7 procent. Vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde en gezag kwamen bij beide armoederisicogroepen met respectievelijk 0,5 en 0,4 procent het minst vaak voor. Personen in huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens werden voor alle drie typen misdrijven substantieel minder vaak verdacht.

5.2.2 Verdachten per type delict, 2021* (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Geweldsdelicten 0,8 0,7 0,2
Vermogensdelicten 1 0,9 0,2
Vernieling en
misdrijven tegen
openbare orde
en gezag
0,5 0,4 0,1
Totaal 2,7 2,4 0,6

Jongvolwassenen met een langdurig laag inkomen het vaakst verdacht

Als verdachtenpercentages per leeftijdsgroep en geslacht worden bekeken, valt op dat in elke inkomensgroep mannen vaker verdacht worden van een misdrijf dan vrouwen (zie ook CBS StatLine, 2023a). Onder personen met een laag inkomen werd in 2021 4,6 procent van de mannen verdacht van één of meerdere misdrijven, tegenover 1,0 procent van de vrouwen. Deze percentages zijn onder mannen en vrouwen met een langdurig armoederisico respectievelijk 4,0 en 0,9.

De verdachtenpercentages onder jongeren zijn hoger dan onder ouderen. Vooral jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar uit een huishouden met een (langdurig) laag inkomen worden vaak verdacht van een misdrijf. In deze leeftijdsgroep werd in 2021 5,2 procent van de personen uit een huishouden met een laag inkomen door de politie als verdachte geregistreerd. Dat was 6,3 procent als er al ten minste vier jaar een laag inkomen was. Bij jongvolwassenen uit huishoudens met een hoger inkomen was dat met 1,6 procent fors minder. In elke inkomensgroep zijn de verdachtenpercentages het laagst onder 65‑plussers: in de groep met (langdurig) risico op armoede ging het om 0,3 procent.

5.2.3 Verdachten naar geslacht en leeftijd, 2021* (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Mannen 4,6 4 1
Vrouwen 1 0,9 0,2
. . .
12 tot 18 jaar 3,3 3,4 1,3
18 tot 25 jaar 5,2 6,3 1,6
25 tot 45 jaar 4,1 3,6 0,8
45 tot 65 jaar 1,8 1,8 0,3
65 jaar of ouder 0,3 0,3 0,1

In lage-inkomensgroep is bijna kwart slachtoffer van traditionele criminaliteit

In 2021 was 23 procent van de mensen uit een huishouden met een laag inkomen naar eigen zeggen slachtoffer van een of meer delicten op het gebied van geweld, vermogen (diefstal en inbraak) en vernielingen, samen ook wel ‘traditionele’ criminaliteit genoemd. Van de mensen met een huishoudensinkomen boven de lage-inkomensgrens was 16 procent hiervan slachtoffer, en van de mensen die langdurig een laag inkomen hadden gaf 24 procent dit aan.

Bij uitsplitsing naar type delict blijkt dat slachtofferschap van vermogensdelicten het meest voorkomt. Respectievelijk 13 en 15 procent van de lage en langdurig lage inkomens versus 9 procent van de inkomens boven de lage-inkomensgrens werden hiermee geconfronteerd. Vooral van fietsdiefstal zijn personen met een (langdurig) armoederisico vaker slachtoffer. Ook slachtofferschap van woninginbraak en zakkenrollerij of beroving komt meer voor onder de lage dan onder de hogere inkomens. Het slachtofferschap van andere soorten vermogensdelicten zoals autodiefstal en diefstal van andere motorvoertuigen verschilt niet tussen (langdurig) lage en hogere inkomens.

Van geweldsdelicten – mishandeling, bedreiging en seksuele delicten – werden respectievelijk 8 en 7 procent van de mensen met een laag en een langdurig laag inkomen slachtoffer, tegen 5 procent van de mensen met een hoger inkomen. Het percentage dat aangeeft in het afgelopen jaar slachtoffer te zijn geweest van vernielingen verschilde nauwelijks tussen de inkomensgroepen (rond 7 procent).

5.2.4 Slachtoffers traditionele criminaliteit, 2021 (% mensen van 15 jaar of ouder)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Traditionele criminaliteit totaal 22,5 23,6 16,4
Geweldsdelicten 7,5 6,8 4,9
Vermogensdelicten 13,3 14,7 8,5
Vernielingen 7,4 7,4 5,9

Meer onveiligheidsgevoelens en ervaren buurtoverlast bij armoederisico

Het aandeel personen met een laag of langdurig laag inkomen dat zich vaak onveilig voelt in de eigen buurt was in 2021 met respectievelijk 5 en 6 procent ongeveer 3 keer zo groot als het aandeel onder personen boven de lage-inkomensgrens (2 procent). Bij de algemene onveiligheidsgevoelens – het zich vaak onveilig voelen, los van de locatie – is het beeld vergelijkbaar.

De (langdurig) lage inkomens ervaren dubbel zo vaak als de hogere inkomens veel sociale overlast in de buurt. Het gaat dan om overlast van rondhangende jongeren, overlast door buurtbewoners, dronken mensen op straat, verwarde personen, drugsgebruik, drugshandel, of lastiggevallen worden op straat.

5.2.5 Veiligheidsbeleving en ervaren sociale overlast, 2021 (% mensen van 15 jaar of ouder)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Voelt zich vaak onveilig in algemeen 5,3 5,9 1,8
Voelt zich vaak onveilig in buurt 5,1 6,4 1,8
Ervaart veel sociale overlast in buurt 21,4 24,0 11,6

Met armoederisico meer slachtofferschap van online criminaliteit

Niet alleen in de ‘offline’ maar ook van sommige delicten in de ‘online’ wereld werden personen met een laag inkomen vaker slachtoffer dan personen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Zo was het percentage mensen dat aangaf in het afgelopen jaar slachtoffer te zijn geweest van online oplichting en fraude hoger onder personen met een laag inkomen dan onder personen met een hoger inkomen. Onder online oplichting en fraude vallen aan- en verkoopfraude, identiteitsfraude, fraude in het betalingsverkeer en phishing. Ook het percentage dat slachtoffer werd van online bedreiging en intimidatie (hieronder worden verstaan online bedreiging, pesten, stalken en shamesexting) was onder de lage inkomens hoger dan onder de hogere inkomens. Bij het slachtofferschap van hacken en bij overige online delicten was er geen verschil tussen de inkomensgroepen.

In totaal werden 22 procent van de mensen met een laag inkomen en 18 procent van de mensen met een langdurig laag inkomen slachtoffer van online criminaliteit, tegen 14 procent van de mensen met een hoger inkomen. Het slachtofferschap onder personen met een langdurig armoederisico verschilt bij de meeste delicten niet significant van dat van personen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Personen met een langdurig laag inkomen waren wel vaker slachtoffer van online bedreiging en intimidatie dan personen met een hoger inkomen.

5.2.6 Slachtoffers online criminaliteit, 2022 (% mensen van 15 jaar of ouder)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Online criminaliteit totaal 22,2 17,7 14,1
Online oplichting en fraude 12,0 8,6 7,2
Hacken 5,3 5,2 4,5
Online bedreiging en intimidatie 9,0 7,0 3,7
Overige online delicten 0,9 0,9 0,5

Slachtofferschap huiselijk geweld verschilt nauwelijks tussen inkomensgroepen

Huiselijk geweld is geweld dat plaatsvindt in de huiselijke kring. Hiertoe worden alle gezins- en familieleden en ook eventuele (ex-)partners gerekend. Met ’huiselijke kring’ wordt niet de locatie bedoeld: voorvallen hoeven niet per se thuis te hebben plaatsgevonden.

Bijna 1 op de 10 mensen werd in 2021 slachtoffer van huiselijk geweld. Bij personen met een (langdurig) laag inkomen kwamen de percentages iets hoger uit, maar bleken de verschillen met de groep boven de lage-inkomensgrens niet significant. Ook bij de deelvorm fysiek geweld in huiselijke kring (het gaat dan om het dreigen met geweld, het verwonden van het slachtoffer of een poging daartoe doen) verschilden de percentages niet significant van elkaar, de waarden schommelden rond de 4 procent. Bij de deelvormen dwingende controle in huiselijke kring (fysieke en psychische vormen van geweld waarbij iemand bij herhaling gedomineerd of gecontroleerd wordt) en stalking door een ex-partner verschilden de percentages slachtofferschap eveneens niet significant tussen de drie inkomensgroepen.

5.2.7 Slachtoffers huiselijk geweld, 2022 (% mensen van 16 jaar of ouder)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Huiselijk geweld totaal 10,7 10,2 8,6
Fysiek geweld in huiselijke kring 3 3,4 3,9
Dwingende controle in huiselijke kring 6,5 7,8 4,9
Stalking door ex-partner 3,5 3,1 1,9

Ook bijna geen verschil bij slachtofferschap seksueel grensoverschrijdend gedrag

Bij seksueel grensoverschrijdend gedrag gaat het om offline seksuele intimidatie en online seksuele intimidatie (vormen van ongewenst seksueel gedrag waarbij er geen lichamelijk contact was, die respectievelijk offline/in de ‘echte wereld’ dan wel online/via internet plaatsvonden), en om fysiek seksueel geweld waarbij sprake was van lichamelijk contact, variërend van ongewenste aanrakingen tot verkrachting.

Met percentages van rond 12 procent was er nauwelijks verschil in algeheel slachtofferschap van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen de drie inkomensgroepen. Ook bij de onderscheiden deelvormen offline seksuele intimidatie, online seksuele intimidatie en fysiek seksueel geweld waren er geen significante verschillen tussen de personen met een (langdurig) laag inkomen en personen met een hoger inkomen. Voor de drie deelvormen schommelden de percentage respectievelijk rond de 8, 6 en 4 procent.

5.2.8 Slachtoffers seksueel grensoverschrijdend gedrag, 2022 (% mensen van 16 jaar of ouder)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Seksueel grensoverschrijdend gedrag totaal 13,1 12 12,1
Offline seksuele intimidatie 9,4 8 8,2
Online seksuele intimidatie 6,4 5,4 6,1
Fysiek seksueel geweld 3,9 3,6 3,2

5.3Gezondheid, welzijn en leefstijl

Ongelijkheid in gezondheid

Zoals in hoofdstuk 1 al is geschetst houden verschillen in gezondheid, welzijn en leefstijl verband met elkaar en kunnen achterstanden hierin ook richtinggevend zijn voor de mate van sociale uitsluiting. In deze paragraaf wordt beschreven in hoeverre personen met een (langdurig) laag inkomen verschillen van personen met een hoger inkomen in gezondheid, welzijn en leefstijl.

Minder goede gezondheid bij armoederisico

De beoordeling van de eigen gezondheid (zie kader Gezondheid en beperkingen) springt er bij mensen uit een huishouden met een laag inkomen ongunstig uit: bijna 4 op de 10 meldden een minder dan goede gezondheid in 2020/2022. Boven de lage-inkomensgrens waren dat er 2 op de 10. Ook bij mannen en vrouwen kwam onder degenen met een laag inkomen een minder goede gezondheid 2 keer zo vaak voor als onder degenen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens.

In iedere leeftijdsgroep zijn er duidelijke verschillen in gezondheid tussen lage en hogere inkomens. Zo gaven in de leeftijdsgroepen van 25 tot 45 jaar en van 45 tot 65 jaar ruim 2,5 keer zo veel mensen met een laag inkomen aan een minder goede gezondheid te hebben als mensen met een hoger inkomen.

5.3.1 Minder goede gezondheid, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 38,4 19,4
. .
Mannen 36,1 17,5
Vrouwen 40,6 21,4
. .
Tot 25 jaar 12,7 7,5
25 tot 45 jaar 40,3 15,4
45 tot 65 jaar 58,9 23,3
65 jaar of ouder 47,1 34,5

Gezondheid en beperkingen

Ervaren gezondheid

Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving genoemd, weerspiegelt het oordeel over de eigen gezondheid. In de CBS-Gezondheidsenquête wordt aan alle respondenten de vraag gesteld: ‘Hoe is over het algemeen uw gezondheid/de gezondheid van uw kind?’ De respondent heeft de keuze uit de antwoordcategorieën: zeer goed, goed, gaat wel, slecht, zeer slecht. Van respondenten die ‘gaat wel’, ‘slecht’ of ‘zeer slecht’ antwoorden, wordt gezegd dat zij een minder dan goed ervaren (kortweg: een minder goede) gezondheid hebben. Voor kinderen tot 12 jaar wordt de vraag beantwoord door een van de ouders of verzorgers.

Beperkingen

De GALI-indicator (Global Activity Limitation Indicator) is gebruikt om te bepalen of een persoon van 4 jaar of ouder een beperking heeft. Daartoe krijgen respondenten in de Gezondheidsenquête de vraag: ‘In welke mate bent u/is uw kind vanwege problemen met uw/zijn of haar gezondheid beperkt in activiteiten die mensen gewoonlijk doen.’ Als zij aangeven dat ze ‘ernstig beperkt’ of ‘wel beperkt, maar niet ernstig’ zijn en bevestigend antwoorden op de vraag ‘Duurt deze beperking al een half jaar of langer?’, dan wordt gezegd dat ze een beperking hebben. Voor kinderen tot 12 jaar beantwoordt een van de ouders of verzorgers de vragen.

Meer beperkingen bij armoederisico

Verschil is er ook bij beperkingen in activiteiten die mensen gewoonlijk doen (zie kader). Van de mensen met een armoederisico gaf 44 procent aan dat ze een beperking hebben, tegen 28 procent van de mensen in een huishouden met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Ook bij mannen en vrouwen was er een verschil tussen beide inkomensgroepen.

Beperkingen komen in elke leeftijdsgroep tot 65 jaar meer voor bij de lage inkomens. Vooral tussen 25 en 65 jaar is het verschil tussen lage en hogere inkomens groot. Zo gaf in de leeftijdsgroep van 45 tot 65 jaar 65 procent van de mensen met een laag inkomen aan een beperking te hebben, tegen 33 procent van de mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Boven de 65 jaar was er geen statistisch significant verschil in beperkingen tussen de twee inkomensgroepen.

5.3.2 Beperkingen, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 44,4 27,7
. .
Mannen 43,1 24,5
Vrouwen 45,6 30,7
. .
4 tot 25 jaar 16,1 10,3
25 tot 45 jaar 46,8 20,8
45 tot 65 jaar 64,6 32,5
65 jaar of ouder 56,5 50,1

Bij armoederisico minder vaak tevreden met het leven

Mensen behorende tot een huishouden met een laag inkomen geven minder vaak een rapportcijfer van 7 of hoger aan de tevredenheid met hun leven dan mensen met een hoger inkomen (zie kader). In 2020/2022 was 61 procent van de mensen met een laag inkomen tevreden met het leven, bij de mensen met een hoger inkomen was dat 86 procent.

In de leeftijdsgroepen 18 tot 35 jaar en 35 tot 65 jaar waren de verschillen groter dan bij 65 plussers. Eerder werd al geconstateerd dat dit onder meer te maken heeft met de relatief hoge vermogenspositie van ouderen, ook als ze een laag inkomen hebben (CBS, 2021). Hoe groter het vermogen is, hoe tevredener mensen zijn (CBS StatLine, 2022).

Vooral bij mensen met een inkomen onder de lage-inkomensgrens gingen de coronajaren gepaard met een vermindering van de tevredenheid met het leven. In de jaren voorafgaand aan corona (2017/2019) was nog 68 procent van hen tevreden met het leven.

5.3.3 Tevreden met het leven, 2020/2022 (% met score van 7 of hoger)
Tevredenheid, 2020/2022 Laag inkomen Boven lage- inkomensgrens
Totaal 61 86
18 tot 35 jaar 59 82
35 tot 65 jaar 60 87,4
65 jaar of ouder 77 87

Tevredenheid met het leven

Bij tevredenheid gaat het om de score die mensen hebben gegeven als antwoord op de vraag ‘Kunt u op een schaal van 1 tot en met 10 aangeven in welke mate u tevreden bent met het leven dat u nu leidt. Een 1 staat voor volledig ontevreden en 10 voor volledig tevreden?’. Deze vraag wordt in de enquête Sociale Samenhang & Welzijn gesteld aan respondenten van 18 jaar of ouder. Een score van 1 tot en met 4 wordt geclassificeerd als ontevreden, een score van 5 of 6 als niet tevreden, niet ontevreden en een score van 7 of hoger als tevreden.

Roken komt meer voor onder lage inkomens

In de jaren 2020/2022 rookte van de bevolking van 12 jaar of ouder 13 procent dagelijks. Van de mensen met een laag inkomen rookten er ruim 2 keer zoveel dagelijks als van de mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens: 28 procent tegen 12 procent. Ook bij mannen en vrouwen en in elke leeftijdsgroep was het percentage dagelijkse rokers ongeveer 2 keer zo hoog onder de lage inkomens als onder de hogere inkomens.

5.3.4 Dagelijks roken, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 27,7 12,4
. .
Mannen 32,3 14,3
Vrouwen 23,5 10,5
. .
12 tot 25 jaar 14,9 7,4
25 tot 45 jaar 30,9 15,3
45 tot 65 jaar 33,7 14,6
65 jaar of ouder 19,2 9,3
Bron: CBS, RIVM en Trimbos-instituut (Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor)

Samenvoegen enquêtegegevens uit 2020, 2021 en 2022

Om voldoende steekproefmassa te hebben, zijn de data van de Gezondheids­enquête/Leefstijl­monitor van 2020, 2021 en 2022 samengevoegd. Dit is geoorloofd omdat de relatie tussen inkomen en de indicatoren die hier aan bod komen in elk jaar eenzelfde beeld laat zien (zie ook CBS StatLine, 2023b; 2023c). Hetzelfde geldt voor de gegevens verzameld in de enquête Sociale Samenhang en Welzijn in de jaren 2020, 2021 en 2022, waaruit de indicator van tevredenheid met het leven komt.

Lage inkomens voldoen vaker aan alcoholrichtlijn

Het percentage mensen van 12 jaar en ouder dat zich aan de alcoholrichtlijn houdt (zie kader Leefstijlindicatoren), was groter onder de personen met een laag inkomen dan onder personen met een hoger inkomen (66 tegen 45 procent). Bij zowel mannen als vrouwen is dat zo. Van de mannen met een laag inkomen voldeed 58 procent aan de richtlijn, tegen 36 procent van de mannen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Bij vrouwen was dit respectievelijk 73 procent en 55 procent. Ook in alle onderscheiden leeftijdsgroepen voldoen personen met een armoederisico vaker aan de alcoholrichtlijn.

Opleiding speelt mede een rol in het verschil tussen de inkomensgroepen. Een laag inkomen gaat veelal samen met een laag onderwijsniveau en het percentage mensen dat nooit alcohol drinkt is hoger onder de laagopgeleiden dan onder de hoogopgeleiden (CBS StatLine, 2023c).

5.3.5 Voldoen aan alcoholrichtlijn, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 66,2 45,3
. .
Mannen 58,2 35,9
Vrouwen 73,3 54,6
. .
12 tot 25 jaar 72,9 49,2
25 tot 45 jaar 63,1 39,2
45 tot 65 jaar 65,1 42,3
65 jaar of ouder 67,2 53,8
Bron: CBS, RIVM en Trimbos-instituut (Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor)

Leefstijlindicatoren

Alcoholrichtlijn

De richtlijn voor alcoholgebruik door de volwassen Nederlandse bevolking is afkomstig uit de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad en houdt in dat mensen van 18 jaar of ouder geen of maximaal één glas alcohol per dag drinken. Voor jongeren tot 18 jaar geldt de NIX18‑norm. Dit wil zeggen geen alcohol.

Body Mass Index (BMI)

De Body Mass Index (BMI) wordt berekend als het quotiënt van het gewicht in kilogrammen en het kwadraat van de lengte in meters (kg/m2). Bij een BMI van 25 of hoger is er sprake van overgewicht. Tot 18 jaar gelden andere (geslacht- en leeftijdsspecifieke) grenswaarden dan voor volwassenen. Overgewicht wordt vastgesteld bij de bevolking vanaf 4 jaar.

Beweegrichtlijnen

Om te voldoen aan de Beweegrichtlijnen dienen mensen vanaf 18 jaar minstens 2,5 uur per week matig intensieve inspanning te verrichten verspreid over diverse dagen, zoals wandelen en fietsen, en minstens tweemaal per week spier- en botversterkende activiteiten te verrichten. Jongeren van 4 tot 18 jaar dienen minstens elke dag een uur matig intensieve inspanning te verrichten en minstens driemaal per week spier- en botversterkende activiteiten te verrichten.

Cijfers over leefstijl naar persoonskenmerken zijn te vinden op CBS StatLine (2023c).

Vaker overgewicht bij een laag inkomen

Van de Nederlanders van 4 jaar of ouder had 44 procent overgewicht (periode 2020/2022). Onder de mensen met een laag inkomen was het aandeel met overgewicht groter dan onder de mensen met een hoger inkomen: 49 tegen 45 procent.noot1 Bij de vrouwen kwam overgewicht vaker voor onder de lage inkomens (51 procent) dan onder de hogere (42 procent). Bij de mannen is dat niet zo; gemiddeld had 48 procent van hen overgewicht. In de leeftijdsgroep tot 25 jaar had 29 procent van de mensen met een laag inkomen overgewicht, tegen 17 procent van de mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. In de andere leeftijdsgroepen waren geen verschillen in overgewicht tussen beide inkomensgroepen.

5.3.6 Overgewicht, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 48,7 44,8
. .
Mannen 46 47,8
Vrouwen 51,3 41,8
. .
4 tot 25 jaar 28,8 17,2
25 tot 45 jaar 47,5 44,8
45 tot 65 jaar 62 58
65 jaar of ouder 60,2 57,1
Bron: CBS, RIVM en Trimbos-instituut (Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor)

Lage inkomens voldoen minder vaak aan de Beweegrichtlijnen

Bijna de helft (48 procent) van de bevolking van 4 jaar of ouder met een inkomen boven de lage-inkomensgrens voldeed aan de Beweegrichtlijnen. Onder de mensen met een laag inkomen was dit 39 procent. Een vergelijkbaar beeld is er bij mannen en vrouwen. Van de mannen met een hoger inkomen voldeed 50 procent aan de Beweegrichtlijnen, tegen 42 procent van de mannen met een laag inkomen. Bij vrouwen was dit respectievelijk 46 procent en 36 procent. In de leeftijdsgroepen vanaf 25 tot 65 jaar voldoen verhoudingsgewijs meer mensen met een hoger inkomen aan de Beweegrichtlijnen dan mensen met een laag inkomen. Bij 4- tot 25‑jarigen en onder de 65 plussers is er echter geen significant verschil.

5.3.7 Voldoen aan beweegrichtlijn, 2020/2022 (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 39 47,9
. .
Mannen 42,4 49,7
Vrouwen 35,7 46,1
. .
4 tot 25 jaar 48,9 50,5
25 tot 45 jaar 38,4 49,7
45 tot 65 jaar 33,1 49,4
65 jaar of ouder 33,4 40,8
Bron: CBS, RIVM en Trimbos-Instituut (Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor)

5.4Woonsituatie

Meerderheid risicohuishoudens woont in een sociale huurwoning

In 2021 woonde 72 procent van de huishoudens met een laag inkomen in een sociale huurwoning. Van de huishoudens die al minstens vier jaar van een laag inkomen moesten rondkomen was dat met 85 procent nog meer. Huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens wonen merendeels in een koopwoning: 62 procent in 2021. Ruim een kwart woonde toen in een sociale huurwoning.

5.4.1 Wonen in een huur- of koopwoning, 2021 (% huishoudens)
Koopwoning Sociale huurwoning Particuliere huurwoning
Laag inkomen 12,6 72,1 15,3
Langdurig laag inkomen 5,2 85,1 9,7
Boven lage-inkomensgrens 62,4 26,7 10,9

Met armoederisico in verhouding hoge woonlasten

Voor huishoudens met een laag inkomen slokken de woonlasten een groter deel van hun inkomen op dan voor huishoudens boven de lage-inkomensgrens. De woonquote, de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen zonder woonposten zoals hypotheekrente(aftrek) of huurtoeslag, was voor huishoudens met een laag inkomen gemiddeld 41 procent in 2021. Bij huishoudens boven de lage-inkomensgrens was dat met 24 procent beduidend minder. Bij huishoudens in een sociale huurwoning was het verschil tussen lage en hogere inkomens iets kleiner: 38 tegen 29 procent. De relatief kleine groep huishoudens met een koopwoning en een laag inkomen (zie figuur 5.4.1) waren ruim de helft van hun inkomen kwijt aan woonlasten, tegen 20 procent van de woningeigenaren met een hoger inkomen. Lage inkomens met een koopwoning zijn relatief vaak zelfstandigen die weinig winst of verlies hadden.

De woonlasten bestaan uit netto huur- of hypotheeklasten (dus verrekend met hypotheekrenteaftrek dan wel huurtoeslag) inclusief de bijkomende woonuitgaven zoals onroerendzaakbelasting, premies voor woonverzekeringen, rioolrechten, gas, water, elektra.

5.4.2 Woonquote huishoudens, 2021 (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 41,4 38,8 23,7
Koopwoning 52,1 51,7 20,1
Sociale huurwoning 37,9 37,2 28,5
Particuliere huurwoning 54,6 49,8 33,6

Lage inkomens wonen doorgaans kleiner

Van de huishoudens met een laag inkomen woonde een meerderheid van ruim 56 procent in 2021 in een appartement. Met langdurig een laag inkomen was dat 59 procent. Dat is bijna 2 keer zo veel als bij de huishoudens boven de lage-inkomensgrens. Ruim 8 procent van de lage-inkomenshuishoudens woonde in een twee-onder-een-kap of vrijstaande woning, tegenover bijna een kwart van de huishoudens met een hoger inkomen.

Huishoudens met (langdurig) een laag inkomen zijn doorgaans kleiner behuisd dan de hogere inkomens. Een woonoppervlak van maximaal 75 vierkante meter kwam bij huishoudens met een (langdurig) laag inkomen in 2021 ruim 2 keer zo vaak voor als bij de groep boven de lage-inkomensgrens. Een vijfde van de huishoudens boven de grens had minstens 150 vierkante meter aan woonoppervlak. Bij de (langdurig) lage inkomens waren de percentages respectievelijk 3 en 6 keer kleiner.

5.4.3Woonsituatie van huishoudens, 2021
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomens­grens
%
Type woning
Vrijstaand 4,8 2,6 13,7
Twee-onder-een-kap 3,6 3,0 9,5
Hoekwoning 10,2 10,3 13,5
Tussenwoning 25 25,3 31,2
Appartement 56,3 58,9 32,1
Woonoppervlak
Tot 75 m2 37,1 39,5 17,4
75 tot 150 m2 56,2 57,1 61,8
150 m2 of meer 6,6 3,4 20,7

Ruim 1 op de 3 lage inkomens ontevreden met woning

Van de huishoudens met een (langdurig) laag inkomen was in 2021 meer dan een derde (34 en 36 procent) niet tevreden over hun woning. Dat is bijna 3 keer zoveel als bij de huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens (13 procent). Ook over het onderhoud van de woning zijn huishoudens met (langdurig) armoederisico minder te spreken. Ongeveer een kwart vond hun woning slecht onderhouden, tegen een tiende van de huishoudens met een hoger inkomen.

5.5Literatuur

Open literatuurlijst

Noten

Deze percentages zijn groter dan het percentage mensen met overgewicht in de totale bevolking (44 procent). Dat komt doordat niet iedereen tot de onderzoekspopulatie van armoederisico behoort (zie hoofdstuk 1).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten