Foto omschrijving: Een buurtkastje (Ons Buurtkastje) waar mensen levensmiddelen en drogisterijartikelen kunnen achterlaten voor mensen die minder te besteden hebben.

Scroll naar Samenvatting

Samenvatting

In Armoede en sociale uitsluiting 2023 presenteert het CBS de nieuwste gegevens over de bevolking van Nederland die in financieel en sociaal opzicht is achtergebleven bij de rest. Door de financiële situatie ook in relatie tot sociale factoren te beschrijven, plaatst het CBS de armoedeproblematiek in een breed maatschappelijk perspectief. Om armoede af te bakenen is in deze publicatie voornamelijk gebruik gemaakt van de lage-inkomensgrens. Deze grens vertegenwoordigt door de tijd heen een vast koopkrachtniveau en wordt jaarlijks alleen aangepast voor de prijsontwikkeling. Bij een inkomen onder de lage-inkomensgrens spreekt het CBS van een huishouden met een laag inkomen of van een huishouden met risico op armoede. In 2022 lag de grens voor een alleenstaande op 1 200 euro per maand, voor een paar was dat 1 690 euro. Met twee minderjarige kinderen was de grens voor een paar 2 300 euro en voor een éénoudergezin 1 830 euro. In deze publicatie worden ook de beleidsmatige inkomensgrens en de Europese armoedegrens kort belicht. De laatste is gebruikt voor een internationale vergelijking van armoede of sociale uitsluiting.

Risico op (langdurige) armoede sterk gedaald

In 2022 moesten 335 duizend van de bijna 7,7 miljoen huishoudens rondkomen van een laag inkomen. Dat komt neer op 4,4 procent huishoudens met armoederisico. In 2021 was dat nog 6,3 procent. De sterke afname komt door de energiemaatregelen. Huishoudens met weinig inkomen kregen in 2022 naast korting op de energierekening een energietoeslag van veelal 1 300 euro. Zonder de energiemaatregelen zou het armoederisico ten opzichte van 2021 gestegen zijn, naar 7,7 procent.

Van de huishoudens met een laag inkomen moesten er 129 duizend al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen. Daarmee kwam het aandeel huishoudens met langdurig een laag inkomen uit op 1,8 procent in 2022. Dat is beduidend minder dan het aandeel van 3,0 procent in 2021. Eenoudergezinnen, alleenstaanden tot aan de AOW-leeftijd, huishoudens met een niet-Europese herkomst, bijstandsontvangers, laagopgeleiden en 55- tot 65‑jarigen zijn groepen die van oudsher kampen met een relatief hoog risico op (langdurige) armoede.

Meer huishoudens rond de lage-inkomensgrens

In vergelijking met recente jaren waren er in 2022 meer huishoudens met een inkomen net onder of boven de lage-inkomensgrens. De groep huishoudens met een inkomenstekort van 5 tot 10 procent was met 45 duizend ruim 4 keer zo klein als in 2021. Tegelijkertijd groeide de groep met een tekort van maximaal 5 procent. Ook boven de lage-inkomensgrens waren er verschuivingen. Zowel de groep met inkomen tot 5 procent als de groep met inkomen 5 tot 10 procent boven de grens werd groter, beide met ongeveer 33 duizend huishoudens. Vooral huishoudens met een uitkering kwamen door de energiemaatregelen in 2022 vaker dan voorheen net boven de lage-inkomensgrens uit.

Hoogste risico bij huishoudens met Syrische herkomst

Van de huishoudens met een hoofdkostwinner geboren in een niet-Europees land had 13,0 procent in 2022 te maken met een laag inkomen. Het aandeel met langdurig een laag inkomen bedroeg in deze groep 6,9 procent. Vluchtelingen uit Syrië die inmiddels de asielprocedure hebben doorlopen en een verblijfsvergunning hebben ontvangen, liepen met 34,1 procent het meeste risico. Het gros van deze huishoudens leeft vooral van de bijstand. Ook huishoudens met een hoofdkostwinner uit andere vluchtelingenlanden hebben een relatief groot armoederisico, evenals migrantenhuishoudens uit Marokko, Turkije, en de Nederlandse Cariben. Van de migrantenhuishoudens uit Europa springt de relatief kleine groep met een Bulgaarse herkomst er uit met een armoederisico van 15,8 procent.

Ook bij een in Nederland geboren hoofdkostwinner met één of beide ouders geboren in een niet-Europees land (de tweede generatie van niet-Europese herkomst) was het armoederisico van het huishoudens bovengemiddeld. De tweede generatie met een hoofdkostwinner van Europese herkomst had echter een relatief klein armoederisico. Bij een Nederlandse herkomst was het risico met 2,8 procent het allerlaagst.

Armoederisico gaat vaak samen met financiële problemen

Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens rapporteren vaker financiële problemen dan huishoudens met een hoger inkomen. Ze hebben vaker betalingsachterstanden (12 tegen 2 procent in 2022) en kunnen zich bepaalde uitgaven veelal niet veroorloven. Zo gaf 12 procent aan onvoldoende geld te hebben voor om de dag een warme maaltijd met vlees, vis of kip, 54 procent had niet genoeg geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Van elke 10 lage inkomens zeggen er bijna 4 (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen. Het aandeel huishoudens met armoederisico dat zei schulden te moeten maken kwam uit op ruim 14 procent in 2022. Van de huishoudens met een hoger inkomen was dat 3 procent. Lage inkomens komen bovendien vaker in de schuldsanering terecht dan hogere inkomens.

Zowel onder als boven de lage-inkomensgrens moesten huishoudens in 2022 vaker dan in 2021 hun spaartegoeden aanspreken. Bij de lage inkomens waren er meer huishoudens met betalingsachterstanden, vooral door een toegenomen aandeel dat om financiële redenen de elektriciteits-, water- of gasrekeningen niet tijdig kon betalen. Bij zowel lage als hogere inkomens verdubbelde het aandeel met onvoldoende geld om het huis te verwarmen, naar respectievelijk 25 en 6 procent in 2022. Ook waren beide groepen somberder over hun toekomstige financiële situatie dan in 2021.

1 op de 5 risicohuishoudens heeft een vermogensbuffer

Een huishouden met een laag inkomen kan door een vermogensbuffer toch voldoende financiële middelen hebben om in de basisbehoeften te voorzien. De vermogensbuffer moet dan wel direct beschikbaar (liquide) zijn. Het aandeel huishoudens met een laag inkomen die tevens weinig liquide vermogen hebben, kwam in 2022 uit op 3,4 procent. Dat is 1,0 procentpunt minder dan het aandeel met inkomensarmoede en betekent dat 74 duizend huishoudens voldoende direct beschikbaar vermogen hadden om hun inkomenstekort te compenseren.

Lage inkomens kampen met achterstanden op het sociale vlak

Onder mensen die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen ligt zowel het aandeel dat verdacht wordt van het plegen van een misdrijf als het aandeel dat slachtoffer is geworden van criminaliteit hoger dan onder mensen met een hoger inkomen. In 2021 bedroegen de cijfers respectievelijk 2,7 tegen 0,6 procent en 22,5 tegen 16,4 procent. Lage inkomens ervaren bovendien vaker sociale overlast in de buurt. Het gaat dan om overlast van rondhangende jongeren, overlast door buurtbewoners, overlast door dronken mensen op straat, drugsgebruik of drugshandel, of lastiggevallen worden op straat.

Daarnaast is er bij de lage inkomens sprake van een stapeling van gezondheidsproblemen. Mensen met een armoederisico geven aan een minder goede gezondheid en een ongezondere leefstijl te hebben: ze bewegen minder, roken meer en zijn vaker te zwaar dan personen met een hoger inkomen. Bovendien doen mensen met een laag inkomen minder mee in de samenleving: ze zijn minder vaak actief in een vereniging, doen minder vaak vrijwilligerswerk en voelen zich vaker eenzaam.

Zzp’ers het meest kwetsbaar voor armoede

Van de mensen met hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk maakte 1,7 procent (135 duizend werkenden) in 2022 deel uit van een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Dat is hetzelfde percentage als in 2021. Vanaf het piekjaar 2013 toen nog 3,5 procent van de werkenden een armoederisico had, daalde het percentage tot en met 2020 met gemiddeld 0,2 procentpunt per jaar. De koopkracht van werknemers steeg in 2022, die van zelfstandigen daalde. Werknemers liepen daardoor met 0,9 procent in 2022 minder risico op armoede dan een jaar eerder. Bij zelfstandigen met personeel (zmp’ers) en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) steeg het risico naar respectievelijk 2,9 en 5,9 procent.

Van de zmp’ers en zzp’ers met kans op armoede had een derde direct beschikbaar vermogen oftewel liquide vermogensmiddelen van ten minste 10 duizend euro. Ruim 14 procent van de zzp’ers en 12 procent van de zmp’ers kon een beroep doen op liquide middelen van 50 duizend euro of meer. Bij werknemers was dat 9 procent, en ook een liquide vermogen van minstens 10 duizend euro kwam bij hen met 22 procent minder vaak voor dan bij zelfstandigen.

Ruim 1 op de 20 kinderen woont in een risicogezin

In 2022 maakten 165 duizend minderjarige kinderen deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Dat komt neer op 5,2 procent van alle kinderen. Vanaf 2014, dus in de jaren na de vorige economische crisis is het aandeel kinderen met risico voortdurend gedaald. Ook het percentage kinderen dat deel uitmaakt van een huishouden met al minstens vier jaar een laag inkomen vertoonde een dalende trend. Wel zette deze daling pas later in. Het lang­durige armoederisico van minderjarige kinderen nam af van 3,7 procent in 2015 naar 2,2 procent in 2022.

Kinderen met een (langdurig) armoederisico zijn vaak afkomstig uit een eenoudergezin. Ook een niet-Europese herkomst komt veel voor. Bij de groep kinderen met een Syrische herkomst was het risico het grootst. Maar ook geïmmigreerde en tweede generatie kinderen uit de vluchtelingenlanden Iran, Irak, Afghanistan, Somalië en Eritrea hadden verhoogde risico’s. Dat was eveneens zo bij geïmmigreerde Marokkaanse en Turkse kinderen en bij Nederlands-Marokkaanse kinderen. Meestal moeten risicogezinnen vooral van een uitkering rondkomen. Bijna een kwart van de risicogezinnen betrok het inkomen voornamelijk uit werk.

Kinderen met armoederisico wonen overwegend in een sociale huurwoning. Vaker dan in gezinnen met een hoger inkomen is er in risicogezinnen onvoldoende geld voor een jaarlijkse vakantie, spellen of speelgoed, regelmatig uitjes buiten de deur of om de verjaardag te vieren. De gezondheid van risicokinderen is daarnaast minder goed. Ook komt crimineel gedrag onder hen vaker voor dan onder kinderen uit gezinnen met een hoger inkomen.

Hoogste armoederisico in Rotterdam

In 2022 was het aandeel huishoudens met een laag inkomen het hoogst in Rotterdam (8,7 procent), gevolgd door Den Haag (8,1 procent), Heerlen (7,2 procent), Vaals (6,9 procent) en Enschede (6,8 procent). De overige gemeenten in de top tien waren: Nijmegen, Leeuwarden, Maastricht, Amsterdam en Kerkrade. In Rotterdam was de kans op langdurige armoede met een aandeel van 4,4 procent eveneens het grootst. Den Haag, Vaals, Heerlen en Enschede volgden met percentages van rond 3,5 procent. Aanvullend op het landelijke beleid treffen de meeste gemeenten specifieke maatregelen ter bestrijding van armoede in hun gemeente. Deze regelingen zijn niet in de CBS-cijfers verdisconteerd.

Binnen EU scoort Nederland gunstig in risico op armoede of sociale uitsluiting

Van de bevolking in de Europese Unie liep 17 procent in 2021 volgens de Europese armoedegrens (60 procent van het mediane gestandaardiseerde besteedbaar inkomen in een lidstaat) risico op armoede. Bijna 22 procent had te maken met kans op armoede of sociale uitsluiting. Dat betekent dat het inkomen lager is dan de Europese armoedegrens, er ernstige financiële of sociale beperkingen zijn, of de economische activiteit van de huishoudensleden die kunnen werken gering is. Nederland steekt in beide ranglijsten met respectievelijk 14 en bijna 17 procent gunstig af ten opzichte van de andere lidstaten. Voor wat betreft het armoederisico waren in tien lidstaten de percentages lager. In Tsjechië was met bijna 9 procent het armoederisico het kleinst. Bij de kans op armoede of sociale uitsluiting stond Nederland op de vijfde plek, na Tsjechië (met 11 procent opnieuw het laagste aandeel), Slovenië, Finland en Slowakije.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Judit Arends

Koos Arts

Marion van den Brakel

Moniek Coumans

Mitchell Dost

Kai Gidding

Jamie Graham

Bart Huynen

Saskia Janssen-Jansen

Kim Knoops

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Wim Vissers

Redactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten