Foto omschrijving: Kinderen spelen met een fiets op het terrein van een asielzoekerscentrum.

Armoede en sociale uitsluiting bij kinderen

In dit hoofdstuk staan minderjarige kinderen uit gezinnen met een laag inkomen centraal. Hoeveel kinderen maken deel uit van zo’n gezin? Zijn dat er meer of minder geworden? Wat is de samenstelling van deze gezinnen, zijn hier in de loop der jaren veranderingen in opgetreden? Waar in Nederland wonen kinderen met armoederisico vooral? Wat missen ze in materieel en sociaal opzicht? En zijn er tussen kinderen met en zonder armoederisico verschillen in gezondheid, leefstijl of crimineel gedrag?

Armoedekans kinderen sinds 2014 voortdurend gedaald

In 2022 maakten 165 duizend minderjarige kinderen deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Dat zijn er 27 duizend minder dan in het jaar ervoor. Voor een eenoudergezin met twee kinderen betekende een laag inkomen in 2022 dat er minder dan 1 830 euro per maand te besteden was. Bij een paar met twee kinderen was dat minder dan 2 300 euro. Vanaf 2014, dus in de jaren na de in 2008 begonnen economische crisis, daalde het aandeel kinderen met risico voortdurend en kwam in 2022 uit op 5,2 procent, zie Statline. Ook het percentage kinderen dat al ten minste vier jaar deel uitmaakt van een huishouden met een laag inkomen vertoonde een dalende trend. Wel zette de daling van dit risico op langdurige armoede pas twee jaar later in. Het langdurig armoederisico van minderjarige kinderen daalde van 3,7 procent in 2015 naar 2,2 procent in 2022.

6.1.1 Minderjarige kinderen met (langdurig) armoederisico (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Tot 2000 1977, Tot 2000 14,6 .
Tot 2000 1981, Tot 2000 16,4 .
Tot 2000 1985, Tot 2000 28,4 .
Tot 2000 1989, Tot 2000 18,7 .
Tot 2000 1990, Tot 2000 16 .
Tot 2000 1991, Tot 2000 16,7 .
Tot 2000 1992, Tot 2000 16,8 7,2
Tot 2000 1993, Tot 2000 16,9 7
Tot 2000 1994, Tot 2000 17,7 7,3
Tot 2000 1995, Tot 2000 17,3 7,6
Tot 2000 1996, Tot 2000 17,2 7,9
Tot 2000 1997, Tot 2000 17,3 8,1
Tot 2000 1998, Tot 2000 16 7,6
Tot 2000 1999, Tot 2000 16,1 7,3
Vanaf 2000 2000, Vanaf 2000 13,5 6,1
Vanaf 2000 2001, Vanaf 2000 10,9 5,1
Vanaf 2000 2002, Vanaf 2000 10,6 4,5
Vanaf 2000 2003, Vanaf 2000 11,2 4,3
Vanaf 2000 2004, Vanaf 2000 11,4 4,1
Vanaf 2000 2005, Vanaf 2000 11,1 3,8
Vanaf 2000 2006, Vanaf 2000 9,9 3,6
Vanaf 2000 2007, Vanaf 2000 9 3,5
Vanaf 2000 2008, Vanaf 2000 8,6 3,2
Vanaf 2000 2009, Vanaf 2000 8,6 3,2
Vanaf 2000 2010, Vanaf 2000 8,1 2,8
Vanaf 2000 2011, Vanaf 2000 8 2,9
Vanaf 2000 2012, Vanaf 2000 9,1 3,2
Vanaf 2000 2013, Vanaf 2000 9,9 3,5
Vanaf 2000 2014, Vanaf 2000 9,7 3,5
Vanaf 2000 2015, Vanaf 2000 9,2 3,7
Vanaf 2000 2016, Vanaf 2000 8,5 3,6
Vanaf 2000 2017, Vanaf 2000 8,1 3,4
Vanaf 2000 2018, Vanaf 2000 7,9 3,3
Vanaf 2000 2019, Vanaf 2000 7,4 3,2
Vanaf 2000 2020, Vanaf 2000 6,8 3,1
Vanaf 2000 2021, Vanaf 2000 6,1 2,8
Vanaf 2000 2022*, Vanaf 2000 5,2 2,2

Armoederisico minderjarigen in 45 jaar sterk verminderd

In de vorige eeuw fluctueerde het percentage minderjarige kinderen dat deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens rond de 17 procent. Uitzondering hierop was het crisisjaar 1985 toen bijna 3 op de 10 kinderen, oftewel bijna 1 miljoen kinderen, een armoederisico hadden. Ook in 1989, toen de economie weer aan de beterende hand was, lag het percentage met bijna 19 procent nog bovengemiddeld hoog. In de jaren negentig stabiliseerde het risico en begon aan het einde van dit decennium mede door de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen duidelijk te dalen. Deze daling zette, weliswaar kort onderbroken door de economisch mindere jaren 2003–2005, ook in het nieuwe millennium verder door. In de beginjaren van de vorige economische crisis stagneerde het armoederisico om vervolgens in 2012 en 2013 te stijgen naar bijna 10 procent, de tot nog toe hoogste piek in het nieuwe millennium. Met de daaropvolgende aantrekkende economie daalde het risicopercentage voortdurend en kwam met 5,2 procent in 2022 ruim 12 procentpunt lager uit dan in de meeste jaren van de vorige eeuw. Het percentage minderjarige kinderen dat is blootgesteld aan een langdurig armoederisico lag in de jaren negentig van de vorige eeuw merendeels rond de 7,5 procent en was daarmee ruim 3 keer zo groot als in 2022.

Herkomst sterk onderscheidend in armoederisico

Het geboorteland van de kinderen en het geboorteland van de ouders spelen een rol in de hoogte van het armoederisico. Van de kinderen die in Nederland zijn geboren en van wie de ouders ook in Nederland zijn geboren liep 2,5 procent in 2022 risico op armoede. In Nederland geboren kinderen met één of beide ouders geboren in het buitenland, oftewel de tweede generatie kinderen, liepen aanmerkelijk meer risico (10,8 procent). Onder kinderen die zelf in het buitenland zijn geboren, was het armoederisico verreweg het grootst (18,9 procent). Daarnaast maakt het verschil of de wieg van kind of ouders binnen of buiten Europa heeft gestaan. Een Europese herkomst betekent doorgaans een lager armoederisico dan een herkomst van buiten Europa. Kinderen van de tweede generatie met een Europese herkomst liepen daarbij dan weer minder risico dan kinderen geïmmigreerd uit een Europees land (5,0 tegen 7,8 procent). Met een buiten-Europese herkomst liep de tweede generatie kinderen de helft minder risico dan de groep geïmmigreerde kinderen.

Wordt er gekeken naar minderjarige kinderen uit een gezin met ten minste vier jaar een inkomen onder de lage-inkomensgrens, dan is bij de onderscheiden herkomstgroepen een vrijwel vergelijkbaar patroon zichtbaar als bij risico’s van ten minste één jaar. Wel liggen de niveaus van het langdurige armoederisico lager. Vergeleken met het voorgaande jaar zijn in 2022 voor alle herkomstgroepen de risico’s op zowel armoede als langdurige armoede gedaald.

6.1.2 Armoederisico kinderen tot 18 jaar naar herkomst (%)
Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander Europees land Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land Geboren in buitenland, binnen Europa Geboren in buitenland, buiten Europa
2021 Laag inkomen, 2021 3 5,6 14,9 8,2 28,7
2021 Langdurig laag inkomen, 2021 1 2,1 8,5 3,1 21
2022* Laag inkomen, 2022* 2,5 5 12,9 7,8 24,9
2022* Langdurig laag inkomen, 2022* 0,8 1,6 6,9 2,5 16

Armoederisico kinderen verschilt sterk per herkomstland

Detaillering naar de afzonderlijke herkomstlanden laat een brede waaier aan armoederisico’s zien waarbij hoge armoederisico’s zijn voorbehouden aan geïmmigreerde en tweede generatie kinderen uit de vluchtelingenlanden Syrië, Iran, Irak, Afghanistan, Somalië en Eritrea. Bij kinderen met een Iraanse, Irakese of Afghaanse herkomst waren de risico’s van de tweede generatie substantieel lager dan bij de kinderen die in deze landen geboren zijn. Bij kinderen met een Syrische of Eritrese herkomst maakt het niet zo veel uit of het kind in het vluchtelingenland zelf is geboren of in Nederland. De armoederisico’s van beide groepen kinderen waren in 2022 hoog. De leeftijd en het onderwijsniveau van de hoofdkostwinner in het huishouden speelden hierbij overigens nauwelijks een rol.

Het armoederisico van kinderen met een Syrische herkomst was het grootst, van hen leefde bijna de helft in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Bij kinderen met een Syrische, Somalische en Eritrese herkomst had de tweede generatie opmerkelijk genoeg een hoger armoederisico dan de in deze landen geboren kinderen. Het is gissen naar de reden hiervan. De huishoudens van de kinderen uit alle genoemde vluchtelingenlanden waren relatief vaak afhankelijk van een bijstandsuitkering en leefden daardoor vaak onder de lage-inkomensgrens (zie ook hoofdstuk 2).

Omvang groepen kinderen met een buitenlandse herkomst in de doelpopulatie

Behalve de hoogte van het risicopercentage zijn ook de onderliggende aantallen bepalend voor de bijdrage van elke herkomst aan de algehele kinderarmoedeproblematiek in Nederland. De aantallen kinderen met als herkomst een vluchtelingenland zijn mede door een sterke stijging in recente jaren substantieel. Zo kwam in 2022 het totale aantal geïmmigreerde en tweede generatie kinderen van de vluchtelingenlanden Syrië, Iran, Irak, Afghanistan, Somalië en Eritrea uit op 108 duizend. Dat komt overeen met een zesde deel van alle geïmmigreerde en tweede generatie kinderen van buiten Europa. De kinderen van Syrische herkomst vormden met 42 duizend de grootste groep. De groepen uit de andere vluchtelingenlanden waren kleiner. Zo bedroegen de totale aantallen minderjarige kinderen met een Iraanse en Eritrese herkomst respectievelijk 9 en 11 duizend.

Migranten en de tweede generatie met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Nederlands-Caribische of Indonesische herkomst vormen in Nederland van oudsher de grootste groepen met een niet-Europese herkomst (zie ook hoofdstuk 2). Het aantal minderjarige kinderen met deze herkomst en dan met name het aantal van de tweede generatie, is dan ook relatief groot. In 2022 kwam het aantal geïmmigreerde en tweede generatie kinderen uit op 298 duizend, waarvan 110 duizend Nederlands-Marokkaanse kinderen, 76 duizend Nederlands-Turkse kinderen, 47 duizend Nederlands-Surinaamse kinderen, en 33 duizend Nederlands-Caribische kinderen en 12 duizend Nederlands-Indonesische kinderen.

Aantal minderjarige kinderen naar herkomstland, 2022*
Geboren in Nederland, één of beide ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland
x 1 000
Europa 178 62
België 15 10
Duitsland 30 6
Verenigd Koninkrijk 13 6
Polen 33 10
Bulgarije 5 3
Roemenië 6 2
Oekraïne 4 1
Overig Europa 73 24
Buiten Europa 516 114
Indonesië 12 1
Turkije 76 7
Marokko 110 3
Suriname 47 2
Nederlandse Cariben 33 6
Syrië 15 27
Irak 15 3
Iran 8 1
Afghanistan 13 2
Somalië 12 2
Eritrea 3 7
Overig buiten Europa 172 53

Van de tweede generatie kinderen maakten de Nederlands-Marokkaanse het vaakst deel uit van een gezin met een laag inkomen. Van hen liep bijna 16 procent in 2022 risico op armoede. Van de Nederlands-Turkse kinderen en van de Nederlands-Caribische kinderen liep 1 op de 10 een armoederisico, bij de Nederlands-Surinaamse kinderen was dat met 1 op de 20 aanmerkelijk minder. De uit Marokko en Turkije geïmmigreerde kinderen hadden fors hogere armoederisico’s (respectievelijk 41,9 en 31,8 procent).

Zoals vermeld liepen kinderen met een Europese herkomst en dan zeker de kinderen van de tweede generatie in de meeste gevallen een lager armoederisico dan kinderen met een niet-Europese herkomst. De kinderen met een Bulgaarse herkomst vormden hierop een uitzondering. Het risicopercentage van de in Bulgarije geboren kinderen kwam in 2022 uit op 15,6 procent en van de Nederlands-Bulgaarse kinderen op 14,2 procent. Wel gaat het hier om relatief kleine groepen (zie kader). Onder kinderen met een Oekraïense herkomst was het armoederisico relatief laag. Het armoederisico van de in de Oekraïne geboren kinderen bedroeg 4,8 procent en van de Nederlands-Oekraïense kinderen 4,1 procent. Ook hier gaat het om relatief kleine groepen. Wel moet worden bedacht dat de kinderen van Oekraïense vluchtelingen nog niet in deze cijfers zijn opgenomen. De jaargegevens van inkomen over 2022 hebben betrekking op de bevolking op 1 januari 2022, de Russische invasie met de hierdoor ontketende vluchtelingenstroom speelde pas twee maanden later.

6.1.3 Armoederisico naar herkomstland, 2022* (% minderjarige kinderen)
Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland
Europa 5 7,8 2,5
Oekraïne 4,1 4,8 .
Verenigd Koninkrijk 2,9 5,2 .
Roemenië 6,2 6 .
Polen 5,4 6,5 .
België 3,7 7,5 .
Duitsland 3,3 7,7 .
Bulgarije 14,2 15,6 .
Overig Europa 5,4 8,5 .
Buiten-Europa 12,9 24,9 .
Suriname 5,4 8,6 .
Nederlandse Cariben 9,9 12 .
Indonesië 3,2 13,4 .
Somalië 36,4 22,2 .
Turkije 9,8 31,8 .
Iran 11 32,7 .
Eritrea 40,7 33,2 .
Irak 23,9 37,6 .
Afghanistan 21,5 40,4 .
Marokko 15,8 41,9 .
Syrië 47,7 46,4 .
Overig buiten-Europa 9,1 12 .
6.1.4 Langdurig armoederisico naar herkomstland, 2022* (% minderjarige kinderen)
Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland
Europa 1,6 2,5 0,8
Oekraïne 1,2 1,1 .
Polen 1,4 1,3 .
Verenigd Koninkrijk 0,8 1,5 .
Roemenië 2,3 1,5 .
Duitsland 1,1 2,4 .
Bulgarije 4,7 2,7 .
België 1,2 2,9 .
Overig Europa 1,9 3,2 .
Buiten-Europa 6,9 16 .
Suriname 1,8 2,2 .
Indonesië 1,1 2,7 .
Nederlandse Cariben 4,5 4,1 .
Somalië 25,8 13,8 .
Turkije 4 14,9 .
Iran 4,9 16,8 .
Afghanistan 11 20,6 .
Marokko 8,7 21,6 .
Irak 14,8 23,4 .
Eritrea 27,6 28,2 .
Syrië 37,5 33,8 .
Overig buiten-Europa 4,3 5,6 .

Onderwijsniveau en leeftijd ouder spelen rol in verhoogd armoederisico geïmmigreerde kinderen

De Nederlandse samenleving wordt steeds diverser in cultuur, religie en leefgewoonten. Deze verschillen spelen een rol in de hoogte van het armoederisico, daarnaast houdt het armoederisico veelal ook verband met het onderwijsniveau en leeftijd van de betrokken personen. Bij minderjarige kinderen ligt differentiatie naar leeftijd en onderwijsniveau niet voor de hand. Leeftijd niet omdat deze een vrijwel constant gegeven is, de minderjarigen zijn immers allen per definitie jong. Onderwijsniveau ook niet omdat de jongste kinderen nog helemaal geen onderwijs volgen en de oudere kinderen merendeels nog onderwijsvolgend zijn. Informatiever is om aanvullend te onderzoeken of en in hoeverre verschillen in onderwijsniveau en in leeftijd van de hoofdkostwinner een rol spelen in de hoogte van het armoederisico van de kinderen. Deze analyses zijn uitgevoerd. De uitkomsten laten zien dat de armoederisico’s, zowel ten minste eenjarig als langdurig, dan weliswaar kleiner worden maar dat volgens een vrijwel vergelijkbaar patroon als in de gepresenteerde figuren sprake is van aanzienlijk hogere risico’s van de onderscheiden groepen geïmmigreerde kinderen en kinderen van de tweede generatie.

Bijna 7 op de 10 kinderen met langdurig armoederisico hebben een niet-Europese herkomst

Met de instroom van migranten in de afgelopen decennia steeg het aantal kinderen met een buitenlandse herkomst. In de populatie waarvan het armoederisico gemeten wordt (zie hoofdstuk 2) steeg het aantal minderjarige kinderen met een Europese herkomst van 180 duizend in 2011 naar 240 duizend in 2022. Het aantal kinderen met een niet-Europese herkomst steeg van 600 duizend naar 630 duizend. Tegelijkertijd daalde in deze periode het aantal kinderen met een Nederlandse herkomst met 300 duizend (van 2,59 miljoen naar 2,29 miljoen). De toenemende instroom in combinatie met het hoge armoederisico van minderjarige kinderen met een niet-Europese herkomst leidde tot een steeds groter aandeel van deze groep in de totale populatie minderjarige kinderen met een armoederisico. Van elke 100 minderjarige kinderen met armoederisico in 2011 hadden er 7 een Europese en 48 een niet-Europese herkomst. In 2022 hadden 8 een Europese en 57 een niet-Europese herkomst.

Bij de groep minderjarige kinderen met een langdurig armoederisico was de ontwikkeling vergelijkbaar. Van elke 100 minderjarige kinderen met een langdurig armoederisico in 2011 hadden er 6 een Europese en 61 een niet-Europese herkomst, in 2022 waren dat er 6 en 68.

6.1.5 Herkomst van minderjarige kinderen met armoederisico (%)
Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander Europees land Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land Geboren in buitenland, binnen Europa Geboren in buitenland, buiten Europa
2011 44,8 4,8 41,9 2,2 6,3
2012 44,4 5 42 2,3 6,3
2013 44,7 5,1 42 2,4 5,7
2014 44,3 5,2 42,1 2,5 5,9
2015 43,4 5,2 42,2 2,5 6,7
2016 40,9 5,2 42,1 2,5 9,3
2017 38,6 5,1 41,8 2,4 12,1
2018 37,3 5 40,6 2,4 14,7
2019 36,3 4,9 40,3 2,4 15,9
2020 35,9 5 39,8 2,5 16,8
2021 36,1 5,1 40,2 2,6 16
2022* 34,2 5,4 40,3 2,9 17,2
6.1.6 Herkomst van minderjarige kinderen met langdurig armoederisico (%)
Geboren in Nederland, beide ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander Europees land Geboren in Nederland, één of twee ouders geboren in ander niet-Europees land Geboren in buitenland, binnen Europa Geboren in buitenland, buiten Europa
2011 32,7 4,5 54,9 1,5 6,3
2012 33,2 4,6 54,4 1,6 6,3
2013 33,2 4,7 54 1,6 6,6
2014 32,6 4,7 54,7 1,5 6,6
2015 31,8 4,7 55 1,5 7,1
2016 32 4,7 54,8 1,5 7
2017 32,1 4,7 54,7 1,6 6,9
2018 31,6 4,6 54 1,6 8,2
2019 29,9 4,5 52 1,5 12,1
2020 27,6 3,9 49,4 1,5 17,6
2021 27,8 4 48,2 1,6 18,3
2022* 26,3 4,1 49,3 1,7 18,6

Kinderen uit eenoudergezinnen lopen veel risico

Ruim 57 duizend kinderen uit een eenoudergezin met alleen minderjarige kinderen en 105 duizend kinderen uit een tweeoudergezin met alleen minderjarige kinderen hadden met risico op armoede te maken in 2022. Dat kwam neer op 11,9 procent van de minderjarige kinderen uit een eenoudergezin, tegen 4,0 procent van de minderjarige kinderen uit een tweeoudergezin. De percentages zijn fors lager dan in 2014 toen in een eenoudergezin bijna een derde en in een tweeoudergezin ruim een tiende van de minderjarige kinderen werden geconfronteerd met een armoederisico. In eenoudergezinnen heeft doorgaans alleen de ouder een inkomen. Betrekkelijk vaak moeten deze gezinnen van een bijstandsuitkering rondkomen. Het risico op armoede is voor kinderen in een eenoudergezin kleiner naarmate ze ouder zijn. De mogelijkheden om te werken zijn dan voor de alleenstaande ouder ruimer. Het aandeel minderjarige kinderen in eenoudergezinnen met een langdurig armoederisico kwam in 2022 uit op 4,6 procent, in tweeoudergezinnen op 1,8 procent.

6.1.7 (Langdurig) armoederisico naar huishoudenstype (% minderjarige kinderen)
2011 2014 2021 2022*
Eenoudergezin Armoederisico, Eenoudergezin 22,8 32,6 16,6 11,7
Eenoudergezin Langdurig armoederisico, Eenoudergezin 10,5 11,1 6,8 4,6
Tweeoudergezin Armoederisico, Tweeoudergezin 5,5 6,4 4,1 4
Tweeoudergezin Langdurig armoederisico, Tweeoudergezin 2,1 2,5 2,1 1,8

Meer risicokinderen bij gezinnen van zelfstandigen

Huishoudens en personen die hun inkomen voornamelijk uit werk betrekken zijn niet altijd gevrijwaard van een laag inkomen (zie paragraaf 2.2 en hoofdstuk 4). De kinderen die in deze huishoudens leven, delen noodzakelijkerwijs in de armoedeproblematiek van hun ouder(s) of verzorger(s). In 2022 was dat voor ruim 64 duizend minderjarige kinderen het geval. Dat komt overeen met 39 procent van alle minderjarige kinderen met een armoederisico in dat jaar. Dat is meer dan in 2021. Toen liepen 60 duizend minderjarige kinderen met werkende ouder(s) een armoederisico, oftewel 31 procent van alle kinderen met risico.

De toename van risicokinderen uit werkende gezinnen druist in tegen de algehele dalende trend van zowel het totale aantal als het percentage risicokinderen gedurende de periode 2014 tot en met 2022. Detaillering laat zien dat de stijging in 2022 alleen van toepassing was op kinderen van huishoudens met vooral inkomen uit een zelfstandige onderneming, zowel met als zonder personeel (zmp’ers en zzp’ers). In de risicohuishoudens van zmp’ers leefden in 2022 ruim 5 duizend minderjarige kinderen tegen krap 4 duizend in 2021. In de risicohuishoudens van zzp’ers waren dat er 24 duizend in 2022 tegen 17 duizend in 2021.

Bij de in omvang aanmerkelijk grotere groep huishoudens met vooral inkomen als werknemer en de huishoudens met vooral een overdrachtsinkomen – merendeels een bijstandsuitkering – was er juist sprake van een daling van het aantal minderjarige risicokinderen. Bij de werknemershuishoudens daalde het aantal risicokinderen van bijna 39 duizend in 2021 naar ruim 35 duizend in 2022. Bij de huishoudens met een overdrachtsinkomen was dat van bijna 133 duizend naar iets meer dan 100 duizend. De sterke daling bij de overdrachtsinkomens houdt verband met de energietoeslagen die in 2022 aan de beleidsmatige minima zijn uitgekeerd. In aantal daalde, maar procentueel gezien steeg het aandeel risicokinderen uit werknemersgezinnen. Deze schijnbare tegenstrijdigheid komt voort uit de veel sterkere daling bij de overdrachtsinkomens.

6.1.8 Minderjarige kinderen in huishoudens met een laag inkomen (%)
Vooral werknemersinkomen Vooral zmp-inkomen Vooral zzp-inkomen Vooral overdrachtsinkomen
2011 27,5 5,7 11,7 55,1
2014 25,2 3,7 10,7 60,4
2019 22,4 2,3 9,1 66,3
2021 20,1 2 8,9 69
2022* 21,5 3,1 14,5 60,8

Op de minderjarige kinderen met een langdurig laag inkomen is voor de naar inkomensbron onderscheiden groepen een vergelijkbare omslag van 2021 naar 2022 van toepassing. Van de 67 duizend minderjarige kinderen met een langdurig laag inkomen in 2022 leefde 16,5 procent in een werknemershuishouden, 1,1 procent in een zmp-huishouden, 6,8 procent in een zzp-huishouden en 75,5 procent in een huishouden met een overdrachtsinkomen.

Relatief veel Rotterdamse en Heerlense kinderen in armoede

In Rotterdam leefden in 2022 naar verhouding de meeste minderjarige kinderen in een gezin met een laag inkomen: 10,5 procent. Dat is 2 keer zoveel als gemiddeld in Nederland (5,2 procent). Heerlen (10,3 procent), Amsterdam (9,5 procent), Den Haag (9,4 procent) en Kerkrade (8,9 procent) completeerden de top vijf van steden met relatief de meeste kinderen met armoederisico. In de gemeente Rozendaal in Gelderland was het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van een laag-inkomensgezin met 0,7 procent verreweg het kleinst. Rotterdam sprong er met 7,9 procent ook bovenuit bij het risico op langdurige armoede van minderjarige kinderen. Dat is ruim boven het landelijk gemiddelde (2,2 procent). Den Haag, Heerlen, Amsterdam en Kerkrade volgden met respectievelijk 7,5, 6,5, 6,4 en 5,6 procent.

6.1.9 Minderjarige kinderen met armoederisico, 2022*
Percentage met laag inkomen
Groningen 5,8
Almere 5,6
Stadskanaal 6,2
Veendam 5,6
Zeewolde 4,8
Achtkarspelen 4,5
Ameland 0,8
Harlingen 6
Heerenveen 4,8
Leeuwarden 6,1
Ooststellingwerf 5,4
Opsterland 4
Schiermonnikoog 9,2
Smallingerland 5,2
Terschelling 2,4
Vlieland 8,1
Weststellingwerf 4,6
Assen 5,4
Coevorden 5,6
Emmen 6
Hoogeveen 4,7
Meppel 4
Almelo 6
Borne 2,7
Dalfsen 3
Deventer 4,9
Enschede 7,5
Haaksbergen 3,5
Hardenberg 3,1
Hellendoorn 2,7
Hengelo 4,7
Kampen 2,9
Losser 4,5
Noordoostpolder 4,5
Oldenzaal 3,9
Ommen 3,6
Raalte 3,9
Staphorst 2,4
Tubbergen 2,7
Urk 3,3
Wierden 2,4
Zwolle 4,3
Aalten 2,4
Apeldoorn 4,6
Arnhem 6,3
Barneveld 2,4
Beuningen 3,8
Brummen 3
Buren 3,7
Culemborg 4,5
Doesburg 6,9
Doetinchem 4,7
Druten 4
Duiven 3,4
Ede 3,5
Elburg 4
Epe 4,2
Ermelo 3,7
Harderwijk 4,1
Hattem 2,6
Heerde 3,7
Heumen 3,7
Lochem 3,6
Maasdriel 4
Nijkerk 2,8
Nijmegen 6,1
Oldebroek 2,7
Putten 3,5
Renkum 4
Rheden 5,9
Rozendaal 0,7
Scherpenzeel 2,8
Tiel 6,3
Voorst 2,4
Wageningen 4,4
Westervoort 4,2
Winterswijk 4,3
Wijchen 4
Zaltbommel 4
Zevenaar 4,5
Zutphen 5,3
Nunspeet 3,3
Dronten 4,4
Amersfoort 4,3
Baarn 4,4
De Bilt 4,4
Bunnik 2,3
Bunschoten 2,7
Eemnes 3,9
Houten 2,4
Leusden 2,9
Lopik 4
Montfoort 2,9
Renswoude 3,3
Rhenen 3,5
Soest 4,6
Utrecht 6,2
Veenendaal 4,1
Woudenberg 2,7
Wijk bij Duurstede 3,3
IJsselstein 3,9
Zeist 6
Nieuwegein 5,4
Aalsmeer 3,1
Alkmaar 5
Amstelveen 3,9
Amsterdam 9,5
Bergen (NH.) 4,4
Beverwijk 6,8
Blaricum 4,5
Bloemendaal 3
Castricum 3,1
Diemen 4,9
Edam-Volendam 3,3
Enkhuizen 4,4
Haarlem 5,6
Haarlemmermeer 3,9
Heemskerk 6
Heemstede 2,7
Heiloo 2,6
Den Helder 5,7
Hilversum 5,1
Hoorn 5,1
Huizen 5,5
Landsmeer 4,1
Laren 5,2
Medemblik 3,5
Oostzaan 3,7
Opmeer 3
Ouder-Amstel 4
Purmerend 4,6
Schagen 2,8
Texel 5,6
Uitgeest 4,4
Uithoorn 4,7
Velsen 5,9
Zandvoort 7,3
Zaanstad 6,2
Alblasserdam 3,5
Alphen aan den Rijn 3,5
Barendrecht 3
Drechterland 3,2
Capelle aan den IJssel 6,9
Delft 7,5
Dordrecht 6,1
Gorinchem 5,4
Gouda 5,1
's-Gravenhage 9,4
Hardinxveld-Giessendam 3
Hendrik-Ido-Ambacht 2,8
Stede Broec 3,7
Hillegom 3,6
Katwijk 2,8
Krimpen aan den IJssel 4,6
Leiden 6,6
Leiderdorp 4,3
Lisse 2,2
Maassluis 7,2
Nieuwkoop 2,5
Noordwijk 3,5
Oegstgeest 2,7
Oudewater 4,5
Papendrecht 5,2
Ridderkerk 5,6
Rotterdam 10,5
Rijswijk 7,2
Schiedam 7,7
Sliedrecht 5
Albrandswaard 4,1
Vlaardingen 8,6
Voorschoten 3,4
Waddinxveen 3
Wassenaar 5,7
Woerden 3,4
Zoetermeer 5,8
Zoeterwoude 2,2
Zwijndrecht 7,8
Borsele 2,8
Goes 4,6
West Maas en Waal 3,8
Hulst 4,2
Kapelle 2,4
Middelburg 4,8
Reimerswaal 3,3
Terneuzen 4,7
Tholen 3,3
Veere 2,9
Vlissingen 6,5
De Ronde Venen 3,9
Tytsjerksteradiel 2,9
Asten 3,2
Baarle-Nassau 3,1
Bergen op Zoom 8
Best 3,1
Boekel 2,4
Boxtel 4,1
Breda 5,3
Deurne 3,4
Pekela 8,5
Dongen 3
Eersel 2,8
Eindhoven 6,2
Etten-Leur 4,7
Geertruidenberg 4,9
Gilze en Rijen 4
Goirle 2,6
Helmond 5,8
's-Hertogenbosch 4,8
Heusden 3,3
Hilvarenbeek 3,1
Loon op Zand 3,4
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 3,7
Oirschot 2,9
Oisterwijk 2,9
Oosterhout 4,9
Oss 4
Rucphen 4,1
Sint-Michielsgestel 2,5
Someren 3,8
Son en Breugel 2,4
Steenbergen 5,4
Waterland 4,1
Tilburg 6,5
Valkenswaard 4,1
Veldhoven 3,1
Vught 3
Waalre 3,3
Waalwijk 4,1
Woensdrecht 3,9
Zundert 4,8
Wormerland 4,7
Landgraaf 6,7
Beek 5,6
Beesel 4,8
Bergen (L.) 4,2
Brunssum 4,9
Gennep 4,8
Heerlen 10,3
Kerkrade 8,9
Maastricht 7,8
Meerssen 2,5
Mook en Middelaar 2,6
Nederweert 2,7
Roermond 6,5
Simpelveld 3,9
Stein 4,6
Vaals 6,4
Venlo 6,3
Venray 4,4
Voerendaal 4,4
Weert 5
Valkenburg aan de Geul 5,1
Lelystad 7
Horst aan de Maas 2,7
Oude IJsselstreek 5
Teylingen 2,7
Utrechtse Heuvelrug 3,6
Oost Gelre 2,1
Koggenland 2,7
Lansingerland 3
Leudal 2,8
Maasgouw 2,8
Gemert-Bakel 4,2
Halderberge 5,7
Heeze-Leende 3
Laarbeek 3,4
Reusel-De Mierden 3,3
Roerdalen 4,6
Roosendaal 6,3
Schouwen-Duiveland 3,6
Aa en Hunze 3,4
Borger-Odoorn 3,5
De Wolden 4
Noord-Beveland 2,6
Wijdemeren 3,5
Noordenveld 3,9
Twenterand 3,2
Westerveld 4,7
Lingewaard 3,3
Cranendonck 3,3
Steenwijkerland 4,2
Moerdijk 4,1
Echt-Susteren 5,5
Sluis 3,9
Drimmelen 2,8
Bernheze 2,8
Alphen-Chaam 3,8
Bergeijk 3
Bladel 3
Gulpen-Wittem 3,6
Tynaarlo 2,6
Midden-Drenthe 3,7
Overbetuwe 3,1
Hof van Twente 3,6
Neder-Betuwe 2,4
Rijssen-Holten 2,4
Geldrop-Mierlo 3,5
Olst-Wijhe 3,4
Dinkelland 2,2
Westland 3,5
Midden-Delfland 3,2
Berkelland 3,1
Bronckhorst 2,9
Sittard-Geleen 6,5
Kaag en Braassem 3,5
Dantumadiel 4,4
Zuidplas 3,3
Peel en Maas 2,9
Oldambt 7,5
Zwartewaterland 2,2
S�dwest-Frysl�n 4,7
Bodegraven-Reeuwijk 2,9
Eijsden-Margraten 2,9
Stichtse Vecht 3,7
Hollands Kroon 4,1
Leidschendam-Voorburg 5,5
Goeree-Overflakkee 3,9
Pijnacker-Nootdorp 2,6
Nissewaard 6,1
Krimpenerwaard 3,9
De Fryske Marren 3,8
Gooise Meren 3,5
Berg en Dal 4,5
Meierijstad 3,4
Waadhoeke 4,2
Westerwolde 7
Midden-Groningen 6,4
Beekdaelen 4,3
Montferland 4,4
Altena 3
West Betuwe 2,7
Vijfheerenlanden 4,4
Hoeksche Waard 2,9
Het Hogeland 4,8
Westerkwartier 3,5
Noardeast-Frysl�n 5,3
Molenlanden 2,2
Eemsdelta 7,4
Dijk en Waard 3,9
Land van Cuijk 3,6
Maashorst 3,5
Voorne aan Zee 5,1

6.2Materiële en sociale situatie

Risicogezinnen wonen vooral in sociale huurwoning…

Het merendeel van de huishoudens met kinderen tot 18 jaar en een laag inkomen woont in een sociale huurwoning. In 2021 gold dit voor 76 procent gezinnen met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, en voor 90 procent gezinnen die al ten minste vier jaar van een laag inkomen moeten rondkomen. Bij gezinnen met kinderen tot 18 jaar en een inkomen boven de lage-inkomensgrens was het percentage in een sociale huurwoning met 18 procent een stuk lager. Zij hebben meestal een eigen woning: 75 procent in 2021. Bij de gezinnen met armoederisico was dat 12 procent. Was er een langdurig armoederisico, dan had 4 procent van de gezinnen een koopwoning.

…vaak in een appartement

Gezinnen met kinderen tot 18 jaar en een (langdurig) armoederisico wonen substantieel vaker in een appartement dan gezinnen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. In 2021 leefde 43 procent van de risicogezinnen in een appartement. Als het lage inkomen al minstens vier jaar aanhield, was dat 46 procent. Bij de gezinnen met een hoger inkomen woonde 15 procent in een appartement. Ruim een kwart van de hogere inkomens woonde in een vrijstaande of twee-onder-een-kap woning. Bij gezinnen met (langdurig) armoederisico was dat percentage beduidend kleiner.

…en op minder dan 75 m2 woonoppervlak

De woningen van gezinnen met kinderen tot 18 jaar en een (langdurig) armoederisico zijn veelal kleiner dan de woningen van gezinnen met een hoger inkomen. Ruim een vijfde van de gezinnen met een (langdurig) armoederisico was in 2021 gehuisvest in een woning van minder dan 75 vierkante meter. Onder kinderen zonder armoederisico bleef een dergelijk krappe behuizing beperkt tot 7 procent. Een woning van meer dan 150 vierkante kwam het meeste voor bij gezinnen zonder armoederisico: 29 procent. Dat percentage was ruim 4 keer zo klein bij gezinnen met armoederisico, en bijna 11 keer zo klein bij gezinnen met langdurig armoederisico.

6.2.1 Woonsituatie gezinnen met minderjarige kinderen, 2021 (% gezinnen)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven Lage-inkomensgrens
Type woning Vrijstaand, Type woning 4 1,7 15,3
Type woning Twee-onder-een-kap, Type woning 3,8 2,8 11,8
Type woning Hoekwoning, Type woning 13,7 13,6 16,7
Type woning Tussenwoning, Type woning 35,8 36,4 40,9
Type woning Appartement, Type woning 42,7 45,6 15,4
Woonoppervlak Tot 75 m2, Woonoppervlak 21,6 23 6,5
Woonoppervlak 75 tot 150 m2, Woonoppervlak 71,8 74,2 64,8
Woonoppervlak 150 m2 of meer, Woonoppervlak 6,6 2,7 28,7

Meeste risicogezinnen met minderjarige kinderen niet op vakantie

Gezinnen met een laag inkomen hebben dikwijls te maken met financiële beperkingen. Zo zei 66 procent van de risicogezinnen met minderjarige kinderen niet jaarlijks een week op vakantie te kunnen met het hele gezin. Onder gezinnen met een hoger inkomen was dat 7 procent. Van de lage-inkomensgezinnen gaf 8 procent aan onvoldoende geld te hebben voor een warme maaltijd met vlees, kip of vis om de dag. Bij de gezinnen met een hoger inkomen was dit 1 procent. Van de lage-inkomensgezinnen maakte ruim 20 procent gewag van onvoldoende geld om het huis deugdelijk te verwarmen. Bijna 45 procent had onvoldoende financiële middelen om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Verder had een kwart van de lage-inkomensgezinnen vanwege onvoldoende financiële middelen geen auto en moest 2 procent het om deze reden zonder een pc, laptop of tablet doen. Bij gezinnen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens was hiervan nauwelijks sprake.

6.2.2 Financiële beperkingen in gezinnen met minderjarige kinderen, 2022 (% gezinnen)
2022 Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Onvoldoende
geld in het
huishouden voor:
. .
Het jaarlijks een week
op vakantie gaan
66 7
Het regelmatig kopen
van nieuwe kleren
44 7
Een auto 26 1
Het goed verwarmen
van het huis
21 3
Een warme
maaltijd met
vlees, kip of vis
om de dag
8 1
Een pc, laptop of tablet 2 1

In 1 op de 10 lage-inkomensgezinnen vieren kinderen hun verjaardag niet

Weinig financiële middelen werkt sociale uitsluiting in de hand, doordat er bijvoorbeeld te weinig of geen geld is voor uitjes of andere activiteiten buiten de deur. In 2021 gaf 28 procent van de lage-inkomensgezinnen met kinderen tot 16 jaar aan dat dit om financiële redenen niet mogelijk is voor al deze kinderen in het gezin. Ruim 10 procent gaf aan dat hun kinderen geen vriendjes of vriendinnetjes uit konden nodigen om te komen spelen en te blijven eten, omdat er te weinig geld voor was. Een even grote groep zei dat de verjaardag vieren van de kinderen daarom niet mogelijk was. Voor ruim 7 procent was het financieel niet mogelijk om de kinderen mee te laten doen met activiteiten op school waarvoor een eigen bijdrage betaald moest worden, zoals schoolreisjes.

Financiële krapte kan er ook toe leiden dat kinderen in lage-inkomensgezinnen het zonder speelgoed of leesboeken moeten doen. In bijna 12 procent van deze gezinnen beschikte niet ieder kind, om financiële redenen, over binnenspeelgoed dat geschikt was voor zijn of haar leeftijd. Bij ongeveer 7 procent van deze gezinnen was er te weinig geld voor buitenspeelgoed voor ieder kind. En evenveel gezinnen zeiden dat er te weinig geld was voor geschikte leesboeken. Gezinnen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens kenden dergelijke financiële beperkingen nauwelijks.

6.2.3 Sociale beperkingen in gezinnen met kinderen tot 16 jaar, 2021 (% gezinnen)
Laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Onvoldoende geld
in het huishouden voor:
. .
Regelmatig uitjes of activiteiten
buiten de deur die geld kosten
28,0 1,7
Spellen of ander speelgoed voor
binnen dat geschikt is voor hun leeftijd
11,6 0,1
Vriendjes of vriendinnetjes
uitnodigen om te blijven eten
10,5 0,4
Verjaardag vieren 10,1 0,4
Meedoen met activiteiten op school
waarvoor een eigen bijdrage
betaald moet worden
7,3 0,4
Buitenspeelgoed dat geschikt is
voor hun leeftijd
7,2 0,4
Boeken in huis die geschikt zijn
voor hun leeftijd
6,7 0,1

6.3Gezondheid en crimineel gedrag

Kinderen uit laag-inkomensgezin relatief vaak ongezond

Kinderen tot 18 jaar uit gezinnen met een (langdurig) laag inkomen hebben een minder goede gezondheid dan kinderen uit huishoudens met een inkomen boven de lage-inkomensgrens. Zo had 9 procent van de kinderen met armoederisico een minder goede gezondheid, en 10 procent van de kinderen met langdurig armoederisico. Bij kinderen zonder armoederisico was dat 5 procent. Daarnaast komt onder kinderen van 4 tot 18 jaar met een risico op armoede een beperking (zie paragraaf 5.3) meer voor: 13 procent tegen 8 procent onder kinderen zonder armoederisico. Onder kinderen uit een gezin met een langdurig armoederisico had 15 procent een beperking.noot1

6.3.1 Gezondheid van kinderen tot 18 jaar, 2020/2022 (% kinderen)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Minder goede gezondheid 8,7 9,9 4,5
Beperkingen (4 tot 18 jaar) 13 15 7,9

Meestal ongezondere leefstijl bij kinderen met armoederisico

Niet alleen de gezondheid van kinderen uit een laag-inkomensgezin is minder goed. Ook komen ongezondere leefgewoontennoot2 onder hen meer voor dan onder kinderen zonder armoederisico. Dat geldt bijvoorbeeld voor overgewicht en obesitas. Het percentage kinderen van 4 tot 18 jaar met overgewicht (zie paragraaf 5.3) was ongeveer 2 keer zo hoog in de (langdurig) lage-inkomensgroep als in de groep kinderen met een hoger inkomen. Voor obesitas (de geslacht- en leeftijdsspecifieke waarden voor kinderen corresponderen met een BMI-waarde van 30,0 kg/m2 voor volwassenen) was het verschil nog groter. Vergeleken met kinderen zonder armoederisico kwam obesitas bij kinderen met armoederisico 4 keer zo vaak voor. Met een langdurig armoederisico was dat 3 keer zo vaak.

Kinderen met (langdurig) armoederisico worden meer blootgesteld aan tabaksrook binnenshuis (zie kader). Zij hebben er 2 keer zo vaak mee te maken als kinderen zonder armoederisico. Ook is het percentage jongeren van 12 tot 18 jaar dat dagelijks rookt onder de lage-inkomensgrens ruim 3 keer hoger als erboven. Alcoholgebruik in deze leeftijd komt juist in de groep met een hoger inkomen (32 procent) verhoudingsgewijs meer voor dan in de lage-inkomensgroep (13 procent). Het percentage 4- tot 18‑jarigen dat aan de Beweegrichtlijnen voldoet (zie paragraaf 5.3), verschilt niet tussen kinderen zonder en met armoederisico.

6.3.2 Leefstijl van kinderen tot 18 jaar, 2020/20221) (% kinderen)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
Overgewicht (4 tot 18 jaar) 29,1 23,6 13,2
Obesitas (4 tot 18 jaar) 9,5 7,9 2,5
Blootstelling aan tabaksrook 21,7 23,7 12,1
Rookt dagelijks (12 tot 18 jaar) 6,5 . 1,9
Alcohol gedronken in afgelopen jaar (12 tot 18 jaar) 13,3 . 31,6
Voldoet aan Beweegrichtlijnen (4 tot 18 jaar) 47,7 49,1 49,4
Bron: CBS, RIVM en Trimbos-Instituut (Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor)
1)De steekproefomvang is te klein om roken en alcoholgebruik van kinderen met langdurig armoederisico te tonen.

Blootstelling aan tabaksrook

Blootstelling aan tabaksrook wordt in de CBS-Gezondheidsenquête vastgesteld met de vraag: Hoe vaak wordt u/uw kind binnen blootgesteld aan tabaksrook van anderen? Voor kinderen tot 12 jaar antwoordt een van de ouders/verzorger(s). De antwoordopties zijn: 1) nooit of bijna nooit, 2) minder dan één keer per week, 3) minstens één keer per week, maar niet iedere dag, 4) elke dag, minder dan één uur per dag, 5) elke dag, één uur of meer per dag. Is het antwoord 3, 4 of 5 dan is er sprake van blootstelling aan tabaksrook.

Daling van jonge verdachten in 2020 en 2021

Het percentage verdachten (zie paragraaf 5.2) onder jongeren van 12 tot 18 jaar nam tot en met 2018 af. In 2019 nam dit percentage echter voor het eerst sinds jaren licht toe ten opzichte van het jaar daarvoor, om in 2020 en 2021 opnieuw te dalen (zie CBS StatLine, 2022a). Deze trend geldt voor jongeren zonder en jongeren met (langdurig) armoederisico.

Bij 12- tot 18‑jarigen is het verdachtenpercentage het hoogst onder de jongeren wonend in een huishouden met een langdurig laag inkomen. In 2021 daalde dit percentage naar 3,4 procent, waar dit in 2019 nog 4,5 procent was. Onder 12- tot 18‑jarigen die onder de lage-inkomensgrens leven, nam het aandeel verdachten van 2019 op 2021 af van 4,2 naar 3,3 procent. In de groep uit een huishouden zonder risico op armoede lag het verdachtenpercentage in 2021 op 1,3 procent, ten opzichte van 1,6 procent in 2019.

6.3.3 Verdachten onder jongeren van 12 tot 18 jaar (%)
Laag inkomen Langdurig laag inkomen Boven lage-inkomensgrens
2014 5,4 5,9 1,8
2015 5,2 6 1,7
2016 4,8 5,3 1,6
2017 4,1 4,6 1,5
2018 3,7 4,1 1,4
2019 4,2 4,5 1,6
2020 3,6 3,7 1,4
2021* 3,3 3,4 1,3

Jongeren tot 18 jaar die voor het eerst met de politie in aanraking komen voor een relatief licht vergrijp – vernieling, winkeldiefstal of vuurwerkoverlast – kunnen naar Halt verwezen worden voor een passende straf. Als zij deze straf met goed gevolg afronden, krijgen zij geen strafblad. Op deze manier worden jongeren geconfronteerd met de gevolgen van hun daden zonder direct met Justitie in aanraking te komen. Het aantal personen dat een Halt-straf afrondt, is na een stijging in de periode 2011–2019 in 2020 en 2021 gedaald. In 2021 rondden 10 030 jongeren een Halt-straf af (CBS StatLine, 2022b). Onder de jongeren uit een huishouden met een langdurig laag inkomen lag het percentage dat naar Halt werd verwezen op 1,5 procent in 2021. Onder jongeren met een laag inkomen was dit percentage vergelijkbaar, namelijk 1,4 procent. Van de jongeren uit een huishouden met een hoger inkomen kwam 0,7 procent bij Halt terecht. Deze percentages zijn sinds 2019 gedaald.

6.4Literatuur

Open literatuurlijst

Noten

Voor kinderen tot 12 jaar beantwoordt een van de ouders/verzorgers de vragen over ervaren gezondheid en beperkingen in de CBS-Gezondheidsenquête (zie paragraaf 5.2).

In deze publicatie wordt de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor gebruikt om indicatoren over leefstijl van kinderen tot 18 jaar te kunnen geven. De leefstijl van scholieren van 12 tot 17 jaar wordt onderzocht met het HBSC-onderzoek en het Peilstationsonderzoek Scholieren.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten