Foto omschrijving: Pinautomaat met de tekst saldo niet toereikend

Armoederisico in breed financieel perspectief

In dit hoofdstuk komt een breed scala van de financiële positie van huishoudens aan de orde. Gekeken wordt naar andere welvaartsindicatoren, zoals bezittingen en schulden, en de beoordeling van de eigen financiële positie. Hoeveel huishoudens met een laag inkomen kunnen terugvallen op vermogensbuffer? Hoe vaak hebben risicohuishoudens betalingsachterstanden? Vinden ze dat ze kunnen rondkomen? Hoe zien zij hun financiële toekomst? Hoeveel mensen zitten in de schuldhulpverlening?

3.1Vermogensopbouw en -‍buffer

Vermogen belangrijke aanvullende indicator

Het vermogen is een aanvullende indicator bij het meten van de kans op armoede. Een laag inkomen is voor huishoudens die kunnen terugvallen op een vermogensbuffer immers minder problematisch, zolang het inkomen niet jarenlang laag blijft en het vermogen op korte termijn in beschikbaar geld kan worden omgezet. Daarentegen verkeren huishoudens die naast een laag inkomen een schuld hebben, in een benarde financiële positie.

6 op de 10 lage inkomens hebben geen of nauwelijks vermogen

Begin 2022 kwam het doorsnee vermogen van huishoudens met een laag inkomen uit op 1,2 duizend euro. Dat is fors minder dan het doorsnee vermogen van 164 duizend euro bij de hogere inkomens. Er zijn grote verschillen in de vermogensverdeling van huishoudens. Ruim 60 procent van de huishoudens met een laag inkomen hadden geen of maar een kleine vermogensbuffer: 17 procent had een schuld van meer dan 2,5 duizend euro en bij 44 procent schommelde het vermogen tussen de min 2,5 duizend en plus 2,5 duizend euro. Onder de huishoudens die langdurig van een laag inkomen moesten rondkomen, kwam een schuld van meer dan 2,5 duizend euro bij 10 procent voor, terwijl 59 procent een vermogen tussen de min 2,5 duizend en plus 2,5 duizend euro had.

1 op de 6 lage inkomens beschikt over minstens 50 duizend euro vermogen

Tegenover de huishoudens met een laag inkomen en een schuld of een beperkt vermogen stond een relatief grote groep huishoudens die wel beschikte over vermogen. Bij 22 procent van de huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens lag het vermogen tussen de 2,5 duizend en 50 duizend euro. En 17 procent had een vermogen van 50 duizend euro of meer. Onder de huishoudens met een hoger inkomen is die groep bijna 4 keer zo groot (64 procent).

3.1.1 Huishoudens naar vermogensklasse, 1 januari 2022* (%)
Tot -2 500 euro -2 500 tot 2 500 euro 2 500 tot 10 000 euro 10 000 tot 50 000 euro 50 000 euro en meer
Laag inkomen 17 44 14 8 17
Langdurig laag inkomen 10 59 16 6 9
Boven lage-inkomensgrens 8 9 7 11 64

Vermogen: bezittingen minus schulden

Het vermogen is opgebouwd uit het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen omvatten bank- en spaartegoeden, effecten, eigen woning en ander onroerend goed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang en overige bezittingen. De schulden betreffen de hypotheekschuld eigen woning, studieschulden en overige schulden. De hypotheekschuld is de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via spaar- en beleggingshypotheken zijn hierop grotendeels in mindering gebracht. Pensioenaanspraken worden niet tot het vermogen gerekend. Voor meer uitleg, zie Herziening van de Vermogensstatistiek 2006 (cbs.nl).

Het doorsnee (mediane) vermogen is gelijk aan het middelste vermogen wanneer de vermogens van alle huishoudens van laag naar hoog worden gerangschikt. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens meer en de andere helft minder vermogen bezit.

1 op de 9 lage inkomens bezit eigen woning

Van de huishoudens met een laag inkomen had 11 procent begin 2022 een eigen woning. Onder huishoudens met een hoger inkomen was het eigenwoningbezit met 61 procent aanzienlijk groter. Niet verwonderlijk dat de hogere inkomens ook vaker een hypotheekschuld hadden: 51 procent tegen 8 procent bij de lage inkomens. Onder zowel huishoudens met een laag als huishoudens met een hoger inkomen had ruim de helft nog andere schulden, zoals studieschulden en/of schulden voor consumptieve doeleinden en roodstaan.

Bij zowel de huishoudens met als huishoudens zonder armoederisico beschikte vrijwel iedereen over bank- en spaartegoeden. De hiermee gemoeide doorsnee bedragen waren groter voor huishoudens met een hoger inkomen: bijna 23 duizend euro tegen 1,9 duizend euro bij de lage inkomens.

3.1.2Vermogensbestanddelen huishoudens, 1 januari 2022*
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
mediane bedrag aandeel huishoudens met vermogens-bestanddeel mediane bedrag aandeel huishoudens met vermogens-bestanddeel
1 000 euro % 1 000 euro %
Vermogen 1,2 100 163,9 100
bezittingen 2,0 100 328,8 100
bank- en spaartegoeden 1,9 95 22,8 99
effecten 30,8 8 15,3 20
eigen woning 414,2 11 402,1 61
overig onroerend goed 164,0 3 153,0 7
ondernemingsvermogen 3,5 14 18,2 13
aanmerkelijk belang 37,9 3 160,2 6
overige bezittingen 140,0 4 36,0 6
schulden 4,0 52 121,5 73
hypotheekschuld eigen woning 166,2 8 165,8 51
studieschuld 9,3 15 10,6 16
schulden, overig 1,1 42 1,0 41

Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens zijn weliswaar ‘inkomensarm’, maar een deel van hen heeft een vermogensbuffer achter de hand om hun inkomenstekort te compenseren. De vermogensbuffer zou dan wel direct beschikbaar moeten zijn. Vermogen in de vorm van een eigen huis (minus de hypotheekschuld), aanmerkelijk belang en ondernemingsvermogen zijn dat in principe niet. Zonder deze componenten blijven alleen de bezittingen en schulden over die in box 3 van het belastingstelsel vallen. Het saldo van box 3 sparen en beleggen en de box 3 schulden is het direct opneembare oftewel liquide vermogen. Er zijn diverse manieren om de omvang van armoede aan te scherpen door rekening te houden met de liquide vermogensbuffer. Van den Brakel en Gidding (2019) definiëren een huishouden als ‘financieel arm’ wanneer het een laag inkomen heeft en het liquide vermogen kleiner is dan de helft van de lage-inkomensgrens (zie kader).

Financiële armoede: een laag inkomen en weinig vermogen

Vanuit de literatuur zijn er ruwweg twee hoofdmethodieken waarmee componenten van het vermogen bij het bepalen van materiële armoede betrokken kunnen worden. Het betreft de annuïteitenmethode en de instelling van een vermogensplafond (Citro & Michael, 1995). Voor de toepassing van een criterium van financiële armoede heeft het CBS gekozen voor instelling van een vermogensplafond. Als kritisch plafond is uitgegaan van de helft van de lage-inkomensgrens (zie Van den Brakel en Gidding, 2019), wat jaarlijks ongeveer gelijk is aan het maximale vrijstellingsbedrag van eigen vermogen volgens de Bijstandswetgeving. Het vermogensplafond staat daarmee net als de lage-inkomensgrens los van de wetgeving en wordt alleen gecorrigeerd voor inflatie en niet voor welvaartsontwikkeling. De liquide vermogensmiddelen (saldo box 3 sparen en beleggen en box 3 schulden) worden net als het inkomen gestandaardiseerd met de CBS-equivalentiefactoren (zie hoofdstuk 1) om ook voor het vermogenscriterium optimale vergelijkbaarheid tussen de verschillende huishoudenstypen te garanderen. Een financieel-arm huishouden is dus afgebakend als een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens en een vrij opneembaar vermogen tot maximaal de helft van deze grens. Dan wordt gesproken van een huishouden met een laag inkomen en weinig vermogen, of van een huishouden met armoederisico en een liquide vermogen tot het vermogensplafond.

Financiële armoede daalt vanaf 2018

In 2022 hadden 261 duizend huishoudens een laag inkomen en een liquide vermogen dat minder dan de helft van de lage-inkomensgrens bedroeg. Dit komt neer op 3,4 procent van alle huishoudens. Dat is 1,0 procentpunt minder dan inkomensarmoede en betekent dat 74 duizend huishoudens voldoende liquide middelen hadden om hun inkomenstekort te compenseren.

De financiële armoede ontwikkelde zich vrijwel hetzelfde als de inkomensarmoede: een stijging gedurende de crisisjaren 2011–2013, daarna tot 2016 een daling, gevolgd door drie jaar stabiliteit en een daling vanaf 2019. In 2022 was er een sterke afname. De ontwikkelingen in financiële armoede zijn toe te schrijven aan de ontwikkeling van het aandeel lage inkomens sinds 2011 en komen niet voor rekening van schommelingen in het liquide vermogen. Weliswaar kromp het vermogen van huishoudens tot 2014 en groeide het daarna sterk, maar dit kwam voornamelijk door ontwikkelingen in de huizenprijzen en dat komt niet tot uitdrukking in dalingen of stijgingen van financiële armoede.

3.1.3 Risico op armoede (% huishoudens met laag inkomen)
Weinig vermogen Boven vermogensplafond
'11 5,5 1,4
'12 6,6 1,4
'13 7,4 1,5
'14 7,2 1,3
'15 6,8 1,4
'16 6,6 1,3
'17 6,6 1,3
'18 6,5 1,4
'19 6,1 1,4
'20 5,5 1,3
'21 5,2 1,1
'22* 3,4 1

Vooral bij 65‑plussers compenseert liquide vermogen een inkomenstekort

Gemiddeld heeft ruim een vijfde (22 procent) van de lage inkomens voldoende liquide vermogen om hun inkomenstekort te compenseren. Van de huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 tot 75 jaar is dat 39 procent. Is de hoofdkostwinner 75 jaar of ouder, dan gaat het om ruim de helft (57 procent). Dit komt doordat ouderen gedurende hun leven hebben kunnen sparen: hun liquide vermogen is relatief hoog (zie StatLine). Wel is onder 65‑plussers het aandeel met financiële armoede klein vergeleken met de jongere leeftijdsgroepen.

3.1.4 Armoederisico naar leeftijd hoofdkostwinner, 2022* (% huishoudens met laag inkomen)
Weinig vermogen Boven vermogensplafond
Totaal 3,4 1
Tot 25 jaar 10,7 1,3
25-34 jaar 4 0,6
35-44 jaar 3,8 0,7
45-54 jaar 3,6 0,9
55-64 jaar 5,2 1,6
65-74 jaar 1,4 0,8
75 jaar of ouder 0,7 1

Een derde van risicozelfstandigen heeft profijt van liquide vermogen

In lijn met de 65‑plushuishoudens heeft meer dan de helft van de inkomensarme huishoudens met voornamelijk een pensioenuitkering een liquide vermogen boven het vermogensplafond. Ook bij zelfstandigen speelt het liquide vermogen een belangrijke rol: hun armoederisico bedraagt 7,3 procent, de financiële armoede is 4,8 procent. Ruim een derde van de zelfstandigen met een laag inkomen heeft dus voldoende liquide vermogen. Betrekkelijk weinig bijstandsontvangers beschikken over genoeg liquide vermogen om hun inkomenstekort ten opzichte van de lage-inkomensgrens te compenseren.

3.1.5 Armoederisico naar voornaamste inkomensbron, 2022* (% huishoudens met laag inkomen)
Weinig vermogen Boven vermogensplafond
Totaal 3,4 1
Inkomen als
werknemer
1 0,3
Inkomen als
zelfstandige
4,8 2,5
Werkloosheids-
uitkering
9,5 2,9
Arbeidson-
geschiktheids-
uitkering
7,6 1,7
Pensioenuitkering 1 1,4
Uitkering
sociale voorziening
38 2,1

3.2Financiële problemen en toekomstverwachting

4 op de 10 risicohuishoudens komen moeilijk rond

In 2022 kwam 40 procent van de huishoudens met een laag inkomen naar eigen zeggen moeilijk rond van het inkomen, een sterke stijging ten opzichte van een jaar eerder. Toen gaf 31 procent van de huishoudens met een risico op armoede aan moeite te hebben met het betalen van de gebruikelijke, noodzakelijke uitgaven. De woonkosten en met name de energielasten vormden voor steeds meer huishoudens een zware last. Een kwart van de huishoudens met een risico op armoede gaf in 2022 aan onvoldoende geld te hebben om het huis te verwarmen, een verdubbeling ten opzichte van een jaar eerder. In de jaren 2020 en 2021 toen COVID-19 Nederland in zijn greep had, daalde bij zowel huishoudens met een laag inkomen als huishoudens met een hoger inkomen het percentage dat moeilijk kan rondkomen. Door de lock-downs veranderde het bestedingspatroon van huishoudens. Bestedingen aan bijvoorbeeld vakanties en uitgaven in de horeca daalden fors. Hierdoor hielden huishoudens meer geld over om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te kunnen betalen.

3.2.1 Huishoudens die aangeven (zeer) moeilijk rond te komen (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2016 52 11
2017 53 10
2018 43 9
2019 45 9
2020 36 7
2021 31 5
2022 40 6

Minder betalingsachterstanden bij hoger inkomen

In 2022 gaf 12 procent van de huishoudens met een laag inkomen aan achterstanden te hebben gehad bij de betaling van de maandelijkse huur- of hypotheeklasten, de elektriciteits-, water- of gasrekeningen of bij het afbetalen van een lening of andere kredieten. Hoewel het percentage met 3 procentpunt steeg ten opzichte van 2020, is het aandeel huishoudens dat te maken had met betalingsachterstanden nog relatief laag. In de periode 2012–2019 schommelde dit percentage rond de 15 procent. Net als bij rondkomen, lag in de coronajaren 2020 en 2021 het percentage een stuk lager. Huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens hadden met 2 procent beperkt te maken met betalingsachterstanden in 2022. Dit percentage is sinds 2019 stabiel.

3.2.2 Huishoudens met betalingsachterstanden (%)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2016 16 3
2017 17 3
2018 13 3
2019 15 2
2020 9 2
2021 10 2
2022 12 2

3 op de 10 huishoudens met armoederisico ervaren woonlasten als zwaar

Voor bijna 30 procent van de huishoudens met een laag inkomen vormden de maandelijkse woonlasten naar eigen zeggen een zware financiële last. Dat is bijna 6 keer zo vaak als bij huishoudens met een hoger inkomen. Het aandeel lage inkomens met betalingsachterstanden steeg van 10 procent in 2021 naar 12 procent in 2022, vooral door een toenemend aandeel huishoudens dat om financiële redenen de elektriciteits-, water- of gasrekeningen niet tijdig kon betalen. Onder de huishoudens met een laag inkomen gaf 7 procent aan hierbij achterstanden te hebben gehad. Huishoudens met een hoger inkomen rapporteerden duidelijk minder vaak zulke betalingsachterstanden.

3.2.3Woonlasten en betalingsachterstanden, 2022
Laag inkomen Boven lage-inkomens­grens
% van huishoudens
Ervaart maandelijkse woonlasten als zware last 29 5
Een of meer betalingsachterstanden 12 2
waarvan
huur of hypotheek 7 1
gas, water of elektriciteit 7 1
op afbetaling gekochte artikelen 5 1

Vooral huishoudens met een uitkering hebben moeite met rondkomen

Van de huishoudens met een laag inkomen gaven die met vooral inkomen uit pensioen het minst vaak aan dat ze moeite hadden met rondkomen in 2022: 15 procent zei moeite hiermee te hebben. Onder huishoudens met een laag inkomen en loon als voornaamste inkomensbron was dat 29 procent, en onder huishoudens met in hoofdzaak zelfstandigeninkomen 35 procent. Vooral uitkeringsontvangers met een laag inkomen hadden het in 2022 financieel zwaar. De helft van hen had moeite met het betalen van de gebruikelijke, noodzakelijke uitgaven. Dat gold voor zowel bijstandsontvangers als voor huishoudens met vooral een uitkering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.

Huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens hadden in 6 op de 100 gevallen moeite met rondkomen. Hiermee kwam een einde aan de daling die vanaf 2013 was ingezet (figuur 3.2.1). Van de huishoudens met vooral een bijstandsuitkering, maar met een jaarinkomen net boven de lage-inkomensgrens zei 1 op 3 (zeer) moeilijk rond te kunnen komen. Het gaat hier echter om een relatief klein aantal huishoudens omdat de meeste huishoudens met een bijstandsuitkering als voornaamste inkomensbron een laag inkomen hebben. Onder huishoudens boven de lage-inkomensgrens met vooral een uitkering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid zei ruim een kwart moeilijk rond te komen. Van de pensioenontvangers boven de lage-inkomensgrens gaf 6 procent dat aan, onder zelfstandigen en werknemers was dat met 4 procent iets minder.

3.2.4 Financiële problemen huishoudens, 2022 (% huishoudens)
(Zeer) moeilijk rondkomen Betalingsachterstanden
Laag inkomen . .
Totaal 40 12
Inkomen als
werknemer
29 7
Inkomen als zelf-
standige
35 14
Pensioenuitkering 15 2
Bijstandsuitkering 49 17
Andere uitkering 51 11
Boven lage-
inkomensgrens
. .
Totaal 6 2
Inkomen als
werknemer
4 3
Inkomen als zelf-
standige
4 2
Pensioenuitkering 6 0
Bijstandsuitkering 32 20
Andere uitkering 26 5

Onder de pensioenontvangers met een laag inkomen was nauwelijks sprake van betalingsachterstanden, 2 procent maakte gewag hiervan. Van de werknemers met een laag inkomen had 7 procent met betalingsachterstanden te maken. Onder bijstandsontvangers met een laag inkomen was deze problematiek met 17 procent het grootst. De kleine groep huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens en vooral inkomen uit een bijstandsuitkering had het vaakst achterstanden (20 procent). Onder pensioenontvangers en werkenden met een inkomen boven de lage-inkomensgrens was nauwelijks sprake van betalingsachterstanden.

Financiële beperkingen zijn eerder regel dan uitzondering bij armoederisico

Huishoudens met een laag inkomen hebben regelmatig te maken met financiële beperkingen. In 2022 gaf 79 procent van hen aan onvoldoende geld te hebben voor één of meer specifieke uitgaven, uiteenlopend van het om de dag nuttigen van een warme maaltijd met vlees, kip of vis (12 procent) tot het vervangen van versleten meubels (61 procent). Van de huishoudens met een laag inkomen had 54 procent onvoldoende geld om regelmatig nieuwe kleding te kopen en 55 procent om jaarlijks een week op vakantie te gaan. Bijna 2 op de 3 huishoudens met een laag inkomen gaven aan onvoldoende geld te hebben om onverwachte, noodzakelijke uitgaven ter waarde van 1 300 euro te kunnen bekostigen uit eigen financiële middelen. Het aandeel huishoudens met armoederisico dat onvoldoende geld had om het huis goed te verwarmen verdubbelde ten opzichte van 2021 naar een kwart.

Bijna 30 procent van de huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens had te stellen met minimaal één van de genoemde financiële beperkingen. Ook onder deze hogere inkomens verdubbelde het aandeel huishoudens dat aangaf onvoldoende geld te hebben voor het goed verwarmen van hun woning, tot 6 procent.

3.2.5 Huishoudens met financiële beperkingen, 2022 (% huishoudens)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Onvoldoende geld voor . .
Een warme maaltijd met
vlees, kip of vis om de dag
12 2
Het goed verwarmen
van het huis
25 6
Het te eten vragen van
familie en/of kennissen
40 10
Het regelmatig kopen
van nieuwe kleren
54 12
Het jaarlijks een week
op vakantie gaan
55 13
Het vervangen van
versleten meubels
61 17
Het doen van onverwachte
noodzakelijke uitgaven
66 14
Ten minste één van de
genoemde items
79 28

Lage inkomens moeten vaker schulden maken dan hogere

Een laag inkomen betekent niet automatisch dat de financiële situatie van een huishouden problematisch is. Een huishouden met weinig inkomen kan aan het eind van de maand toch geld overhouden, terwijl een meer welvarend huishouden moet interen op de reserves (zie paragraaf 3.2) of schulden moet maken. Toch is er wel een verband tussen het inkomen van huishoudens en de ernst van de financiële situatie. Het aandeel huishoudensnoot1 dat aangeeft schulden te moeten maken, is aanzienlijk groter onder de lage inkomens. In 2022 speelde de schuldenproblematiek bij 13,9 procent van de huishoudens onder de lage-inkomensgrens. Bij de huishoudens met inkomen boven deze grens was dit 2,9 procent. Huishoudens met een laag inkomen zeiden bovendien ruim 2 keer zo vaak als huishoudens met een hoger inkomen spaarmiddelen te moeten aanspreken. Van de lage inkomens gaf 38,8 procent aan precies rond te komen, tegenover 23,6 procent van de hogere inkomens. Daarentegen zei 19,4 procent van de lagere inkomens geld over te houden. Bij de hogere inkomens was dat percentage 3 keer zo groot.

3.2.6 Zelfgerapporteerde financiële situatie (% huishoudens)
Moet schulden maken Moet spaarmiddelen aanspreken Kan precies rondkomen Houdt beetje geld over Houdt veel geld over
2022 Laag inkomen, 2022 13,9 27,9 38,8 16,6 2,8
2022 Boven lage-inkomensgrens, 2022 2,9 13 23,6 48,9 11,6
2021 Laag inkomen, 2021 13,2 19,6 44,7 20,3 2,1
2021 Boven lage-inkomensgrens, 2021 2,3 8 21,8 52,8 15,1

Vergeleken met 2021 moesten zowel huishoudens met een laag als huishoudens met een hoger inkomen in 2022 vaker hun spaartegoeden aanspreken. Ook hielden minder huishoudens geld over. Vooral bij de hogere inkomens daalde het aandeel dat geld overhoudt van 2021 op 2022.

Lage inkomens somberder over toekomstige financiële situatie dan hogere

Ruim 45 procent van de huishoudens met een laag inkomen ging in 2022 uit van een verslechtering van hun financiële situatie de komende twaalf maanden, tegenover 37 procent van de huishoudens met een hoger inkomen. In 2021 waren deze percentages lager (respectievelijk 32 en 19 procent). Tegelijkertijd verwachtte 37 procent van de huishoudens met een laag inkomen geen verandering in de eigen financiële situatie, tegenover 47 procent van de huishoudens met een hoger inkomen. Het aandeel dat uitgaat van een verbetering, verschilde nauwelijks tussen de lage en hogere inkomens. Wel was het aandeel vooral bij de hogere inkomens in 2021 groter.

3.2.7 Eigen financiële situatie komende 12 maanden (% huishoudens)
Zal beter worden Zal hetzelfde blijven Zal slechter worden
2022 Laag inkomen, 2022 17,4 36,9 45,7
2022 Boven lage-inkomensgrens, 2022 15,8 47,1 37,1
2021 Laag inkomen, 2021 19,1 48,4 32,5
2021 Boven lage-inkomensgrens, 2021 23,9 57,1 19

3.3Wettelijke schuldsaneringen

Instroom in wettelijke schuldsanering verder gedaald

Soms lukt het niet meer om zelf uit de schulden te komen. De schulden zijn te hoog en het is niet mogelijk met schuldeisers een haalbare regeling te treffen. Via de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) kan dan door volwassenen van 18 jaar of ouder een wettelijke schuldsanering worden aangevraagd (zie kader).

In 2021 werden 2,3 duizend mensen toegelaten tot de Wsnp. Sinds 2012 daalt de instroom en is het aantal mensen dat aan het einde van het jaar in het Wsnp-traject zit meer dan gehalveerd tot 10,5 duizend in 2021. De daling houdt vooral verband met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) in 2012. Deze wet verplicht mensen eerst een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject te volgen, voordat ze in aanmerking komen voor de Wsnp. De gemeente is daarbij verplicht hulp te bieden.

3.3.1 Wettelijke schuldsanering (personen (x 1 000))
Jaar Instroom Uitstroom Lopende trajecten (op 31 december)
'99* 6,3 0,2 6,2
'00* 8,7 0,9 13,9
'01* 8,6 2,1 20,5
'02* 9,5 4,4 25,6
'03* 10,6 8,0 28,2
'04* 14,0 9,0 33,1
'05* 14,6 10,6 37,2
'06* 14,9 11,2 40,9
'07* 15,0 12,7 43,2
'08* 9,2 14,1 38,3
'09* 9,0 13,9 33,3
'10* 11,4 13,5 31,2
'11* 14,7 11,0 34,9
'12* 13,7 9,9 38,7
'13* 12,3 11,3 39,8
'14* 12,3 13,5 38,6
'15* 11,7 14,0 36,3
'16* 9,8 12,7 33,4
'17* 8,4 12,3 29,5
'18* 5,9 11,2 24,1
'19* 4,6 9,9 18,9
'20* 3,0 8,0 13,9
'21* 2,3 5,7 10,5

Wet schuldsanering natuurlijke personen

Een wettelijke schuldsanering wordt door de rechter uitgesproken als er geen andere mogelijkheden meer zijn om problematische schulden op te lossen. Met de in december 1998 opgestarte wettelijke schuldsaneringsregeling wordt voorkomen dat mensen jarenlang achtervolgd worden door hun schuldenlast. Onder toezicht van een bewindvoerder betaalt de schuldenaar volgens een strikt regime naar capaciteit zo veel mogelijk van de schulden aan de schuldeisers terug. Schuldeisers zijn verplicht hieraan mee te werken. Als de schuldenaar zich aan de voorwaarden van de sanering houdt, scheldt de rechter na ongeveer drie jaar een eventuele restschuld kwijt zodat de schuldenaar met een schone lei het leven kan voortzetten.

Cijfers kunnen afwijken ten opzichte van Armoede & sociale uitsluiting 2021 (CBS, 2021), doordat de Raad voor de rechtspraak (dataleverancier) jaarlijks met terugwerkende kracht aanpassingen doorvoert.

Ook steeds minder mensen met een laag inkomen in Wsnp

Mensen die deel uitmaken van een huishouden met een (langdurig) laag inkomen maken relatief vaak gebruik van de wettelijke schuldhulpverlening. In 2021noot2 maakte 0,6 procent van de mensen in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens gebruik van de regeling, tegenover 0,1 procent van de mensen in een huishouden met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Dat is een factor 6 verschil. Bij mensen die langdurig van een laag inkomen moesten rondkomen, was het percentage 0,7 procent.

Het gebruik van de Wsnp daalt al jaren in alle drie inkomensgroepen. Bij personen met een laag inkomen daalde het gebruik van 2,1 procent in 2014 naar 0,6 procent in 2021. Bij personen met een langdurig laag inkomen bedroeg de daling in deze periode 1,7 procentpunt en bij personen met een hoger inkomen daalde het gebruik van de Wsnp van 0,3 naar 0,1 procent.

3.3.2 Gebruik van Wsnp1) (%)
jaar Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2014* 2,1 2,4 0,3
2015* 2,0 2,3 0,3
2016* 1,8 2,1 0,2
2017* 1,6 1,9 0,2
2018* 1,3 1,6 0,2
2019* 1,0 1,2 0,2
2020* 0,8 0,9 0,1
2021* 0,6 0,7 0,1
1) Het gaat om personen die het gehele jaar of een deel ervan in de Wsnp zitten.

Mensen met uitkering relatief vaak in Wsnp

Mensen uit huishoudens met vooral een bijstandsuitkering of een uitkering door werkloosheid of arbeidsongeschiktheid doorliepen in 2021 vaker een Wsnp-traject dan mensen uit huishoudens met in hoofdzaak inkomen uit werk. Het gebruik van de Wsnp was het grootst bij personen uit huishoudens met een armoederisico en vooral inkomen uit een bijstandsuitkering of overige sociale voorziening (0,9 procent). Daarna volgden personen met een armoederisico en vooral inkomen uit een werkloosheidsuitkering (0,7 procent) of een arbeidsongeschiktheidsuitkering (0,6 procent). Van de personen met een armoederisico en in hoofdzaak inkomen als werknemer doorliep 0,5 procent een Wsnp-traject. Bij de lage inkomens met vooral inkomen als zelfstandige was er nauwelijks sprake van schuldsanering. Personen in huishoudens met armoederisico en pensioen als voornaamste inkomstenbron maakten eveneens nauwelijks gebruik van de Wsnp. Dat geldt ook voor gepensioneerden zonder armoederisico.

3.3.3 Wsnp1) naar voornaamste inkomensbron huishouden, 2021* (%)
inkomensbron_volgnr Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 0,6 0,1
Inkomen als werknemer 0,5 0,1
Inkomen als zelfstandige 0,0 0,0
Overdrachtsinkomen 0,6 0,1
waaronder
uitkering wegens
. .
Werkloosheid 0,7 0,3
Arbeidsongeschiktheid 0,6 0,4
Pensioen 0,1 0,0
Bijstand en overige sociale voorzieningen 0,9 0,6
1) Het gaat om personen die het gehele jaar of een deel ervan in de Wsnp zitten.

Eenoudergezinnen met kinderen tot 18 jaar relatief vaak in Wsnp

Ouders in eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen maakten in 2021 verhoudingsgewijs het vaakst gebruik van de Wsnp. Van degenen met een armoederisico doorliep 1,2 procent een schuldsaneringstraject. Maar onder alleenstaande ouders met een hoger inkomen was het gebruik van de Wsnp met 0,6 procent in verhouding ook groot. Ook andere personen met een armoederisico maakten vergelijkbaar vaak gebruik van de Wsnp: 0,8 procent bij paren met alleen minderjarige kinderen, en 0,7 procent bij alleenstaanden tot de AOW-leeftijd. Personen vanaf de AOW-leeftijd – of ze nu deel uitmaken van een paar of alleenstaand zijn – maakten nauwelijks gebruik van de Wsnp, ook niet als ze een armoederisico liepen.

3.3.4 Wsnp1) naar huishoudenstype, 2021* (%)
Persoonskenmerk_volgnr Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Totaal 0,6 0,1
Paar met kind . .
Alleen minderjarige kinderen 0,8 0,1
Minstens 1 meerderjarig kind 0,3 0,1
Paar zonder kind . .
Tot AOW-leeftijd 0,4 0,1
Vanaf AOW-leeftijd 0,0 0,0
Eenoudergezin . .
Alleen minderjarige kinderen 1,2 0,6
Minstens 1 meerderjarig kind 0,3 0,2
Alleenstaand . .
Tot AOW-leeftijd 0,7 0,2
Vanaf AOW-leeftijd 0,0 0,0
1) Het gaat om personen die het gehele jaar of een deel ervan in de Wsnp zitten.

3.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Brakel, M. van den en K. Gidding (2019). Hoe is de financiële welvaart verdeeld? Statistische Trends.

CBS (2021). Armoede en sociale uitsluiting 2021. Armoede en sociale uitsluiting 2021 (cbs.nl).

Citro, C.F. & R.T. Michael (red.) (1995). Measuring poverty: a new approach. Washington, DC: National Academy Press.

Noten

De cijfers zijn afkomstig uit het Consumentenconjunctuuronderzoek. De vragen zijn voorgelegd aan mensen van 15 jaar of ouder die behoren tot de huishoudenskern.

De meest recente inkomensgegevens die beschikbaar waren op het moment van samenstelling van deze bijdrage over Wsnp betroffen 2021.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten